Tag: geschiedenis van de neerlandistiek

Gelaat, gebaar en klankexpressie

Neerlandistiek van 100 jaar geleden

Door Marc van Oostendorp

“Wat zou de wetenschap spoedig een hooge vlucht nemen als wij eris een genie zagen opstaan, dat weer eens alle vakken samen beheerschte met zijn éénig denkhoofd!” Er is maar één persoon in de geschiedenis van de neerlandistiek geweest die zulke zinnen kon schrijven: de Nijmeegse hoogleraar Jac. van Ginneken (1877-1945).

Lees verder >>

als je weet waar ik ben zoek me dan

In memoriam Wim Klooster (1935-2019)

Door Guido Leerdam

Op 15 september overleed Wim Klooster, emeritus hoogleraar Nederlandse taalkunde aan de Universiteit van Amsterdam, op 84-jarige leeftijd, na een kort ziekbed. In de verschillende obits zijn kwalificaties te lezen als “beminnelijk”, “bedachtzaam” (toen hij tijdens college eens – naar de smaak van het gehoor te – lang peinsde over een vraag werd even overwogen of er niet een dokter gebeld moest worden), “taalbeschouwelijk”, en ze zouden met gemak kunnen worden aangevuld met andere, als subtilist, taalmethodist, en het objectiefst: generativist (al zou dat toen, maar ook nu, aan hem de nodige op aarzelende toon uitgesproken tenminste’s en nota bene’s hebben ontlokt).

Lees verder >>

De leermeester

In memoriam Wim Gerritsen

In april 2016 ontving W.P. Gerritsen (rechts) de uitgave Gevoel, vernuft en verbeelding. 200 jaar Utrechtse neerlandistiek

Door Frits van Oostrom

Het vak dat Wim Gerritsen met hart en ziel beoefende, de studie van de Nederlandse letterkunde van de Middeleeuwen, kent een traditie van inmiddels zo’n tweehonderd jaar. Maar dat vak is pas een vakgebied geworden dankzij hem. Voordien staan de grote namen uit ons vak als silo’s in het landschap: (ik noem er maar een paar) Van Mierlo, Muller, C.C. de Bruin, Maurits Gysseling en ook nog Hellinga en Maartje Draak. Knappe geleerden stuk voor stuk, maar werkend op zichzelf, en nauwelijks met duidelijke leerlingen, voor zover ze die al hadden en ze zich daarom bekreunden. Dat was nu eenmaal het geleerdentype in die tijd in ons soort vakken – en ook W.A.P. Smit, de Utrechtse hoogleraar Nederlandse letterkunde, belichaamde een zuil op zich. 

Lees verder >>

De oorsprong van vreugde: Om triest van te worden!

Een 19e-eeuwse discussie over een kwaadaardig woord

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Brief van Franck aan Cosijn

Van een woord als vreugde kun je alleen maar vrolijk worden, toch? De negentiende-eeuwse taalwetenschappers die hebben bijgedragen aan het eerste etymologisch woordenboek van het Nederlands dachten daar heel anders over. De Duitse filoloog Johannes Franck die deze taak ten deel was gevallen kwam er gauw achter dat de klus veel problemen en frustraties met zich meebracht. Eén van de woorden die hem de meeste moeite kostte was het woord vreugde. Gelukkig kon hij rekenen op de assistentie van zijn Nederlandse collega Pieter Jacob Cosijn, met wie hij brievenlang gediscussieerd heeft over dit “böse wort” (zie ook het eerste artikel van dit drieluik).

Lees verder >>

De oorsprong van het woord gewoon: Om gek van te worden

Een 19e-eeuwse discussie over een zonderling woord

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Titelpagina van Francks etymologische woordenboek

Geen gewoner woord dan het woord gewoon, maar waar komt het eigenlijk vandaan, en wat heeft het te maken met wonen en wennen? Verrassend genoeg zijn deze vragen niet gemakkelijk te beantwoorden. Sterker nog: de opsteller van het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands, Johannes Franck (Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal 1884-1892), had het niet bepaald makkelijk met dit lemma. Dit blijkt uit de ongepubliceerde laat-negentiende-eeuwse briefwisseling tussen hem en zijn collega Pieter Jacob Cosijn, een voormalig redacteur van het WNT en hoogleraar Oudgermaans en Angelsaksisch in Leiden.

