Tag: gedichten 19e eeuw

Gedicht: J.P. Hasebroek • Ja, treur vrij omdat u de jonkheid ontvlood

Ja, treur vrij omdat u de jonkheid ontvlood

1.

Ja, treur vrij omdat u de Jonkheid ontvlood,
En met haar de droomen der hoopvolle jeugd.
Want arm wordt ons ’t leven aan heil en geneucht,
Zoo ras ons verbeelding haar lusthoven sloot.
Geen pantser beschut ons voor ’s ongeluks prang,
Als wat onzer Jonkheid den boezem omtoog:
De traan, door de Droefheid ontlokt aan heur oog,
Is zoeter dan ’t lachj’ op de rimplende wang. Lees verder >>

Gedicht: Giuseppe Belli • Paus Leo



Giuseppe Belli (1791-1863) schreef ruim tweeduizend sonnetten in het dialect van Rome. Een selectie van 250 daaruit is vertaald door Arthur Hartkamp, en gepubliceerd als Een monument voor het gewone volk. (Voorproefje.)

Paus Leo

Voordat paus Genga dood onder de grond
gestopt werd, al zijn botten op een rij,
klonk het in Rome uit eenieders mond:
hij is een heus lot uit de loterij.

Lees verder >>

Gedicht: P.T. Helvetius van den Bergh • De slechte rijke

De slechte rijke

A
Een ruimer gift, vriend! Er is algemene nood.
Gij zijt schatrijk.

B
Nu ja, maar mijn behoefte is groot,
ik kan ‘t, met al mijn geld, geloof me, nauw’lijks plooien.
Mijn huis is een paleis, ik hou een macht van booien,
het leven kost me enorm. Daar, ga het zelf eens na,
diners, soupers, het spel, concert, bal, opera,
mijn stal, mijn jachtstoet, ‘k moet de honden niet vergeten;
ik heb er zes of acht, die enkel kalfsvlees eten.
Voor ons toilet komt alles uit Parijs,
’t is ’s zomers feest op ’t land, en ’s winters op het ijs.
De lieden die, om mij te plukken, zich verenen,
mijn vrienden, die mij geld aflenen,
mijn belle, tussen ons, die mij zo teer bemint,
maar, spijt mijn regens goud, toch nog te karig vindt;
en eind’lijk heb ik vrouw en kind.
Het valt niet moeilijk dus te gissen,
dat ik, hoe rijk ik ben, voor de armen niets kan missen.
En buitendien – veel wordt er van gepraat,
maar och, zij hebben ’t niet zo kwaad.
Al moesten zij in hutten wonen,
al eten zij slechts paardebonen,
al dat zij ons hun naaktheid tonen,
al neemt hun jammeren geen end,
ze zijn gewoon aan hun ellend.
‘k Voeg bij mijn gift geen halve cent.
Ik mag, ik wil hen niet in hunne luiheid sterken,
zij moeten werken, immer werken,
of hongeren, door eigen schuld!

A
Ik vrees, dat gij eens meer dan honger lijden zult!
Ach, velen denken zo! Maar geen die niet zou schromen
er zo brutaal voor uit te komen.

P.T. Helvetius van den Bergh (1799-1873)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: P.T. Helvetius van den Bergh • Compensatie

Compensatie

‘Uw schoonheid is een kapitaal
waarop ik recht heb, als gemaal,’
sprak Henri tot de ontrouwe Claire,
‘’t Choqueert me dus, dat gij, ma chère,
voor eigen reek’ning zaken doet,
en niemand mij mijn eer vergoedt.
Ook vind ik ’t zeer in u te laken
dat ge u soms gratis ’t hof laat maken.
Zijt gij zo op genot gesteld,
ik hecht aan de eer, of – aan het geld.
Lok vrij de minnaars in uw netten,
maar ik verkoop d’entreebiljetten.’

P.T. Helvetius van den Bergh (1799-1873)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Lubbertus Rietberg • Op een besneeuwde rozenstruik

Op een besneeuwde rozenstruik

Stuif vrij, gevlokte sneeuw! op ’t rozenstruikje neder
dat eenzaam in de tuin ontbladerd staat en kwijnt.
Uw wollig kleed bedekk’ ’t voor vorst en winterweder,
totdat de lente weer in al haar glans verschijnt!
Dan groei’ het schoner op met nieuw verkregen kleuren
door ’t glanzig purperrood des dageraads bestraald!
De dampkring van rondsom versprei de zoetste geuren
en heerlijk zij de bloem die op de stengel praalt!

