Tag: gedichten 18e eeuw

Gedicht: Dirk Smits • De Rottestroom (fragment)

De Rottestroom

(…)
Stil!.. ‘k Hoor reeds haer golfjes leven!
Haer vervrolykt stroomgeluidt
Noodigt my ten koortranss’ uit.
‘k Zie hoe, door die vreugdt gedreven,
Haer Gespelen, overlaên,
Opgeborrelt uit het water,
Met riviervisch, ’t marktgeschater
Daeglyks drok ten dienste staen.
‘k Zie de plasbaers, vette voren,
Braesem, karper, post en snoek,
Zeelt en paling, malsch en kloek,
’t Oog des wandelaers bekoren:
Elk word op ’t gespartel graeg,
Valt aen ’t kiezen, dingen, koopen;
Voelt, by ’t wegen, schrappen, stroopen,
Reeds een kittling in zyn maeg.

Lees verder >>

Gedicht: Dirk Smits • Lijkkrans voor mijn dochtertje

Lijkkrans voor mijn dochtertje.

Een rei van Englen zag,
Door ’t dunne wolkfloers heen,
Of ergens, hier beneên,
Een zuivre parel lag
Die waardig was te pralen
In ’t goud van ’s hemels zalen.

In ’t einde viel het oog
Op Margareetje* een wicht,
Dat pas, door ’t levenslicht,
Bestraelt werd van omhoog,
En blijdschap noch elende,
Noch deugd noch ondeugdt kende.

Lees verder >>

Gedicht: Anoniem • Den scherp Geschaarden Kreeft

Den scherp Geschaarden Kreeft bemind
Het Strand, wyl ’t hem de Kost moet geeven,
Die hy aan Slekke en Oester vind,
Die, in hun Schelp geslooten, leeven,
Of anders dikwils zyn ten Buit
Hunn’s Vyands, die, met felle neepen,
Haar rukt ter oopen Schuilplaatze uit
En houd zyn roof wel vast gegreepen,
’t Geen hem verstrekt een lekker Aas.
Dit kan, ô! wulpsze Jeugd, u leeren,
Dat gy u Hart niet los en dwaas
Ontsluit voor ’t Kwaad, dat u kan deeren;
Want, eêr gy ’t merkt, zyt gy verrast
En in der Boozen Klaauwen vast.

Anoniem
uit: LXVI bezondere zinnebeelden (ca. 1780)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Anoniem • De hoogmoed

De Hoogmoed, op haar Staatçie-Waagen,
Vliegd als op Vlerken van de Wind.
Zy draafd al voort, als Ziende Blind,
Na ’t Voorwerp dat haar kan behaagen.
Zy agt zig zelve als ’t Zonne-Ligt
En denkt dat elk op haar zyne Oogen
Gevestigd heeft, om haar Vermoogen
En wil dat alles voor haar zwigt.
Maar, Dwaaze, leer u zelf beschouwen!
Uw’ Drift baard geen Bestendigheid:
Denk op den naderende Tyd
En ’t Ziel-bedroevend Na-Berouwen.
’t Is, zo het was en blyven zal,
De Hoogmoed die komt voor den Val.

Anoniem
uit: LXVI bezondere zinnebeelden (ca. 1780)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Aleksander Poesjkin • Paardje-Bochelaartje

Deze week worden de gedichten bij Coster gekozen door Guus Middag. Van zijn hand verscheen zojuist De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig, een boek met twintig stukken over twintig gedichten en liedteksten van na 2000 – bij Meander staat nu een recensie. De gedichten die hij voor Coster bespreekt, staan niet in het boek.

“Ik kies deze week vijf ‘verborgen’ gedichten: gedichten die zich op onverwachte plaatsen aandienen. Vandaag een gedicht dat zich bijna twee eeuwen lang onder de verkeerde schrijversnaam heeft schuilgehouden: Konjók-Gorboenók (1834), dat is Paardje-Bochelaartje, een Russisch sprookje van maar liefst 2300 rijmende versregels lang. Lees verder >>

Gedicht: Jacobus Bellamy • De hardnekkige onkunde

Het is de Week van het Nederlands – daarom deze week gedichten over (de Nederlandse) taal. Als derde een gedicht van Jacobus Bellamy.

De hardnekkige onkunde

Gij groote, wijze mannen,
Die, in uw schoone schriften,
De comma’s en de punctum’s,
De stippen en de streepen,
Zoo kunstig, weet te plaatsen;
o Groote, wijze mannen!
Al ben ik juist geen schrijver,
Toch weet ik, in een reden,
De comma’s en de punctum’s
De stippen en de streepen,
Zoo nu en dan, te plaatsen:
Wanneer ik, groote mannen,
Lees verder >>

Gedicht: Brief aan Aagje Deken / Antwoord aan Betje Wolff

Brief aan Aagje Deken

29 april 1777

Ach Deken! Deken ach! Mijn waarde Wolff! Mijn man,
In ’t holst des nachts… ‘k zit voor zijn ledikant te lezen;
Hij spreekt met mij, hij sterft, valt in mijn arm! Ik kan
niet schrijven. Hemel! moest ik juist alleenig wezen!

Geen ziekte, zelfs geen koorts! Zoo zegt hij nog: ‘k Ben wel;
Slechts wat vermoeid; dit komt van gistren nog te preeken.
Mijn lief, ‘k wordt wat benaauwd! Hij richt zich op; ‘k ontstel;
‘k Vlieg op. Hij zwijgt; hij geeft één snik, zijne ogen breken;

Zijn hoofd zijgt op mijn borst…. hij ziet mij stervend aan.
‘Mijn lieve waarde Wolff’!…. afgrijselijke oogenblikken!
‘Ach! kent gij mij niet meer? Ik ben het.’ ’t Was gedaan.
Denk, denk eens, mijn vriendin, hoe dit mij heeft doen schrikken. Lees verder >>

Gedicht: O.C.F. Hoffham • Een droom

Een droom

In de naaste nacht, nadat god Hypnus
De eer en vreugd van zijn bezoek mij gunde,
Droomde ik, daar zijn beeld mijn brein vervulde,
Dat hij weder aan mijn huisdeur klopte –
Dat ik, opgestaan, hem uit mijn venster
Weder smekende op mijn stoep aanschouwde,
Leunende op zijne omgekeerde fakkel.
Hoe vloog ik, om hem mijn huis te ontsluiten!
In het hart verheugd, de zoete slaapgod
Andermaal bij mij als gast te ontvangen!
‘k Open hem de deur – maar, welke ene ijzing!
Welk een schrik! het was zijn tweelingsbroeder,
De akelige, zwarte dood, die insloop.
Foltrende angst deed gillend mij ontwaken.
Welk een heil, goôn! dat het slechts een droom was!

O.C.F. Hoffham (1744-1799)
uit: Slaapdichten (1784)

———————————–

Gedicht: Jacobus Bellamy • De wijsgeer

De wijsgeer

‘Jongeling’, dus sprak een Wijsgeer,
‘Jongeling, gij moet de hemel,
In de stille nacht beschouwen,
Wen geen wolkje hem verduistert;

Dan moet gij die grote lichten,
Die ontelbre grote lichten,
Om hun assen om zien rollen! –
Gij moet langs de ruime velden,
’t Schoon der Lente vaak beschouwen:
Frisse planten, purpren rozen,
Alles moet uwe aandacht wekken! – Lees verder >>