Tag: gedichten 20e eeuw

Gedicht: Karel Jonckheere • Moeder

Moeder

Zo lang zij rustig leeft kunnen wij haar vergeten,
ze kost ons zorg noch geld, ze doet ons nimmer zeer;
tweemaal in ’t jaar, misschien, gaan wij nog bij haar eten
en lachen als ze zegt: Het is de laatste keer.

Maar één kort spoedbericht maakt ons opnieuw tot zonen,
wat ons gewichtig werd valt plots en dwaas uiteen,
wij dachten in onze eeuw en in ons werk te wonen
tot wij beschaamd en leeg haar kleine huis betreên.

Ze heeft op ons gewacht. Tenzij ze is gestorven.
Daar ligt wie onze moeder was, het arm gezicht
waarin veel eenzaamheid berusting heeft gekorven
beschenen voor het laatst in reeds vervreemdend licht.

Dat wij voorgoed alleen zijn thans, dat alle bronnen
vervloeien in de tijd, bedroeft ons hart zo niet.
Maar dat onze overmoed zich nimmer heeft bezonnen
over haar eenzaamheid, dit wordt ons taaist verdriet.

Karel Jonckheere (1906-1993)
uit: Pöetische inventaris (1973)

—————————–

Gedicht: Karel Jonckheere • Heimwee naar moeders woordenschat

Heimwee naar moeders woordenschat

Ach moeder, ik weet zoveel woorden meer
en van de muze honderd lepe wetten
om ze verbluffend naast elkaar te zetten
tot schone larie over duister zeer.

Maar als ik op een avond bij ruig weer
de vangst bijeengaar uit mijn rijmennetten,
de troost schudt uit de kuil van mijn sonnetten,
vind ik mijn stem wel maar mijn hart niet meer.

Geleerde vrienden, die het kunnen weten,
hebben eens de armoe van uw mond verteld
maar geen heeft mij dan tot nog toe geteld

hoe gij met twintig silben mild gemeten
mij meer met wijsheid en geluk vervult
dan mijn orkesttaal zwoegend mij onthult.

Karel Jonckheere (1906-1993)

———————————–

Gedicht: Simon Carmiggelt • Een goed mens

Een goed mens

Als knaap was Karel bij de welpen.
In ’t honk zei de akela: ‘Kleine krullenkop!’
Hij ruimde altijd al zijn rommel op
en thuis ging hij dan ook nog moeder helpen.

Zo groeit men op tot een rechtschapen man
en wordt getrouwd door een gespierde Lien.
Zij was niet helemaal zijn smaak misschien,
maar och, er kwamen zeven kinders van.

Des zondags liep hij met de kerkenzak.
Des maandags liep hij met de aktetas
en meende lang dat dit het leven was.
Pas na zijn veertigste werd hij wat zwak.

Hij dacht: Ik ben altijd zo goed geweest,
een stille man met stille visgraatpakken.
De braafheid zit op mijn gezicht gebakken,
maar diep vanbinnen voel ik me een beest.

Ik wil eens rumba dansen op mijn hoed
of onze dienstmaagd vatten om de leest.
Haar kussen, ja, dat wil het beest
en alles doen wat men dan doet.

En uit de kerkenzak wilde hij jatten
om het met sloeries te verbrassen
en lekker nooit meer op de kinders passen,
ze laten staan met ongeveegde gatten.

Maar, och, ook daar kon Gods constructie tegen.
Hij wiep het beest in Karel plichten voor.
Lien moest naar bed met een ontstoken oor
en moe had van de week geen AOW gekregen…

En Keesje had weer uit zijn neus gebloed.
‘O, Karel, ga eens gauw de huur betalen.’
Hij wou wel slecht maar kon het niet meer halen.
’t Was gauw te laat. Hij bleef voor eeuwig goed.

Maar op zijn sterfbed heeft hij nog gezeid:
‘Ik was een beest, Lien. Maar ik had geen tijd.’

Simon Carmiggelt (1913-1987)
uit: Fabriekswater (1956)

———————————–

Gedicht: H.H. ter Balkt • Aan de mensen die machines geworden zijn

Uit Stilstaand leeft alles hier, de pas verschenen bloemlezing die dichter Alfred Schaffer samenstelde uit het werk van H.H. ter Balkt.

