Tag: geschiedenis van de neerlandistiek

Hugo Verdaasdonk: spelbreker en vernieuwer

Herinneringen aan de meedogenloze methodologenstrijd aan de Amsterdamse universiteit

Door Marita Mathijsen

Hugo Verdaasdonk (1945-2007)

Het laatste nummer van TNTL is helemaal gewijd aan de toekomst van de Neerlandistiek. Het openingsartikel van Lotte Jensen en Rick Honings gaat over drie historische crisismomenten in de Neerlandistiek. Jensen en Honings laten het eerste crisismoment beginnen bij een artikel van Marijke Spies dat in de Spektator van mei 1974 verscheen. Spies schreef over het ontbreken van methodologische grondslagen aan de literatuurbeoefening en over het gebrek aan discussie daarover.

Spies’ artikel heeft echter naar mijn waarneming minder invloed gehad dan de artikelen van Hugo Verdaasdonk, die in de eerste en tweede jaargang van De Revisor (1974-1975) verschenen. Bij het afscheid van Ton Anbeek als hoogleraar aan de Leidse universiteit in 2005 heb ik een redevoering gehouden over de veranderingen in de academische Neerlandistiek in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Mijn optiek was vanuit Amsterdam bepaald, maar kan naar de hele academie getrokken worden, want de vernieuwingen, inclusief die van Spies, kwamen daarvandaan. Ik geef hieronder een verkorte versie van mijn toespraak indertijd, die dus het verleden van de Amsterdamse Neerlandistiek schetst, voor zover ik dat zelf heb meegemaakt. Lees verder >>

Een merkwaardig geval van plagiaat: G. Brom en P. Peters

Door Renaat J.G.A.A. Gaspar

Soms leidt de nadere uitpluizing van een bronvermelding tot een onverwacht resultaat. Zoals nu: een vreemd voorval in het verleden van de neerlandistiek c.q. de kunstgeschiedenis is aan de vergetelheid onttrokken.

Toen ik enkele jaren geleden bij de inleidende bespreking van de digitale uitgave van Cornelis de Bruyn, Reizen… (1698) moest bedenken, waarmee zijn werk het best gekarakteriseerd kon worden, schoot mij een uitspraak te binnen die ik als scholier in de literatuurles had gehoord en goed in de oren geknoopt: De Nederlander schildert met de rechter- en schrijft met de linkerhand.

Tot besluit van de inleiding op zijn werk schreef ik dus:

Het uiteindelijke resultaat van deze Reizen van Cornelis de Bruyn is dan ook: veel oogstrelende gravures en veel kijkgenot, maar weinig heldere taal en weinig leesplezier. Je kunt er bijgevolg niet omheen, dat op de kunstenaar Cornelis de Bruyn dit aforisme uitermate treffend van toepassing is: De Nederlander schildert met de rechter- en schrijft met de linkerhand.

[Zie DBNL]

Als bronvermelding voor de bovenvermelde slotzin van de inleiding noteerde ik: Lees verder >>

Onbetwistbare belangen van de neerlandistiek. Een Vlaams perspectief

Door Yves T’Sjoen

De Commissie Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde organiseert op 20 april in Leiden een themanamiddag over de rol van de geesteswetenschappen en de studie van de vaderlandse geschiedenis in de negentiende-eeuwse natievorming van Nederland. De sprekers zullen in debat reflecteren over de academische respectievelijk maatschappelijke rol van de menswetenschappen en in het bijzonder van de neerlandistiek vandaag. Bij die gelegenheid wordt de studie Language, Literature, and the Construction of a Dutch National Identity (1780-1830) gepresenteerd.

