Tag: gedichten

Gedicht: Anoniem • De schafting

Gedicht van vandaag is een fragment uit het anonieme Het zeemans-leven, inhoudende hoe men zich aan boord moet gedragen in de storm, de schafting en het gevecht (uit ca. 1825).

De schafting

’s Weeks kunt gij rekenen op spek en kaas, één pond,
Van boter half zooveel; smeer daags zooveel gij kondt.
Graauwe erwten tweemaal ‘sweeks; van brood wordt wel gegeven,
Dan eens randsoen, dan niet, naar men er meê ziet leven,
Ook mostert, zout, azijn, en, als het snertdag is,
Voorziet men ’t nagerecht met stok- of drooge visch;
Tot Englands end voorbij, wordt u ook bier gegeven,
Maar dan een soort van wijn waarvan de kikkers leven, Lees verder >>

Gedicht: Ed. Hoornik • Sint Nicolaasmorgen

In 1954 liet dagblad De Tijd een aantal toen bekende dichters een sinterklaasgedicht schrijven. Waaronder dit van Ed. Hoornik.

Sint Nicolaasmorgen

Het meisje keert zich slapend om:
in de lampetkan en de kom
begint de dag te komen.

Nog huppelt langs een schimmenrij
bouwblokken en het huis voorbij,
waarin de poppen dromen,
het suikerpaard. Maar vliegensvlug
vindt het zijn voetstuk weer terug:
het licht is doorgekomen. Lees verder >>

Gedicht: Jan G. Elburg • Sinterbop

In 1954 liet dagblad De Tijd een aantal toen bekende dichters een sinterklaasgedicht schrijven. Waaronder dit van Jan G. Elburg.

Sinterbop

Si, si. de mamma. de man.
schrijdt door de boeman.
mak. kersttak.
! UUUUUU ! (wild geraas).
teer leica. vond je? is geckoman.
tafontijntje tje tje tje
van zinder klagelijk.
revolverwachting. KLOP KLOP KLOP.
(hersens)
wiedekoe krijt wiedegart.
(bis) schop. Lees verder >>

Gedicht: Tom Lanoye • De angst voor het witte blad

Uit De meeste gedichten, de recent verschenen bloemlezing uit het werk van Tom Lanoye.

De angst voor het witte blad

Had ik de wereld geschreven, ik had haar
direct weer geschrapt. Niet uit hypochondrie

maar uit vakmanschap. De wereld is samen
te vatten in de witheid van één blad en dan
moet je dat doen ook, geen gezeur. Maar omdat
je daar niet van kunt leven, schrijf ik meestal
om het even wat en maak mijn lezers wijs
dat daarin de wereld ligt vervat. Ik schrijf Lees verder >>

Gedicht: Gerrit Komrij • Hoog op de gele wagen

Hoog op de gele wagen

Je hebt Goddank twee goede longen, want als je
Rookt dan piep je niet. Je hebt ook een goed hart
Daarbij, want dans je voor je bed een walsje
Dan voel je je dolgesprongen, niet benard.

Je hebt immers een zéér fijne neus voor vuile
Lucht, en slinks bespoten snijbonen en sla.
Om het zemelloze kadetje kan je huilen,
En je grijpt zesmaal ’s daags naar de tandpasta. Lees verder >>

Gedicht: A. Roland Holst • Vergankelijkheid

Vergankelijkheid

Waar ’t najaar ritselt door de schemering
daar vonden zij elkaar, en mijmrend stonden
zij hart aan hart, tot hij zijn hoofd neerhing
naar haar geheven weemoed – en toen vonden
de roode droefenissen van hun monden
elkaar, bedwelmend, in één duizeling …

Eindelijk weken uit die duizeling
langzaam de droefenissen van hun monden;
hij hief zijn hoofd, haar weemoed neeg, elk ging
eenzaam weer heen, en waar ze elkander vonden,
en waar zij, hart aan hart, mond aan mond, stonden,
ritselt het najaar door de schemering.