Zo moge ook eens deze aarde ons stofflijk deel bedekken
als de opgestoven sneeuw dit dorre struikje doet!
Eens zal de morgenstond der eeuwigheid ons wekken
en ‘tgeen hier duister is, wordt Hemelzonnegloed.


Lubbertus Rietberg (1783-1826)




Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: H.A. Spandaw • De vrouwen (fragment)

Hij schijnt een statige Eik, die de eeuwen durft trotseren,
En door de wouden zich als Koning ziet vereeren;
Zij ’t ned’rig klimop, dat aan zijne schorse kleeft,
Zich sling’rende om zijn’ stam, met zijne sappen leeft.
De sterkgespierde Man mag steeds zijn’ fierheid toonen,
Maar niets, dan zachtheid moet in ’t hart der Vrouwen wonen;
De Vrouw is waarlijk schoon, als zij van weedom schreit, –
De Man stort nooit een’ traan, dan van grootmoedigheid.
De Vrouw heeft meer gevoel, meer driften, minder krachten, –
Doch reine zucht tot deugd doet haar ’t gevaar verachten;
In ’t kampen voor hare eer betoont ze een’ heldenmoed,
Die heur’ belager vaak van schande blozen doet.
De smart der Vrouw is groot, zij moet gedurig strijden,
Maar groot is ook ’t geduld, dat haar bezielt in ’t lijden. –
Beschouw en Man en Vrouw, bij ’t prangen van den nood:
De sterke Man wordt klein – de zwakke Vrouw wordt groot.

[lees verder]

H.A. Spandaw (1777-1855)
uit: De vrouwen (1807)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Herman Gorter • Wij zilvren wezens

Wij zilvren wezens, nevellichten, gewassen
neven elkaar, onzeker, wilden het licht:
In misten van donker, onze groote vragen
vreemdelinge in scheemre mist om licht –
Teeder beginnen en glimlachend blinken,
lichtkens verrijzen, weigren te versterven,
zekerlijk lachen en lichtblijde blinken,
wenken en vlieden, vliedend omziend, wimprend,
wilgen van licht, linten van licht, wit zilvren
wateren licht, fleemlicht, zichten rillicht,
scheden en bajonnetten licht, – lichtarmee.

Lees verder >>

Gedicht: H.A. Spandaw • De waarde van vrouw en kind

De waarde van vrouw en kind

Schoon ik de gunst der groten mis,
de weiflende fortuin mij ongenegen is,
ik heb nog vrouw en kind, Goddank! en brood voor beiden:
een vrouw die mij zo teer bemint,
in reine huwelijkstrouw haar hoogste wellust vindt
en om geen lief of leed van mijne zij zou scheiden;
een kind dat, vrolijk en gezond
met rozen op de wang en lachjes om de mond,
nog van geen rampspoed weet in zijn onschuldig leven:
wat klaag ik dan om leed of druk?
Mijn lot is zaligheid – ik smaak het hoogst geluk:…
‘k Wil voor geen koningskroon mijn wijf en jongen geven!

H.A. Spandaw (1777-1855)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Willem Kloos • Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht

Zooals daar ginds, aan stille blauwe lucht,
Zilveren-zacht, de half-ontloken maan
Bloeit als een vreemde bloesem zonder vrucht,
Wier bleeke bladen aan de kim vergaan,

Zóó zag ik eens, in wonder-zoet genucht,
Uw half-verhulde beelt’nis voor mij staan, –
Dán, met een zachten glimlach en een zucht,
Voor mijn verwonderde oogen ondergaan. Lees verder >>

Gedicht: Carel Vosmaer • Vivisectie

 

Vivisectie

Honderdduizend menschen, levend,
In den oorlog snijden, kerven,
Dat was altijd eeregevend,
Kon ons lauwren doen verwerven.
Onvermijdlijk, nuttig kwaad,
Dient dit middel kerk en staat.
Preventief te detineeren
Zal geen rechter ook onteeren.
’t Wormpje aan den haak geslagen,
Kronklend, smartelijk gemarteld,
’t Vischje in zijn kieuw te prangen.
Wen het in zijn doodsangst spartelt, Lees verder >>

