Tag: gedichten 19e eeuw

Gedicht: Carel Vosmaer • Vivisectie

 

Vivisectie

Honderdduizend menschen, levend,
In den oorlog snijden, kerven,
Dat was altijd eeregevend,
Kon ons lauwren doen verwerven.
Onvermijdlijk, nuttig kwaad,
Dient dit middel kerk en staat.
Preventief te detineeren
Zal geen rechter ook onteeren.
’t Wormpje aan den haak geslagen,
Kronklend, smartelijk gemarteld,
’t Vischje in zijn kieuw te prangen.
Wen het in zijn doodsangst spartelt, Lees verder >>

Gedicht: J.H.Leopold • Zomernacht

Deze week worden de gedichten bij Coster gekozen door Guus Middag. Van zijn hand verscheen zojuist De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig, een boek met twintig stukken over twintig gedichten en liedteksten van na 2000, van dichters als Marieke Rijneveld, Ingmar Heytze, Ester Naomi Perquin, Ilja Leonard Pfeijffer en Radna Fabias, zangers en zangeressen als Daniël Lohues en Katinka Polderman en hiphoppers als De Jeugd van Tegenwoordig. De gedichten die hij hier bespreekt, staan niet in het boek.

“Ik kies deze week vijf ‘verborgen’ gedichten: gedichten die zich op onverwachte plaatsen aandienen. Vandaag een gedicht dat 135 jaar geleden in een studentenalmanak werd afgedrukt: ‘Zomernacht’. Een romantisch natuurtafereeltje, met een avondstemming, een nachtsfeerschildering, iets met weilanden en nevelslierten – het zal allemaal wel. Het is een gedicht waar ik zonder voorkennis schouderophalend overheen gelezen zou hebben. Er zijn zoveel dichters die zulk soort schetsjes hebben geschreven, met een gevoelig woordje hier en een stoplapje daar. Zo ook deze student, die zijn naam er niet onder zette.

Lees verder >>

Gedicht: Hélène Swarth • Herfstrood

Herfstrood

In rouwzwart groen een vroolijk vlekje rood:
Een blozend dak, een gladiolusvlam,
Een rozige appel of een hanekam,
Zal dat mij troosten over zomerdood?

O tragisch traag laat vallen van den stam
Scharlaken bladen in de bruine sloot
De wilde wingerd, of in gulpen vloot
Zijn bloed, gelaten najaars-offerlam.

Een huivrende angst bevangt me en jaagt mij voort,
Grijpt bij de keel me en steelt mijn levensmoed.

In ’t westen praalt een karmozijnen poort,
Waarachter ‘k misdrijf, vreemd en wreed, vermoed.

De booze October heeft de Zon vermoord….
Zijn zwaard is rood, zijn mantel druipt van bloed.

Hélène Swarth (1859-1941)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: J. Winkler Prins • Wenken

Wenken

Witte wolkjes, met doorgloeide randen
Boven zee,
Wenken als een zacht paar blanke handen:
Kom toch mee!

Blauwe plekken, in de blaadrenbogen
Van ’t prieëel,
Wenken als een zacht paar vriendlijke oogen:
Min haar veel!

Reuzenletters, in de kristallijnen
Schaatsenbaan,
Wenken als een beeldspraak door haar lijnen:
Wil toch gaan!

Yzelpluimen, die aan takken klemmen
Stijf van kou,
Fluistren als een zacht paar feeënstemmen:
Blijf haar trouw!


J. Winkler Prins (1849-1904)
uit: Zonder sonnetten (1886)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: J.J.L. ten Kate • Naar buiten (fragment)

Naar buiten

(September 1842)

Gekerkerd in de Stad, verwelkte ik in haar muren,
Gelijk een bloesem tussen steen:
In nachten zonder slaap, in doorgebeuzelde uren,
In rook, rumoer en ijdelheen!
De Stad! dor kerkhof, waar zich levenden begraven
In ’t graf der Luiheid, Lust of Smart,
Voor eigen driften zich verneedrend tot haar slaven,
Of wonden slaande in eigen hart;
De Stad! onstuimig meer, wiens rustloos golfgewemel
Dooreen woelt, hotst, zich-zelf verslindt,
Waar schipbreuk woont en vreze, en ’t starlicht van Gods hemel
Geen spiegel voor zijn stralen vindt!