De keuze voor het onderwerp is evident. Steeds meer komt de opleiding taal- en letterkundige neerlandistiek aan Nederlandse universiteiten in de verdrukking. Er zijn universiteiten waar de neerlandistiek intussen is opgegaan in Cultural Studies en soortgelijke brede, meer op comparatistiek gerichte studierichtingen. Columnisten en vakgenoten wijden in de media geregeld opiniestukken aan de teloorgang, achteruitgang en volgens bepaalde stemmen zelfs de irrelevantie van een specifieke opleiding Nederlands. Anderen, zoals Sander Bax onlangs, komen in het verweer en verdedigen op het publieke forum het vakgebied. Lees verder >>

Acht baanbrekers in het moedertaalonderwijs tussen 1769 en 1936


Door Hans Hulshof

Pioniers, voortrekkers, wegbereiders, innovators, nieuwlichters, iconen: zij ontsloten elk op hun eigen manier nieuwe wegen en terreinen voor de ontwikkeling van het moedertaalonderwijs. Zij ‘vertaalden’ nieuwe ideeën op het gebied van taal, filosofie en pedagogiek naar de praktijk van het moedertaalonderwijs in artikelen, schoolboeken en didactische handleidingen. Zij spraken zich uit over de inhoud van het schoolvak. Het zijn stuk voor stuk onderwijsmensen (mannen, heren) die je nu nog graag eens zou willen spreken.
In feite gaat het om cultureel erfgoed in het kader van de (helaas nog niet bestaande) canon van het moedertaalonderwijs. Een eerste proeve. Lees verder >>

Database Geschiedenis Nederlandse Taalkunde (DAGENTA) gelanceerd

Door Nicoline van der Sijs

Tijdens de Grote Taaldag, gisteren, is de Database Geschiedenis Nederlandse Taalkunde (DAGENTA) gelanceerd. DAGENTA is een database in opbouw. De nu gelanceerde collectie is gebaseerd op het papieren archief van oude taalkundige werken dat Geert Dibbets, bijzonder hoogleraar Geschiedenis van de Nederlandse grammatica in West-Europese context, had achtergelaten aan de Nijmeegse universiteit. Student-assistent Bo Grisel heeft, onder leiding van Marten van der Meulen en Nicoline van der Sijs, de bibliografische gegevens van dit archief ingevoerd in een database, en bij de meeste titels de tekst van het complete werk als doorzoekbare pdf toegevoegd. Daarvoor is ze nagegaan of er inmiddels een digitale versie van het werk voorhanden is, bijvoorbeeld bij Googlebooks; was dat niet het geval, dan is de papieren versie uit het archief gescand. De website is ontwikkeld door het Humanities Lab van de Nijmeegse letterenfaculteit.

In figuur 1 staat hoe de werken over de tijd zijn verspreid. Het grootste aantal van de werken blijkt afkomstig uit de tweede helft van de 18e eeuw. 

Figuur 1. Spreiding over de tijd

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 11

door Jan Stroop

De verhuizing naar de Keizersgracht bracht een ingrijpende verandering met zich mee in ’t koffiegebeuren. Aan de Hoogstraat was dat nauwelijks een ’gebeuren’ geweest: de koffie werd door de conciërge rondgebracht en geserveerd. In ’t nieuwe gebouw werd koffiedrinken een gezamenlijke aangelegenheid. De tweede hal kreeg de functie van ‘koffieruimte’. Twee keer sochtends  verzamelden de medewerkers van de drie afdelingen zich daar. Ze konden hun koffie ophalen aan een doorgeefluik, dat in ’t verleden dienst gedaan had als loket; bedenk onze nieuwe behuizing  Keizersgracht was een voormalig bankgebouw.

Smiddags was er collectieve thee. Één keer maar.  Daar kwamen altijd maar een paar mensen.

Lees verder >>

In memoriam voor Johan Taeldeman (23.12.1943 – 31.10.2017).

Mens van goede wil, schatbewaarder van de Nederlandse taal

Door Georges de Schutter en Frans Hinskens

Johan Taeldeman werd geboren in het kerkdorpje Kleit, aan de oostelijke kant van de provinciegrens tussen West- en Oost-Vlaanderen. Zijn vader was arbeider in een plaatselijk bedrijf, zijn moeder huisvrouw zoals het in die tijd betaamde. Hij had een broer en een zuster.

