Tag: geschiedenis van de neerlandistiek

Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?

Gegroet, vrienden van de verscheiden neerlandici! Welkom bij de vierde aflevering van onze nieuwe slowquiz, waarin het niet gaat om het snelste of het beste antwoord, maar om de bevrediging die een weldoordacht of snedig verhaal ons allen oplevert. U krijgt het hele lijstje van neerlandici die we de komende week gedenken. Als u een verhaal hebt over een van hen, voegt u het bij de reacties toe. Het mag ook een persoonlijke herinnering zijn aan de confrontatie met zijn of haar werk, als het maar aardig is om te lezen. Aarzelt u niet om uw persoonlijke herinneringen met de community te delen: de mensen kunnen alleen in uw verhalen echt voortleven. Wie heeft er bijvoorbeeld nog college gehad van Karel Reijnders of van Marijke Spies?

Op deze manier richten we het komende jaar een op gedenksteen in verhalen op voor al onze verscheiden neerlandici. Leest u vooral ook de vorige afleveringen met spannende verhalen over Piet Paardekooper, Ton Vallen, Carel Swinkels, Jac van Ginneken, Enno Endt en Jozef Vercoullie.

En u kunt natuurlijk ook nog altijd omissies in onze lijst signaleren!

Dit zijn de neerlandici die wij de komende week gedenken:

Wat weet u nog van hen?

Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?

Gegroet, vrienden van de verscheiden neerlandici! We zijn alweer toe aan de derde aflevering van onze nieuwe slowquiz, waarin het niet gaat om het snelste of het beste antwoord, maar om de bevrediging die een weldoordacht of snedig verhaal ons allen oplevert. U krijgt het hele lijstje van neerlandici die we de komende week gedenken. Als u een verhaal hebt over een van hen, voegt u het bij de reacties toe. Het mag ook een persoonlijke herinnering zijn aan de confrontatie met zijn of haar werk, als het maar aardig is om te lezen.

Op deze manier richten we het komende jaar een op gedenksteen in verhalen op voor al onze verscheiden neerlandici. Leest u vooral ook de vorige afleveringen met spannende verhalen over Ton Vallen, Carel Swinkels, Jac can Ginneken, Enno Endt en Jozef Vercoullie.

En u kunt natuurlijk ook nog altijd omissies in onze lijst signaleren!

Dit zijn de neerlandici die wij de komende week gedenken:

Wat weet u nog van hen?

Toen de phonologie in de N.R.C. stond

Door Marc van Oostendorp

Ooit waren fonologen – ik ben een fonoloog, ik bestudeer de klanken van het Nederlands – de grote helden van de taalwetenschap. In de jaren twintig en dertig kon je als jonge ambitieuze taalkundige niets beter doen dan fonologie bestuderen. Dát was waar de nieuwe taalwetenschappelijke inzichten konden worden bestudeerd! Dát was waar alle groten van, bijvoorbeeld, de Nederlandse taalkunde zich op richten.

In 1939 werd daarom de Phonologische Werkgemeenschap opgericht. Omdat de administratie daarvan eerst werd gedaan door P.J. Meertens en later door Jo Daan, die hoofd dialectologie was op het instituut waarvan Meertens de directeur was, bevinden die archieven zich op het Meertens Instituut. Het is voor een taalkundige een ontroerend moment om zo’n map open te slaan en daar zoveel bekende namen te zien: Nicolaas van Wijk, Jac. van Ginneken, Berend van den Berg, Klaas Heeroma, P.J. Meertens en Jo Daan; Branco van Dantzig, de ‘moeder van de logopedie’, die een paar jaar later in Auschwitz zou worden vermoord. Lees verder >>

