Tag: gedicht

Gedicht: Ingmar Heytze • Gemist worden

Uit Ik wilde je iets moois vertellen, de nieuwe bundel van Ingmar Heytze.

Gemist worden

Als je morgen weg moet kun je net zo goed ineens,
wanneer er even niemand oplet, zijn verdwenen.
Het is lente, je bent gastvrouw op een feest met wijn
en bitterballen, iemand kletst tegen je aan,

wordt onderbroken – je ziet je kans schoon, loopt
de tuin in om te kijken hoe de man die met je stond
te praten zich terugdraait naar de leegt waar jij
net nog was, iets zegt als: ‘Nou, en daarna… O.’ Lees verder >>

Gedicht: Marlene van Niekerk • Die uitlê van ’n dooie vleer

Gedicht van vandaag komt uit In de stille achterkamer. Gedichten bij schilderijen van Adriaen Coorte en Jan Mankes van Marlene van Niekerk (vertaling Henda Strydom). Het schilderij ‘Het vleermuisje’ van Jan Mankes, waar dit gedicht bij geschreven is, is hier te bekijken.

Die uitlê van ’n dooie vleer is ’n soort
heiligskennis, die hande kan nie oor die bors
gevou, maar moet met uitgestrekte vingerspeke
die sambrele vlug onthou. Onvroom is die gespreide
stand van agterbene en met die kennebak so uitgeklop
na bo gerig is die ganse byt- en suiedele van die bek volledig
buite die gesig. Koddig, die klein muiselyf so op sy rug
met duime van die dwarsbalk losgehaak en oopgetrek
van punt tot punt – ’n studie wat klein oormoed
eggo? Iets van die spektakel en die val
van Ikarus? Is dáárvoor nog die ore
so ootmoediglik gespits?

Lees verder >>

Gedicht: Hans Dekkers • Een zonbeschenen strogeelroze ksar in Tunesië

Uit: De bedwelmingsman verroert zich, de vierde bundel van Hans Dekkers.

Een zonbeschenen strogeelroze ksar in Tunesië

tijd, een asvlakte, in het brandpunt
van het tumult van jaren, midden
op dit plein, verrijst een fenix
van ongeldig, opnieuw beleven

hier is de geur van stof en munt
geen materie maar een rozig beeld
de zon die lui tegen een muur
van adobe is gaan leunen
Lees verder >>

Gedicht: Bertus Aafjes • Het bezoek

Het bezoek

Ik liep mij te verlopen.
Geminacht door de straten
kwam ik tot voor jouw deur.

De deur ging toe en open;
– de trap, de tred, jouw kamer
nu liggen wit en roze
twee hemden naast elkander.

Ik huiver onomwonden
omdat ik nu verander
tegen dit korenblonde.

Bertus Aafjes (1914-1993)
uit: Het gevecht met de muze (1940)

———————————–

Gedicht: Peter Holvoet-Hanssen • Toegankelijk gedicht

Uit Blauwboek. Gedichten voor de grote reuzin, de nieuwe bundel van Peter Holvoet-Hanssen.

Toegankelijk gedicht
zoals de reuzin door het water waadt

geef mij warmte en wifi
vertel dan pas bij ijzerkruid
met stevige stengel veerkrachtig tongblad
de Legende van de Witte Slang
de Legende van de Blauwe Slang
geen goedgekeurd engagement
of onschadelijke melkschuimauthenticiteit
bespaar mij de spruw de herkenbaarheid

ik ben geen man ik ben geen vrouw
ik ben niet licht ik ben niet donker
ik ben niet of het leven of de dood
ik ben het kleine en in het kleine groot
ik ben het gapend gat in het geflonker
ik ben geen toeval of geen toeval
ik breek mij af en bouw mij op
ik ben niet God hij zit op de pot
ik ontplooi mij in u gij zijt in mij
in de schatkaart de scheur de vouw
ik beweeg maar ik beweeg niet
ik ben de vreugde het verdriet
het spectrum van snoek tot roek
ik ben niet goed ik ben niet kwaad
ik kom bij elke opening te laat
ik kom voor het woord voor de daad
is dat vóór de daad of voor de dààd
gij zijt gebeten komt het niet te weten
dit is het blauwboek dat niet bestaat

warmte en wifi een zeldzaam gezonde
bries van stilte zwijg liever zwijg toch
tot in het negende octaaf

Peter Holvoet-Hanssen (1960)
uit: Blauwboek. Gedichten voor de grote reuzin (2018)

———————————–

Gedicht: Sasja Janssen • Manieren van lopen

Manieren van lopen

Wanneer het lakmoespapiertje in sterrenstof
wordt gedoopt en altijd uitloopt in violet en hopelijk
ootmoedig blauw, maar dat het er pas op aankomt
met groen, geel, oranje of zelfs rood bij voorspellend
vruchtbaar vooruit leven
dan zijn de dagen en nachten ontkiemd.