A. Roland Holst (1888-1976)

———————————–

Gedicht: Menno Wigman • Moe in Amsterdam

De gedichten die Menno Wigman schreef voor het ‘Eenzame uitvaart’-project zijn onlangs gebundeld in Ik weet niet goed tot wie ik spreek

Moe in Amsterdam

Hij wist dat het zou komen, dat gevoel
dat achter alle ramen van de stad
het leven beter dan het zijne was.

Zo zat hij aan zijn Amsterdamse gracht.
Wat zeg ik? Zo denk ik dat hij daar zat.
Verbannen aan een Amsterdamse gracht. Lees verder >>

Gedicht: Gerard K. van het Reve • Alleen & Terugkeer

De 16-jarige Gerard K. van het Reve liet in 1940 een bundeltje gedichten maken (bespreking hier) in een oplage van 50, bij Copieerinrichting “De Kameel” in Amsterdam. Daaruit twee gedichten:

Alleen

Ver weg het donkre water op
Ging ik eens in een kleine boot;
De wind lag stil en zonder stoot
Van golfslag voer ik zwijgend voort

En schouwde om mij heen:

Een vis die door het water schoof
Een vogel die de lucht in stoof
En ik zat in mijn boot en dacht:

Een vis die door het water schuift
Een vogel die de lucht in stuift
En ik hier in mijn boot.

*

Terugkeer

Breed waren de wateren der oceanen
Die mijn schip droegen over de einder heen
En zonden het in ongekende banen
Naar landen vreemd bevolkt, waarvan nog geen

Ooit had gehoord. De stalen zonnegloed
Schroeide des daags het dak. De maan des nachts
Schoof door de touwen en schonk vriendlijk moed
Aan iedereen die haar aan boord beschouwde.

Zo voer ons vaartuig voort, maar ieder land
Hoe nieuw bezocht, was reeds door mij gekend
Nog eer ik ging aan wal en door het gele zand
Mijn dorre ruitersporen stuivend achterliet.

Ginds ligt mijn merend schip. Ge kunt het zien
Hoe het de natte wimpels hangen laat. Ach ziet,
Nu blijft een mens niets anders over dan misschien
Het kleine, vaste huis, de kachel en kanariepiet.

Gerard K. van het Reve (1923-2006)
uit: Terugkeer (1940)

———————————–

Gedicht: Sybren Polet • Vertrouwdheid van een wezensvreemde

Uit Zijnsvariaties • Verbovelden, een postume bundel ‘late gedichten’ van Sybren Polet. In het boek zijn ook de handschriften van de gedichten opgenomen.

Vertrouwdheid van een wezensvreemde

De onzichtbare hand
zichtbaar gemaakt.
En wierp snel een blik op zijn eigen hand
als op de handelende hand van een vreemde.

Naast hem een wandelend wezenloos wezen,
gehuld in een waas van persoonlijkheid,
waarin de zich langzaam vormende ogen
met de meerdere onbestemde pupillen. Lees verder >>

Gedicht: Lévi Weemoedt • Levensmoe & Frontbericht

Uit Pessimisme kun je leren, de zeer goed verkopende bloemlezing uit het werk van Lévi Weemoedt, verschenen ter gelegenheid van zijn 70ste verjaardag.

Levensmoe

Ik hief mijn hoofdje uit de kinderwagen,
en zag voor ’t eerst de mensen om mij heen.
Ik stelde nog een paar gerichte vragen
en wist genoeg. En was gelukkig weer alleen.

Frontbericht

’k Heb niks gezien vandaag, dat wou ik u nog schrijven:
’k heb heel de dag wat voor het raam gestaan
en niks gezien, ondanks het noestig wrijven
in beide ogen. Toen maar vroeg naar bed gegaan.

Ook moet u weten: ik heb niks gehoord.
Voor uren in een diepe slaap gelegen
en niks gehoord. Zelfs hart en longen zwegen.
Een snik werd in het hoofdkussen
gesmoord.