Aan de mensen die machines geworden zijn

Overal jan gassen in de straten van oud kwaad-
sprekersland. Wij leven nu stukken sneller dan
de insecten! Felle zandstormen waaien op Mars;
permafrost beeldhouwt de bodem in een ijzeren

vorm. Ik steek mijn hand op naar de mensen die
machines geworden zijn: wandelend in de straten
zenden zij hun lokstoffen uit; er brandt rood,
flikkerend, een oud radiolicht in hun oog. Dat

– koud als permafrost – zendt het signaal uit ‘Ik
ben een machine; vorst in mijn hart; poolkappen
van Mars zijn mijn hersens en hart’. Laforgue, of

jij, Mallarmé, Tristan Tzara, waren jullie dan
de wegbereiders van de ijzige koude? Want groot
is nu de haat en bosbranden stormen in de ziel.

10 oktober 1991

H.H. ter Balkt (1938-2015)
uit: Laaglandse hymnen (1993)

———————————–

Gedicht: Margot Vos • De eerste Mei

De eerste Mei

Toen kraaide de haan, de hemel scheurde
In roode helften, een merelrij
Stoof op uit de slaapdronken bosschen
Den morgen in: ’t was d’eerste Mei.

Een poort vloog open; knaap en meiske
Sprongen het licht in, rood-betresd,
Als twee feest’lijke voorjaarsvogels,
Frisch van toon, uit een donker nest.

Heel in de verte blonken de vanen
En zwaaiden heur kameradengroet;
Hand in hand hebben ze stormgeloopen,
De roode benden tegemoet.

Hoor je ze komen, man van den akker,
Die over de taaie klonten bukt?
Laat dan de lach in je oogen varen:
Je eigen jongen is uitgerukt!

Hoor je ze komen, man van gepeinzen?
Schuif dan je duffe boek opzij;
Leer dan de wetenschap van de wegen:
Je eigen meiske loopt in de rij!

Hoor je ze komen, man van fabrieken,
Met al de zorg aan je harden kop?
Werp een groet door de grauwe ruiten:
Je eigen kind steekt het vaandel op!

Hoor je die jonge, sterke voeten?
Die zullen verder dan d’onze gaan…
Daarom scheurde de hemel open
In roode helften en riep de haan!

Margot Vos (1891-1985)
uit: Vlammende verten (1926)

———————————–

Gedicht: Alfred Kossmann • De herten

De herten

Ach zo leven als de zuivre herten!
Des nachts de samenslaap in warme kuilen,
Des daags de bossen om zich te verschuilen
En ’t kostelijke weideland der verten.

Zij zullen ’s morgens vroeg op tedre voeten
Al spelende een geurend woud betreden,
Een blad dat hunkrend nader is gegleden
Voorzichtig strelende met warme snoeten.

En plotseling de lichte nek geheven
Staan zij er even snuivend stil en rillen;
Een beven dat de over hun pupillen
Glanzende dauw doet huivren. Zo te leven!

Alfred Kossmann (1922-1998)

———————————–

Gedicht: Alfred Kossmann • De vissen

De vissen

De vissen leven soms als kleine planten,
Als bladeren bewegen dan hun vinnen
En in het roereloze licht bezinnen
Zij levens kerngeheim van alle kanten.

Soms zwemmen zij in nameloze scholen
Haast even onbegrijpelijk als dingen
En zonder doel om ergens te verdolen
Hun stille water door in stomme kringen,

Zo grauw en vreugdeloos dat men zou wenen
Of niets hun uit dit leven kan bevrijden,
Maar dan – een erts uit jareloze tijden –
Schitteren zij plotseling als edelstenen.