Zijn vader was actief voor het Algemeen Christelijk Vakverbond, een Belgische christelijke vakvereniging, maar Johan heeft de keuze voor de katholieke zuil al heel vroeg verworpen, en heeft het engagement van zijn vader vertaald naar wat hij als het enige deugdelijke alternatief zag. Johan Taeldeman is zijn hele leven socialist geweest. Die overtuiging heeft hij ook aan zijn drie kinderen doorgegeven en de grootste genoegdoening van zijn laatste, moeilijke jaren was de benoeming van zijn jongste, de sociaaldemocraat Sven Taeldeman, als schepen (wethouder) van o.a. milieuzaken in Gent. Groot was Johan Taeldemans engagement voor de cultuur van de volksmens van het Oost-Vlaamse platteland en voor zijn taal. Johan is verrassend vroeg uit zijn geboortedorp weggegaan: op z’n twaalfde werd hij op internaat gestuurd naar Eeklo. Dat was wel nog het Meetjesland waar ook Kleit toe behoort, maar als half stedelijk centrum was het anders en veel minder intiem dan Kleit. En daarna kwam de Gentse periode, eerst nog wat halfslachtig, toen hij in zijn studieperiode buiten de lessen weer thuis verbleef, daarna helemaal. Johan heeft daarna in Landegem verbleven, kort in Gent zelf, in Landskouter en uiteindelijk in Balegem. Wie Oost-Vlaanderen kent, ziet een lijn van het noordwesten naar het centrale zuiden, steeds verder van zijn geboortedorp vandaan. Johan Taeldeman heeft dus niet lang in Kleit gewoond; maar de relatie tussen hem en zijn geboorteplaats is er niet minder hecht door, want Kleit en zijn bewoners en niet te vergeten zijn taal hadden bezit genomen van zijn geest. Zij waren in Johan Taeldeman gaan wonen, en ze zijn daar tot zijn dood gebleven. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 10

door Jan Stroop

Midden 1969 kregen we te horen dat we zouden gaan verhuizen. De Anna Visscherschool werd te klein. Er was van de kant van de Akademie geld vrijgekomen om nieuwe medewerkers aan te trekken, maar de oude school had daar te weinig ruimte voor. We zouden naar een voormalig Bankgebouw gaan aan de Keizersgracht, nummer 569-571.

Ruim van te voren werd er vergaderd over de verdeling van de ruimtes, welke afdeling komt op welke verdieping. In ’t oude gebouw zaten we  gelijkvloers en de verdeling van de ruimtes daar was een gevolg geweest van anciënniteit. De afdeling die ’t  er eerste was, was Dialectologie. Die hoefde dus niet te kiezen. De andere Volkskunde en Naamkunde werden later opgericht en die kregen dus wat er aan kamers overbleef (Volkskunde) of wat er speciaal voor bijgebouwd was (Naamkunde).

Lees verder >>

Overlijden van Johan Taeldeman

Door Jacques Van Keymeulen

Foto: Miet Ooms

Het is met grote verslagenheid dat ik hier in Kaapstad het onverwachte overlijden van Johan Taeldeman heb vernomen. Ik heb hier aan de studenten van de Universiteit van Weskaapland uitgelegd hoe men dialectologisch veldonderzoek kan doen – iets waar Taeldeman uitermate beslagen in was. De Zuid-Afrikaanse professoren (meer bepaald Wium van Zyl) hebben mij verzekerd dat Johan ook aan de basis ligt van de hernieuwde contacten tussen Zuid-Afrika en de Letterenfaculteit van de Gentse Universiteit na de democratische verkiezingen van 1994.