Gedicht: J.H.Leopold • Zomernacht

Deze week worden de gedichten bij Coster gekozen door Guus Middag. Van zijn hand verscheen zojuist De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig, een boek met twintig stukken over twintig gedichten en liedteksten van na 2000, van dichters als Marieke Rijneveld, Ingmar Heytze, Ester Naomi Perquin, Ilja Leonard Pfeijffer en Radna Fabias, zangers en zangeressen als Daniël Lohues en Katinka Polderman en hiphoppers als De Jeugd van Tegenwoordig. De gedichten die hij hier bespreekt, staan niet in het boek.

“Ik kies deze week vijf ‘verborgen’ gedichten: gedichten die zich op onverwachte plaatsen aandienen. Vandaag een gedicht dat 135 jaar geleden in een studentenalmanak werd afgedrukt: ‘Zomernacht’. Een romantisch natuurtafereeltje, met een avondstemming, een nachtsfeerschildering, iets met weilanden en nevelslierten – het zal allemaal wel. Het is een gedicht waar ik zonder voorkennis schouderophalend overheen gelezen zou hebben. Er zijn zoveel dichters die zulk soort schetsjes hebben geschreven, met een gevoelig woordje hier en een stoplapje daar. Zo ook deze student, die zijn naam er niet onder zette.

Lees verder >>

Gedicht: Hélène Swarth • Herfstrood

Herfstrood

In rouwzwart groen een vroolijk vlekje rood:
Een blozend dak, een gladiolusvlam,
Een rozige appel of een hanekam,
Zal dat mij troosten over zomerdood?

O tragisch traag laat vallen van den stam
Scharlaken bladen in de bruine sloot
De wilde wingerd, of in gulpen vloot
Zijn bloed, gelaten najaars-offerlam.

Een huivrende angst bevangt me en jaagt mij voort,
Grijpt bij de keel me en steelt mijn levensmoed.

In ’t westen praalt een karmozijnen poort,
Waarachter ‘k misdrijf, vreemd en wreed, vermoed.

De booze October heeft de Zon vermoord….
Zijn zwaard is rood, zijn mantel druipt van bloed.

Hélène Swarth (1859-1941)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: J. Winkler Prins • Wenken

Wenken

Witte wolkjes, met doorgloeide randen
Boven zee,
Wenken als een zacht paar blanke handen:
Kom toch mee!

Blauwe plekken, in de blaadrenbogen
Van ’t prieëel,
Wenken als een zacht paar vriendlijke oogen:
Min haar veel!

Reuzenletters, in de kristallijnen
Schaatsenbaan,
Wenken als een beeldspraak door haar lijnen:
Wil toch gaan!

Yzelpluimen, die aan takken klemmen
Stijf van kou,
Fluistren als een zacht paar feeënstemmen:
Blijf haar trouw!


J. Winkler Prins (1849-1904)
uit: Zonder sonnetten (1886)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: J.J.L. ten Kate • Naar buiten (fragment)

Naar buiten

(September 1842)

Gekerkerd in de Stad, verwelkte ik in haar muren,
Gelijk een bloesem tussen steen:
In nachten zonder slaap, in doorgebeuzelde uren,
In rook, rumoer en ijdelheen!
De Stad! dor kerkhof, waar zich levenden begraven
In ’t graf der Luiheid, Lust of Smart,
Voor eigen driften zich verneedrend tot haar slaven,
Of wonden slaande in eigen hart;
De Stad! onstuimig meer, wiens rustloos golfgewemel
Dooreen woelt, hotst, zich-zelf verslindt,
Waar schipbreuk woont en vreze, en ’t starlicht van Gods hemel
Geen spiegel voor zijn stralen vindt!

[lees verder]

J.J.L. ten Kate (1819-1889)


• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Carel Vosmaer • ’t Raapt al kogels

Nieuwe titels in de DBNL (van o.a. Carel Vosmaer).