Alfred Kossmann (1922-1998)
uit: Het vuurwerk (1946)

———————————–

Gedicht: Alfred Kossmann • Feestdag

Feestdag

Mijn vrouw Jeanette
Had te lang geslapen,
Zij was gaar in het hoofd en raar ter been.
We zeiden daarom: we hebben beloofd
Vandaag veel te werken en we gaan alleen
Een klein ommetje fietsen voor we ons daartoe zetten.
Er was veel vertier. Er zwierden vlaggen
De hele stad door en iedereen
Droeg oranje siersels met veel plezier:
Oranje mutsen van dun papier,
Oranje pompoenen op ieders schoenen
En oranje sjerpen om ieder heen.
De kinderen bliezen kartonnen trompetten
(Wie een toeter heeft op een feestdag moet
Aan één stuk toeteren — geen mens kan ’t beletten —
Tot hij gaar in het hoofd wordt en raar ter been),
Het joelen was mooi, maar we hadden geen petten,
We fietsten er enkel maar doorheen.
Toen blies de rivierwind ons al tegemoet.
We snoven de geuren. In de verte woven
De kleurige vlaggen, er voeren boten,
En rijzige kranen met grijze contouren
Stonden meer dan menselijk langs de rivier,
De zon wierp met geweldige zwier
Een vuurwerk van kleur over alles heen,
Een waaier van stralen. We hoorden ze klinken
Als ze ’t water raakten: iets zilverwits,
Metalen munten op een vlak van steen,
Hel klaterende stemmen, heel schel,
Bijna bits.

Alfred Kossmann (1922-1998)
uit: De bosheks (1951)

———————————–

Gedicht: Jules de Corte • Koninginnedag 1958

Koninginnedag 1958

Die morgen liep mijn dochtertje op straat,
met twee oranje strikken in het haar.
En in haar hand een vlaggetje van feest.
Zij zong een liedje op de mirliton.
De zon wou niet echt schijnen,
maar de wind blies zacht en mild omdat het lente was.
En boven de geluiden van de straat
zong zij haar liedje, zo ontroerend blij,
Dat buurvrouw vroeg: ‘Moet je een snoepje schat?’ Lees verder >>

Gedicht: Willem de Mérode • De Emmaus-Gangers

De Emmaus-Gangers

Nòg speuren wij ’t nieuw vreugdgevoel,
Dat heet en koel
Ons overrompelde op den tocht,
Toen Hij ons had bezocht.

Hij heeft ons ongeloof gekrenkt,
De ziel gezengd
En drong zoo zacht als windgesuis
Met ons in huis.

Toen Hij de brooden met ons brak,
Den zegen sprak,
Kenden wij Hem aan woord en stem,
En – wij verloren Hem.

Maar schoon Hij vlood van ons gezicht,
Toch blijft Zijn licht,
Want ’t hart, ontstoken aan zijn gloor,
Vlamt altijd door.

Willem de Mérode (1887-1939)
uit: De donkere bloei (1926)

———————————–

Gedicht: Willem de Mérode • Paasmorgen

Paasmorgen

Hij was het graf al uitgegaan
Vóór ik Zijn dood bezoeken kon.
Een zwarte leegte in de zon
Gaapt de spelonk mij aan.

O wát ik hoopte in mijn verdriet,
Hij kwam mijn ongeduld nog vóór.
Maar, Die ik door de dood verloor
Vind ik ook levend niet.

De olijven met de lichte wind
Verzilvren in de zonneschijn,
Waar ’t hart niets dan zijn oude pijn
langs alle paden vindt.

Maar om de donkre nauwe bocht
Wappert een oogwenk zijn gewaad.
Mij blindt de glans van zijn gelaat.
Hij had MIJ lang gezocht.

Willem de Mérode (1887-1939)
uit: De donkere bloei (1926)

———————————–

Gedicht: Willem de Mérode • Berouw

Berouw

In den schemer het angstige luistren
Naar den wind die waait om de huizen.
Van de wilgen stuiven de pluizen,
Wit in den regen van ’t duister.

Ver weg het bedwelmend bruisen
Van de zee; haar vage geluiden
Eentonig, versmelt met het ruischen
Van het bloed, zoo warm en duister.

In het duisteren en het ruischen
Een buigend mensch, arm en donker…
Op een heuvel stonden drie kruisen.
Gij leedt daar, ik weende er onder.

Willem de Mérode (1887-1939)
uit: Het kostbaar bloed (1922)

———————————–

Gedicht: Martinus Nijhoff • De soldaat die Jezus kruisigde

De soldaat die Jezus kruisigde

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers grepen
Wild om den spijker toen ‘k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij lief –’
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
In ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
‘Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.’