Er is in de late jaren 90 inderdaad een uitwisseling tot stand gekomen met het zgn. ‘Kaapse Forum’, en Taeldeman is waarschijnlijk de eerste Gentse professor geweest die na de apartheidsperiode college heeft gegeven in Kaapstad en de academische banden met Zuid-Afrika nieuw leven heeft ingeblazen. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 9

door Jan Stroop

Mevrouw Daan was er al vroeg (1957) bij om een bandrecorder aan te schaffen – sommigen zeiden nog bentrecorder –  om er dialecten mee op te nemen. De toenmalige directeur Meertens voelde er niet veel voor: nieuwlichterij. Maar Daan zette door en die recorder kwam er. Behalve voor dialectopnames voor de collectie van ’t bureau gebruikte ze hem ook voor de enquêtes voor de Reeks Nederlandse Dialectatlassen (de RND).  Binnen dat project was Daan de provincie Noord-Holland toebedeeld.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 8

Door Jan Stroop

“Wat zou u ervan vinden om ook eens dialectopnames te gaan maken”, vroeg mevrouw Daan me onverwacht. Ik was verrast want ik had dat nog nooit gedaan en ik vroeg of ik dat wel zou kunnen. “Nou, zo moeilijk is dat niet. U hebt toch wel eens met een bandrecorder gewerkt? ’t Belangrijkste is dat je je mond houdt en de mensen laat praten. U gaat met juffrouw Francken en die heeft genoeg ervaring.” ’t  Leek me ook wel een mooi avontuur. OK dus.     [opname in Melik (L.), 23 maart 1972]

Lees verder >>

‘Taal baart men zorgen’

Door Roland de Bonth

In de laatste aflevering van de ‘Slowquiz: Wat weten we nog van die neerlandici?’ merkt Peter-Arno Coppen tot zijn spijt op dat er geen enkele anekdote is toegevoegd over de die week geboren en gestorven neerlandici. Had ik dan toch melding moeten maken van het T-shirt dat ik in het begin van de jaren negentig had laten bedrukken met een portretgravure van Balthazar Huydecoper (1695-1778) en dat ik droeg tijdens een lezing over zijn werk op een congres van de Studienkreis Geschichte der Sprachwissenschaft? Nee, toch? Wel heb ik op de Facebookpagina Leraar Nederlands gemeld dat  we op 23 september 2017 de 239e sterfdag herdenken van Huydecoper, een taalkundige die zich zijn leven lang heeft beijverd voor een correct gebruik van het Nederlands en daarom lange tijd te boek heeft gestaan als ‘een taaldespoot uit de pruikentijd’.

Lees verder >>

Vijftig jaar vriendschap

Door Peter van Zonneveld

Gisteren vierden Adriaan van Dis en ik dat wij vijftig jaar bevriend zijn. In september 1967 gingen we allebei Nederlands studeren in Amsterdam. Sindsdien hebben we elkaar niet uit het oog verloren. Ik heb veel aan hem te danken. Adriaan was een enthousiaste student, die goede resultaten behaalde. We volgden dezelfde werkgroepen en hoorcolleges. In 1970 gingen we op zoek naar De Wildenborch, Starings kasteel in Vorden. Verend als in een koets reden wij in Adriaans vuurrode lelijke eend door de Achterhoek. We wandelden over het landgoed en dwaalden om het huis. Later die dag bezochten we de in Zutphen de magistrale Walburgiskerk. Toen de duisternis gevallen was, begon Adriaan tot mijn verbazing aan de voet van de kerktoren spontaan met luide stem ter plekke verzonnen negentiende-eeuwse verzen te declameren.