Lees verder >>

Etymologische discussies, 19e-eeuwse roddels en een geheime baard

Achter de schermen bij het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Johannes Franck (op latere leeftijd) en Pieter Jacob Cosijn (met baard)

Historische taalwetenschap en etymologie klinkt als een vrij braaf vakgebied, maar ook in deze discipline kan het een slagveld zijn. Etymologen hebben regelmatig tegengestelde meningen en dit levert vaak onenigheid op. Zo ook in de late negentiende eeuw toen het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands in de steigers stond. 

Ruim een eeuw geleden zag dit woordenboek, met de volledige titel Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal (1884-1892), het daglicht. Het was geschreven door een Duitse taalwetenschapper genaamd Johannes Franck die eerder verantwoordelijk was voor een grammica van het Middelnederlands (Mittelniederländische Grammatik 1883). Francks woordenboek was het eerste Nederlandse etymologische overzichtswerk dat op wetenschappelijke methoden gebaseerd was, maar werd door de tijdgenoten met veel kritiek en de nodige controverse ontvangen. Een jarenlange briefwisseling tussen Franck en een bevriende Nederlandse collega, Pieter Jacob Cosijn, geeft een uniek kijkje achter de schermen bij de totstandkoming van het woordenboek en het etymologische wapengekletter tussen de twee geleerden.

Lees verder >>

Mau! Het leven van Maartje Draak

Door Marc van Oostendorp

Sinds de verschijning van Het Bureau is er waarschijnlijk nooit iemand dood gegaan die model stond voor één van de personages in dat boek zonder dat in de in memoriams naar dat personage werd verwezen. Kennelijk was Voskuil zo scherp dat hij mensen zo wist te beschrijven dat anderen hen herkenden.

Ook in Willem Gerritsens boek over de neerlandica én keltologe Maartje Draak, Verhalen van de drakendochter, wordt daarom aandacht besteed aan Kaatje Kater. “Voskuil is er”, schrijft Gerritsen, “verbazend goed in geslaagd de indruk die haar persoonlijkheid – haar karakteristieke wijze van optreden en spreken – op veel mensen in haar omgeving heeft gemaakt, nauwkeurig in woorden vast te leggen.” Zelfs het feit dat ze gesprekken kon openen met het woord mau! blijkt waarheidsgetrouw. Ik heb altijd gedacht dat die kreet verband hield met de naam Kater en dat Draak iets soortgelijks zou hebben geroepen maar dan in drakentaal; nu blijkt dat Voskuil Draak naar haar karakteristieke uitroep heeft vernoemd.

Lees verder >>

Arie de Jager en de crisis in de hedendaagse neerlandistiek

door Peter-Arno Coppen

In Neerlandistiek van 25 april 2019 werd verwezen naar een boek getiteld Arie de Jager and the Crisis in Contemporary Dutch Studies, echter zonder verdere bronvermelding. Vermoedelijk is het boek bij een obscure uitgever gepubliceerd, of misschien in eigen beheer. Ik heb het in elk geval nergens kunnen vinden.

Ik ben natuurlijk wel zeer geïnteresseerd in de inhoud, aangezien de onderwerpen uit de titel mij wel aanspreken. Vooral wat een negentiende-eeuwse taalkundige (hij was deze week precies 142 jaar dood) te maken zou kunnen hebben met de hedendaagse situatie in de neerlandistiek is een intrigerende vraag. Bij nader inzien valt het antwoord op die vraag echter wel enigszins te reconstrueren. Lees verder >>

10.000

Door Marc van Oostendorp

In de tijd dat Albert Heijn met zijn website begon – ja, lieve kindertjes, er is een tijd geweest dat Albert Heijn nog geen website had – kende ik een man die het heel fijn vond dat er zoveel recepten op die site stonden. “Die kun je allemaal printen!” fantaseerde hij. “En dan heb je een kookboek!”

Ik weet niet of er mensen zijn die alle afleveringen van Neerlandistiek en zijn voorganger Neder-L hebben geprint. Maar die mensen printen – als ze zich tot de website hebben beperkt – vandaag hun tienduizendste uit. Ik hoop dat ze genoeg kastruimte hebben voor alle ordners.  Lees verder >>

Hellinga, de adel en de nar

Door Jacques Klöters

Laatst moest ik denken aan de beroemde professor Hellinga die er nooit was en die dus ook niet op de foto staat van de wetenschappelijke staf van het Amsterdamse Instituut voor Neerlandistiek in 1968. Professor Stuiveling staat linksvoor, hij was bekend, saai en alom aanwezig. Hellinga was legendarisch, onvoorspelbaar en onzichtbaar. Hij was er nooit want hij deed altijd onderzoek in Engeland.