Martinus Nijhoff (1894-1953)
uit: Vormen (1924)

———————————–

Gedicht: Ellen Warmond • Of niet soms?

Of niet soms?

Je woorden maakten nog speelschuld
maar je stem was al medeplichtig
aan mijn inbraak in je toekomst

en ik was al begonnen
muziek te componeren
voor je triangel mond en oren

je huid vroeg wie ben ik
dat je me kent

ik zei je bent een ander
of niet soms?

*

Waarschuwing aan de kinderen

Getemde tongen prijzen
vergrijsde tijden

om dit vulgaire voedsel
het blinkend hallelujah van de dagen
het krimpend allahallah van de nachten

om deze slinkse slaapplaats
diep in de armen van de ik de afgod
onder het dovemansdek laterbeter

geloof het niet
alles
is anders.

Ellen Warmond (1930-2011)

———————————–

Gedicht: Wilfred Smit • Geluk is steentjes

Geluk is steentjes
nooit een kei –
Narcissus had teentjes,
die stootte hij –

ook Echo had ze
maar die kwijnde weg
geluk, vergat ze
daar is ’t eind van weg

en waar het einde weg is
is ook geen begin –
gelukschoentjes met eeuwig
steentjes erin.

*

Afscheid

Er staat een plant begonia vaarwellis
in het venster; hij zal niet omkijken
niet zien – ik plant een hagepreek
van lieve woorden om hem heen;
hij wil wel luisteren maar voor ’t laatst.
zo ga ik langzaam over in een oude vrouw,
een oudere zuster der vitrages,
met plotseling een zoon maar hij is weg,
en met een kat imaginair, niet te verjagen.

Wilfred Smit (1933-1972)

———————————–

Gedicht: Victor Vroomkoning • Delft [14 september 1666]

Ter gelegenheid van Victor Vroomkoning’s 80ste verjaardag, verscheen Tachtig, een bloemlezing met zijn mooiste gedichten.

Delft [14 september 1666]

Liefste,

Ik hoorde, Londen stond in brand.
Ook ik. Nu wiegt mijn schoot
de luit die jij me schonk.

De meesterschilder die ik noodde
wilde goud en hermelijn
om het geheim dat in mij rijst.

De meid en ik fixeren
elkaars blik, één in zwijgen
over wat verzwegen moet.

Zestienzesenzestig schrijven we
maar door Vermeer blijft eeuwig
deze brief tussen ons in.

Nooit valt het doek, steeds strijkt
het licht langs dat wat dicht
geschilderd voor je open ligt.

*

Bij wijze van

Frambozen zou ik krijgen
moeder, weet je nog? Geen
spenen. Wat bavarois zou heten
smaakt naar tiet.
Zonen lusten geen meisjes-
metaforen, geen rozeknop maar
kittelaar. Zonen halen vaders aan.

Victor Vroomkoning (1938)
uit: Tachtig (2019)

———————————–

Gedicht: Michael Deak • Donkere metten

Donkere metten

Twee bruine vogels nestelen op het hart
van Zwarte Lientje met de blanke tanden:
dat zijn de wilde vogels van de schande,
dat zijn de stille vogels van de smart.

’k Weet een verscholen fjord tussen het zwart
van haar klein oerwoud. – Wie er eenmaal landde
keert er steeds weer, en vangt met warme handen
de bruine vogels op haar brandend hart. –

Wij hebben voor elkaar geen vreemde namen
en geen verhalen voor elkaar bedacht, –

wij zijn alleen maar teder en tezamen.

Eet van het brood dat ik je heb gebracht
en zing je liederen van Suriname
en laat mijn bloemen in je haar vannacht.

Voor Zwarte Lientje

Michael Deak (1920)
uit: Aphroditis (1950)

———————————–

Gedicht: Jo Landheer • Bekentenis

Bekentenis

Lang heb ik midden in het bos geleefd,
Alleen met bomen en met schuwe dieren,
Wilde konijntjes hield ik in mijn hand.
‘k Zag herten drinken in de avonduren.

Een geur van mos was aan mijn huid, en hei.
Vreemde verrukkingen trilden in mij,
Diep en geheim, waar mensen niet van weten.
Soms sprak ik iemand, maar ik zei niet veel.
De woorden kwamen moeilijk door mijn keel:
‘k Begon de mensentaal al te vergeten.

