Tag: gedichten 20e eeuw

Gedicht: Gerrit Krol • Het meisje van Steinberg

Het meisje van Steinberg

Het meisje van Steinberg gezien,
in volle staat, doodstil,
met op haar achterste een staart,
de krullen op het hoofd
met veters aan elkaar geknoopt,
niet kwaad, maar breed,
– dat is, zei Stein, wat ik graag zie –
schouders van een kapitein,
pijpjes naaizij op gordijn,
boezem, maar met strikjes,
substrikjes in een gesp bijeen,
de armen bloot maar zeer voorzien,
en o, die benen, indrukwekkend,
zo zwaar en naast elkaar,
van nylons glaciaal …
Hij zei, dat zeggen ze allemaal,
maar zo moeten benen zijn,
waar ze de weelde van hierboven
– hij hing haar een horloge om,
een restje dit, de spelden in de mond,
een restje datkwadraat,
een stapel confectiehoeden
op het hoofd – dragen moeten.


Gerrit Krol (1934-2013)
uit: Een morgen in maart (1967)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Michel van der Plas • In de trein

In de trein
(bij Heemstede)

Huis met de groene luiken naast de ramen,
met groene tuin, met ’t groene hek ervoor:
groen huis met meisje in het groen, tesamen
ontmoet tresoor… – voorbij: de trein vliegt door,

ik laat geen spoor na als ik verder spoor,
maar in mij staat een beeld met nieuwe namen:
groen huis, meisje in ’t groen – het gaat teloor:
vanavond zijn de luiken voor de ramen. Lees verder >>

Gedicht: Ad den Besten • Lof van Utrecht

Lof van Utrecht

Stad, ik ben nietig als een stille plant,
die argeloos ontluikt in uw plantsoenen;
ik schuil in u voor ’t wiss’len der seizoenen
en bloei mijn bloemen in uw warme hand.

Of, nog veeleer ben ik van uw mosgroene,
rustieke torens aan de singelkant
een duif, die er zijn jonge vlerken spant
maar altijd weerkeert in de bladfestoenen.

O stad, ik heb u lief, ik ben uw kind;
ik ken uw parken, kerken en uw pleinen
als een die er verrukt zichzelf hervindt.

Maar ook, zo waar als ik uw kind mag zijn en
dit vers zich duizelend daarop bezint,
wordt uw bestaan bezegeld met het mijne.


Ad den Besten (1923-2015)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jan Engelman • Geest van Utrecht

Geest van Utrecht

Zacht klater water in de avondvree
en mensen zitten neder op de rand van een fontein,
Zo roerloos, zo gelaten moet mijn stad wel zijn —
ik vind haar wezen en ik neem het zingend mee.

Want hier liep Warhold, die zijn wilde hart verwon.
Jan van den Doem bleef bruidloos om zijn kathedraal.
Een kerknis was het hemels voorportaal
van Bertken, felle minnares, en zoveel feller non.

Met bloemen, kruisen, van het late licht begaan,
de toren, die zo maatloos hoog verrijst.
Rank als zijn spits zich heft en vroege sterren wijst
ging hunne ziel omhoog en achter sterren aan.

Geest van gotiek en stem van deze stad,
met klank van klokken drijft gij om zijn trans.
De hof verduistert, maar de ogen zijn vol glans,
de monden zwijgen en het jagend hart wordt zat.

Zo wees mij lief en voed een andren gloed
dan in de snel-ontvlamde dwazen schijnt.
Men vindt soms, avondlijk, een licht dat niet verdwijnt:
het Godsrijk leeft bestendig en het kent geen spoed.


Jan Engelman (1900-1972)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Hans Andreus • (In plaats van)

Hier, op deze plaats,
stond een ander gedicht; het ging verloren.
Misschien
namen die vormen van de lucht die wij voor wind aanzien
maar wereldser geesten verbergen,
het weg in een plotselinge hartstocht, een verliefdheid,
en spelen zij er nu mee. Misschien
ook droeg het teveel wetenschap
om te kunnen blijven
leven.

                   (In plaats van)

 

Hans Andreus (1926-1977)
uit: Schilderkunst (1954)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Remco Campert • Impasse op de heide

Impasse op de heide

een kempse zon schijnt hier
de wereld ontdaan van de franje
der stadse bijgeluiden
ligt als een hersenloos zoogdier
eeuwen te herkauwen
ver van de ijle bomen
der gedachten, eronder
ligt de weg op mij te wachten
wat doe ik in dit niemandsland
ik loop over het dier
dat niet beweegt maar
het speeksel van de uren
van haar kaken druipen laat
ik denk niet meer dan:
pierre laat de zon weer stevig branden.

(1950)

Remco Campert (1929)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Pierre Kemp • Idylle

Idylle

De boeren hebben de faeces van
de koeien gespreid in ringen
over de weiden. Een laatste man
strijkt met zijn vork nog even uit
en een kind staat er bij te zingen
onder het rijpende fruit.
Het kind zingt misschien om het avondrood
of om de pop met haar zaagmeel-schoot
en anders om andere dingen.
Het hoort ongemerkt de avondklok
en den laatsten ring, dien de boer daar trok.
Het gras is daarbij maar neergegaan,
om later subliemer op te staan.

