Tag: gedichten 20e eeuw

Gedicht: A. Marja • Sint Nicolaas 1938



Sint Nicolaas 1938

Weer doen wij ons aan marsepein tegoed:
al ligt de wereld machteloos te bloeden,
God zal òns feest, òns Neerland wel behoeden.
o, Sinterklaas, wij waren braaf en zoet!

Verstop de krant, die riekt naar rook en bloed:
nòg walmt de puinhoop, nòg zwiept ginds de roede
en striemt den Jood; wij kunnen ’t niet verhoeden…
o, speculaas, o, marsepein, zo zoet!

Lees verder >>

Gedicht: Hendrik de Vries • Die bloedrode lichtvlek



Die bloedrode lichtvlek – misschien de maan.
Dan heeft een zandstorm haar afgeduisterd,
Maar als die vlek de zon is, moet alles vergaan.
Er wordt niet meer gesproken, wel gefluisterd.
Enkelen zoeken de weg langs de kerk
Waar twee monsters rukken, reuzensterk,
Tuimelend aan een metalen keten,
Met razend gebrul. Ik had nooit geweten
Dat zo woeste dieren daar lagen gekluisterd.

Hendrik de Vries (1896-1989)
uit: Verspreide gedichten (1942)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jan Boerstoel • De jaren zestig

Uit Tussentijd, de onlangs verschenen bloemlezing uit het werk van liedjesschrijver Jan Boerstoel.

De jaren zestig

De jaren zestig en de dingen die je deed
en die je laten ging omdat ze niet meer hoorden,
de zwarte kousen net zoals de witte boorden,
want de liefde en de vrijheid ging in spijkerpak gekleed
in de tijd dat Gerard Reve nog een ezeltje bereed
en dat Johnson Vietnamezen liet vermoorden
en er waren zoveel mooie nieuwe woorden:
mescaline, meditatie,
happening en demonstratie,
Lees verder >>

Gedicht: Richter Roegholt • Kannibaal

Kannibaal

De krant blijft een bron
van verbazing
een Engels meisje
ging naar Nieuw Guinea
en zag een kannibaal
die stam zo zegt de krant
heeft zich vooral geweerd
door het opeten van Japanners
het was liefde op het eerste gezicht
de krant van 23 februari
vermeldt nog dit
de ouders gaven toestemming
en de dominee
de dominee gaf zijn zegen

Richter Roegholt (1925-2005)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Gerard Bruning • Straatmuzikanten

Gerard Bruning (1898-1926) is de jong overleden dichter van een klein oeuvre dat pas lang na zijn dood werd gebundeld.

Straatmuzikanten

Air mélancolique

De straat is mijn wrang verdriet,
mijn grijze pijn in den wentelenden dag:

aan den straathoek schuilt het ijl harmonika,
en de zoete heimwee der mandoline
vervult de menschen met een kleine pijn:
schuifelend muziekje
aan de grijze steen van het huis,
aan de grijze steen
grijze steen,
– spoorloos.

Lees verder >>

Gedicht: A.J.D. van Oosten • Miniatuur

Deze week worden de gedichten bij Coster gekozen door Guus Middag. Van zijn hand verscheen zojuist De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig, een boek met twintig stukken over twintig gedichten en liedteksten van na 2000, van dichters als Marieke Rijneveld, Ingmar Heytze, Ester Naomi Perquin, Ilja Leonard Pfeijffer en Radna Fabias, zangers en zangeressen als Daniël Lohues en Katinka Polderman en hiphoppers als De Jeugd van Tegenwoordig. De gedichten die hij voor Coster bespreekt, staan niet in het boek.

“Ik kies deze week vijf ‘verborgen’ gedichten: gedichten die zich op onverwachte plaatsen aandienen. Vandaag een gedicht dat ik aantrof in een schrift uit 1943, van de dichter en beeldend kunstenaar Chr. J. van Geel (1917-1974). Ik heb mij voorgenomen een biografie over hem te schrijven; daarvoor orden ik nu zijn omvangrijke nagelaten archief. In het schrift uit 1943 vond ik dagboekaantekeningen, en een verzameling overgeschreven gedichten van anderen. Tussen Nijhoff, Achterberg en Van Ostaijen trof ik een gedicht van A.J.D. van Oosten aan.

Ik was verrast. Die naam was ik in verband met Van Geel nog nooit tegengekomen. Sowieso lees je de naam van Van Oosten maar zelden. Ik ken hem alleen uit bloemlezingen. Vier wonderlijke gedichten in de bloemlezing van Komrij, zeven wonderlijke gedichten in de bloemlezing van Pfeijffer – en nu dus deze ‘Miniatuur’ in de privé-bloemlezing van Van Geel. Wat weet ik van deze Van Oosten? Niets. Dat is ook wel eens prettig. Wist ik, althans van tijd tot tijd, maar van iedereen niets – en kon ik alles en iedereen altijd maar lezen alsof het voor het eerst was. Het is een kort gedicht. Het gaat over een verkeersongeval.” Lees verder >>