De Baur die niet sterft

Herinnering aan een pionier van de moderne letterkundige neerlandistiek

Door Yves T’Sjoen

Op 20 april jongstleden was het dag op dag honderddertig jaar geleden dat de Gentse neerlandicus Frank Baur (1887-1969) is geboren. Zonder ‘Slowquiz’ op neerlandistiek.nl, onlangs geïnitieerd door Marc Beerens, was het geboortejaar mij eerlijk gezegd ontgaan. Opzet van het nieuwe initiatief is “verschillende neerlandici aan wie mensen nog persoonlijke herinneringen hebben, of van wie mensen nog anekdotes uit de eerste of tweede hand kennen” voor het voetlicht te brengen. Ik heb geen persoonlijke herinneringen aan professor Baur. Hij is in het roerige academiejaar 1968-1969 overleden, op het moment dat ik mijn eerste woordjes leerde en professor Antonin van Elslander als decaan van de faculteit Letteren en Wijsbegeerte poogde de verhitte studentengemoederen te bedaren.

Voor het Bio- en bibliografisch lexicon van de neerlandistiek heeft professor Anne Marie Musschoot het lemma verzorgd over Frank Baur. Daarin kunnen we lezen dat de welbespraakte en bij studenten en collega’s geliefde hoogleraar een eminent Gezelliaan was én kenner van het werk van de flamingantische dichters Albrecht Rodenbach en René de Clercq. Later is de auteursgerichte onderzoekstraditie in Gent overigens voortgezet. Cyriel Buysse, Richard Minne, Maurice Gilliams, Karel van de Woestijne en ook de Vlaamse Vijftigers en ‘Vijfenvijftigers’ kregen de voorbije decennia uitgebreid aandacht. De negentiende eeuw en de (literaire) nalatenschap van cultuurflamingant Jan-Frans Willems genoten aan de UGent meer dan gewone belangstelling. Filologisch onderbouwde tekstuitgaven bezorgden en bezorgen de literaire productie van deze actoren een Nachleven en bekendheid bij generaties studenten. Lees verder >>

Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?

Gegroet, vrienden van de verscheiden neerlandici! Welkom bij de tweede aflevering van onze nu al succesvolle nieuwe slowquiz, waarin het niet gaat om het snelste of het beste antwoord, maar om de bevrediging die een weldoordacht of snedig verhaal ons allen oplevert. U krijgt het hele lijstje van neerlandici die we de komende week gedenken. Als u een verhaal hebt over een van hen, voegt u het bij de reacties toe. Het mag ook een persoonlijke herinnering zijn aan de confrontatie met zijn of haar werk, als het maar aardig is om te lezen.

Op deze manier richten we het komende jaar een op gedenksteen in verhalen op voor al onze verscheiden neerlandici. Leest u vooral ook de vorige aflevering met spannende verhalen over Van Ginneken, Enno Endt en Jozef Vercoulli (wiens naam niet als ‘Verkoeje’ wordt uitgesproken).

En u kunt natuurlijk ook nog altijd omissies in onze lijst signaleren, die inmiddels is bijgewerkt tot toch al 225 verscheiden neerlandici.

Dit zijn de neerlandici die wij de komende week gedenken:

Wat weet u nog van hen?

Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?

Gegroet, beste vrienden van de verscheiden neerlandici! Bijna een jaar lang hebben we met elkaar gequizt op het scherp van de snede. We hebben gelachen, en af en toe een traantje gelaten. We zijn door diepe dalen van teleurstelling gegaan als telkens weer net op het moment dat wij ons antwoord wilden intikken, iemand (meestal Marc Beerens) ons met de juiste oplossing voor was, maar wij hebben ons ook intens verheugd in de herinnering aan die kleurrijke stoet van onze grote voorgangers.

Desalniettemin lijkt de sleet er een beetje op. De laatste weken leek Marc Beerens zowat de enige deelnemer. De voorlaatste week werden er verschillende alternatieve oplossingen aangedragen die allemaal goed waren maar niet degene die bedoeld werd, en het dieptepunt beleefden we de vorige week, toen niemand op het idee kwam dat Arie de Jager de gezochte neerlandicus was (toch een naam die het waard is om in onze herinnering voort te leven).