Vanaf de middelbare school was ik bevriend met Boudewijn Büch en het leek me leuk als mijn beide vrienden elkaar eens zouden ontmoeten. In datzelfde jaar 1970 vond op mijn zolder in de Vondelkerkstraat in Amsterdam de kennismaking plaats. Het liep anders dan ik verwachtte. Niemand had nog van hen gehoord, ze waren nog niet bekend, maar het werd een confrontatie tussen twee diva’s, die met opgestoken veren tegenover elkaar stonden. Ik was verbijsterd. ‘Weet je nog wat Boudewijn over me zei?’ vroeg Adriaan later. ‘Ja, je was een valse Haagse nicht’, antwoordde ik. Nadien is het nog wel goed gekomen tussen die twee. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 7

door Jan Stroop

Behalve bij de contactbijeenkomsten opereerden de drie afdelingen van ’t Instituut niet vaak gezamenlijk. Als er eens een jubilaris was dan zochten we die allemaal op en dan luisterden we naar de toespraakjes en zongen “Lang zal ze/tie leven”, gevolgd door “Hij/Zij leve hoog, ja hoog.”  Gevolgd door koffie met gebak.

Één keer in de zoveel jaar kregen we instructieles van een brandweercommandant. De medewerkers van ’t hoofdgebouw en wij begaven zich dan naar de zolder van ’t Trippenhuis, alwaar ons uitgelegd werd wat we te doen en te laten hadden, als er brand was. Toen heb ik geleerd dat je beter een gebouw met zware eiken balken kunt hebben zoals ’t Trippenhuis, dan een met stalen of ijzeren balken. Houten balken branden nauwelijks, die van staal en ijzer ook niet, maar die buigen door.

Han Voskuil had zijn onderzoek verlegd van immateriële zaken als kabouters, dwaallicht, omgang met de nageboorte van ’t paard, naar materiële zaken, de wanden van het boerenhuis in Nederland bijvoorbeeld. Lees verder >>

Koen Jaspaert (1956-2017) als Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie

Door Elisabeth D’Halleweyn

Koen Jaspaert kende ik enkel van naam toen ik zitting nam in de driekoppig personeelsafvaardiging die in 1998 de beoogde nieuwe algemeen secretaris van de Nederlandse Taalunie moest ‘keuren’. Daar zat hij dan: een imposante man met priemende ogen, zware wenkbrauwen, kort stekelig haar maar wonderlijk zachte stem. ‘En?’ vroegen de collega’s na het gesprek. ‘We krijgen een geweldige nieuwe algemeen secretaris’, antwoordden we met volle overtuiging.

En dat bleek de waarheid.

Koen werd algemeen secretaris vanuit een diep verlangen zijn visie op taalbeleid in werkelijkheid te kunnen omzetten. Lees verder >>

Jaap de Rooij en de ANS

Door Walter Haeseryn

De geestelijke vader van de ANS, de Algemene Nederlandse Spraakkunst, is niet meer. Dr. Jaap de Rooij is op 24 augustus 2017 overleden (zie het in memoriam door Jan Berns).
Het initiatief voor een uitvoerige grammaticale beschrijving van het hedendaagse Nederlands, die onder meer dienstig moest zijn voor het onderwijs aan anderstaligen, was afkomstig uit de kringen van de buitenlandse neerlandistiek. Als sinds de jaren zestig van de vorige eeuw werd de behoefte aan een dergelijke grammatica met enige regelmaat geëxpliciteerd in resoluties op de driejaarlijkse colloquia van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek (IVN).

De mogelijkheden om tot de gewenste grammatica te komen werden onderzocht in de schoot van het Belgisch-Nederlands Interuniversitair Centrum voor Neerlandistiek, het toenmalige overlegorgaan van de hoogleraren Nederlandse taalkunde. Deze verkenning resulteerde in een opdracht voor voorbereidende werkzaamheden, gesubsidieerd door de Nederlandse Organisatie voor Zuiver-Wetenschappelijk Onderzoek (ZWO) en het Belgisch Fonds voor Kollektief Fundamenteel Onderzoek (FKFO). Met die opdracht werd Jaap de Rooij belast. Die keuze was niet toevallig. Jaap was van 1962 tot 1970 lector Nederlands in Stockholm en Uppsala geweest en was sinds 1970 lid van het IVN-bestuur en wist uit eigen ervaring wat de behoeften en wensen van de docenten in het buitenland waren. Zelf had hij ook samen met zijn Zweedse collega, Ingrid Wikén Bonde, in 1971 een Nederländsk grammatik geschreven. Lees verder >>

Brusselmans en Lanoye terug naar de universiteit. Iedereen UGent!