Op een keer sta ik met mede-student Hans Dorrestijn te praten in de hal van ons instituut, het Lambert ten Katehuis. De beroemde Hellinga komt binnen, geeft een schop tegen de boekentas van Dorrestijn die meters over de vloer zeilt. “Neemt u me niet kwalijk professor” zegt Dor tegen Hellinga. Die stopt, draait zich om en zegt: “Hoe weet u dat ik professor ben?” Lees verder >>

Wij schreven op Het Bureau trouw aan Blok Drente zonder h

Door Leendert Brouwer

De foto van Dick Blok bij het artikel dat vorige week over hem verscheen in de Volkskrant, heb ik gemaakt. Het was een foto met overdosis flits bij het laatste optreden van Blok tien jaar geleden, toen hem het eerste exemplaar van het boek Nederlandse plaatsnamen werd overhandigd. Geen beste foto die in het in memoriam van de website van het Meertens Instituut is verwijderd zodra er een betere voorhanden was. Je ziet wel hoe bevlogen hij nog op zijn 84ste was.

Precies 40 jaar geleden ben ik na een kortstondige universitaire studie door Dick Blok als documentalist aangenomen. Vermoedelijk omdat ik niet tegensputterde toen me gezegd werd de daarvoor benodigde opleiding niet te hoeven doen. Lees verder >>

‘Met eene liefde, die nooit kan wegsterven in mijn hart’

Opkomst en ondergang van Neerlandistiek aan de VU
Of: Het idee van een universiteit in een tijd van marktdenken

Door Ab Flipse

Met het recente besluit de opleiding Nederlands niet meer aan te bieden voor nieuwe bachelorstudenten, komt een eind aan een tijdperk aan de VU. De studierichting Nederlands bestond sinds 1918, toen de eerste lector in dit vak werd benoemd. Nederlandse taal- en letterkunde werd echter al vanaf de stichting van de universiteit in 1880 gedoceerd aan alle studenten. Hoe heeft het zover kunnen komen, en hoe moet het verder?

Abraham Kuyper en de Neerlandistiek

Samen met Theologie en Rechten was Letteren één van de drie faculteiten waarmee de VU in 1880 begon – maar ze was wel de kleinste van de drie. In de eerste decennia was de belangrijkste figuur in de ‘Litterarische Faculteit’ de classicus J. Woltjer. Het onderwijs in de klassieke talen maakte deel uit van de voor alle studenten verplichte letterenpropedeuse. Lees verder >>

In memoriam D.P. (Dick) Blok, 7 januari 1925- 6 februari 2019

Door Jan Berns

In 1965 trad D. P. Blok aan als directeur van het bureau van de Centrale Commissie voor Onderzoek van het Nederlands Volkseigen, afdelingen Dialectologie, Volkskunde en Naamkunde van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen in 1986 nam hij, gebruikmakend van de VUT-regeling, afscheid van het P.J. Meertens-Instituut. Naamsveranderingen zijn een van de markeringspunten van zijn directoraat.  Na de verhuizing van de bureaus in 1969 uit het wat stoffige schoolgebouw aan de Nieuwe Hoogstraat naar het zonnige pand aan de Keizersgracht, veranderde de naam nog een keer en wel in: Instituut voor dialectologie, Volkskunde en Naamkunde van de KNAW.

Blok was een telg uit een geslacht van geleerden, medievist en naamkundige. In 1967 werd hij docent aan de Universiteit van Amsterdam, met als leeropdracht Nederzettingsgeschiedenis in verband met de naamkunde en uiteindelijk werd hij na zijn VUT gewoon hoogleraar. Hij was ernaast lid van tal van comissies en ook enige tijd aktief in de politiek van zijn woonplaats Nederhorst den Berg. Kortom een druk bezet mens. Hij was een bevlogen docent, zeer gewaardeerd door zijn studenten en het is daarom ook niet onbegrijpelijk dat hij het Instituut vervroegd verlaat, maar zijn hoogleraarschap vol maakt tot aan de pensioengerechtigde leeftijd.  Zijn colleges gaf hij vrijdags in het Instituut in de grote zaal die ’collegezaal’ werd genoemd. Hij was directeur, maar de drie afdelingen waren tamelijk autonoom, wat zijn eigen vak, de naamkunde, betreft heeft hij slechts aan één project van die afdeling meegewerkt, dat was ’de nieuwe Förstermann’, ofwel het Lexicon van nederlandse toponiemen tot 1200. Lees verder >>

In Memoriam Agnes Sneller (1940-2019)

Door Olga van Marion en Netty van Megen

Foto: Judit Gera

Neerlandica en filosofe dr. A. Agnes Sneller-van Veen was een geliefde docent aan de Opleiding Nederlands in Leiden. Als oud-studenten en collega zijn wij zeer verdrietig dat ze 31 januari jl., na een waardevolle periode van afscheid nemen te midden van haar vier dochters en vele vriendinnen, in het Haagse Nolenshaghe is overleden.