Wellicht is het daarom tijd om het roer om te gooien, en meer mensen de gelegenheid te geven om mee te doen. De globale winnaar van het afgelopen jaar, Marc Beerens, heeft ons zelf het idee aan de hand gedaan: er zijn natuurlijk verschillende neerlandici aan wie mensen nog persoonlijke herinneringen hebben, of van wie mensen nog anekdotes uit de eerste of tweede hand kennen. Waar kun je dergelijke verhalen beter delen dan binnen de vertrouwde gemeenschap van neerlandici die wij hier bij Neerlandistiek opgebouwd hebben? Daarom starten wij vanaf deze tweede Paasdag onze

Slowquiz

In onze nieuwe slowquiz gaat het niet om het snelste of het beste antwoord, maar om de bevrediging die een weldoordacht of snedig verhaal ons allen oplevert. U krijgt het hele lijstje van neerlandici die we de komende week gedenken. Als u een verhaal hebt over een van hen, voegt u het bij de reacties toe. Het mag ook een persoonlijke herinnering zijn aan de confrontatie met zijn of haar werk, als het maar aardig is om te lezen.

Op deze manier richten we het komende jaar een op gedenksteen in verhalen op voor al onze verscheiden neerlandici.

En u kunt natuurlijk ook nog altijd omissies in onze lijst signaleren.

Dit zijn de neerlandici die wij de komende week gedenken:

Wat weet u nog van hen?

‘Op Verwey afstappen? Zo’n snotneus als ik?’

Gesprek met Johan W. van Hulst

door Marieke Winkler

Mijn opa werd geboren in 1900. Dat maakte het erg makkelijk zijn leeftijd te onthouden – hoewel het niet zoveel uitmaakte hoe oud hij precies was want voor mij was opa Winkler altijd al stokoud. Hij overleed in 1994. Ik was tien. Vandaag had ik een afspraak met meneer Van Hulst, de oudste bewoner van het verzorgingstehuis waar een goede vriend van mij fysiotherapeut is. Meneer Van Hulst is geboren in 1911. Dat betekent dat hij meer dan drie keer zo oud is als ik nu ben. Ik kan mij niet voorstellen hoe oud dat is. Het idee dat iemand al langer dan een eeuw op de aarde rondloopt is amper te bevatten.

Nog op 95-jarige leeftijd schreef Van Hulst een artikel over de dichter Albert Verwey. Hierin betoogt hij aan de hand van vele passages uit Verweys gedichten waarin naar ‘het Boek’ wordt verwezen dat Verwey zijn religieuze opvoeding nooit verloochend heeft. Een nogal tegendraadse opvatting. De Tachtigers, waartoe Verwey behoorde, zijn immers de boeken ingegaan als de dichters die Schoonheid op de plaats van God zetten en de dichter tot Christusfiguur maakten. Toen Van Hulst vernam dat er op dit moment door een veel jongere neerlandicus onderzoek wordt gedaan naar Verwey, veerde hij op in zijn rolstoel. Ik kreeg het artikel thuisbezorgd en moest maar eens komen praten. Lees verder >>

Schrijnens Handleiding honderd jaar

Door Michiel de Vaan

Honderd jaar geleden verscheen bij Sijthoff in Leiden de Handleiding bij de studie der Vergelijkende Indogermaansche Taalwetenschap, vooral met betrekking tot de Klassieke en Germaansche Talen. Het is een van de weinige Nederlandstalige handboeken van het Indo-Europees geweest, en een van de mijlpalen in de geschiedenis van de Nederlandstalige Indogermanistiek. Een beknopte voorganger was Uhlenbeck 1894, de voorlopig laatste representant van dit genre was Beekes 1990. Die heeft van zijn eigen boek vijf jaar later een Engelstalige versie gemaakt, en het valt niet te verwachten dat een nieuwe Nederlandstalige inleiding nog snel zal verschijnen. In die zin is het een kortlevend genre geweest. Alleen dat al is een reden om even aandacht te schenken aan het jubileum van Schrijnens Handleiding.