Door Yves T’Sjoen

De media hebben de voorbije maanden uitgebreid bericht over de tweehonderdste verjaardag van de universiteiten van Gent en Luik. In het najaar van 1817, ten tijde van het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden onder het gezag van koning Willem I, ging in een beperkte bezetting met naar verluidt zestien professoren en 190 studenten aan de Gentse universiteit het eerste academiejaar van start. Als deel van de taalpolitiek van de Nederlandse vorst, bekend als “neerlandisatie”, is in Gent, Luik en Leuven de leerstoel Nederduitsche letterkunde en welsprekendheid opgericht. De eerste professor welsprekendheid, tegen wil en dank promotor van het Nederlands in Gent, was de Amsterdamse predikant J.M. Schrant. Nadat hij het rectorschap weigerde, is de Nederlandse arts Jean-Charles van Rotterdam aangesteld. Het is bekend dat in de tijd van Schrant in Vlaanderen nauwelijks Nederlands werd gesproken en het Latijn fungeerde als academische onderwijstaal aan de pas opgerichte Vlaamse universiteiten en in Leuven. De bekende dichter Johannes Kinker was overigens in Luik aangesteld voor hetzelfde vak. Op Community Day 2017, de officiële start van velerlei herdenkingsmomenten, presenteert historica Gita Deneckere haar lang verwachte boek Uit de ivoren toren. 200 jaar Universiteit Gent, waarin de oprichtingsgeschiedenis gedetailleerd beschreven staat.

Lees verder >>

In memoriam Dr. Jaap de Rooij 25 oktober 1931 – 24 augustus 2017

Door Jan Berns

Jaap de Rooij, die op 1 juli 1970 de collega van Jan Stroop en mij werd op het Dialectenbureau, had ik al leren kennen in mijn studententijd in Nijmegen, hij was al afgestudeerd, maar nam nog geregeld deel aan de aktiviteiten van het Gilde achter ’t Vercken, de vereniging van Nijmeegse Neerlandici.

Voskuil geeft in Het Bureau (2: 30) een rake typering van hem: ”Hij had een verfijnd, heel nauwkeurig stemgeluid, een rood hoofd met een klein mondje, een snorretje en kortgeknipt rood haar. De ironie in zijn stem herinnerde Maarten elke keer weer aan Beerta, hoewel hij verder geen overeenkomsten zag.” Jaap figureert in de romancyclus al vanaf deel één als Bart de Roode, de neerlandicus die in zijn vakanties op het bureau aan zijn proefschrift werkt. Lees verder >>

In memoriam Willem van den Berg (1934-2017)

Door Peter van Zonneveld

Foto: Familie van den Berg, Rhenen

Gisteren hebben we afscheid moeten nemen van een aimabel mens: Willem van den Berg. Vanaf zijn landhuis, halverwege de helling van de Utrechtse heuvelrug bij Rhenen, volgden we hem, samen met zijn gezin dat hem zo dierbaar was, over de stille weg die naar zijn laatste rustplaats leidde. De paarden in de wei, waar hij aan verknocht was, keken verbaasd naar die stoet van zo’n zestig mensen achter een kist met een vijgentak erop. Het was stralend weer.