[lees verder]

J.J.L. ten Kate (1819-1889)


• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Carel Vosmaer • ’t Raapt al kogels

Nieuwe titels in de DBNL (van o.a. Carel Vosmaer).

’t Raapt al kogels

De vorsten spelen ’t hooge spel,
’t Volkerenmoordende, roovende spel.

Waar ’t kamp gekozen is, wordt al
Wat oogst beloofde
Groen weggemaaid;
’t Hinderlaagbiedende struikgewas,
En ’t breed gekruinde hout geveld;
Bloemrijke villaas en nijvere hoeven geslecht;
En vóor den oorlog
Is reeds het schoone land geschonden,
Natuur verkracht.

Dan woedt de krijg op ’t leeg gevluchte land.
Volken, in vrede wedijverend,
Vrienden door kunst en verstand,
– Vrienden wêer na de bedwelming, –
Storten, waanzinnigen,
Opgezweept en verdwaasd
Door heerschersgeweld en bedrog,
Elkander op ’t lijf. Lees verder >>

Gedicht: Guido Gezelle • o Gij dikke, welgekleede, welgevoede vliege

o Gij dikke, welgekleede, welgevoede
vliege, die
‘k daar zoo dikkens, om end weder om mij,
hoore en zie
vliegen, varen, vederen, ruischen, in den
zonnenstraal,
met uw’ ronkend -, hoog- en leeggevooisde
vedertaal!

Ha, ‘k en kenne niemand die u ooit ééne arme
reke of twee
heeft geschonken, schoon gij zingt en immer
zongt, alreê
ruim zoo lange als merelaan, of meeze, of
nachtegaal,
ruim zoo schoone allichte als honingbie- en
krekeltaal. Lees verder >>

Gedicht: Nicolaas Beets • Bertha

Op 5 augustus 1835 schreef Nicolaas Beets aan een vriend over zijn zojuist voltooide boek Kuser. Hieronder een fragment.

Bertha

Daar zijn op aarde schepslen, in wier wezen
Zooveel geduld en goedheid is te lezen;
In wier gelaat zich zóóveel liefs vereent
Aan zóóveel zwaks en tengers, dat men meent
Dat zy te zacht voor de aard zijn; dat wy vreezen
Dat al wat haar omringt te ruw zal wezen;
Wie ’t minste kan bedroeven, niets verstoort;
Wie alles kan doen lijden, niets doen klagen;
Wie, by een streng, een luid gesproken woord,
Een groote traan in ieder ooghoek gloort,
Wier houding om bescherming schijnt te vragen;
Wie de aanblik van een wapen siddren doet
Uit deernis met nog onvergoten bloed;
Wier vriendlijk oog de gramschap doet bedaren;
Wie, in zijn drift, een woesteling zou sparen,
En siddrend, als haar wang van kleur verschiet,
Zachtmoedig tot haar zeggen: ‘Vrees my niet!’
En zoo was Bertha; – als zy ’t bleek gezicht,
Het groot, blaauw oog naar u hield toegericht,
Terwijl haar hand de blonde lokken scheidde,
Wier goud zich op haar blanke borst verspreidde,
Wijl Liefde en Ernst uit al heur trekken bleek, –
(Maar Liefde meest) – dan werd u ’t harte week,
Dan voeldet ge u geheel de ziel verrukken,
En lust om haar de tengre hand te drukken,
Of vurig haar te smeken: ‘Bid voor my;
Want God verhoort wie Engel is als gy.’


