Tag: gedichten 17e eeuw

Gedicht: Daniël Heinsius • Aen den VVelgeleerden ende Geestigen Iohan Bodechervs Benningh

Met onderstaand gedicht reageerde Daniël Heinsius op het sonnet van gister, van Johannes Bodecheer Benningh, als inleiding bij diens Goude munt-goddin.

Aen den VVelgeleerden ende Geestigen Iohan Bodechervs Benningh, op zijn Govde Mvnt-Goddin.

Het is gelijck ghy segt, de mens seer groot van weerde
Hanct aen geschildert slijck, aen eenen klomp van eerde:
Dit is zijn hoop, zijn deel, zijn erffenis , zijn lot,
Dit is soo lang hy leeft op eerden zijnen God.
Den hemel schelt hy quyt, die laet hy voor verstanden
Die uyt hem sijn geteelt, en door zijn krachten branden,
Zy blijven daer zy sijn, haer hert is by haer goet:
Van daer komt haeren waen, van daer komt haeren moet:
Veel mijlen van het dijn, o Bodecheer, gelegen
Tot midden in de locht door vvijsheyt opgestegen.
Hy doet nochtans oock vvat die naer zijn eerde draeft,
Want hy sich selver straft en levende begraeft.

Daniël Heinsius (1580-1655)
uit: Goude munt-goddin (1628)


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Johannes Bodecheer Benningh • Klinck-dicht

In zijn Goude Muntgodin maalde hij de geldzucht af.”

Klinck-dicht

Nae dat de rijckdom op het hooghste wierd gepreesen,
Soo dat het eere scheen als yemand veel besat,
En schand als yemand niet in sijne kisten had,
Is in de plaets van deughd veel schelmerij gereesen.

Een yeder pooghde rijck en wel-begoed te wesen:
’t Kon dicwils niet geschien, men sagh somtijts geen raed.
Ten zy men dieverij, of ander leelijck quaed
Wouw neemen by-der hand; men plaght wel eer te vreesen

Lees verder >>

Gedicht: Matthijs van der Merwede • Le carezze stravaganti di Checha Biancona


Le carezze stravaganti di Checha Biancona**

’t Is niet om haer brand te blussen,
Dat mijn Kind mijn fluyt gaet kussen;
‘tSpijsden noyt haer geyl gebrek,
Dat sy my beet in de nek.
Sy en neygden noyt haer lippen
Na den huys-raed van mijn slippen,
Slechts om ’t soenen van de mast,
Die op haren koker past.
Neen sy wil wat anders smaken,
Neen mijn Kind wil note kraken:
Om de minne van de smeer
Likt de Kat de kandeleer.

Matthijs van der Merwede (1625-1677)
uit: Uyt-heemsen oorlog ofte Roomse min-triomfen (1651

** iets als: de buitengewone liefkozingen van Checha Biancona


Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Nieuw gedicht van Vondel

Het eerste stuk van het nieuwe gedicht van Vondel. Via www.nrc.nl

Door Bas Jongenelen

Zo vaak gebeurt het niet dat er een nieuw gedicht ontdekt wordt van een reeds lang overleden dichter. Dus als er een onbekend gedicht gevonden wordt van Joost van den Vondel, dan is dat een beetje wereldnieuws. Dat de Tokyose Koerier en het Rio de Janeirose Stadsblad er niet over schrijven is logisch, maar wij mogen het hier niet laten schieten. De ontdekking werd wereldkundig gemaakt in het Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde (TNTL) door Ad Leerintveld en Vincent Klooster. Het is helaas wel een droevig gedicht, over de dood van de achtjarige Geertruidt Hinloopen Vermaes. Ik had liever dat er een vrolijk gedicht van Vondel gevonden was, over een vat vers gebrouwen bier of zo. Maar ja, dat heb je niet voor het zeggen.

Lees verder >>

Gedicht: Jacob Westerbaen • Zomer. Het fruit is rijp

Zomer. Het fruit is rijp

Ik kan met moes en fruit mij en mijn vriend gerijven;
ik eet, ik geve weg, nog kan er overblijven.
De mus, de spreeuw, de kauw en eksters eten mee;
maar tegen zulk gespuis houd ik de snaphaan reê.
Daar past mijn pulver op en schot van hagelkogels,
behalve op een slag van schadelijker vogels,
van bestemoeders aard in zulk van snoeperij;
die grijp ik levendig, en laat ze weder vrij,
doch voor een klein rantsoen. En, meisjes, wilt gij weten
waarvoor gij in mijn hof moogt alle fruiten eten,
vraagt aan de echo hier: ‘Wat geeft men voor rantsoen?’
Met maar vier lettertjes zal zij u antwoord doen.


