Tag: gedichten 20e eeuw

Gedicht: A.D. Keet • Gelijkenis

Gelijkenis

Hoog en helder skijn die maan
Baje mijle hiervandaan.
Wolkies kom en gaan verbij,
Stil en langsaam, op ’n rij –
Wolkies wit en wolkies geel,
Almal deur die maan gestreel.
En die wolkies gaan verbij,
Stil en langsaam, op ’n rij.

Soos die wolke trek en glij
Langs die lugbaan, op ’n rij;
Soos die maan daar rustig staan
Mijle, mijle hiervandaan,
Is die lewe – glo vir mij:
Almal trek en gaan verbij,
Net die wêreld blij maar staan
Met sij sterre en sij maan.

A.D. Keet (1888-1972)
uit: Gedichte (1920)

———————————–

Gedicht: Jan Boerstoel • Toen

Toen

Kerstmorgen vroeg… De prille jaren vijftig leden
buiten voelbaar onder de winterkou,
de rode kolenkachel was nog amper lauw,
maar de elektra-kaarsjes in de kerstboom deden

hun best, de kleine jongen wreef zijn handen,
maar bleef zich warmen aan hun zachte stille licht,
zo af en toe kneep hij zijn ogen dicht,
waardoor het nét leek of er echte kaarsjes brandden.

De mooie kaart van oma op het schrijfbureau,
“Gelukkig Kerstfeest” las hij… En dat was ook zo.

Jan Boerstoel (1944)
uit: Altijd het niemandsdier (2001)

———————————–

Gedicht: Jac. van Looy • Kerstnacht 1915

Kerstnacht 1915

Regent het in den nacht?
De stille, de heilige nacht?
Spritst het niet duister en zacht?

Neen,’t regent niet in den nacht,
De alles omhullende nacht,
De nacht is stom en wegend is de nacht.

Ik weet dat onder de nacht
Een menschdom grijnst en smacht
En dat de wolken waren
Als wijlen van doodenbaren.

En dat in reutelingen
Veel duizend lippen zich wringen,
En dat er duizenden sluipen,
Met messen uit holen kruipen.

En dat soms de aarde schokt,
In vlammen en kluiten brokt,
En dat veel schoone geheelen
Tot splinters en leden zich deelen.

En dat de vorsten en grooten
In de eene nacht zijn besloten
En dat uit diepte, van ver,
Wordt uitgezien naar een ster.

En dat er lichten ijlen,
Omlaag, omhooge peilen,
En dat langs ’t firmament
De heete verwoesting rent.

Ik weet het, ik weet de nacht
Is over de aarde gebracht.
En dat de wolken waren
Als wijlen van doodenbaren.

Ik weet, ik weet, ach, zooveel,
Dat Jezus was sentimenteel
En dat ik hier lig en wacht
Of het niet regent zacht.

Jac. van Looy (1855-1930)

———————————–

Gedicht: Martinus Nijhoff • De kerstboom

De kerstboom

De kaarsen branden tusschen mandarijnen,
Sneeuwsterren, speelgoed en gekleurde noten.
De kind’ren zingen, en de dauw der groote
Oogen beweegt en blinkt in ’t trillend schijnen.

Hoor hoe ze zingen: ‘Nu zijt wellekome’ –
‘k Voel moeders hand weer die de mijne houdt,
En huiver bij den geur van ’t schroeiend hout
Als toen ik zong: ‘Gij zijt van ver gekomen -’ Lees verder >>

Gedicht: Bhai • drie gedichten

Op dezelfde dag als zijn jaargenoot Michaël Slory overleed eergister de Surinaamse dichter James Ramlall (ook bekend als Bhai).

dhan ka dukhra
(Rijstesmart)

Slechts zij, die uit rijst geboren zijn
Slechts zij, die in rijst zijn opgegroeid
Slechts zij, die door rijst gestorven zijn
Kennen alleen de jammerklacht der halmen.
Want weet, dat iedere groei
in wezen sterven is
en iedere bloei vergaan.
Zo weet dan ook, dat iedere oogst
zeer smart’lijk is.

Lees verder >>

Gedicht: Hans Warren • Natuurlijk

Vandaag is het 17 jaar geleden dat Hans Warren overleed. Daarom drie door zijn levenspartner Mario Molegraaf uitgezochte gedichten. Vandaag het derde.

Natuurlijk

Natuurlijk moest die jongen in het duin
merken dat ik intens naar hem keek.
Natuurlijk kwam hij toen vlak langs me
met veel overbodige bewegingen
hoewel hij me zogezegd niet zag.
Natuurlijk begon hij een lenteballet
met een vriendje en een bal,
natuurlijk streek hij veel te meisjesachtig
telkens door zijn erg lange haar
en keek daarbij eens om,
flitsend gebit in duister gezicht.
Natuurlijk lag hij later
loom kauwend op een helmspriet
in dat aandoenlijke verschoten badbroekje
helemaal alleen in een warme duinpan.
Natuurlijk ging ik zacht en ongemerkt weg
en natuurlijk heb ik daar de hele dag spijt van.

Hans Warren (1921-2001)

———————————–

Gedicht: Hans Warren • Emancipatie

Morgen is het 17 jaar geleden dat Hans Warren overleed. Daarom drie door zijn levenspartner Mario Molegraaf uitgezochte gedichten. Vandaag het tweede.