Jo Landheer (1900-1986)

———————————–

Gedicht: Jo Landheer • April op de Veluwe

April op de Veluwe

In andre streken is ’t nu volop voorjaar.
Daar staan nu al veel boomen in een zacht
Pril waas van groen en gaat jong gras ontspruiten.
Verblindend trilt er de ijle bloesempracht.

Hier blijft het donker op de stille heide,
Die nog van winterkoude lijkt verstard.
Vaal en verlaten liggen de stuifzanden
En al het loofhout ziet nog kaal en zwart.

Maar meer dan naar het liefelijkste op aarde,
Trekt naar dit stugge land mijn heele hart.

Jo Landheer (1900-1986)

———————————–

Gedicht: Hugo Claus • Visio Tondalis

Nieuwe, uitgebreide website voor Hugo Claus’ verjaardag – hij zou vandaag 90 zijn geworden. ‘Visio tondalis’ (= Het visioen van Tondalus) is geïnspireerd op een gelijknamig schilderij van een volgeling van Hieronymus Bosch. Het gedicht wordt hier voorgelezen met muziek van Erik Voermans.

Visio tondalis*

Uit het valeland naar de borstelige lucht duwt een engel
De verraste ziel bij de billen
In een ei van licht.

Een gehelmde zot met een slak op zijn kop
Schiet wortels in de modder.

Niet in de spiegel met de slang kijkt het wijf
Maar naar de krijger in zijn kot.

Kat en varken roosteren een oor,
Torens branden, hoor het krijsend koor!

Lust, een monnik met een pin in zijn pij van spijt,
Wordt in de takken vermaledijd.

Met vlerken van korenaren zoekt de vlinderrat
Naar aas en het aars van een duif.

Oker is de aarde en doorkrabd met sporen en hoornen.

Daar klimt in een geldbeugel een klerk
Met spaarzame knieën. Zweepdieren besmetten de kerk.

Gulzig eten wij hagedissen, padden eten aan ons,
De zonde is een donkere zon.
(Ik zoog haar binnen met de melk voor het gebed;
Verdrogend bij de enkels
Naderden buidelwijven mijn jankend bed.)

Een kleurloos gewoeker bijt aan het gebouw der rede,
Kennis roert en wroet aan het gebeente.

Halsstarrig blijven de torens en de kooien branden
In vlammen en vlooien.

Geen boot in het suizende water.

Opgeblazen door kerkmuis en uil
Zit een ketter gesperd op een mes
En schuift het klokhuis van zijn buik
Over het ongenadig lemmer, het kruis.

Eieren breken, keien krijgen een muil in het kruid.
Een kakkerlak graaft in een kist,
Een kater likt aan de galg, een kalf verdrinkt in het lis.

Iedereen in zee, niemand aan de kant,
Dit is mijn moederland.
Adem wordt wind, kwijl wordt slijk
En naar mijn voeten toe groei ik
Ritselend in ijzer en ijs.

Hugo Claus (1929-2008)
uit: Een geverfde ruiter (1961)

* Visioen van Tondalus

———————————–

Gedicht: Jacqueline van der Waals • Woorden

Woorden

Ik wantrouw het woord, een mensch, dat praat,
Het weet van alles het hoe en waarom;
Daar is op aarde geen heiligdom,
Waar niet het woord naar binnen gaat.

En dit heet ‘huis’ en dat heet ‘hond’
En dit heet ‘God’ en dat ‘gebed’,
En noemt men iets, dan weet men het,
En nergens is meer heilige grond.

Der menschen woord raakt alles aan.
– En dan verstomt der dingen lied, –
Hun tuin grenst vlak aan Gods gebied….
Ik waarschuw: blijf van verre staan,

En nader niet met een naam, met een woord,
De juiste term, de gave zin,
Het doode lichaam ligt er in
Der dingen, die men heeft vermoord.

Naar Rainer Maria Rilke

Jacqueline van der Waals (1868-1922)
uit: Iris (1918)

———————————–

Gedicht: Chawwa Wijnberg • Mijn lief ik vaar een schip vol tranen

Samen met Chawwa Wijnberg’s nieuwste bundel verscheen een heruitgave van haar eerste bundel uit 1989, Aan mij is niets te zien.