De Persoon

Schrijnen heeft op verschillende taalkundige terreinen zijn sporen verdiend. Aan de Indo-Europese taalkunde in het algemeen heeft hij de term “s-mobile” geschonken heeft, die nog steeds in gebruik is voor het verschijnsel dat veel Indo-Europese wortels soms met en soms zonder begin-s verschijnen, bijv. Latijn in teg-ō maar Grieks stég-ō ‘ik bedek’ (Schrijnen 1891, 1937). Verder was hij de eerste die officieel de “algemene taalwetenschap” tot leeropdracht kreeg: in Utrecht in 1921 als buitengewoon hoogleraar, in Nijmegen vanaf 1923 als ordinarius. Ook bemoeide hij zich intensief met de Nederlandse dialectologie, vooral met de Limburgse. Lees verder >>

Henk Schultink en Anne Frank. Uit een vooroorlogs verleden

Door Jan Noordegraaf

Op 7 januari j.l. overleed de Utrechtse emeritus hoogleraar Algemene Taalwetenschap Henk Schultink. Hij is 92 jaar oud geworden. De gang van zaken op het gebied van de neerlandistiek is hij altijd met belangstelling blijven volgen. Zo was hij vanaf 1963 lid van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden.

Enige tijd geleden werd ik door een bevriende oud-student geattendeerd op een foto die sommige Neerlandistieklezers waarschijnlijk wel kennen, maar die ik bij wijze van in memoriam vandaag toch nog eens naar voren haal. Over deze opname, die uit 1938 dateert, wilde ik Schultink nog wat nadere gegevens ontlokken, maar door omstandigheden kon mijn bezoek aan hem geen doorgang meer vinden. Het gaat om deze foto:

afs_a_afrank_iii_036

Lees verder >>

Flitsquiz: Welke neerlandici gedenken we de komende week voor u?

Gegroet, vrienden van de verscheiden neerlandici! We naderen de koude wintermaanden, waarin meerdere neerlandici in het verleden ons ontvallen zijn. Gelukkig bieden de lange winteravonden en uitgebreide vakanties ampele gelegenheden om ons te verdiepen in de bloemrijke geschiedenis van de neerlandistiek.

Ik ga het deze week allemachtig moeilijk maken, dat beloof ik u. Ik ga ten eerste een beetje vals spelen, omdat ik de sterfdagen van twee neerlandici naar voren wil halen die niet eens helemaal in de komende week vallen, en ten tweede ga ik een publicatie noemen die u vast niet kunt vinden, maar die echt bestaat (want ik heb hem in bezit).

Het gaat om twee neerlandici die, weliswaar in totaal verschillende jaren, op twee opeenvolgende data gestorven zijn. De eerste schreef een bekende grammatica (waarover latere taalkundigen oordeelden dat er achteraf geen enkele taalkundige verdienste in zat), en de ander schreef daar een uitvoerig commentaar op (in de categorie ‘fileren’).

Over welke twee neerlandici heb ik het, en om welke publicaties gaat het?

HB: DE FLM

Door Marc van Oostendorp

Afgelopen vrijdag nam Hans Bennis afscheid als directeur van het Meertens Instituut. Ter gelegenheid daarvan maakten Femke Niehof en ik een korte documentaire over hem: HB, met medewerking van veel bekende taalkundigen en neerlandici zoals Geert Booij, Marjo van Koppen, Frits van Oostrom en Gertjan Postma.

De film is natuurlijk ook interessant voor wie meer wil weten over de nieuwe algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie.

Ook Femke gaat trouwens helaas weg van het Meertens Instituut. Ze wordt per 1 januari adviseur wetenschapscommunicatie bij de Faculteit der Geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht. Ze halen daar (alweer) een groot talent binnen!

HB FLM from Meertens Instituut on Vimeo.