In Leiden doceerde Agnes Sneller vanaf 1982 historische taalkunde, naast haar aanstelling als docent aan de Nutsacademie (nu Hogeschool) in Rotterdam. Generaties studenten hebben zich onder haar leiding verdiept in het vak Zeventiende-eeuws, en het enthousiasme nam alleen maar toe toen ze in de jaren negentig colleges Genderlinguïstiek gaf samen met haar collega Taalbeheersing Agnes Verbiest, met wie zij het cursusboek Wat woorden doen (2000) samenstelde. Ook wij behoorden in onze studententijd tot haar fans en we hebben ons onder haar leiding met plezier verdiept in historische taalkunde, taalvariatie en filologie tot en met het taalgebruik van P.C. Hooft in zijn Nederlantsche Historiën. Lees verder >>

Eéndimensionaal portret van een minor poet

Door Marc van Oostendorp

Elsbeth Etty’s biografie van de dichter en neerlandicus Willem Wilmink begint met een ontboezeming van de auteur: “Dit boek is het gevolg van een blind date.” Ze legt uit dat ze het boek is gaan schrijven omdat de uitgever Vic van de Reijt haar er tot haar verrassing om vroeg. Ze maakt duidelijk dat ze Wilmink nauwelijks gekend heeft, en dat ze weinig met hem of zijn werk op had. Of heeft.

Maar ja, de uitgever wilde nu eenmaal “geen ééndimensionaal portret maar een serieuze, integrale literaire biografie” en dan moet je kennelijk bij Etty zijn.

Ze doet in haar inleiding dan ook nog wel een beetje deftig: “De vraag die een biografie moet onderzoeken luidt altijd: wat is de relatie tussen leven en werk? In het geval van Willem Wilmink: hoe hebben zijn specifieke levensomstandigheden (…) zijn oeuvre beïnvloed?” Lees verder >>

Mijn neerlandistiek

Door Wiel Kusters

De eerste vier stellingen bij het proefschrift van Wiel Kusters (klik voor een vergroting).

Na en gedurende een jaar ook tijdens mijn Nijmeegse studietijd (Nederlandse taal- en letterkunde, 1968-1973) werkte ik als leraar Nederlands aan een scholengemeenschap voor havo en vwo in Sittard. Van 1978, mijn debuut als dichter, tot 1989 leefde ik van de pen en deed ik radiowerk (programma’s over literatuur en kunst) in Maastricht en Hilversum.

In de loop van die freelance periode schreef ik ook een zogeheten academisch proefschrift, als buitenpromovendus van professor A.L. Sötemann in Utrecht, een man met wie ik bevriend zou raken: Guus.

Mijn proefschrift, De killer. Over poëzie en poëtica van Gerrit Kouwenaar, verdedigde ik op 10 januari 1986 in het Utrechtse Academiegebouw. De dichter over wiens werk ik schreef, zat op de voorste rij. Mijn moeder trouwens ook. Lees verder >>

Pas verschenen: J.M.N. Kapteyn en Leo Polak, en Ludwig Erich Schmitt. Dubbelvoudig verraad en overmoed aan de Rijksuniversiteit Groningen tijdens de Duitse bezetting (1940-1942) door Gerrold van der Stroom

Heftige discussies zijn tot op de dag van vandaag gevoerd over het optreden in 1940/1941 van de rector magnificus van de Groningse Universiteit. Heeft deze hoogleraar germanistiek J.M.N. Kapteyn nu al of niet de Joodse hoogleraar Leo Polak verraden aan de Duitsers? Belangrijke nieuwe gegevens over deze beruchte zaak-Polak hebben echter niet de aandacht gekregen die zij verdienden. Tijd dus om de hele gang van zaken nauwgezet te reconstrueren. Daarbij is het van belang ruime aandacht te besteden aan de relaties tussen Kapteyn en de Duitse bezetter, inclusief de naoorlogse omgang met de feiten.