Mijn lief ik vaar een schip vol tranen
een schip vol tranen naar je toe
ik had je wat anders willen brengen
vertel me wat je wilt en hoe

ik je geweven innigheid kan geven
of vreugde in een doosje vol karton
of flesjes van de eerste morgen
of alle bergen die je ooit beklom

dat alles in een sloep van goede tijden
ze vaart wel mee maar is nog onder zeil

maar voor ik al die schatten kan bevrijden
moet eerst dit vaartuig schipbreuk lijden

vooruit sirene blaas de stormwind aan
als ik bij jou ben durf ik wel te vergaan

Chawwa Wijnberg (1942)
uit: Aan mij is niets te zien (1989)

———————————–

Gedicht: Gerrit Komrij • Een gedicht

Gerrit Komrij zou afgelopen zaterdag 75 zijn geworden. Daarom een online tentoonstelling, een stuk over zijn tv-kritieken, over de door Komrij bewonderde Jopie Breemer, en over Komrij’s bundel Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten.

Een gedicht

De eerste regel is om te beginnen.
De tweede is de elfde van beneden,
De derde is om wat terrein te winnen.
De vierde moet weer rijmen op de tweede.

De vijfde draait u plotseling een loer.
De zesde heeft het twaalftal gehalveerd.
De zevende schijnt zwaar geouwehoer,
De achtste bloedserieus. Of omgekeerd.

De negende vertelt nog eens hetzelfde.
De tiende is misschien een desillusie.
De elfde is niets anders dan de elfde.
De twaalfde is van niets de eindconclusie.

Gerrit Komrij (1944-2012)
uit: Maagdenburgse halve bollen en andere gedichten (1968)

———————————–

Gedicht: Jac. van Hattum • Kind’ren van mensen, mij benauwt….

Kind’ren van mensen, mij benauwt….

Kind’ren van mensen, mij benauwt
dit roekeloos met waarden spelen;
hier het koude heersen-door-verdelen
en elders haat, die harten knauwt.

En overal een eend’re zucht
naar eens verworven zekerheden;
Geloof, te onoprecht beleden,
is van de harten weggevlucht.

Geen volk stond leger aan zijn tijd;
geen tijd schiep wreder moôglijkheden;
er is geworsteld en gebeden;
wat zegevierde was de nijd.

Niets werd gewonnen, dan aan haat
en aan bereidheid tot verdelgen;
straks is de bozen ’t bloedig zwelgen
en pleegt d’oprechtste zijn verraad.

Hemel, waaraan de sterren staan,
wat is der liefdelozen waarde?
Onder de sterren staat de aarde
in het koude haten bovenaan.

Jac. van Hattum (1900-1981)
uit: De pothoofdplant (1936)

———————————–

Gedicht: Jac. van Hattum • Ponderabele geest

Ponderabele* geest

Eerwaarde, het Kruis was onder U bezweken,
onder Uw wicht Uw handenpaar gescheurd;
naar het ponderabele waart Gij gekeurd:
geteld, gewogen en te zwaar gebleken.

En, naar het Kruishout brak, ’t gelaat ter aarde
of naar Uw hemel, hulp’loos, opgericht,
hadt Gij het volk ten laatste male ontsticht,
de schrale bende, tierend rond Eerwaarde.

Uw vinger dorst tot soberheid vermanen ….;
versterving lag bestorven in Uw mond ….;
tot men U woog en U te zwaar bevond,
ontdaan van Uw omhullende soutane ….

Maar: niemand zal U van Uw kleed beroven,
daarom wordt niet gedobbeld en getuist*,
verzekerd, als Gij onder armen huist:
verzade-kemel-tot-de-naald-hierboven.

Zo was Uw meester niet — niet bij de rijken
en bij de armen niet — en onverhuld
en het licht-voorzegb’re werd aan Hem vervuld.
……………………..
Eerwaarde, ’t Kruis zou onder U bezwijken.

Jac. van Hattum (1900-1981)
uit: De pothoofdplant (1936)

ponderabilia = dingen die gewicht in de schaal kunnen leggen
pondereus = zwaar en log
tuisen = dobbelen, gokken

———————————–