’t Raapt al kogels

De vorsten spelen ’t hooge spel,
’t Volkerenmoordende, roovende spel.

Waar ’t kamp gekozen is, wordt al
Wat oogst beloofde
Groen weggemaaid;
’t Hinderlaagbiedende struikgewas,
En ’t breed gekruinde hout geveld;
Bloemrijke villaas en nijvere hoeven geslecht;
En vóor den oorlog
Is reeds het schoone land geschonden,
Natuur verkracht.

Dan woedt de krijg op ’t leeg gevluchte land.
Volken, in vrede wedijverend,
Vrienden door kunst en verstand,
– Vrienden wêer na de bedwelming, –
Storten, waanzinnigen,
Opgezweept en verdwaasd
Door heerschersgeweld en bedrog,
Elkander op ’t lijf. Lees verder >>

Gedicht: Guido Gezelle • o Gij dikke, welgekleede, welgevoede vliege

o Gij dikke, welgekleede, welgevoede
vliege, die
‘k daar zoo dikkens, om end weder om mij,
hoore en zie
vliegen, varen, vederen, ruischen, in den
zonnenstraal,
met uw’ ronkend -, hoog- en leeggevooisde
vedertaal!

Ha, ‘k en kenne niemand die u ooit ééne arme
reke of twee
heeft geschonken, schoon gij zingt en immer
zongt, alreê
ruim zoo lange als merelaan, of meeze, of
nachtegaal,
ruim zoo schoone allichte als honingbie- en
krekeltaal. Lees verder >>

Gedicht: Nicolaas Beets • Bertha

Op 5 augustus 1835 schreef Nicolaas Beets aan een vriend over zijn zojuist voltooide boek Kuser. Hieronder een fragment.

Bertha

Daar zijn op aarde schepslen, in wier wezen
Zooveel geduld en goedheid is te lezen;
In wier gelaat zich zóóveel liefs vereent
Aan zóóveel zwaks en tengers, dat men meent
Dat zy te zacht voor de aard zijn; dat wy vreezen
Dat al wat haar omringt te ruw zal wezen;
Wie ’t minste kan bedroeven, niets verstoort;
Wie alles kan doen lijden, niets doen klagen;
Wie, by een streng, een luid gesproken woord,
Een groote traan in ieder ooghoek gloort,
Wier houding om bescherming schijnt te vragen;
Wie de aanblik van een wapen siddren doet
Uit deernis met nog onvergoten bloed;
Wier vriendlijk oog de gramschap doet bedaren;
Wie, in zijn drift, een woesteling zou sparen,
En siddrend, als haar wang van kleur verschiet,
Zachtmoedig tot haar zeggen: ‘Vrees my niet!’
En zoo was Bertha; – als zy ’t bleek gezicht,
Het groot, blaauw oog naar u hield toegericht,
Terwijl haar hand de blonde lokken scheidde,
Wier goud zich op haar blanke borst verspreidde,
Wijl Liefde en Ernst uit al heur trekken bleek, –
(Maar Liefde meest) – dan werd u ’t harte week,
Dan voeldet ge u geheel de ziel verrukken,
En lust om haar de tengre hand te drukken,
Of vurig haar te smeken: ‘Bid voor my;
Want God verhoort wie Engel is als gy.’


Nicolaas Beets (1814-1903)
uit: Kuser (1835)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Prosper van Langendonck • ‘k Ben vreemd te moede

‘k Ben vreemd te moede… er vlot iets om me henen
als grauwe mistlucht in Novemberlanen.
‘k Ben droef te moede als een, de borst vol tranen
met ’t naar gevoel van nimmermeer te weenen.

‘k Ben laf te moede… o! klaar in ’t leven lezen!
O! nimmer zich met mannenkracht omgorden!
O! klaar besef van kunnen-zijn en toch-niet-wezen,
van willen-zijn en toch-niet-willen worden…

Van op den grond der zee reikhalzend stijgen
en snakken naar de lucht, het licht, het leven,
en aan der wanhoop ijskorst blijven kleven:
daar, aâmloos, tusschen leven, sterven hijgen…

‘k Ben droef te moede als een, de borst vol tranen
met ’t naar gevoel van nimmermeer te weenen…

Prosper van Langendonck (1862-1920)

———————————–