Tag: gedichten 20e eeuw

Gedicht: Riekus Waskowsky • Elfde Elegie

Elfde Elegie
(voor Karin Röling-Gellinek)

omdat ze het zo fijn vond, dat de ijsberen wit zijn en
van bosbessen houden, draaiden we ‘Mingus, Oh Yeah’
op die hifi platenspeler in luxe houten cassette
met beschermkap, 4 snelheden en gevoelige naald.

‘Don’t let them drop that bomb on me, o Lord’
‘Don’t let them drop that bomb on me, o Lord’

Dat was wel heel gevoelig, de dood – het wie, wat,
waar, hoe, waarom en wanneer, bijvoorbeeld… Lees verder >>

Gedicht: Christine D’haen • Eva uit Adam slapend

Eva uit Adam slapend

God, op den zesden dag
beval dat Adam lag
en slapend ’t lichaam overliet;
Adam vervulde ‘t, lei het hoofd
onder een boom met bloeiend ooft
en sliep
terwijl God Eva schiep.

Temidden ’t woud vol wild
nu wonderlijk gestild
daar elk zijn koning willoos ziet,
temidden vogelen, vissen, ’t fier
geslacht van pels- en vederdier
en pauw,
vond hij den vorm der vrouw.
Lees verder >>

Gedicht: Christine D’haen • Vijfde grafgedicht voor Kira van Kasteel

Vijfde grafgedicht voor Kira van Kasteel

Al wat de moestuin gunt, de groenten van het jaar;
het boerenhof, de boter, room en schuimige melk;
de herfstelijke boomgaard peer- en appelzwaar;
’t fijn kruid uit wei en tuin, uit ’t bos de kantharel;

En al wat vergenoegt, de koperen krulchrysant,
de druif der wijngaarden, de verse ruwe noot,
het wordt mij rijkelijk gestapeld in den schoot,
en om gemeenzaam smaken mede in de hand

van hem die alles deelt met mij: ’t diep ledikant
waarin het warme vlees met zachtheid wordt gevoeld,
’t verlangde avondboek, de wandeling die verkoelt;
’t wordt mij geschonken in de sterfelijke hand.

Uw hand is echter leeg, en wordt alleen bezwaard
door aarde die uit u haar vruchtbaarheid vergaart.

Christine D’haen (1923-2009)
uit: Twaalf grafgedichten voor Kira van Kasteel

———————————–

Gedicht: Maurice Gilliams • Posthume tweespraak

Posthume tweespraak

Van op de laatste, lange trap naar Thebe
verschijnt de wereld die we pas verlieten.
– Verloofden zeilen op de lijze meren;
de moeders lachen bij de jonge wiegen.

Het feest der druiven, die we tóen niet proefden,
had aan het hart zijn wijnoogst kunnen schenken.
– Het wijnrood avondloof klimt aan de hoeven;
de klokken gaan oud zeer met troost vermengen.

Wij stijgen van ’t gedroomde naar het onbekende
om met de vogels naamloos in te slapen.
– De verteloze vissen staren in de verte;
de torenspits biedt nachtrust aan de raven.

Maurice Gilliams (1900-1982)

———————————–

Gedicht: Gust Gils • hoe schoon nietwaar het land des zondags

hoe schoon nietwaar het land des zondags
(morgen beloftevol openstralend
en straks na de middag zullen overal dezelfde
bronstige koppels wandelen in eer en deugd
hun verlangen behoeft bliksemafleiders)

laat nu niet na een vroege buurttram te nemen
gij kunt u gratis gaan zelfmoorden de bossen staan open
(voorbij de tijd van het grootgrondbezit)
niemand zal nog naar u vragen in een rustig hoekje
zult gij vergaan tot nuttige bladgrond Lees verder >>

Gedicht: Bea Vianen • Palmen & Enorme handen

Bea Vianen overleden

Palmen

Als ik m’n vroegere vriendjes zo’n beetje bij elkaar optel
Zijn het er zeker een stuk of zeven van wie ik houd.
Jaren niet gezien en toch niet vergeten.

Was niet altijd erotiek of zo
Maar gewoon het overrompelende of het behoudende dat in
Zo’n ontmoeting zit. Och, laat maar. Anders worden
De palmen zo jong. Zo machtig mooi.

* Lees verder >>

Gedicht: Victor J. Brunclair • Wijze maagd

Wijze maagd

De boetgezant zo stroef werd minzaam na het maal
Volzomer heeft haar goed geduld verdreven
weg van het kantkussen en zijn onvoltooid figuur.

