Tag: gedichten 20e eeuw

Gedicht: Lidy van Eijsselsteijn • De zieke en de spin

De zieke en de spin

De kleine spin die aan de zolder hing,
waarom liet ik haar wekenlang in leven?
Ze leek zo broos, een trilling deed haar beven:
een stip, die soms wat zon- of maanlicht ving.

Geduldig spinnend, van haar kleine kring
de grenzend wetend, leefde zij haar leven.
Genoeg, soms dansend aan een draad te beven,
genoeg, klein web aan de witte zoldering. Lees verder >>

Gedicht: Ida Gerhardt • Sonnet voor mijn moeder

Als de uitreiking van de Ida Gerhardt-prijs vorige week was doorgegaan, had winnaar Marieke Lucas Rijneveld daar haar favoriete gedicht van Gerhardt, ‘Sonnet voor mijn moeder’, voorgedragen.

Sonnet voor mijn moeder

Gij hebt, Moeder, dit leven zwaar gedragen.
Gelijk ik het zwaar draag. Wij zijn verwant.
Wij horen in dit stormbevochten land
van kavels, tussen dijk en stroom geslagen.

Ik heb uw gang: die driftige en toch trage
voetstap, die onverzettelijke trant.
Uw harde hand herken ik in mijn hand,
onwrikbaar om de schrijfstift heengeslagen.

Lees verder >>

Gedicht: Gerard den Brabander • De steenen minnaar (VII)

De steenen minnaar (VII)

O harde mond, die stuursch zijn grijnslach teelt
en korzelig in mergels weet te spreken;
die met de kou en met graniet krakeelt
en nimmer aan een lente zijt bezweken,

tracht nú in helder zingen uit te breken
en liefkoos haar met liedren, hooggekeeld,
wier glimlach, heerlijker dan hemelstreken,
met één zoet weerlicht levens vierendeelt.

Lees verder >>

Gedicht: Giorgio Bassani • Op bed & Het tweeërlei bloed

Uit Epitaaf, een tweetalige uitgave van gedichten van Giorgio Bassani, vertaling: Jan van der Haar.

Op bed

Gisteravond op bed was ik
aan de rechterkant gaan liggen die zij
inneemt als ze hier is
en vanmorgen wakker wordend zag ik mij
weer links liggen waar ik slapeloos in het donker soms
het krachtige kloppen hoor van haar
aanwezigheid

Wat heeft me er derhalve toe bewogen om in de nacht
de ruimte van haar grote
afwezige lichaam
te verlaten dan de hunkering zelf ook
niets te zijn?

*

Het tweeërlei bloed

Van het tweeërlei bloed rood en zwart
dat door mijn arteriën en aderen stroomt
prefereert zij het rode
uiteraard
het vreugdevolle het malle het vurige
het vrouwelijke

Maar ze geeft niet toe dat ik het
van mijn moeder heb ze ontkent
dat het van mij is overgegaan
op mijn dochter
ze zegt dat het haar leven is en dat het leven
met mij wordt geboren en met mij sterft

**

A letto

Ieri sera a letto mi ero messo
dalla parte destra quella che occupa
lei quando è qui
e stamani svegliandomi mi son ritrovato
a sinistra di dove nel buio ascolto insonne talora
il battito potente del suo
esserci

Cosa mi ha indotto dunque durante la notte
ad abbandonare lo spazio del suo grande
corpo assente
se non l’ansia d’essere anche io
niente?

*

I due sangui

Fra i due sangui il rosso e il nero
che mi corrono arterie e vene
lei preferisce il rosso
naturalmente
il gioioso il pazzo l’ardente
il femminile

Ma non ammette che mi sia venuto
da mia madre nega
che da me sia poi passato
a mia figlia
dice che è la sua vita e che la vita
nasce e muore con me

Giorgio Bassani (1916-2000)
uit Epitaaf (2019)
vertaling: Jan van der Haar


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jan Prins • Zooals gij in de schaduw zat

Zooals gij in de schaduw zat

Zooals gij in de schaduw zat
en al den glans in de armen hadt,
die fijngesponnen, wonderbaar
geweven lag in ’t hangend haar
van uwe zuster, – want gij zijt
mij zusters in lieftalligheid, –
en gij die ongevlochten pracht,
die als een bruidskleed van den nacht
haar lichtgebogen hoofd omsloot, –
uw handen hoog, uw schouders bloot, –
in smijdige gedeelten spleet
en spreien en zich vleien deedt
in rondgewrongen tressen, als
een tros van donkerte in den hals
gedrukt, en aan de slapen glad; –

Lees verder >>

Gedicht: H.N. Werkman • Loemoem lammoem laroem lakoem

Loemoem lammoem laroem lakoem
bergamotse pergolas
boestroem bastroem bestroem bostroem
arboesti arboesas
oemoem ammoem aroem akoem
postolorum postolas
akroem baroem fakroem faroem
synagobi syncopas
oeloem aloem oesdroem nosdroem
akolasi rabotas
oeldroes knoeldroes boeldroes moeldroes
pastellorum crammacas
oemboem hoemboem zoemboem boemboem
castranorum castrafas

H.N. Werkman (1882-1945)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Wilfred Smit • Rosa Rosa



Rosa Rosa

Er gaat onder meisjes
– de asblonde, de dertienjarige,
de vlecht, de opgebonden roos –
een vreemd verhaal …

van een bedelarmband, een zilveren big,
van iemands hand maar die vergiste zich …

en als je vraagt
is de asblonde al niet meer opgewonden,
zwijgen zij, maar roos roos rinkelend
is nooit uitverteld.