Marcel Brauns • Zij, die de natuur als boek en woord van God beschouwen

Zij, die de natuur als boek en woord van God beschouwen

De schepping is voor ons de groote God-gewijde
waar Hij de sporen van Zijn zonnevingren liet,
en d’aarde is als een tuin waar Hij met rampen wiedt
en engelen heel stil den stoet der dooden leiden
op ’t heimlijk wiegen van ’t hemelbekorend lied;
de boomen weenen in de regen hun verdriet
en, roerloos, stam aan stam, ’t geluk der geesten beiden
om in ’t nieuw heelal der zonne te verglijden
waar geene doom meer daalt en geene traan meer vliet …

Soms zijn luchten doorwolkt van stormen: tafereelen
waar Zijn bedreiging schuilt, Zijn opgeloopen toorn …
De zonnekrone bloedt, gewond ten diepsten doorn
die eens de slapen reet des Heeren; de fluweelen
en paarse avondpracht is gloed die Hem moet heelen
voor Zijn gesmade macht door geesten afgezworen …
en sprangen die erbarmlijk aarde en hemel deelen
verzwaren naar den grond hun takgesleep als zeelen
waaraan Judas zich hing en viel, zwaar en verloren …
Maar, over zee, de kim glanst voor een uitverkoorne …


Marcel Brauns (1913-1995)
uit: De heimelijke lusthof (1942)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Marcel Brauns • Zij, die de natuur dichterlijk opvatten

Zij, die de natuur dichterlijk opvatten

Wij houden van ’t genot, der hemelen en kruinen,
de stilten zonder stad, de meeren en de kreek,
de wilde rooken en de weeke, trage beek
die watergeuren giet in ’t ritselen der tuinen;
wij zagen graag, alleen, in heel d’azuren streek
de wolken berg naast berg en ver de rookwalm schuine
gerezen waar de koelte kil de leden weekt,
de vlam, de flakker op de zee-geborgen duinen …

De nacht die gloeit, en was doorheen haar stillen adem
een Macht niet glad aan ’t welven ’t blauwe ruim van nacht,
wij zouden droomende handen in eerbied’gen vadem
verheffen en aan ’t hart de sterrenwijde pracht
nog koestren, onze vingren zouden ’t licht der dagen
afstrijken uit het diep van ’t blauw en zwijgend plein
en ’t oog als d’asters drinkend aan geheimen schijn
ontstak een nieuwe ster: ons glanzend welbehagen.

 

Marcel Brauns (1913-1995)
uit: De heimelijke lusthof (1942)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Paul Snoek • Verhaal van een ooggetuige

Verhaal van een ooggetuige

Zowat driehonderd mannen zitten in een kring.
Het is ijskoud en ze zijn naakt.
Ze beschermen hun blote vrouwen en kinderen
tegen de scherpe zuidpoolwind.
Soms mag een oudere man de kring verlaten
om wat warmte op te doen tussen de vrouwen.
Vaak krijgt hij dan een stukje rauwe vis.
Daarna neemt hij opnieuw zijn plaats in,
want bij de mensen blijven mannen altijd mannen. Lees verder >>

Gedicht: Rutger Kopland • Tijd

Tijd

Tijd – het is vreemd, het is vreemd mooi ook
nooit te zullen weten wat het is

en toch, hoeveel van wat er in ons leeft is ouder
dan wij, hoeveel daarvan zal ons overleven

zoals een pasgeboren kind kijkt alsof het kijkt
naar iets in zichzelf, iets ziet daar
wat het meekreeg

zoals Rembrandt kijkt op de laatste portretten
van zichzelf alsof hij ziet waar hij heengaat
een verte voorbij onze ogen Lees verder >>

Gedicht: Willem Hessels • De regen viel die dag zo breed

De regen viel die dag zo breed

De regen viel die dag zo breed
en zwaar, verloren in de hal
stond ik, bevangen door een leed
en als verstard. Er was geschal
van goten en een witte hond
snuffelde aan mijn knie, een mist
had ’t uitzicht blauw gesluierd, wond
voelde mijn hart, ik wist
niet meer waarom ik hier was, liefst
ware ik nu weggegaan, vervreemd
van alles, in de regen, diepst
verlangen mijner jeugd, die leemt’
in mij, die nooit verdreven
hunkering … o waarom
te leven als men niet kan leven …
dan, langzaam, keerde ik weerom,
van ’t zwijgen op die bittere plek,
– bitter als had ik er bemind –
naar huis en ’t klein en goed geluk
van vrouw en kind …

Willem Hessels (1906-1949)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •
Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Willem Hessels • Ballade van ’s levens vreemdheid

Ballade van ’s levens vreemdheid

Het is maar kort dat gij de zon moogt zien,
de nachtelijke sterren en de maan,
maar kort dat gij moogt trachten of misschien
een zin voor u in hen zal opengaan;
doch wat gij aan het einde hebt verstaan,
het zijn slechts loze schaduwen die vlien;
het is u alles vreemd voorbijgegaan.

Er waren donk’re ogen van een hond
en er was liefde in uw kort bestaan,
maar vreemder dan toen gij begont
staren de wereld en uw hart u aan;
heet is het vuur en wijd de oceaan,
uw hart een grote leegte zonder grond;
het is u alles vreemd voorbijgegaan. Lees verder >>