Tag: gedichten 20e eeuw

Gedicht: Ellen Warmond • Niet thuis

Uit de debuutbundel van Ellen Warmond uit 1953, waar Bordewijk destijds wel door werd gecharmeerd (maar niet zo door de beeldspraak in ‘Niet thuis’).

Niet thuis

Die mond van niet te spreken
en die ogen van niet thuis
heb ik daarvoor zo’n grote reis gemaakt
langs heuvelruggen achterdocht
en valkuilen onrust?

had ik je maar liever schim of wolk gelaten
blauw-blauw voorgoed vanuit de verte
niet telkens elkaar vragen hoe het met ons gaat
ik ken geen taal waarin wij moeten praten

ik had een mooi grijs schimmenspel ergens op
zolder van je staan tussen een lappen pop
een doos vol ongeschreven brieven
een snoertje krokodillentranen en
gedroogde kindergrieven
tenslotte ben ik nog en weer alleen alleen in huis
de dubbele tranensnoeren om je hals
je mond van niet te spreken – alles vals
maar bovenal die ogen van niet thuis.

Ellen Warmond (1930-2011)
uit: Proeftuin (1953)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Ed. Hoornik • Een vrouw beminnen

Een vrouw beminnen

Een vrouw beminnen is de dood ontkomen,
weggerukt worden uit dit aards bestaan,
als bliksems in elkanders zielen slaan,
tezamen liggen, luisteren en dromen,
meewiegen met de nachtelijke bomen,
elkander kussen en elkander slaan,
elkaar een oogwenk naar het leven staan,
ondergaan en verwonderd bovenkomen.

‘Slaap je al?’ vraag ik, maar zij antwoordt niet;
woordeloos liggen we aan elkaar te denken:
twee zielen tot de rand toe vol verdriet.

Ver weg de wereld, die ons niet kan krenken,
vlakbij de sterren, die betoovrend wenken.
’t Is of ik dood ben en haar achterliet.


Ed Hoornik (1910-1970)
uit: Het menselijk bestaan (1952)

Foto (van Eric Koch): Hoornik met zijn tweede vrouw Mies Bouhuys


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Alexis de Roode • Witte zwanen zwarte zwanen

Witte zwanen zwarte zwanen

Vaarwel O Engeland, mijn Leeuwenhart.
Dag Keltische barden, Saksische zuipers.
Grappenmakers, wetenschappers, filosofen.
Shakespeare en Turner, Newton en Darwin,
Thomas Tallis en Kate Bush.
Reizigers van poolkap tot poolkap, bevrijders van Nederland,
eeuwenlang de maatstaf
van alles wat goed en geestig was
op de kleine televisie van mijn moeder.

Wie zag dit aankomen? Eerlijk gezegd,
je had het altijd al in je:
hooligans, Margaret Thatcher, lauw bier,
koude friet, doorkijkbloesjes van nylon met gouddraad.

Het eiland roeit slingerend weg, met Benny Hill aan de riemen.
Ik hoor dat muziekje erbij.
Het begon met King Arthur en eindigt met Nigel Farage.
Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken.
It grieves me to see you like this.


Alexis de Roode (1970)

illustratie: Banksy


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Wilfred Smit • Inscriptie

Inscriptie

En de distel was regent,
de doorn raadsheer, dat eigen jaar.
toen hebben we de koning een korf voorgebonden
en we hebben hem naar Peth gereden.
en de hagel was groot onderweg,
o mijn verweesd o mijn verweend veld.
toen hebben we de koning teruggereden van Peth
en we hebben hem de korf afgebonden.
Peth wil zeggen ‘hem zijn de ogen geopend’.
maar hoe kon hij, met een korf voor?


Wilfred Smit (1933-1972)
uit: Verzamelde gedichten (1971)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Wilfred Smit • Dame met hoed

Dame met hoed

Zij is allang niet meer alleen
onder die hoed –
ieder man plotseling weduwnaar
op het San Marco.
zulk duifgrijs staat haar goed
als alle lange
superieure wezens, zie maar –
’t wiekt af en aan
van schaduwige hand naar hals
felrose stippen,
onaangedaan de mond,
aars van een duif heur lippen.


Wilfred Smit
uit: Verzamelde gedichten (1971)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: E. du Perron • Ter uitnodiging

Ter uitnodiging

Volmaakte vreê van ’t landelijke rusten:
een brief, een boek, en dan de gramofoon…
Het grasveld is geschoren, de einder schoon,
de vijver uitgediept, geregeld onze lusten.

De zwanen varen traagzaam langs de kusten,
Loh’ngrins onzeker van der Jonkvrouw’ woon,
maar God woont hier met zijn papieren kroon,
en deze rust is een volmaakt berusten.

Ik zend u dit sonnet met een tros druiven,
onze eerste: niet onmooglijk nog wat zuur.

Kom spoedig met ons leven, met ons wuiven
de zwanen toe, klassiek, in ’t schemeruur.

Kom voelen hoe de zorgen vàn u schuiven,
met de allerlaatste zucht naar ’t Avontuur.


E. du Perron (1899-1940)
uit: Parlando (1930)



Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Alfred Kossmann • Zelfportret 1964

Zelfportret 1946

1
’t Voorhoofd is hoog. Tot aan de oren ligt
het lange haar, alsof het dit gezicht
niet prijsgeeft aan de wereld en ’t bestaan
maar het behoedt. De neus vangt edel aan
tussen de ogen, buigt een ogenblik
en loopt ten slotte vormeloos en dik
uit boven de mond. Hij zwijgt of dit gelaat
krachtig zal zijn of moe ten onder gaat.
De ogen zijn vaak grauw achter de bril
en zwak, maar soms wanneer de blik het wil
helder en scherp. De mond is smal. Het schijnt
dat van de mondhoek uit de jeugd verdwijnt.
Daar schuilt van zijn ervaringen de schat
bitter tezaam, daar ziet men duidelijk dat
’t gezicht van de gemiste jeugd niet bloeit
maar langzaam tot zijn eigen vorm volgroeit,
en dan eerst waarlijk als het rijpen zal
uit al de bitterheid van zijn verval.