Voor ’t raam en ook in bed heb ’k niks bedacht.
Dat wou ik u al heel lang laten blijken
maar ’k wist niet hóe! Ik miste werkelijk nog de kracht
om naar een potlood of een velletje te reiken.

Hier moet ik ’t voor thans helaas bij laten:
’t gaat nu weer redelijk, ’k ben aardig opgefleurd.

O wél bedankt dat u mij even bij liet praten!
Ik schrijf u weer zodra er niks gebeurt.

Lévi Weemoedt (1948)

———————————–

Gedicht: F. Starik • Klein leven

De in maart dit jaar overleden dichter F. Starik was ook trekker van het ‘Eenzame uitvaart’-project, dat in verschillende grote steden dichters een gedicht liet schrijven (en voorlezen) bij de begrafenis van mensen zonder nabestaanden. Ieder jaar krijgt een van die gedichten de Ger Fritz-prijs, een prijs voor het beste/mooiste ‘Eenzame uitvaart’-gedicht. Vorige week heeft F. Starik de prijs postuum toegekend gekregen voor een gedicht dat hij twee dagen voor zijn dood schreef – vanwege de kwaliteit van het gedicht, maar ook als waardering voor zijn jarenlange inspanningen. Lees er hier meer over. Het verslag van de teraardebestelling waar Starik het gedicht voor schreef staat hier.

Klein leven

Wat als je rijk bent
en het kan je niks schelen.
Wat als je rijk bent
en gewoon in het buurtje blijft wonen
waar niemand weet
wat er bij jou te halen zou wezen.
Klein leven. Lees verder >>

Gedicht: Bert Decorte • Clos Lamarzelle

Clos Lamarzelle

Clos Lamarzelle dat is een huis,
een groot landhuis langs de Brusselse baan,
niet ver van de brouwerij ‘De Spanuit’,
die elke goede drinker weet staan.

In dit landhuis wonen wijnhandelaars,
maar daarvan is geen spraak in dit lied,
want wijn brengt het hoofd maar in de wind,
zowel als ’t bier dat je binnengiet;
maar in dat huis woonde ook een kind.
Mijn vrouw, waarom heb jij verdriet? Lees verder >>

Gedicht: Nachoem M. Wijnberg • Op weg

Uit Om mee te geven aan een engel, de nieuwe bundel van P.C.Hooft-winnaar Nachoem M. Wijnberg – “over engelen die tussen ons bewegen en meenemen wat wij opgeven of kwijt kunnen”.

Op weg

De man bij de slagboom zegt
dat wij hier niet verder kunnen,
de weg is te vol
met al die die tussen hun dieren lopen,
maar daarna zet hij
de slagboom omhoog
en wuift ons verder. Lees verder >>

Gedicht: H.W.J.M. Keuls • twee rondelen

H.W.J.M. Keuls ontving in 1961 de P.C. Hooftprijs voor zijn ernstige en grotendeels zwaarmoedige oeuvre, maar is sindsdien vrijwel vergeten.

Adieu mijn lief, wij moeten scheiden,
Wij hebben zeer elkaar bemind,
Wij waren trouw en goed gezind;
Wat kwam er dan tussen ons beiden?
Een schaduw, die zich uit ging breiden
En langs het raam een vreemde wind;
Adieu mijn lief, wij moeten scheiden.

Nu zijn van tranen, ongeschreide,
De dagen loom en kou begint,
De dood wordt onze beste vrind,
Nu wij geen weerzien meer verbeiden:
Adieu mijn lief, wij moeten scheiden. Lees verder >>

Gedicht: Gerrit Smallegange • Brief & Voorjaar

Gedichten van Gerrit Smallegange – een pseudoniem van uitgever Geert van Oorschot. Meer over diens poëzie-opvattingen hier.