De zoon van D.C. Hesseling. Een familiegeschiedenis

Door Jan Noordegraaf

hesselingDe Leidse hoogleraar D.C. Hesseling (15 juli 1859 – 6 april 1941) heeft weliswaar geen Nederlands gestudeerd, maar in de loop van zijn werkzame leven heeft hij zich ook intensief bezig gehouden met de neerlandistiek in de ruime zin van het woord. Meer dan twintig jaar lang was Hesseling bijvoorbeeld redacteur van het Tijdschrift voor Nederlandsche taal- en letterkunde. Eind september 1925 schreef hij een briefje aan de secretaris van de Commissie voor Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, WNT-redacteur Reinier van der Meulen (1882-1972). Daarin liet hij weten dat hij ‘wegens toenemende doofheid’ ontslag wilde nemen als lid van de Commissie, die hem, ‘een dilettant’ op het gebied van de Nederlandse taal en letterkunde, altijd met ‘voorkomendheid’ tegemoet was getreden.

In taalkundige kringen geldt Derk Hesseling nog steeds als ‘de ontginner van alle Nederlandsche Creoliseringen’ – het woord is van Jac. van Ginneken. Lees verder >>

In forjitten iisbrekker

Door Cefas van Rossem

Al die onbekende beroemdhedenAfgelopen vrijdag, 20 mei, verscheen Al die onbekende beroemdheden, 250 jaar Maatschappij der Nederlandse Letterkunde (Van Kalmthout e.a. red.), waarvan alleen de uitgave al mooi is. In de trein vanuit Leiden terug naar Arnhem heb ik meteen gecontroleerd of de held van mijn doctoraalscriptie een plekje had kunnen veroveren. Het is gelukt: twee keer wordt er verwezen naar Annaeus Ypeij, de schrijver van het eerste boek over de geschiedenis van het Nederlands (1812, 1832).

Marleen de Vries noemt Annaeus Ypeij voor het eerst op p. 47:

“Annaeus Ypey, eveneens predikant en kennelijk ook ruim in zijn vrije tijd zittend, bood het genootschap op 5 februari 1813 een exemplaar aan van zijn Beknopte geschiedenis der Nederlandsche taal dat hij had opgedragen aan de Maatschappij. Het bestuur oordeelde deze prestatie een ‘gouden eerepenning’ waard. Het uitbreiden van de bibliotheek was ook zo’n mogelijkheid om het Nederlandse erfgoed bij elkaar te houden.”

Het verhaal achter deze Geschiedenis der Nederlandsche Tale (1812) is echter veel interessanter dan dit citaat doet vermoeden. Lees verder >>

Maatschappij der Nederlandse Letterkunde viert 250-jarig jubileum

ereleden-maatschappij-letterkundeKoning Willem-Alexander woonde op vrijdag 20 mei in Leiden het 250-jarig jubileum Maatschappij der Nederlandse Letterkunde bij.

Koning Willem-Alexander is beschermheer van de jubilerende Maatschappij. In het Academiegebouw van de Universiteit Leiden overhandigde Ton van Kalmthout hem het jubileumboek Al die onbekende beroemdheden. Nadat hij het boek in ontvangst nam, poseerde de koning uitgebreid met de juist daarvoor benoemde ereleden van de Maatschappij.

Belang van de letterkunde

In het boek schetsen enkele auteurs onder redactie van literatuurwetenschapper Van Kalmthout samen met Peter Sigmond en Aleid Truijens een uitgebreid beeld van de Maatschappij sinds haar oprichting. De titel is ontleend aan een uitspraak van schrijver Multatuli, die eens bedankte voor het lidmaatschap. Hij zou zich gecompromitteerd voelen tussen al die onbekende beroemdheden, luidde zijn toelichting. Toch zijn ook op het grote wereldtoneel de werkzaamheden van de leden van de Maatschappij allerminst futiel, betoogde Van Kalmthout: in hun stille studeerkamers werken zij aan de boeken van de vrede.

Lees verder >>

Mag je frisisten beledigen?

Door Marc van Oostendorp


Kun je je als taalwetenschapper ook met goed fatsoen mengen in taalpolitieke strijd? Voor de frisiste Tony Feitsma (1928-2009) was dit nauwelijks een vraag. Haar leven was gewijd aan het Fries en moet tot de nok gevuld zijn geweest met de Friese taal en de Friese letteren: vol onderzoek, maar ook vol strijd.