Jacob Westerbaen (1599-1670)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jacob Westerbaen • Aan juffrouw A.G. toen ik wat aspergeplanten aan haar zond

Aan juffrouw A.G. toen ik wat aspergeplanten aan haar zond

Gij wenst asperges in uw hof,
wat beddens zoudt gij wel begeren;
uw man sloeg het geheel niet of,
des kom ik u wat plant vereren,
opdat het daar niet aan en schort.
Nu schort het maar aan vuiligheden,
maar waar veel hooi gegeten wordt
daar is het immers recht en reden
dat men daar ook niet weinig k*k,
gelijk het niet en placht te missen
(of ’t oude spreekwoord kreeg een krak),
dat die veel drinkt ook veel moet pissen.
Het scheelt dan maar aan vuiligheid,
maar daar wil ik mij niet mee moeien,
alleen dient u te zijn gezeid:
de vetste str*nt komt van de koeien.
Maar zo de roggeakker roept:
‘Daar is niet voor de hof te krijgen,
mijn smeer en dient mij niet ontsnoept’,
zo ziet het af met paardenvijgen.

Jacob Westerbaen (1599-1670)

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.

Gedicht: Jacob Westerbaen • Vloek tegen de vlooien

Burlesk gedicht over een onrustige nacht. Westerbaen wordt tijdens een verblijf in een herberg geplaagd door vlooien: beestjes die totaal geen oor blijken te hebben voor zijn toch zo redelijke vermaningen…

Vloek tegen de vlooien

Het is hier wel te wezen:
de spijs is uitgelezen,
de drank is fris en goed,
de wijn in overvloed,
meer dan men heeft van node,
van witte en van rode;
hij, die ze beide mag,
geraakt hier op zijn slag.
Men kan de tijd passeren
met praten, met verkeren,
met hok, met lanterlu,
flus ’t een, en ’t ander nu,
terwijl de vuile straten
geen wand’len toe en laten
en dat de buitenpaên
niet droog en zijn te gaan,
en dat de diepe wegen,
gebroken door de regen,
ons zeggen: ‘’t Is te nat,
wij lijden paard noch rad.’
Een van de jufferdieren,
beleefd en goedertieren,
heeft mij haar bed geruimd,
heel zacht en wel gepluimd;
maar, als ik meen te slapen,
de vlooien zijn in wapen
en komen mij te keer Lees verder >>

Gedicht: Jacob Westerbaen • Droom

Droom

In ’t midden van de nacht geraakte ik aan ’t dromen
en zag mijn Rosemond omtrent mijn bedde komen:
haar woorden waren zoet, zij was haar wreedheid moe,
haar oogjes wierpen mij veel lieve lonkjes toe.
’k Verstoute mijn gemoed en ik begon te klagen*
de lange eeuwigheid van mijn bedroefde dagen,
mijn leven zonder vreugd, mijn eindeloze smart
en haar verstaalde ziel in een metalen hart.
Een zee van tranen stond in mijn gezwollen ogen,
uit mijn benauwde borst kwam zucht op zucht gevlogen.
Ik bad haar om genâ, om ’t einde van mijn nood
óf door haar wedermin, óf door een rasse dood.

Z’ ontsloot het schoon koraal*, de zeilsteen* van de kusjes,
de haven van mijn ziel, de speelhof van de lustjes,
haar lipjes gingen op*, zij sprak mij aldus aan:
‘Vermoordt uw ogen niet en laat uw wenen staan.
Zij, die u heeft gekwetst, kan u weerom genezen;
zij, die is wreed geweest, kan u weer gunstig wezen;
zij, die uw hart bezit, maakt einde aan uw pijn
en geeft u ’t haar weerom, en wil de uwe zijn.’
O vriendelijk bedrog! O zoete dromerijen!
Helaas, hoe kort is het geluk van wie er vrijen,
want als ik met een kus haar lieve mond genaak
(ha, korte droom-geneugt!), voel ik dat ik ontwaak.

Ik heb nog lang daarna met aangename grepen*
geveinsd te dromen, en mijn ogen toegenepen:
Maar, laas*! de vaak* verging, en ik bevond daarnaar*
mijn vreugde vals te zijn en mijne droefheid waar.

Jacob Westerbaen (1599-1670)

 

klagen = beklagen
koraal = rode lippen
zeilsteen = magneet
op = open
grepen = listen
laas = helaas
vaak = slaap
daarnaar = toen

• • • • • • • • • • • • • • • • • •

Abonnees van Laurens Jz. Coster ontvangen iedere werkdag een gedicht per mail.



Gedicht: Jan Luyken • De leeraar

Uit Jan en Kasper Luiken’s Spiegel van het menselyk bedrijf (1694): 

De leeraar
Die gaaren eeuw’ge welvaart zag,
Die preek’ zich zelf den gantsen dag

Die ’t volk ter hemelwaart zal leiden,
Moet zelf van ’t stof der aarde scheiden,
Dat leer en leeven t’zaamen gaa:
En elk is hier de wacht bevoolen,
Om door kwaá voorgang niet te doolen
Men volg ‘et spoor van Christus na.