Willem van den Berg, emeritus-hoogleraar in de Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Amsterdam, was in 1934 te Rijswijk geboren. Hij was een boerenzoon en daar schaamde hij zich bepaald niet voor. Hij kon paarden beslaan en mennen, en was daarin zelfs gediplomeerd, hetgeen in ons vak niet gebruikelijk is. Hij was ijzersterk. Zijn jongere broer vertelde me gisteren dat hij twee boerenknechts, die hem een keer belaagden, met één zwaai in de sloot wierp. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 6

door Jan Stroop

Om ’t contact met de correspondenten/medewerkers in den lande te onderhouden organiseerde ‘t Instituut elk jaar een paar bijeenkomsten, telkens in een andere provincie. Er werd een centraal gelegen plaats gekozen, waar een zaaltje afgehuurd werd. ’t Was altijd op een zaterdag. Die bijeenkomsten werden altijd goed bezocht.

De eerste bijeenkomst die ik meemaakte was in Drachten, in Friesland. De collega’s van de drie afdelingen hielden een praatje. Ik was toen nog toehoorder. Mevrouw Daan begon haar verhaal over waar haar afdeling mee bezig was, o.a. de Taalatlas en de Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling (ANKO). Ze sloot  af met een hommage aan de medewerkers. “Zonder uw medewerking kunnen wij ons werk niet doen. Hartelijk dank daarvoor.”

Lees verder >>

Geliefde leermeester: Jan Kamerbeek Jr. (1905-1977)

Beminnelijk, bescheiden, erudiet

Door Peter van Zonneveld

Jan Kamerbeek Jr. 1974. Foto Peter van Zonneveld

Vandaag is het veertig jaar geleden dat mijn leermeester Jan Kamerbeek Jr. overleed. Ik hield van die man. ‘Hij stond altijd iets gebogen, de ogen met de zware brilleglazen lezensbereid; hij leek zelfs in de drukte van een groot gezelschap alleen maar even op te kijken uit zijn lectuur.’ Zo omschreef Kees Fens heel treffend deze oude geleerde.Een wat verlegen man, erudiet in zijn publicaties, inspirerend, stimulerend en behulpzaam voor zijn studenten, hartelijk en belangstellend voor zijn vrienden. Het is een voorrecht deze man als leermeester te hebben gehad.

Jan Kamerbeek Jr. werd in 1905 te Rotterdam geboren. Zijn ouders hielden van literatuur: zijn vader las voor uit van Deyssel, zijn moeder bewonderde Van Eeden. Hij bezocht de HBS omdat hij aanvankelijk veel belang stelde in techniek; zijn broer Coen, later een bekend classicus, kreeg op het gymnasium les van de dichter Leopold. Met de HBS kon je echter geen letteren studeren; daarom deed hij een aanvullend staatsexamen gymnasium alpha. Zo kon hij zich in 1923 in Utrecht laten inschrijven als student Nederlands. Met plezier kon hij vertellen over het candidaatsexamen bij professer De Vooys, die hij bewonderde om zijn ‘beminnelijkheid en wijsheid’. Dat examen nam toen een hele dag in beslag. Het vond plaats bij de hoogleraar thuis: ’s morgens taalkunde, dan een boterhammetje van mevrouw, en ’s middags letterkunde. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 4

door Jan Stroop

Tekenaar De l’ Orme, juffrouw Francken, juffrouw Nieuwkerk, mijn vrouw en mijn zoontje, én de stoel van mevrouw Daan.

De afdeling Dialectologie telde eind 1966 vier vaste medewerkers: mevrouw Daan, hoofd van de afdeling, Henk Heikens en ik, beiden wetenschappelijk ambtenaar, en Reimer van der Schaaf, die de administratie deed. Af en toe kwam er ook wel eens een student wat werk verrichten. Daarnaast waren er twee dames die part time werkten: Juffrouw Francken, oud-onderwijzeres, die mevrouw Daan assisteerde bij haar werk aan de ANKO (de Atlas van de Nederlandse Klankontwikkeling) en ook dialectopnames maakte, en juffrouw Nieuwkerk, die correctiewerk deed.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 3

door Jan Stroop

Mijn zoontje op bezoek op ’t Dialectenbureau, op z’n eerste verjaardag, 26 oktober 1966; voor hem drie stapels fiches