Over zo iemand kun je natuurlijk makkelijk een boek vullen en dat hebben vier frisisten onlangs dan ook gedaan: Wittenskip en beweging, waarin ze studies door deskundigen verzamelden over allerlei aspecten van het werk.

Het is een interessant boek, maar ook een beetje een gemiste kans.
Lees verder >>

200 jaar Groningse neerlandistiek

Op vrijdag 20 november viert de afdeling NTC van de RUG 200 jaar Groningse neerlandistiek met een dagprogramma in de Senaatskamer van het Academiegebouw en een feest in Huis De Beurs. Rode draad in het dagprogramma is de inwijdingsredevoering waarmee Barthold Henrik Lulofs op 15 november 1815 als eerste hoogleraar de leerstoel Nederlandsche Letterkunde en Welsprekendheid aanvaardde. Studenten dragen passages uit Lulofs’ redevoering voor, hoogleraren belichten de geschiedenis van de vakbeoefening in Groningen en jonge onderzoekers vertellen over hun bijdragen aan de neerlandistiek. Het dagprogramma wordt afgesloten met een paneldiscussie over de praktijk en de toekomst van de opleiding Nederlandse Taal en Cultuur. Het programma en informatie over aanmelding vind je hier.
 

Becanus’ tomeloze geestdrift voor de geesteswetenschappen

Door Marc van Oostendorp

Johannes Goropius Becanus wordt in inleidende colleges taalwetenschap wel ingezet om even lekker te lachen. Deze zestiende-eeuwse geleerde had immers voorgesteld dat Adam en Eva in het paradijs Nederlands gesproken hadden, dat het Nederlands dus de oudste en de meest eerbiedwaardige taal was, waar andere talen slechts verbasteringen van waren?

Over vier jaar wordt het vijfhonderdste geboortejaar van deze bespotte allround-intellectueel – behalve taalonderzoeker was hij in ieder geval ook nog een gezien arts en historicus – gevierd. Uitgeverij Verloren lijkt nu in te zetten op een soort Becanus-revival en geeft maar liefst twee boeken uit over hem: een biografie van Eddy Frederickx en Toon Van Hal, en een bloemlezing uit Becanus’ twee belangrijkste overgeleverde werken, de Origines Antwerpianae en de Opera.

Toon Van Hal lijkt in zijn biografie – een herschreven en uitgebreide versie van een onuitgegeven werk van Eddy Frederickx – een enkele keer in te zetten op een soort eerherstel voor Becanus, maar dat lukt maar ten dele.
Lees verder >>

De neerlandistiek: een echt vak

Door Marc van Oostendorp


De neerlandistiek, dát is pas een vakgebied! Dat is de strekking van een lekker dwars artikel van Gert-Jan Johannes in het nieuwe boek The Practice of Philology in the Nineteenth Century Netherlands. Johannes neemt er het ontstaan van de neerlandistiek voor zijn rekening, en komt tot een opvallende conclusie: we mogen dan tegenwoordig wel denken dat de betavakken pas echte vakken zijn, met hun eigen methodologie en nauw omlijnde vakgebied, maar eigenlijk zijn dat maar de knotwilgen onder de disciplines. Juist de historisch gegroeide kronkeligheid en veelvormigheid en voortdurende wendbaarheid maakt van geesteswetenschappen zoals de neerlandistiek pas een echt vak.

Johannes laat zien dat die veelvormigheid er vanaf het begin bewust is ingebracht. De eerste officiële hoogleraar Nederlands, Matthijs Siegenbeek (1774-1854) had formeel alleen de Nederlandse welsprekendheid tot leeropdracht, maar hij was vastbesloten het daar niet bij te laten en nam allerlei taal- en letterkundige onderwerpen ter hand.