Wilfred Smit (1933-1972)
uit: Verzameld werk (1983)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Paul van Ostaijen • Wals van kwart voor middernacht

• Vandaag is Paul Van Ostaijen jarig.

Wals van kwart voor middernacht

Alsof zij iets zingen ging trilt de luit
en de lieve luit achterna
tinkepinkt de piano linkepoot linkepoot
Ik denk niet dat de luit iets zeggen zal
al trilt – zij trilt toch – de luit nu weer
Eer de luit daarover heeft gedacht
of zij zingen zal kwart vóór middernacht
is het lang reeds kwart na middernacht
Waarom trilt de luit dan zo
klokjekwart vóór middernacht
Wist maar iemand dat
dat
trillen van de luit

Lees verder >>

Gedicht: Paul Éluard • Drie gedichten uit Capitale de la douleur

 

In het ene oog de maan, in het andere de zon van de beroemde Franse dichter Paul Éluard (1895-1952) bevat een brede selectie uit zijn bundels Capitale de la douleur (1926), La vie immédiate (1932) en Le livre ouvert (1938-1944). De vertaling is van Kiki Coumans, die ook de drie onderstaande gedichten uitzocht.

Drie gedichten uit Capitale de la douleur (‘Hoofdstad van smarten’)

Suite

Slapen, in het ene oog de maan, in het andere de zon,
Een liefde in je mond, een mooie vogel in je haar,
Uitgedost als de velden, de bossen, de wegen en de zee,
Mooi en uitgedost als een tocht om de wereld.

Vlucht door het landschap,
Tussen takken van rook en alle vruchten van de wind,
Benen van steen en sokken van zand,
Gevat bij de taille, spieren van rivieren,
En de laatste zorgen op een veranderd gezicht.

Lees verder >>

Gedicht: Ellen Warmond • Niet thuis

Uit de debuutbundel van Ellen Warmond uit 1953, waar Bordewijk destijds wel door werd gecharmeerd (maar niet zo door de beeldspraak in ‘Niet thuis’).

Niet thuis

Die mond van niet te spreken
en die ogen van niet thuis
heb ik daarvoor zo’n grote reis gemaakt
langs heuvelruggen achterdocht
en valkuilen onrust?

had ik je maar liever schim of wolk gelaten
blauw-blauw voorgoed vanuit de verte
niet telkens elkaar vragen hoe het met ons gaat
ik ken geen taal waarin wij moeten praten

ik had een mooi grijs schimmenspel ergens op
zolder van je staan tussen een lappen pop
een doos vol ongeschreven brieven
een snoertje krokodillentranen en
gedroogde kindergrieven
tenslotte ben ik nog en weer alleen alleen in huis
de dubbele tranensnoeren om je hals
je mond van niet te spreken – alles vals
maar bovenal die ogen van niet thuis.

Ellen Warmond (1930-2011)
uit: Proeftuin (1953)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Ed. Hoornik • Een vrouw beminnen

Een vrouw beminnen

Een vrouw beminnen is de dood ontkomen,
weggerukt worden uit dit aards bestaan,
als bliksems in elkanders zielen slaan,
tezamen liggen, luisteren en dromen,
meewiegen met de nachtelijke bomen,
elkander kussen en elkander slaan,
elkaar een oogwenk naar het leven staan,
ondergaan en verwonderd bovenkomen.

‘Slaap je al?’ vraag ik, maar zij antwoordt niet;
woordeloos liggen we aan elkaar te denken:
twee zielen tot de rand toe vol verdriet.

Ver weg de wereld, die ons niet kan krenken,
vlakbij de sterren, die betoovrend wenken.
’t Is of ik dood ben en haar achterliet.


Ed Hoornik (1910-1970)
uit: Het menselijk bestaan (1952)

Foto (van Eric Koch): Hoornik met zijn tweede vrouw Mies Bouhuys


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Alexis de Roode • Witte zwanen zwarte zwanen

Witte zwanen zwarte zwanen

Vaarwel O Engeland, mijn Leeuwenhart.
Dag Keltische barden, Saksische zuipers.
Grappenmakers, wetenschappers, filosofen.
Shakespeare en Turner, Newton en Darwin,
Thomas Tallis en Kate Bush.
Reizigers van poolkap tot poolkap, bevrijders van Nederland,
eeuwenlang de maatstaf
van alles wat goed en geestig was
op de kleine televisie van mijn moeder.

