Tag: gedichten 18e eeuw

Gedicht: Aleksander Poesjkin • Paardje-Bochelaartje

Deze week worden de gedichten bij Coster gekozen door Guus Middag. Van zijn hand verscheen zojuist De wereld is weer plat, ja. De poëzie van tegenwoordig, een boek met twintig stukken over twintig gedichten en liedteksten van na 2000 – bij Meander staat nu een recensie. De gedichten die hij voor Coster bespreekt, staan niet in het boek.

“Ik kies deze week vijf ‘verborgen’ gedichten: gedichten die zich op onverwachte plaatsen aandienen. Vandaag een gedicht dat zich bijna twee eeuwen lang onder de verkeerde schrijversnaam heeft schuilgehouden: Konjók-Gorboenók (1834), dat is Paardje-Bochelaartje, een Russisch sprookje van maar liefst 2300 rijmende versregels lang. Lees verder >>

Gedicht: Jacobus Bellamy • De hardnekkige onkunde

Het is de Week van het Nederlands – daarom deze week gedichten over (de Nederlandse) taal. Als derde een gedicht van Jacobus Bellamy.

De hardnekkige onkunde

Gij groote, wijze mannen,
Die, in uw schoone schriften,
De comma’s en de punctum’s,
De stippen en de streepen,
Zoo kunstig, weet te plaatsen;
o Groote, wijze mannen!
Al ben ik juist geen schrijver,
Toch weet ik, in een reden,
De comma’s en de punctum’s
De stippen en de streepen,
Zoo nu en dan, te plaatsen:
Wanneer ik, groote mannen,
Lees verder >>

Gedicht: Brief aan Aagje Deken / Antwoord aan Betje Wolff

Brief aan Aagje Deken

29 april 1777

Ach Deken! Deken ach! Mijn waarde Wolff! Mijn man,
In ’t holst des nachts… ‘k zit voor zijn ledikant te lezen;
Hij spreekt met mij, hij sterft, valt in mijn arm! Ik kan
niet schrijven. Hemel! moest ik juist alleenig wezen!

Geen ziekte, zelfs geen koorts! Zoo zegt hij nog: ‘k Ben wel;
Slechts wat vermoeid; dit komt van gistren nog te preeken.
Mijn lief, ‘k wordt wat benaauwd! Hij richt zich op; ‘k ontstel;
‘k Vlieg op. Hij zwijgt; hij geeft één snik, zijne ogen breken;

Zijn hoofd zijgt op mijn borst…. hij ziet mij stervend aan.
‘Mijn lieve waarde Wolff’!…. afgrijselijke oogenblikken!
‘Ach! kent gij mij niet meer? Ik ben het.’ ’t Was gedaan.
Denk, denk eens, mijn vriendin, hoe dit mij heeft doen schrikken. Lees verder >>

Gedicht: O.C.F. Hoffham • Een droom

Een droom

In de naaste nacht, nadat god Hypnus
De eer en vreugd van zijn bezoek mij gunde,
Droomde ik, daar zijn beeld mijn brein vervulde,
Dat hij weder aan mijn huisdeur klopte –
Dat ik, opgestaan, hem uit mijn venster
Weder smekende op mijn stoep aanschouwde,
Leunende op zijne omgekeerde fakkel.
Hoe vloog ik, om hem mijn huis te ontsluiten!
In het hart verheugd, de zoete slaapgod
Andermaal bij mij als gast te ontvangen!
‘k Open hem de deur – maar, welke ene ijzing!
Welk een schrik! het was zijn tweelingsbroeder,
De akelige, zwarte dood, die insloop.
Foltrende angst deed gillend mij ontwaken.
Welk een heil, goôn! dat het slechts een droom was!

O.C.F. Hoffham (1744-1799)
uit: Slaapdichten (1784)

———————————–

Gedicht: Hieronymus van Alphen • Klaasje en Pietje

Klaasje en Pietje

KLAASJE
Pietje, zo gij niet wil deugen,
Dan verschijnt de zwarte man.

PIETJE
Klaasje, foei, dat is een leugen!
Laat hem komen, als hij kan.
Die aan zulk een man gelooft,
Is van zijn verstand beroofd.

Hieronymus van Alphen (1746-1803)

———————————–

Gedicht: Jacobus Bellamy • De wijsgeer

De wijsgeer

‘Jongeling’, dus sprak een Wijsgeer,
‘Jongeling, gij moet de hemel,
In de stille nacht beschouwen,
Wen geen wolkje hem verduistert;

Dan moet gij die grote lichten,
Die ontelbre grote lichten,
Om hun assen om zien rollen! –
Gij moet langs de ruime velden,
’t Schoon der Lente vaak beschouwen:
Frisse planten, purpren rozen,
Alles moet uwe aandacht wekken! – Lees verder >>