Pas in de loop van de negentiende eeuw werden er pogingen gedaan om het vak ‘wetenschappelijker’ te maken.
Lees verder >>

Niemand lacht met professor Kinker

Over neerlandistiek in Luik

Door Marc van Oostendorp

De laatste keer in Luik was ik misselijk. Ik had er gesolliciteerd op een baan bij de vakgroep Nederlands – de vakgroep die het dichtst bij Roermond was, waar ik toen woonde. Van de sollicitatie herinner ik me vooral dat ik na afloop heel veel Curtius heb gedronken. En dat ze de baan aan Per van der Wijst hebben gegeven, wat natuurlijk volkomen terecht was.

Die afdeling Nederlands bestaat bijna tweehonderd jaar. Volgens het jubileumboek van Guy Janssens met medewerking van Kris Steyaert, die allebei in Luik werken, is het de oudste afdeling neerlandistiek extra muros (buiten het Nederlandse taalgebied): in 1817 trok de Amsterdamse hoogleraar Johannes Kinker naar de stad. (Ik geloof dat dit het eerste jubileumboek is dat ik ooit las dat drie jaar voor het feitelijke jubileum verschenen is.)

Kinker moet een interessante man geweest zijn.
Lees verder >>

Pas verschenen: Tweehonderd jaar neerlandistiek aan de Université de Liège

De eerste hoogleraar Nederlands aan de Université de Liège, de Amsterdammer Johannes Kinker, werd benoemd op 24 juni 1817. Hij was de allereerste extramurale professor in de neerlandistiek, buiten het Nederlandse taalgebied dus. Het aantal Waalse studenten dat bij Kinker en diens opvolgers in de voorbije bijna tweehonderd jaar college heeft gevolgd, loopt in de vele duizenden.

Dit boek traceert de evolutie van het onderwijs en het onderzoek van de Nederlandse taal en letteren aan de Luikse universiteit, van 1817 tot vandaag. Het besteedt aandacht aan de opeenvolgende hoogleraren en wetenschappelijk medewerkers en aan het verenigingsleven en de tijdschriften van de studenten. Dat alles tegen de achtergrond van de staatkundige, politieke, sociale en culturele geschiedenis. Ook wordt de plaats behandeld van de Luikse neerlandistiek binnen het bredere vakgebied en in verhouding tot de grote stromingen of trends in de taal- en literatuurwetenschap. Ter afsluiting worden enkele belangrijke uitdagingen belicht voor de Luikse neerlandici in de nabije toekomst.

Tweehonderd jaar neerlandistiek aan de Université de Liège: Een geschiedenis van de oudste extramurale leerstoel Nederlands
Guy Janssens, m.m.v. Kris Steyaert
ISBN 978 90 334 9611 0 // 2014 // 200 blz. // 24,50 EUR

Voor de inhoudsopgave en een proefhoofdstuk, zie de volgende link:
http://www.acco.be/uitgeverij/nl/publication/9789033496110/tweehonderd+jaar+neerlandistiek+aan+de+universite+de+liege.een+geschiedenis+van+de+oudste+extramurale+leerstoel+nederlands

Korte geschiedenis van neerlandistiek.nl (3 en slot): hoe het eindigt

Door Marc van Oostendorp

Waarom ging het mis? De eerste twee jaargangen waren eigenlijk best aardig, met redelijk veel goede artikelen over een grote variëteit aan onderwerpen. Sommige van die artikelen worden geloof ik ook nog wel geciteerd. Ook later was er af en toe een opleving, maar je ziet de vloed langzaam afnemen en uiteindelijk vrijwel opdrogen.

 Op een bepaald moment, ik denk een jaar of vijf geleden, organiseerde de KNAW een bijeenkomst over open access. Dat werd toen ineens een belangrijk begrip zodat belangrijke mensen er ineens toespraken over hielden.

Op die bijeenkomst noemde Wiljan van den Akker, toen nog directeur bij de KNAW, ons blad ineens als voorbeeld. “In dat AiO-blaadje ga ik niet schrijven,” sprak hij.