Lees verder >>

Gedicht: Constantijn Huygens • Is’t quelling sonder vreucht, is’t claghen sonder endt

Het eerste gedicht van Constantijn Huygens is een fragment uit een gedicht over de liefde – lees hier eventueel verder –, het d-dicht is een gelegenheidsvers voor Anna Roemers Visscher.

Is’t quelling sonder vreucht, is’t claghen sonder endt,
Ist suchten sonder rust daermen de liefde aen kent,
Soo hebbe ick uwen naem, O liefde, noijt geweten,
Was hij mij oijt bekent ick hebb’ hem schoon vergeten.
Ist in vreucht sonder sorgh, in blijschap sonder pijn,
In genucht sonder rouw daer ghij gekent wilt zijn,
Comt wel beminde min, Ick derv’ mij uwes roemen,
Ick derv’ mij naer u’ naem een minnend’ minnaer noemen.
Laet clagen die ‘tbehaecht, laet suchten die het lust,1
Mijn Doris mijn geluck, mijn vreucht, mijn vre, mijn rust,
Ick houw’ mij aen u gunst, laet mij die noijt ontbreken
Noijt zalmen mij van clacht oft suchten hooren spreken

*

De drollighe Dichter deser drijderhande, dorre, domme, duijstere, doornighe
deunen, denckende dese daghen dat de degelijcke dinghen de dorstighe
Dochteren den doorluchtighen dranck des Deughts droppel-dauw doen drincken,
doodende den droevighen doem des Duijvels; dorste dus dit dunne Dozijn drucksel,
door den Dienaer des dagelijcschen, doch dickmael dieffelijck-dieren dragher
der doosen danckelijck deelen de dapper deftighe deuchdelicke dochter

Anna Roemer Visschers;

daer de dicke Diemer dijeken den diepen dompighen
donckeren drabb des dreunenden, daverenden,
drillenden, dansenden DAMS deckende,
droogh doen duren.

Constantijn Huygens (1596-1687)

———————————–

Gedicht: Daniël Heinsius • De dochter die de moeder in de gevangenis met haar borsten onderhouden heeft

Daniël Heinsius. Uit: Spiegel van de doorluchtige vrouwen.

De dochter die de moeder in de gevangenis met haar borsten onderhouden heeft.

In ijzer ende staal met voeten ende handen,
Ligt gij hier Moeder vast in zo veel zware banden,
Door honger ende dorst gebracht in grote nood,
En eindelijk daardoor gedwongen tot de dood.
Wat zal ik voor u doen? Gij hebt mij opgetogen,
Ik geef u dat weerom: ik heb u eens gezogen,
Kom zuig mij wederom, kom neem hier brood en wijn,
Wij zullen dochter beid’ en beide moeder zijn. Lees verder >>

Gedicht: Jacob Cats • Jonck by out, heet by kout

Jonck by out,
Heet by kout.

Anna:
Doch midd’ler tijt, op dat ghy meught
Oock vruchten trecken van uw jeught,
Gheen ouden man u gheven laet,
Noch om sijn ghelt, noch om sijn staet;
Een kalen kop, of grijsen baert,
Dient met geen jeughdigh dier gepaert.
’t Is best te trouwen sijns ghelijck,
Jonck met wat joncx, en rijck met rijck:
Want soo ghy trout een ouwe jan,
Hy lijckt uw vader, niet uw man;
Dees trou is maer van trou een schijn,
Ghy sout ghetrout een weduw’ zijn;
Of koomter eens misschien een vrucht,
Alst langh genoegh sal zijn ghekrucht,
Eer dan het kint kan wesen groot,
Soo is den ouden vader doot:
Of krijghdy kinders soo wat meer,
Soo slaetmen twijffel aen u eer.
Schoon ’t klim den ouden boom bewast,
Hy isser doch niet mee gepast;
Want t’ wijl hem ’t klim omhelst en toeft,
Den dorren stam staet als bedroeft,
En als de klim op ’t schoonste spruyt,
Dan gaet den ouden droogaert uyt.

Jacob Cats (1577-1660)

———————————–

Gedicht: Jacob Cats • Van de drank

Van de drank

De wijn is voor de mens en voor de rapste geesten,
Maar water uit de beek ten dienste van de beesten,
Al wat de wijngaard geeft dat is een schone vrucht,
Om al wat droefheid smaakt te drijven op de vlucht.
Wijn dient van goede reuk en goede smaak te wezen,
Dan nog een klare glans die wordt er in geprezen,
Ook dient hij niet verschraald, maar vers getapt te zijn,
En vocht aldus gesteld dat noem ik goede wijn.
Maar wijn van rode verw dient niet te veel geschonken,
Want ’t maakt de buiken hard in overmaat gedronken. Lees verder >>