Bovendien werd naar Kapteyns wens – en daarom geruggesteund door de SS – in 1941 de jonge en briljante Duitse germanist en neerlandicus Ludwig Erich Schmitt als hoogleraar te Groningen benoemd. Waarom hij daar alweer na een jaar moest verdwijnen, wordt aan de hand van vooral Duitse archieven uiteengezet. Lees verder >>

’t Dialectenbureau (en ik), afl. 18

Meertens Instituut gered

Door Jan Stroop

Begin 1996 verscheen ’t eerste deel van de romanserie Het Bureau van J.J. Voskuil. Dat had al meteen een overweldigend succes. Van dat eerste deel werden er volgens de uitgever in minder dan 3 weken al 5000 exemplaren verkocht. Er volgden herdrukken. Bij elk nieuw deel nam dat succes telkens toe.

Door dat succes bleef ’t echte Bureau niet buitenspel. Eerst  waren de reacties nog neutraal: een fascinerend boek, groot stilist, geestig, enzovoorts, maar gaandeweg werden ook ’t P.J. Meertens Instituut en zijn medewerkers erin betrokken en werd er geoordeeld over ’t werk dat daar verricht werd. En dat viel niet mee.

Lees verder >>

De medioneerlandistiek 30 jaar geleden

Door Remco Sleiderink

Dit weekend is het precies dertig jaar geleden dat op de Stadscampus van de Universiteit Antwerpen (toen nog UFSIA) een symposium werd georganiseerd met als titel ‘Stand en toekomst van de studie van de Middelnederlandse letterkunde’ (22-24 september 1988). In een artikel uit 2000 (in Verzoenende veelzijdigheid. Huldealbum opgedragen aan prof. H. Van Gorp) wijst Jef Janssens op het belang van dat congres:

We waren er met een 90-tal geestesgenoten samen, in hoofdzaak afkomstig uit Nederland, waar het vak een explosieve vooruitgang kende als gevolg van een nieuwe onderzoekspolitiek. In de lezingen en discussies vielen een aantal tendenzen waar te nemen, die voor de volgende jaren toonaangevend zouden zijn. (p. 112)

Niet iedereen mocht overigens aan het hele programma deelnemen. Omdat de initiatiefnemers – W.P. Gerritsen, Jef Janssens, Frits van Oostrom en Frank Willaert – mikten op intense discussie, waren de eerste twee dagen voorbehouden aan onderzoekers met een doctorstitel (dat waren er zo’n veertig). Lees verder >>

Onderzoek zonder Facebook, hoe ging dat eigenlijk?

De geschiedenis van de collectie Nederlands in de Verenigde Staten in tien vragen.

Door Douwe Zeldenrust

Recent is aan het Meertens Instituut onder leiding van Nicoline van der Sijs het onderzoeksproject ‘Vertrokken Nederlands’ gestart. De onderzoekers zetten tegenwoordig digitale technieken in en gebruiken Facebook voor de contacten met de informanten. Dat ging in de jaren ’60 van de vorige eeuw, toen Jo Daan onderzoek deed en resten Nederlands in het buitenland vast wilde leggen, wel anders. Zij vertrok met een bandrecorder voor enkele maanden naar de Verenigde Staten en kwam terug met meer dan 100 opnames. De geluidsbanden en ook de bijbehorende documenten met daarin onder andere een reisverslag, zijn onderdeel van de collecties van het Meertens Instituut. De geschiedenis van die collectie is in tien vragen te reconstrueren.

Jo Daan (rechts) in Amerika (1966). Op de voorgrond staat een van de audioapparaten die Jo Daan gebruikte..

Lees verder >>

Hugo Verdaasdonk: spelbreker en vernieuwer

Herinneringen aan de meedogenloze methodologenstrijd aan de Amsterdamse universiteit

Door Marita Mathijsen

Hugo Verdaasdonk (1945-2007)

Het laatste nummer van TNTL is helemaal gewijd aan de toekomst van de Neerlandistiek. Het openingsartikel van Lotte Jensen en Rick Honings gaat over drie historische crisismomenten in de Neerlandistiek. Jensen en Honings laten het eerste crisismoment beginnen bij een artikel van Marijke Spies dat in de Spektator van mei 1974 verscheen. Spies schreef over het ontbreken van methodologische grondslagen aan de literatuurbeoefening en over het gebrek aan discussie daarover.