Lees verder >>

Korte geschiedenis van neerlandistiek.nl (2): De mislukkingen

Door Marc van Oostendorp

We wilden niet alleen een wetenschappelijk tijdschrift maken dat de neerlandistiek weer bij elkaar zou brengen. We wilden ook niet alleen laten zien dat een tijdschrift ook gratis kon zijn – echt gratis, voor zowel de lezers als de schrijvers. We wilden, als we dan ook aan de gang waren, meteen wat experimenteren met de vorm.

Sommige van die experimenten lukten. Er waren mensen die beweerden dat peer review in sommige disciplines nooit geaccepteerd zou worden. Inmiddels hebben geloof ik bijna alle serieuze bladen peer review.

Interessanter zijn de mislukkingen.
Lees verder >>

Korte geschiedenis van Neerlandistiek.nl (1)

Door Marc van Oostendorp

Binnenkort valt het doek over het elektronisch tijdschrift Neerlandistiek.nl. Hoog tijd dat de geschiedenis van dit roemruchte initiatief nu eindelijk eens beschreven wordt. Dat ga ik de komende dagen doen in een heel korte serie. 
Ik was er niet van het allereerste begin bij. Dat begin was tijdens een strandwandeling – of een boswandeling, daar wil ik vanaf wezen – ergens in het jaar 2000 van de jonge morfoloog Matthias Hüning en de al even jonge letterkundige Johan Koppenol. Zoals dat gaat, bespraken zij hoe het ging met de wetenschappelijke tijdschriftenmarkt. 
Zij waren toen nog geen professor, en zij zagen twee problemen. 

Lees verder >>

Boekaankondiging Neerlandistiek in beeld

Op 31 mei 2013 verschijnt Neerlandistiek in beeld, dat gaat over de ontwikkeling van het universitaire vak ‘Nederlands’. Met wisselend accent bestaat het al ruim twee eeuwen uit de vakgebieden letterkunde, taalkunde en taalbeheersing. Hoezeer die vakgebieden in de loop der tijd ook uit elkaar zijn gegroeid en zelf weer in specialismen verdeeld geraakt zijn, de interesse in taal en taalgebruik is gemeenschappelijk gebleven.

Ruim veertig vakgenoten belichten in dit boek de geschiedenis van hun specialisme: welke onderzoeksvragen zijn er gesteld, welke methoden van onderzoek zijn er gevolgd en welke perspectieven hebben oudere benaderingen mogelijk nog steeds te bieden. Vooropstaat een essay van Jan Noordegraaf, die de eenheid van het vak ‘Nederlands’ in historisch perspectief plaatst. Het boek is samengesteld om bij zijn afscheid van de Vrije Universiteit Amsterdam zijn grote verdiensten te markeren voor het onderzoek van de geschiedenis van de neerlandistiek.

Lees verder >>

Jac. van Ginneken: Jodenhaat of plagiaat?

Wanneer ik oud en der dagen zat ben, trek ik me terug en schrijf een biografie over Jac. van Ginneken S.J. (1877-1945), de kleurrijkste taalkundige die Nederland gekend heeft: iemand die in zijn tijd zo ongeveer alle vormen van taalwetenschap beoefende, vooral als ze nieuw en uitdagend waren – die fonetische experimenten uitvoerde door menselijke spraak met roetwalmen op papier vast te leggen, persoonlijk contact onderhield met de beroemdste geleerden uit zijn vak, maar er ook nog allerlei bizarre ideeën op nahield die geen van hen deelden, en die in zijn vrije tijd ook nog katholieke vrouwenverenigingen oprichtte. (Ik heb af en toe over hem geschreven; dit jaar nog in Onze Taal en in Neder-L.)

Nu verscheen vorige maand een proefschrift van Gerrold van der Stroom, een van de Van Ginneken-kenners die er in Nederland zijn. Het boek heet Jac. van Ginneken onder vuur. Over eigentijdse en naoorlogse kritiek op de taalkundige J.J.A. van Ginneken (1877-1945). 


De titel is dubbelzinnig. Volgens Van der Stroom heeft Van Ginneken na de oorlog om de verkeerde redenen ‘onder vuur’ gelegen.
Lees verder >>