Pierre Kemp (1886-1967)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Pierre Kemp • Fanfare

Fanfare

Ik sta al lang niet meer vooraan,
als er stoeten door de straten gaan.
Ik moet luisteren naar de bomen
en niet naar mensen, die komen.
Ze komen, de mensen, en gaan voorbij
in gelederen van dwazen,
maar de élite onder hen, voor mij, zijn zij,
die in koperen buizen blazen.


Pierre Kemp (1886-1967)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Martinus Nijhoff • Het uur U (fragment)

Het uur U

Het was zomerdag.
De doodstille straat lag
te blakeren in de zon.
Een man kwam de hoek om.
Er speelde in de verte op de stoep
een groep kinderen, maar die groep
betekende niet veel,
maakte, integendeel,
dat de straat nog verlatener scheen.
De zon had het rijk alleen.
Zelfs zij, wier tweede natuur
hen bestemde, hier, op dit uur,
te wandelen: de student,
de dame die niemand kent,
de leraar met pensioen,
waren van hun gewone doen
afgeweken vandaag;
men miste, miste hen vaag.
Sterker: de werkman die
nog tot een uur of drie
voor bomen in ’t middenpad
de kuilen gegraven had,
had zijn schop laten staan
en was elders heen gegaan.
Maar vreemder, ja inderdaad
veel vreemder dan dat de straat
leeg was, was het feit
der volstrekte geluidloosheid,
en dat de stap van de man
die zojuist de hoek om kwam
de stilte liet als zij was,
ja, dat zijn gestrekte pas
naarmate hij verder liep
steeds dieper stilte schiep.

(verder lezen)

Martinus Nijhoff (1894-1953)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: F. Schmidt Degener • Cloaca maxima

Cloaca maxima

De nacht met lantarens,
geboomte en gracht;
de bruggen, het water
dat spiegelend wacht.
Kozijntjes en hekken,
gordijntjes verlicht;
de stoep en het venster,
en ’t lokkende wicht.
’t Is zomernachtstil. –
Geen ril in het water.
Te slaap gaat de buurt.
Het uur wordt steeds later.
Een glansje poetst zacht
de deur, en er buiten
de fiets die er wacht.
De ontucht gaat sluiten. Lees verder >>

Gedicht: Frank Koenegracht • Gedicht dat goed afloopt

Onlangs verschenen: Alle gedichten van Frank Koenegracht.

Gedicht dat goed afloopt

Wanneer je ’s avonds laat in bed,
boek in je rechterhand, lul
in je linker de dingen op een rijtje zet
en constateert: nulkomma nul
heb ik bereikt; ’t is godverdomme net
alsof mijn huis is scheef gezet.
Of als je wakker wordt als een insect
en gele stroop uit al je wonden lekt
maar iedereen gewoon doet
en je groet en het goed
met je meent.
Als je verdroogd op zee drijft
en er is geen hoop meer maar slechts dorst
je laatste beker heb je trillende vermorst
en barsten schieten in de plank
wiens hoofd duikt er dan lachend uit het water
wie zegt er dan: zorgen zijn voor later?
Je vrolijke vriend Frank.

Frank Koenegracht (1945)
uit: Alle gedichten (2019)

Lees verder >>

Gedicht: J.D.A. van Oosten • Welaan dan … gas!

De sterk sociaal bewogen Abraham van Oosten publiceerde in zijn bundel Vuur en droom (1937) een aantal anti-oorlogsgedichten. Onderstaand gedicht is opgenomen in de WOI-bloemlezing Het monster van de oorlog.

Welaan dan … gas!

Welaan dan gas, wolk neer,
niets kan ons thans meer redden;
wij sterven waar gij wilt: op straat, op onze bedden,
of waar gij verder komt. Er baat geen tegenweer;
zoo wreekt zich onze traagheid van weleer.

Er is een tijd geweest
waarin wij u niet kenden;
men hield u weg en eerst bij alle ellende
des grooten oorlogs verscheen ook uw duistere geest;
gij hoorde sedert tot de dingen die men vreest. Lees verder >>

Gedicht: J.A. Dèr Mouw • God’s wijze liefde had ’t heelal geschapen

Vorige week honderd jaar geleden overleed J.A. Dèr Mouw – Bertram Mourits staat daar in het Literatuurmuseum bij stil. Het gedicht hieronder komt uit een na Dèr Mouw’s dood verschenen verzencyclus, waarin hij terugkeek op zijn jeugd.