2
Wat groeit als in onvruchtbare grond
trekt voren neer van neus naar mond
en heerst soms over al wat loog
van teder haar en vriendelijk oog
gelijk de dorre distel die
in ’t voorjaar vol van ironie
de weidebloemen ziet ontluiken,
mooi worden, wiegen en lekker ruiken
en in de herfst met soevereine
verachting neerziet op hun kwijnen.

Alfred Kossmann (1922-1998)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Hugues C. Pernath • De gulzigheid

De gulzigheid

Gelijk aan minstens zeven jaren, de koude gloed
Van minstens zeven deugden.
Gelijk aan de woede van het maanlicht
Dat de maten meet en huiken spant over de magen.
Gelijk aan het sarren van kevers die krioelen
Tussen de maden. En van mens tot mens.

Er is de stilte die de stilte dekt.
Een vangnet over het vergeten. Een bleek ontwaken
Besmettelijk en monotoon, terwijl nachtdieren
Kraken, verkalken en vergaan.

Lees verder >>

Gedicht: Hugues C. Pernath • De nijd

De nijd

Niemand nadien. Dit land bewaart de schade niet
Alleen de ondergang. Hier ontbreken:
Een tegel, een processie, een akker en een graf
En ook dit einde heeft geen belang.
Hier bepaalt het jaar krampscheut of vervoering
Voor dezelfden die ons zullen verslaan.

Geen spoor wordt weggevreten.
Wat beschreven werd bekwamen wij door schaamte,
Of door geheel een mensenleven dat volstond
Verwekt werd en wentelde als een kwalijk getij.

Lees verder >>

Gedicht: Hugues C. Pernath • De traagheid

De traagheid

In de nabijheid van de barende
Na al datgene wat uitdoofde en begraven werd,
De eeuwigheid is onvoldoende, te weinig
En te min. Geen vreugde en geen louter vuur
Slechts de zoete doodsroep blijft
En redeloos wreed, de blik daarover.

Talm niet. Zweet niet. Treur.
Want telkens opnieuw tekenen trots en toorn
Hun twijfelende omtrekken
In het slome slib van mijn spijt.

Lees verder >>

Gedicht: E. du Perron • Het kind dat wij waren

Het kind dat wij waren

Wij leven ’t heerlijkst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.

Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder’s nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen,
verwondering en teêrste vriendelijkheden.

Lees verder >>

Gedicht: Wilfred Smit • Sweet bahnhof

Sweet bahnhof

Drijft men steeds verder
uit elkaar? het afscheid schuift
een opdringerige oom tussen ons in.
sluit de ogen af – ja dit is vlucht,
een handvol kaarten laten vallen
omdat men in onze vingers knipt.
wurg alle lichten – rasse schreden
maakt mijn vertrek, reusachtig,
als op stelten wadend door de mist.
adieu adieu sweet bahnhof –
een convooi melaatsen wacht
in alle stilte de nalaatste trein.

Wilfred Smit (1933-1972)
uit: Verzamelde gedichten (1971)

Wikipedia zegt: In 1972 stierf Smit op negenendertigjarige leeftijd aan een hersentumor. Elf jaar later verscheen een uitgave met zijn verzameld werk. Hierin was ook het door Smit in 1956 geschreven ‘Sweet bahnhof’ opgenomen, dat de Nederlandse popband The Nits inspireerde bij hun lied ‘Adieu Sweet Bahnhof’ (uit 1984).


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Tymen Trolsky • De dichters

Tymen Trolsky was in de jaren ‘70 het pseudoniem van Jasper Mikkers. Zijn Liederen van weemoed, wanhoop en waanzin is een van de vele nieuwe titels in de DBNL van december.

De dichters

De wind dronk van de kleine ratten in de goot;
de winter hoestte en draaide zich om op z’n stretchbed,
ver weg in de vlakte; de mieren stookten hun potkacheltje
in hun lanterfanterige, om idiote oden smekende paardekies

en schudden de kaarten; de in lange, zwarte oliejassen
geklede krekels laadden en losten hun liederen,
zwijgzaam zwoegend; ’n dronken blues kroop over ’n landweg;
in de verte de schreeuw van ’n steen, door wreed

Lees verder >>

Gedicht: Jan van Nijlen • Wulpschheid

Wulpschheid

In slanke naaktheid rijst zij voor den spiegel op,
omwolkt met gitten krans van losgewoelde haren;
haar oogen zijn als vreemde bloemen waar zij staren
waaruit bij elke blik ’t vergif leekt drop na drop.

En sidderend van koel en ongewenscht genot,
spant zij uitdagend-juichend haar volronde borsten,
wier marmerschoonheid niet een duivel, niet een god
noch menschen in aanbidding ooit aanstaren dorsten.

Lees verder >>

Gedicht: Alain Teister • Droom

Droom

De tanden in ’t habijt en dan schuimbekken,
en twee uur lang kakelen, kraaien, krijsen,
paars worden in ’t gezicht, de indruk wekken
dat er iets mis is met de godsbewijzen,
een vurenhouten preek doormidden zagen,
een duif apocalyptisch zien verbranden,
schelden, bloedspuwen, emmeren en klagen,
ontwaken als pastoor ten plattelande.

Alain Teister (1932-1979)
uit: De huisgod spreekt (1964)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.