Wie zag dit aankomen? Eerlijk gezegd,
je had het altijd al in je:
hooligans, Margaret Thatcher, lauw bier,
koude friet, doorkijkbloesjes van nylon met gouddraad.

Het eiland roeit slingerend weg, met Benny Hill aan de riemen.
Ik hoor dat muziekje erbij.
Het begon met King Arthur en eindigt met Nigel Farage.
Engeland is gesloten, de sleutel is gebroken.
It grieves me to see you like this.


Alexis de Roode (1970)

illustratie: Banksy


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Wilfred Smit • Inscriptie

Inscriptie

En de distel was regent,
de doorn raadsheer, dat eigen jaar.
toen hebben we de koning een korf voorgebonden
en we hebben hem naar Peth gereden.
en de hagel was groot onderweg,
o mijn verweesd o mijn verweend veld.
toen hebben we de koning teruggereden van Peth
en we hebben hem de korf afgebonden.
Peth wil zeggen ‘hem zijn de ogen geopend’.
maar hoe kon hij, met een korf voor?


Wilfred Smit (1933-1972)
uit: Verzamelde gedichten (1971)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Wilfred Smit • Dame met hoed

Dame met hoed

Zij is allang niet meer alleen
onder die hoed –
ieder man plotseling weduwnaar
op het San Marco.
zulk duifgrijs staat haar goed
als alle lange
superieure wezens, zie maar –
’t wiekt af en aan
van schaduwige hand naar hals
felrose stippen,
onaangedaan de mond,
aars van een duif heur lippen.


Wilfred Smit
uit: Verzamelde gedichten (1971)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: E. du Perron • Ter uitnodiging

Ter uitnodiging

Volmaakte vreê van ’t landelijke rusten:
een brief, een boek, en dan de gramofoon…
Het grasveld is geschoren, de einder schoon,
de vijver uitgediept, geregeld onze lusten.

De zwanen varen traagzaam langs de kusten,
Loh’ngrins onzeker van der Jonkvrouw’ woon,
maar God woont hier met zijn papieren kroon,
en deze rust is een volmaakt berusten.

Ik zend u dit sonnet met een tros druiven,
onze eerste: niet onmooglijk nog wat zuur.

Kom spoedig met ons leven, met ons wuiven
de zwanen toe, klassiek, in ’t schemeruur.

Kom voelen hoe de zorgen vàn u schuiven,
met de allerlaatste zucht naar ’t Avontuur.


E. du Perron (1899-1940)
uit: Parlando (1930)



Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Alfred Kossmann • Zelfportret 1964

Zelfportret 1946

1
’t Voorhoofd is hoog. Tot aan de oren ligt
het lange haar, alsof het dit gezicht
niet prijsgeeft aan de wereld en ’t bestaan
maar het behoedt. De neus vangt edel aan
tussen de ogen, buigt een ogenblik
en loopt ten slotte vormeloos en dik
uit boven de mond. Hij zwijgt of dit gelaat
krachtig zal zijn of moe ten onder gaat.
De ogen zijn vaak grauw achter de bril
en zwak, maar soms wanneer de blik het wil
helder en scherp. De mond is smal. Het schijnt
dat van de mondhoek uit de jeugd verdwijnt.
Daar schuilt van zijn ervaringen de schat
bitter tezaam, daar ziet men duidelijk dat
’t gezicht van de gemiste jeugd niet bloeit
maar langzaam tot zijn eigen vorm volgroeit,
en dan eerst waarlijk als het rijpen zal
uit al de bitterheid van zijn verval.

2
Wat groeit als in onvruchtbare grond
trekt voren neer van neus naar mond
en heerst soms over al wat loog
van teder haar en vriendelijk oog
gelijk de dorre distel die
in ’t voorjaar vol van ironie
de weidebloemen ziet ontluiken,
mooi worden, wiegen en lekker ruiken
en in de herfst met soevereine
verachting neerziet op hun kwijnen.

Alfred Kossmann (1922-1998)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Hugues C. Pernath • De gulzigheid

De gulzigheid

Gelijk aan minstens zeven jaren, de koude gloed
Van minstens zeven deugden.
Gelijk aan de woede van het maanlicht
Dat de maten meet en huiken spant over de magen.
Gelijk aan het sarren van kevers die krioelen
Tussen de maden. En van mens tot mens.

Er is de stilte die de stilte dekt.
Een vangnet over het vergeten. Een bleek ontwaken
Besmettelijk en monotoon, terwijl nachtdieren
Kraken, verkalken en vergaan.

Lees verder >>

Gedicht: Hugues C. Pernath • De nijd

De nijd

Niemand nadien. Dit land bewaart de schade niet
Alleen de ondergang. Hier ontbreken:
Een tegel, een processie, een akker en een graf
En ook dit einde heeft geen belang.
Hier bepaalt het jaar krampscheut of vervoering
Voor dezelfden die ons zullen verslaan.

Geen spoor wordt weggevreten.
Wat beschreven werd bekwamen wij door schaamte,
Of door geheel een mensenleven dat volstond
Verwekt werd en wentelde als een kwalijk getij.

Lees verder >>