God’s wijze liefde had ’t heelal geschapen:
vol lente, net als de appelbomen bloeien;
weldadig-groen liet voor het vee Hij groeien
het gras, voor ons doperwtjes en knolrapen,

’t varken om spek en ham, om wol de schapen,
om boter, kaas, melk, leer, vlees, been de koeien;
waar steden zijn, liet Hij rivieren vloeien;
het zonlicht spaarde Hij uit, als wij toch slapen. Lees verder >>

Gedicht: Alfred Kossmann • Toen ik dat las, Cornelis Bastiaan

Op Vaandrager’s gedicht van gister, over Anna Blaman, reageerde Alfred Kossmann (in Hollands Maandblad) als volgt: 

Toen ik dat las, Cornelis Bastiaan,
dacht ik: zo heette ze niet,
ze heette Johanna Petronella
en het stierf er niet van de katten,
er waren twee Siamezen.
Ze lag altijd op haar brede bed
waar overdag een divankleed over was gespreid.
Of eigenlijk lag ze niet,
ze hing tegen kussens.
In dat bed is zij gestorven
naast een vriendin die een dag of twee later
toestemming vroeg en kreeg
om nog een nacht bij haar te slapen.

Ik heb naast die vriendin in de begrafenisauto gezeten,
het was erg warm en ze huilde aan een stuk.
Haar man die van niets wist, zeiden ze,
keek onder het zwarte gordijntje door
en begon een gesprek over het vliegveld Zestienhoven. Lees verder >>

Gedicht: C.B. Vaandrager • I remember Anna

Op 13 juli 1960 overleed Anna Blaman (Johanna Petronella Vrugt).

I remember Anna

De de Vliegerstraat is een straat
waar ik zelden of nooit iets te zoeken heb.
Ik rij er langs, dat is alles.
Ik rij er regelmatig langs, dat is een feit,
en altijd moet ik even denken
aan Johanna F. Vrugt
en het benedenhuis op nr. 50a

Ik ben er 1,
hooguit 2 keer geweest.
Het stierf er van de katten.
Ze lag altijd in bed
of op een divan onder de dekens
Ze was altijd ontzettend hartelijk.
Ik vond haar ontzettend lelijk en ontzettend aardig.
Maar laten we eerlijk zijn:
schrijven kon ze niet.


Cornelis Bastiaan Vaandrager (1935-1992)
Made in Rotterdam, Gard Sivik 32

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: De bedelaar / Le mendiant • Willem Elsschot

Onlangs verschenen: de tweetalige bundel Het huwelijk / Le mariage – met 17 gedichten van Willem Elsschot die door meestervertaler Paul Claes in het Frans werden vertaald.

De bedelaar

Ik word van lijf en leden veel te zwaar
om nog bij ’t volk erbarmen op te wekken.
Toch kan ‘k mijzelf niet tot een brandhout rekken,
noch kan dat iemand anders, is ’t niet waar?

Een apotheker geeft mij altijd pillen,
in plaats van geld: ’t zijn pillen voor het vet
dat zich meedoogenloos heeft vastgezet
in dikke lagen, op mijn buik en billen.

Geen medicijnen brengen echter baat
noch zweeten, vasten, biechten en novenen;
zij doen mijn vet niet smelten, maar versteenen.
Kom hier en voel, Mijnheer, en geef mij raad.

Als ’t God belieft, dan wordt het dertig jaren,
aanstaande Paschen, dat ik voor mijn brood
de hand reik en mijn schamel hoofd ontbloot.
Maar wie kan Zijn beschikkingen verklaren?

Rotterdam, 1909

Lees verder >>

Gedicht: Antoine A.R. de Kom, Waaigat

Waaigat

Nu van dit slapend paarse huis fel geel
de blinden in het stalen zonlicht baden, denk ik
mij binnen in de luwte, op geschroeide voet verblind.

Het waait. Schemerend in lege kamers staan geklonken
tussen stenen tegels kromme struiken, zwart van blad.
Het tocht langs de met zand bestoven vensterbanken,

waar door dunne zonnestralen stof van jaren drijft.
Hier achter ’t verhoute donker van gesloten luiken
waan ik het glazen water van een baai, zie ik al strand,

en als het schaarse licht de ruwe wanden pleistert,
dan open ik de blinden, sluit de ramen – giert
door spinnewebben en gebroken ruiten hete eilandwind.

Antoine A.R. de Kom (1956)
uit: De kilte in Brasilia (1995)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Maurice Roelants • Eros (IV)

Eros (IV)

Wij gingen langs de Leie en spraken stil;
de winden woeien onze wangen kil,
diep uit het water scheen de matte maan,
wij voelden de avond aan ons zijde gaan.

Ons woorden ruischten vol geheimen zin;
wij drongen dicht bijeen en veinsden min.
’t Was koud. Wij gingen traag, zeer traag, gearmd.
Toen heeft uw warme mond mijn mond gewarmd.

Maar laat, in ’t diepste van dien kouden nacht,
wijl ‘k moe en eenzaam doolde en treurig dacht,
is door mijn hart een oude smart gegaan.

‘k Heb schreiend voor een zwarte vaart gestaan.
Verleden min, verleden droefenis
heb ik geleden in gedachtenis.

Maurice Roelants (1895-1966)
uit: Het verzaken (1937)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.