Ik kreeg opeens een idee. Oom en tante woonden in een bovenhuis aan de Sarphatistraat, vlak bij de Muiderpoort. Ik had in ’t verleden vaak bij ze gelogeerd. En dat was altijd leuk geweest. Misschien zouden ze me nu wel tijdelijk onderdak willen geven. En dat bleek ’t geval te zijn. Probleem opgelost. Bovendien: de Sarphatistraat is op loopafstand van de Nieuwe Hoogstraat: je loopt de  Plantage Middenlaan af en dan ben je er praktisch al.

Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik)

Door Jan Stroop

Dat ik begin 1966 solliciteerde bij ’t Dialectenbureau kwam door mijn promotor, prof. Weijnen. Die was er steeds op uit om zijn afgestudeerden aan een baantje te helpen. En dat lukte hem aardig:  het hele Instituut voor Lexicologie in Leiden bijvoorbeeld zat er vol mee: Piet van Sterkenburg, Hans Heestermans en Fons Moerdijk. Allemaal West-Brabanders trouwens, net als ik. Omdat er in Leiden geen vacature was, zocht Weijnen elders een betrekking voor me. Zo ging dat toen. Weijnen kende Jo Daan natuurlijk, ze waren collega’s en ze zaten in dezelfde commissies, en zo hoorde hij van haar dat er op ’t Dialectenbureau in Amsterdam een vacature was ontstaan. “Dat lijkt me wel iets voor u, mijnheer Stroop (we vousvoyeerden nog)”. Je kon op zo’n suggestie moeilijk ‘nee’ zeggen, maar ik was al lang blij dat ik niet naar dat ’t Woordenboek hoefde, want dat leek me niets. Bovendien had Amsterdam me altijd al getrokken, ik was er regelmatig bij familie op vakantie geweest. Daar nu een baan te krijgen, dat was eigenlijk wel wat.

Voor ’t sollicitatiegesprek moest ik me vervoegen op ’t adres Nieuwe Hoogstraat 17. Lees verder >>

Jo Daan rond 1970: in eerste instantie wetenschapper

Door Marc van Oostendorp

Jo Daan rond 1970 Foto: collectie Meertens Instituut

Moet een dialectoloog zich inspannen om de Nederlandse dialecten te behouden? Dr. Jo Daan (1910-2006), hoofd van de afdeling Dialectologie van het latere Meertens Instituut – vond van niet. Vandaag is haar 107e geboortedag. In de jaarlijks verschijnende Mededelingen van het instituut voor dialectologie, volkskunde en naamkunde schreef ze in 1969 dat dialectologen “in eerste instantie wetenschappers” waren die zich bezig hielden met “het verzamelen en uitwerken van bandopnamen” om de “regionale en sociale dialecten” te leren kennen.

In een notendop gaf Daan daarmee haar programma.  Ja, ze was betrokken bij de sprekers van de dialecten die ze onderzocht. Maar ze was in de eerste plaats onderzoeker, die als belangrijkste doel had om de wetenschap vooruit te helpen, en die daarbij oog had voor de nieuwste technieken – de bandrecorder – en de nieuwste ontwikkelingen in de taalwetenschap – zoals de sociolinguïstiek, die zich minder bekommerde om geografische taalverschillen en meer om sociale.

Te vlug en te modern

Hoewel ze al rond de zestig was, kwam Daan tussen 1968 en 1973 aantoonbaar tot bloei. Ze had al sinds de jaren dertig voor P.J. (Piet) Meertens (1899-1985) gewerkt, maar waarschijnlijk werd het later naar hem genoemde instituut pas een aangename plaats voor haar toen hij met pensioen ging en werd opgevolgd door de naamkundige D.P. (Dick) Blok (1925). Lees verder >>