Brief

Ik vraag u niet uw lot met mij te delen,
een ieders eenzaamheid: dat is wel uitgemaakt,
ik koos u uit onder de al te velen,
en kan u nauwelijks nog lang verhelen
hoe zeer mijn heimwee naar het alleen zijn haakt.
Hoe lang lijkt alles nu alweer geleden,
die ene nacht dat we in het klein pension
als kinderen, verliefd uitzinnig deden
en hoe mijn vingers aaiden nog uw leden
toen reeds de morgen aan de ruit begon.
Er hing een dauwdrop aan het glas te beven,
de zon gaf hem de glans van diamant,
hoe licht en zorgeloos leek toen het leven,
ach, was die morgen maar altijd gebleven,
een bleke roos: uw open kinderhand.
U moet uw lot met ’t mijne niet verbinden,
ik kan niet lang met iemand samen zijn,
en doe geen moeite mij nog terug te vinden:
ik schrijf u dit onder een oude linde
die op een dorp staat tussen Waal en Rijn.

Lees verder >>

Gedicht: Robbert-Jan Henkes • twee gedichten

Uit Wit als een wat, Robbert-Jan Henkes’ bundel vol “knotsgekke gedichten, rijmende raadsels, zachte slaapliedjes, kakofonische klankdichten, filosofische verzen (…) voor alle leeftijden”.

Wit lied

Wit was de stad
Zo wit als een wat
En alles was stil om ons heen
Zacht viel de sneeuw
Een etmaal, een eeuw
Totdat heel de stad verdween

Daar lagen wij
Wit allebei
Alleen maar ook niet alleen
Wit viel de sneeuw
Op ons al een eeuw
Totdat ook de tijd verdween

Lees verder >>

Gedicht: Constantijn Huygens • Sondagh

Sondagh.

Is ’t Sabbath-dagh, mijn Ziel, of Sondagh? geen van tween.
De Sabbath is voorby met zijne dienstbaerheden:
En de Son die ick sie scheen gisteren als heden.
Maer, die ick niet en sie en schijnt niet soo se scheen.
Son, die ick niet en sie als door mijn’ sonden heen.
Soon Gods, die desen dagh het aerdrijck weer betreedden,
Fier als een Bruydegom ter loop-baen ingereden,
‘k Sie Sondagh sonder eynd door dijne wonden heen.
’t Zy dan oock Sondagh nu, men mach ’t Gods Soon-dagh noemen,
Ia, en Gods Soen-dagh toe. Maer, laet ick ons verdoemen,
Waer ick van dryen gae, ick vind ons in de schuld.
God Son, God Soon, God Soen, hoe langh duert dijn geduld?
Hoe langhe lijdt ghy, Heer, dijn’ Soon-dagh, Soen-dagh, Sondagh,
Ondanckbaerlick verspilt, verspeelt, verspelt in Sond-dagh?

Constantijn Huygens (1596-1687)
uit: Heilighe dagen (1645)

———————————–

Gedicht: Toon Tellegen • De wil

Uit Glas tussen ons, de nieuwste bundel van Toon Tellegen.

De wil

Het is stil, ijzingwekkend, mierzoet, schandalig stil,
en ik, die voor een raam sta en dit verzin,
ik denk aan alles wat onmogelijk is en onmogelijk hoort te zijn,
een verjaardagstaart met negenhonderd kaarsjes,
een moeder die zo nu en dan weer even leeft,
een zingende fiets,
een meisje in een jurk van blauw papier, ongefrankeerd
maar aan mij geadresseerd Lees verder >>

Gedicht: Pierre Kemp • twee blauwe gedichten

Nieuw in de dbnl: werk van Bob de Uyl, Jacq Firmin Vogelaar, Herman Gorter en FelixTimmermans. En ook twee bundels van Pierre Kemp; de twee blauwe gedichten hieronder zijn afkomstig uit Engelse verfdoos.

Light Blue

Over blauwe ogen strijken,
tot de avond lijkt zo wijd,
in twee amandele lampen kijken,
zoekend het verouderde: eeuwigheid.
Zo de blonde haren schikken,
tot een vage glimlach guldt,
met de mond naar de neus te mikken,
of de bond daar wordt vervuld.
Met een windsel glans verbinden,
wat nog schemert in de vrouw,
om geen duister meer te vinden,
is licht blauw.

Lees verder >>