Nicolaas Beets (1814-1903)
uit: Kuser (1835)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Prosper van Langendonck • ‘k Ben vreemd te moede

‘k Ben vreemd te moede… er vlot iets om me henen
als grauwe mistlucht in Novemberlanen.
‘k Ben droef te moede als een, de borst vol tranen
met ’t naar gevoel van nimmermeer te weenen.

‘k Ben laf te moede… o! klaar in ’t leven lezen!
O! nimmer zich met mannenkracht omgorden!
O! klaar besef van kunnen-zijn en toch-niet-wezen,
van willen-zijn en toch-niet-willen worden…

Van op den grond der zee reikhalzend stijgen
en snakken naar de lucht, het licht, het leven,
en aan der wanhoop ijskorst blijven kleven:
daar, aâmloos, tusschen leven, sterven hijgen…

‘k Ben droef te moede als een, de borst vol tranen
met ’t naar gevoel van nimmermeer te weenen…

Prosper van Langendonck (1862-1920)

———————————–

Gedicht: Prosper van Langendonck • Circe

Circe

Daarnevens bromt het woelig bal. Hier, in de gangen,
hier zingt en brast men woest. Een weiflend gaslicht daalt
met spookrig weemlen op der drinkers paarse wangen
en speelt in ’t gulden nat dat in de bekers kraalt.

Daar rijst zij op, de forsche en zwierge leest omvangen
door rood fluweel, waarin het blank der borsten praalt,
het wezen door een nimb’ van helsche pracht omstraald,
den wulpschgeplooiden mond vol bandelooze zangen.

Eens gaf een vrouw aan ’t menschdom ’t leven. Slechts de dood
huist in haar flanken. O! een áfgrond is haar schoot,
een afgrond die verzwelgt goud, liefde, heil en leven.

Daar rijst de Circè op, wijl in haar oog een vonk
der helle gloeit en, in een spotlach, ’t glas geheven,
roept zij, met heesche stem: ‘Der Liefde deze dronk!’

Prosper van Langendonck (1862-1920)

———————————–

Gedicht: Albert Verwey • Sonnet

Sonnet
aan Frederik van Eeden

Ik ben gestemd om een sonnet te maken,
Teêr-blauw als mij Japansche verzen lijken,
Zoo vlak als water, dat geen rimpels strijken
Tot vloeiend matglas, waar zij d’ oever raken.

Fijn porselein met, voor verwende smaken,
Bleek-blauwe poppen die zoo wijd uitwijken,
En zonder perspectief – de rijken kijken
Bij ’t koopen, of de kleine barstjes kraken.

Zóo is mijn stemming, bleek met wijde luchten,
‘k Ben bang, dat zij zal breken onder ’t schrijven,
‘k Schrijf fijne letters, in mijn teeder duchten:

Ik wil, dat ze ongebroken weg zal drijven
Zonder een lijn, als luchte wolken vluchten, –
Doch dit Sonnet zal voor U overblijven.

Albert Verwey (1865-1937)
uit: Persephone en andere gedichten (1885)

———————————–

Gedicht: Isaäc Da Costa • Aan mijn heden elfjarig dochtertje

Aan mijn heden elfjarig dochtertje

Rebecca, dierbaar kind! ontvang by uw verjaren
Uws Vaders zegening op ’t kinderlijke hoofd.
En moog zich aan die bede eens Heilands deernis paren;
Hoe wordt dan ook voor u Zijn Naam eens hoog geloofd!
Uw elfde jaar vervloog. Een nieuw is ingetreden!
Wat toeft ge? doe de keus, twaalfjarig maagdelijn!
Zy word’ niet uitgesteld, maar uitgebracht nog heden:
‘Ik wil der wereld niet, maar Jesus eigen zijn.’
Rebecca, dierbaar kind! dien Heiland opgedragen,
En in Zijn Kerk op aard door ’t doopbad ingelijfd!
Wat in dees wereld ooit der jonkheid moog’ behagen,
’t Mag schittren, maar vergaat! Slechts wie God aankleeft, blijft.