O wildzang van de lachvogels hoge triomf en jubel
het weeldeland in glooiïng aan haar mijmerhuis zo stil
kollebloemen ontbloeien op haar klare droomkoon
en zij treedt de lange laan in de goede wachtengel achterna
die voor de deurpost hield zijn blank verwijl
en koele schaduw van zijn vlerken op haar leven. Lees verder >>

Gedicht: Victor J. Brunclair • Dorp-doorvaart

Dorp-doorvaart

Dit openbaart de grolgorgel van een klaxon door de heuvelstreek
ontzetting der der dingen                      burlesk verbazen
het vreedzaam vee houdt op met grazen
en zilvervis richt zich rild uit de blauwe beek

Een antieke kantiekentoren
heeft het hoofd verloren
vergeet de Tijd te slaan
zo geraakt zijn tiktak getikt en de tikkenhaan
draait dwaas driemaal

Boos zet de hangbrug
een hoge rug
maar droomdaken heffen hun schouwken in reikhals over de hagen

Alleen de schaterwaterlach van de beek is niet verslagen
daarvan snapt de snep bij de waterboord geen zier
maar de vis duikt zijn neusje diep wijsgerig in ’t wier.

Victor J. Brunclair (1899-1944)

Brunclair is op zijn best, wanneer hij zijn voorliefde voor grappige woordspelingen tot een alledaags onderwerp beperkt, zoals in de Dorp-doorvaart. De elkaar opvolgende assonanties, paronomasia’s en naïeve eindrijmen geven hier op doeltreffende wijze de paniek van het verbouwereerde dorpje weer, waar een auto doorheen raast.
Dit is een van Brunclairs minst ‘geforceerde’ gedichten. De spontaneïteit van de kinderlijke visie – het lijkt een tekenfilmpje – heeft het hier van de modernistische grootspraak en het al te cerebraal doorgevoerd experiment gewonnen.
• Rutten & Weisgerber

———————————–

Gedicht: Frank van den Wijngaert • Asta Nielsen

Asta Nielsen

Een fonkelende Engel
waakte over u
bij uw geboorte.

Hij nam de Poolster van de hemel
en plantte haar
– een magies Teken –
midden op uw voorhoofd.

Dan zoefde hij driemaal rondom de luisterende Aarde
en bliksemde over de zeeën en het vasteland
de Boodschap van uw Komst.

En mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards,
allen togen uit
bij deze wekroep van de fonkelende Engel… Lees verder >>

Gedicht: Aart van der Leeuw • De stilte

De stilte

Zoo vaak als ik de stilte wek
Behoedzaam met een vingerdruk,
En tot heur geurend bed mij buk,
Ontspint vanzelf zich ons gesprek:

Als tusschen lentewind en woud,
Den leeuwrik en het morgenblauw,
Een bloem in tweespraak met den dauw,
Klaar water dat met zonlicht kout.

Ons woord ontsluit de lippen niet,
Wij luistren zonder te verstaan
Naar de gedachten die vergaan
Wolkengeboorne in goud verschiet.

Aart van der Leeuw (1876-1931)

———————————–

Gedicht: Karel Jonckheere • Anti-nieuwjaar

Anti-nieuwjaar

Altijd en ergens oudejaarsavond
op een ster in een boek of een brief
ik vier mijn tijd niet in namen
ik hef geen punch op een dief.

Eeuwen zo oud als mijn jaren
mijn jaren zo jong als de wind
die met datumloze gebaren
mij uit de kalenders ontbindt.

Deze avond blijf ik afwezig
betrek een aanwezigheid
op einders die mij genezen
van mijn vergankelijkheid.

Karel Jonckheere (1906-1993)
uit: In de wandeling lichaam geheten (1969)

———————————–

Gedicht: Karel Vertommen • Oudejaarsavond

Oudejaarsavond

‘k Tel in mijn handen luttel goed
En menig ongerechtigheden;
De zon is rood in mist vergleden
Het oude jaar verzonk voorgoed.

Het mooiste lied bleef steeds verzwegen,
De grootste ramp bleef ons gespaard;
Heb ik geen aards bezit vergaard,
‘k Heb van geluk mijn deel gekregen.

Dies loof ik ’t stervend jaar vannacht
En dank God, die me schonk het leven;
Hij heeft in sterren ’t lot geschreven
Dat in het prille jaar me wacht.

Karel Vertommen (1907-1991)

———————————–

Gedicht: A.D. Keet • Die arme digter

Die arme digter

O gee hom ’n mooi begrafnis,
Die arme digter is dood.
Hij ’t dwarsdeur sij hele lewe
Geveg vir sij brokkie brood.