Emancipatie

Uit het gehucht
van zeven huizen en een varkenshok
kwam een heel jonge vrouw
met een stapel dichtproeven
en een hart vol onschuld.
Ze zei:
‘Ik heb mijn man ook meegebracht,
hij is uniek, maar hij zal
u niet interesseren.’
Het was een soort zigeuner
in een jack van zachtgeel leer
open tot beneden zijn navel,
met verlegen lieve ogen,
en wie houdt er vandaag de dag
nog een roosje tussen zijn tanden.

O mevrouw, wat zijn
uw liefdesgedichten mooi!

Hans Warren (1921-2001)

———————————–

Gedicht: Hans Warren • De Weense hoogvliegers

Woensdag is het 17 jaar geleden dat Hans Warren overleed. Daarom drie door zijn levenspartner Mario Molegraaf uitgezochte gedichten. Vandaag het eerste.

De Weense hoogvliegers

Toen we Gottlob Fallscheer ten grave droegen
– een der laatste Wiener Jauker* –
volgden zes clubgenoten
met tenen duivenmanden.
Terwijl de kist daalde
gingen de manden open
en 76 witte hoogvliegers
– voor elk jaar een –
spiraalden klapwiekend omhoog.
Even later waren ze al ‘auf Flimmerhöhe’
sterretjes in het oktoberblauw,
moeilijk te zien door de ontroering.

Hans Warren (1921-2001)

———————————–

Gedicht: Jan Engelman • Over het gras

Over het gras

Over het gras en over het water
dwaal ik achter de beminde
die ik vroeg en die ik later,
die ik nimmer, nimmer vinde.

Smalle schelpen zijn haar handen
om een eeuwge zee te hooren,
in zijn wieg en broze wanden
zingt haar hart mijn wee verloren.

Handen die mijn hoofd niet koelen
met hun sneeuw, de lichte, zachte.
Hartklop die ik niet zal voelen
onder stergoud, al de nachten.

Over het gras en over het water
dwaal ik achter de beminde,
tot ik aanzie – later, later,
in een licht dat mij hervinde.

Jan Engelman (1900-1972)
uit: Tuin van Eros (1932)

———————————–

Gedicht: Anton van Wilderode • De wereld die wij willen

Uit Weemoed mijn wereld, de onlangs verschenen bloemlezing uit het werk van Anton van Wilderode.

De wereld die wij willen

De wereld die wij willen draagt geen wapens,
verdeelt zich niet in toegeruste legers
met het verbitterd bliksemen van leuzen.

De wereld die wij willen is een vrede
die zonder wrevel over het verleden
het doek haalt van vergeven en vergeten. Lees verder >>

Gedicht: Hélène Swarth • De schim van mijn hond

De schim van mijn hond

Ik lag en wachtte, stil lijk in mijn graf,
En bad den slaap zijn koelen zegen af.

Ik lag te peinzen aan mijn trouwen hond,
Die sliep nu eenzaam in den kouden grond.

Plots hoorde ik zacht de tuindeur opengaan –
Ik lag verlamd, van beven bang bevaên.

O stil maar! ’t is een welbekende stap
Van donzen pootjes tripplende óp de trap.

En weer een deur, die heimlijk opensluit –
O ’t is mijn hond, die sloop zijn grafkuil uit.

O zeker dreef de koû van ’t graf mijn hond
Naar ’t veilig plekje, waar zijn mandje stond.

O zeker dreef de dorst van ’t graf mijn hond
Naar de eigen kamer, waar hij water vond.

– ‘O zoete ziel! o zieltje! ben je daar?
Je mandje is weg, geen water staat er klaar.

Ik wist het niet dat je zou komen weer,
‘k Had wel gezorgd dat je al vondt als weleer.

Ik kán niet opstaan, ‘k lig verlamd van schrik,
Maar ‘k wil je helpen, wacht – éen oogenblik.

Ik wil verwinnen ’t niet waarin ik zonk!’ –
Doch duidlijk hoorde ik dat mijn hondje dronk.

Hij dronk – en zuchtte – en sloop de trap weer af –
En ging heel zoet weer slapen in zijn graf.

Hélène Swarth (1859-1941)
uit: Bleeke luchten (1909)

———————————–

Gedicht: Hélène Swarth • Voor mijn hond

Voor mijn hond

Ik kan u niet de onsterflijkheid beloven,
O zachte ziel van mijn gestorven hond!
Niet plante’ een kruis, het teeken van den bond
Tussche’ aarde en hemel, triomfantlijk boven
Uw arme groeve in ongewijden grond.
Het eeuwig heil waar stervende’ aan gelooven
Is niet voor u – uw teeder leven dooven
Kwam dood, geen engel, die een God u zond.
Waarom, mijn hond, moest gij van lijden beven,
Zonder de hoop, die stervenswee vergoedt?
Doch in mijn liefde zal uw liefde leven,
O kleine schim! zoolang ik leven moet.
En blauwe bloemen zal mijn trouw u geven
En stille tranen, heimlijk droeve en zoet.

Hélène Swarth (1859-1941)
uit: Bleeke luchten (1909)

———————————–