(8 November 1843)

Isaäc Da Costa (1798-1860)

———————————–

Gedicht: Isaäc Da Costa • Heimwee

Heimwee

Kennst du das Land?

Kent gy het land, waar hoog de ceder wies?
Een adem Gods door ’t moerbeiboomdal blies?
Van ’t eêlste bloed de bruine druiftros zwol?
De olijftak glom, van malsche koornen vol?
Kent gy dat land? daarheen, daarheen,
o Leidsman mijner vaadren! voer mijn schreên!

Kent gy de stad? Haar hoog en heerlijk huis
Beeldde, eeuwen door, by palm- en lofgeruisch,
Met offerbloed, in ’t heiligdom gebracht,
Den Redder af, door eigen volk geslacht.
Verstrooide schaar, daarheen, daarheen!
De Rijkstad ligt niet voor altoos vertreên.

Kent gy het volk? Zijn dooden leven weêr!
Zijn stammen gaan weêr opwaart, God ter eer.
Zijn oog aanschouwt wiens hart zijn misdrijf brak.
Vergeving stroomt uit d’ ader, dien ’t doorstak.
Daarheen, o aard, den blik! daarheen.
Uw heil vangt aan by ’t einde zijner weên!

(1855)

Isaäc Da Costa (1798-1860)

———————————–

Gedicht: Guido Gezelle • Lentemaand

Lentemaand

’k Zal mij van te dichten zwichten
zoo ’t mijn hert niet wel en gaat:
wie kan rijpe bezen lezen*
van nen tak die drooge staat?

Laat de lieve wonnenbronne*,
laat het leutig zonnenvier*,
laat de versche blommen kommen,
laat weêrom de lente, alhier!

Dan ja, zal ’k genezen wezen,
opstaan en, gespannen fel,
of ’t een klare snare ware,
dichten ende deunen* wel!

Febr. – Maart 1888

Guido Gezelle (1830-1899)

rijpe bezen lezen = rijpe bessen plukken
wonnenbronne = bron van vreugde
zonnenvier = zonnevuur
deunen = zingen

———————————–

Gedicht: Guido Gezelle • o Kinders van de locht

o Kinders van de locht,
gesneeuwde blommigheden;
o sterrenpulver, fijn
gevijlsel van krystaal;
zoo teêr dat, schaars gelijfd,
gij weg zijt en verleden,
zoohaast ik, waar gij valt,
u volge en adem haal
te roekeloos! Winterdonst,
die zichtbaar zijt in ’t spelen
der zonnekrachten, niets
en evenaart u hier,
’t en zij … ‘k moet hooger op,
zal ik een beeld u stelen,
‘k moet door de wolken heen,
tot in den hemel schier!

Guido Gezelle (1830-1899) Lees verder >>

Gedicht: J.K. Rensburg • De Grote Vloed

De Grote Vloed

Wee! – Schemering, zwoelte zonk. – De lucht werd gal
Van wolkgedreig – Voor plotse stormjacht boog
Der palmen hals als beulsprooj voor den val
Van ’t zwaard, aan hozen op spiralend toog
Bezweept van bliksems, steigerend tot den hal
Des hemels de Sahara-Zee en vloog
Zijn kom uit, water stapelend, wal op wal,
’t Ontzet Atlantis overwelvend, hoog
En honderd-muilig. – Wee! De Zee verslond
Op heuvels ’t laatste mensen-kluwen, ’t zwond
In wiling, elke angstkreet werd gesmoord
Door donders. ’t Was der goden val. Wee! – Voort
Joeg bliksem en sikloon en golfgedrang. –
Plasregen raasde veertig etmaal lang.

J.K. Rensburg (1870-1943)
uit: Japanse verzen (1903)

———————————–