O neem van die fraaiste eike,
Die fraaiste eike se hout,
En spijker hom toe in ’n doodkis
Met spijkers van silwer en goud.

Waardering was nie sij deel nie,
Sij laste was swaar als lood –
O gee hom ’n mooi begrafnis,
En laat hom met rus… hij is dood.

A.D. Keet (1888-1972)
uit: Gedichte (1920)

———————————–

Gedicht: A.D. Keet • Gelijkenis

Gelijkenis

Hoog en helder skijn die maan
Baje mijle hiervandaan.
Wolkies kom en gaan verbij,
Stil en langsaam, op ’n rij –
Wolkies wit en wolkies geel,
Almal deur die maan gestreel.
En die wolkies gaan verbij,
Stil en langsaam, op ’n rij.

Soos die wolke trek en glij
Langs die lugbaan, op ’n rij;
Soos die maan daar rustig staan
Mijle, mijle hiervandaan,
Is die lewe – glo vir mij:
Almal trek en gaan verbij,
Net die wêreld blij maar staan
Met sij sterre en sij maan.

A.D. Keet (1888-1972)
uit: Gedichte (1920)

———————————–

Gedicht: Jan Boerstoel • Toen

Toen

Kerstmorgen vroeg… De prille jaren vijftig leden
buiten voelbaar onder de winterkou,
de rode kolenkachel was nog amper lauw,
maar de elektra-kaarsjes in de kerstboom deden

hun best, de kleine jongen wreef zijn handen,
maar bleef zich warmen aan hun zachte stille licht,
zo af en toe kneep hij zijn ogen dicht,
waardoor het nét leek of er echte kaarsjes brandden.

De mooie kaart van oma op het schrijfbureau,
“Gelukkig Kerstfeest” las hij… En dat was ook zo.

Jan Boerstoel (1944)
uit: Altijd het niemandsdier (2001)

———————————–

Gedicht: Jac. van Looy • Kerstnacht 1915

Kerstnacht 1915

Regent het in den nacht?
De stille, de heilige nacht?
Spritst het niet duister en zacht?

Neen,’t regent niet in den nacht,
De alles omhullende nacht,
De nacht is stom en wegend is de nacht.

Ik weet dat onder de nacht
Een menschdom grijnst en smacht
En dat de wolken waren
Als wijlen van doodenbaren.

En dat in reutelingen
Veel duizend lippen zich wringen,
En dat er duizenden sluipen,
Met messen uit holen kruipen.

En dat soms de aarde schokt,
In vlammen en kluiten brokt,
En dat veel schoone geheelen
Tot splinters en leden zich deelen.

En dat de vorsten en grooten
In de eene nacht zijn besloten
En dat uit diepte, van ver,
Wordt uitgezien naar een ster.

En dat er lichten ijlen,
Omlaag, omhooge peilen,
En dat langs ’t firmament
De heete verwoesting rent.

Ik weet het, ik weet de nacht
Is over de aarde gebracht.
En dat de wolken waren
Als wijlen van doodenbaren.

Ik weet, ik weet, ach, zooveel,
Dat Jezus was sentimenteel
En dat ik hier lig en wacht
Of het niet regent zacht.

Jac. van Looy (1855-1930)

———————————–

Gedicht: Martinus Nijhoff • De kerstboom

De kerstboom

De kaarsen branden tusschen mandarijnen,
Sneeuwsterren, speelgoed en gekleurde noten.
De kind’ren zingen, en de dauw der groote
Oogen beweegt en blinkt in ’t trillend schijnen.

Hoor hoe ze zingen: ‘Nu zijt wellekome’ –
‘k Voel moeders hand weer die de mijne houdt,
En huiver bij den geur van ’t schroeiend hout
Als toen ik zong: ‘Gij zijt van ver gekomen -’ Lees verder >>

Gedicht: Bhai • drie gedichten

Op dezelfde dag als zijn jaargenoot Michaël Slory overleed eergister de Surinaamse dichter James Ramlall (ook bekend als Bhai).

dhan ka dukhra
(Rijstesmart)

Slechts zij, die uit rijst geboren zijn
Slechts zij, die in rijst zijn opgegroeid
Slechts zij, die door rijst gestorven zijn
Kennen alleen de jammerklacht der halmen.
Want weet, dat iedere groei
in wezen sterven is
en iedere bloei vergaan.
Zo weet dan ook, dat iedere oogst
zeer smart’lijk is.

Lees verder >>