Spies’ artikel heeft echter naar mijn waarneming minder invloed gehad dan de artikelen van Hugo Verdaasdonk, die in de eerste en tweede jaargang van De Revisor (1974-1975) verschenen. Bij het afscheid van Ton Anbeek als hoogleraar aan de Leidse universiteit in 2005 heb ik een redevoering gehouden over de veranderingen in de academische Neerlandistiek in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw. Mijn optiek was vanuit Amsterdam bepaald, maar kan naar de hele academie getrokken worden, want de vernieuwingen, inclusief die van Spies, kwamen daarvandaan. Ik geef hieronder een verkorte versie van mijn toespraak indertijd, die dus het verleden van de Amsterdamse Neerlandistiek schetst, voor zover ik dat zelf heb meegemaakt. Lees verder >>

Een merkwaardig geval van plagiaat: G. Brom en P. Peters

Door Renaat J.G.A.A. Gaspar

Soms leidt de nadere uitpluizing van een bronvermelding tot een onverwacht resultaat. Zoals nu: een vreemd voorval in het verleden van de neerlandistiek c.q. de kunstgeschiedenis is aan de vergetelheid onttrokken.

Toen ik enkele jaren geleden bij de inleidende bespreking van de digitale uitgave van Cornelis de Bruyn, Reizen… (1698) moest bedenken, waarmee zijn werk het best gekarakteriseerd kon worden, schoot mij een uitspraak te binnen die ik als scholier in de literatuurles had gehoord en goed in de oren geknoopt: De Nederlander schildert met de rechter- en schrijft met de linkerhand.

Tot besluit van de inleiding op zijn werk schreef ik dus:

Het uiteindelijke resultaat van deze Reizen van Cornelis de Bruyn is dan ook: veel oogstrelende gravures en veel kijkgenot, maar weinig heldere taal en weinig leesplezier. Je kunt er bijgevolg niet omheen, dat op de kunstenaar Cornelis de Bruyn dit aforisme uitermate treffend van toepassing is: De Nederlander schildert met de rechter- en schrijft met de linkerhand.

[Zie DBNL]

Als bronvermelding voor de bovenvermelde slotzin van de inleiding noteerde ik: Lees verder >>

Onbetwistbare belangen van de neerlandistiek. Een Vlaams perspectief

Door Yves T’Sjoen

De Commissie Taal- en Letterkunde van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde organiseert op 20 april in Leiden een themanamiddag over de rol van de geesteswetenschappen en de studie van de vaderlandse geschiedenis in de negentiende-eeuwse natievorming van Nederland. De sprekers zullen in debat reflecteren over de academische respectievelijk maatschappelijke rol van de menswetenschappen en in het bijzonder van de neerlandistiek vandaag. Bij die gelegenheid wordt de studie Language, Literature, and the Construction of a Dutch National Identity (1780-1830) gepresenteerd.

De keuze voor het onderwerp is evident. Steeds meer komt de opleiding taal- en letterkundige neerlandistiek aan Nederlandse universiteiten in de verdrukking. Er zijn universiteiten waar de neerlandistiek intussen is opgegaan in Cultural Studies en soortgelijke brede, meer op comparatistiek gerichte studierichtingen. Columnisten en vakgenoten wijden in de media geregeld opiniestukken aan de teloorgang, achteruitgang en volgens bepaalde stemmen zelfs de irrelevantie van een specifieke opleiding Nederlands. Anderen, zoals Sander Bax onlangs, komen in het verweer en verdedigen op het publieke forum het vakgebied. Lees verder >>

Acht baanbrekers in het moedertaalonderwijs tussen 1769 en 1936


Door Hans Hulshof

Pioniers, voortrekkers, wegbereiders, innovators, nieuwlichters, iconen: zij ontsloten elk op hun eigen manier nieuwe wegen en terreinen voor de ontwikkeling van het moedertaalonderwijs. Zij ‘vertaalden’ nieuwe ideeën op het gebied van taal, filosofie en pedagogiek naar de praktijk van het moedertaalonderwijs in artikelen, schoolboeken en didactische handleidingen. Zij spraken zich uit over de inhoud van het schoolvak. Het zijn stuk voor stuk onderwijsmensen (mannen, heren) die je nu nog graag eens zou willen spreken.
In feite gaat het om cultureel erfgoed in het kader van de (helaas nog niet bestaande) canon van het moedertaalonderwijs. Een eerste proeve. Lees verder >>