Als je van boven naar ergens beneden verdwaalt
kun je niet zoals je moeder je vroeger opdroeg
dezelfde gekleurde weg weer terug, hij droogt op
en verpulvert, maar er stijgt iets lichts op
in een kleur die niet op je lakmoes verschijnt
een glimp van ander leven nadat jij allang
bent opgehouden, de dagen en nachten gerecycled.

Sasja Janssen (1968)
uit: Ik trek mijn species aan (2014)

———————————–

Gedicht: Remco Campert – Te hard geschreeuwd?

Afgelopen zaterdag werd Remco Campert 89.

Te hard geschreeuwd?

Nu Roland Holst oud geworden is
en vierregelrijmen wisselt met Vestdijk,
weggelopen demonen tracht terug te roepen,
en men Voeten een belangrijk dichter vindt,
wordt het tijd dat wij iets laten horen,
een stem dwars door puinstof heen,
die glipt door de spijlen van het bedskelet,
die nooit de baard in de keel wil hebben,
die wil bevechten een groot geluk of ongeluk
(een klein geluk is geen geluk),
die door schade en schande
nooit wijzer wil worden.
Een stem, die door alle huizen zingt
het water doet overkoken en
de stoppen der berusting doet doorslaan.
Een stem, waarvan het geluid zich voortplant
door de buizen onder de vermoeide stad
en die antennedraden op maanlichtdaken
doet trillen, trillen, trillen …
Zo’n stem; eerder rusten wij niet.

(1950)

Remco Campert (1929)

———————————–

Gedicht: Mieke van Zonneveld – Desertie

Desertie

Er is geen leger of hij deserteert. Hij tekent de contouren
van een onneembare stad en oordeelt: dat was dat.

Er is een route door het duin die hij verzuimt te fietsen,
bevangen door geklapte jaloezie. Hem wacht

een stille hartstocht op die langs de halmen wuift.
Een afgelegen meisje spreidt een kleed en rekt zich uit

Zij weet zich opgelicht door een gerichte blik omlaag
en spelt absentheisme met een h.

Geen opstand zo gelaten en geen aftocht zo bedeesd.

Ze is leger nu, maar leeft.

 

Mieke van Zonneveld (1989)
uit: Leger (2017)

 

Gedicht: Aart van der Leeuw – Het zonnespel

Het zonnespel

Zacht daalde een zondagsrust, ik lei mij dromend
In ’t geurig bloemgoud, dat de wei bemint,
En voor mij rees, het groene veld omzomend,
Een berg van beuken, wuivend op de wind.

Ik zag hun toppen, beurtlings licht en donker,
In vlammen opgaand en weer uitgeblust,
Zich tot dit spel van schaduw en geflonker
Alle gewillig lenen, onbewust.

Doch ik, de blik gericht, het hoofd geheven,
Zocht naar de speler, die deez’ scherts begon,
En vond hem, waar de zomerwolken dreven
In stille stoeten langs dat schild: de zon.

Toen, turend, werd ook ik gelijk die bomen
Een door het hemels licht beschenen kind,
En voelde vreugde en weemoed me overkomen,
In beide zwelgend, en voor beide blind.

Aart van der Leeuw (1876-1931)

———————————-

Gedicht: Heiman Dullaert – Op gewiekte visschen in Amerika

Op gewiekte visschen in Amerika

Men ziet, daar ’t daglicht, hoog gerezen in zyn vlucht,
De kringen* brant en blaakt, neervallen uit de lucht
Oprechte* visschen, die, de gulzigheit ontvlogen
Van roofziek zeegedrogt, en, zwakjes van vermogen
Hun bloode wieken, als een toevlugt in den nood
Die hun aan ’t leven dreigt, gebruikende, in den schoot
Van ’t pynhout* vlug ter zeil van alle kanten regenen,
En met hun zilvren glans de zwarte dennen* zegenen.
Lees verder >>

Gedicht: Jacques Perk – Dag

Dag

En over ’t wak van pek, dat schijnt te schragen
Het hol gewelf, waar langs een doodendans
Van fakkelglansen spookt, voel ik mij dragen
Door wagglend hout… ’t licht dooft – ’t is duister thans…

Nu drijft de kiel, waar een albasten trans
Zóo rijst, als zinkt het diep der waterlagen, –
En uit de verte lokt een maanlichtglans,
Een troost van medelij voor wie vertsagen:
Lees verder >>