Tag: Gerrit Kouwenaar

Literatuurmuseum verwerft nalatenschap Gerrit Kouwenaar

Het Literatuurmuseum heeft de literaire nalatenschap van een van de grootste naoorlogse Nederlandse dichters in huis gekregen: Gerrit Kouwenaar (1923-2014). De omvangrijke nalatenschap (circa 10 strekkende meter) beslaat ruim zeventig jaar literatuurgeschiedenis. Aad Meinderts, directeur van het Literatuurmuseum: ‘Het fantastische archief van Kouwenaar was de missing link van de Vijftigersarchieven die het museum reeds beheerde.’

Lees verder >>

De heldhaftige leraar Nederlands van Gerrit Kouwenaar

Door Marita Mathijsen

drs van schaffelaar

Hoewel de stenen marva van de generaal
over zijn schouder meelas, brak hij
de atjeh-oorlog af, stak hij het socialistisch
ochtendblad op, haast in tranen, daags na
het vervalste sprookje van andersen, genaamd
de kristalnacht

de dood was toen nog niet vertaald
de onsterfelijkheid nog gangbaar in deze taal
maar hij vervoegde het werkwoord doodmaken
enige malen, en dat zaaide ongemak verbazing, zelfs
agitatie in de klas, hij was
een gewone leraar, oh hij had
een uitgesproken naam, maar u lezer
kunt volstaan met van schaffelaar Lees verder >>

Kooi

Door Wiel Kusters

In de gedichten ‘De Mus’ en ”s Morgens’ van Jan Hanlo (zie mijn vorige stukje in deze reeks) hoorde ik een echo, ja meer dan een echo, van een oud dichterlijk verlangen: de wens om zo ‘natuurlijk’ te kunnen dichten als zangvogels zingen. We hebben het dan over de taal, over wat de dichter daarmee doet en wat die op haar beurt met hém doet.

Maar het hoeft niet alleen over dichters te gaan. In zijn gedicht ‘de taal’, uit de bundel hand o.a. (1956), heeft Gerrit Kouwenaar het over ‘de mens’. En in vergelijking daarmee over ‘de vogels’.

de taal

De taal behoort aan de vogels
ik ben te mens om te vliegen
ik sta als een huis op de wereld
gebouwd en dik uit aarde

ik ben ongeveer degene
die schuilgaat binnen de muren
en uitvloeit achter de ramen
van de blauwe achterkamer

het geurt er naar mest en naar liefde
er staat een plant in een kooi
de taal behoort aan de vogels
de mens schuilt weg in het woord –

Het gedicht begint met een generaliserende stelling over ‘de taal’  en ‘de vogels’, die tegen het einde herhaald wordt en uitgebreid met een tweede generalisatie. De openingsregel wordt in het tussenliggende gedeelte geïllustreerd met beelden van ‘ik’ en zijn kleine wereld, die uitmonden in een constatering met betrekking tot ‘de mens’ en zijn wonen in de taal. Een wonen dat hier een schuilgaan en een wegschuilen is. Lees verder >>

Ein Gedicht als ein Ding

Door Marc van Oostendorp

Het is treurig dat jullie niet weten wie Ludwig Kunz (1900-1976) was. Zijn leven lang was hij bezig aandacht te vragen voor dichters voor wie er te weinig aandacht was. Nu is hij zelf vergeten. Het is daarom een daad van historische rechtvaardigheid dat er nu een bundel over hem verschenen is, onder redactie van de germaniste Els Andringa.

Kunz, geboren in het stadje Görlitz in het uiterste oosten van Duitsland, was eigenlijk bestemd om in de handel te gaan, maar ontwikkelde al jong een grote belangstelling voor de kunsten en vooral voor de literatuur. Die belangstelling behield hij toen hij in de jaren dertig naar Nederland vluchtte. Na de oorlog kwam hij in contact met de schrijver en dichter Gerrit Kouwenaar en daarmee met de andere experimentele schrijvers van de Vijftigers. Hij vertaalde werk van onder meer Lucebert, Hugo Claus en Hans Lodeizen in het Duits. Zijn oorlogsverhaal vormde de basis van Kouwenaars roman Negentien-Nu. Lees verder >>