Tag: Fries

25 oktober 2019, Leeuwarden: Dag van de Friese taalkunde

Het Taalkundich Wurkferbân van de Fryske Akademy organiseert dit jaar de tiende Dag van de Friese taalkunde. De dag is bedoeld voor iedereen die zich direct of indirect bezig houdt met de taalkunde van het Fries: grammatica, fonetiek/fonologie, naamkunde, lexicologie, sociolinguïstiek, historische taalkunde.

In de lezing wordt over wetenschappelijk onderzoek gerapporteerd, maar presentaties van onderzoeksplannen, van speculaties of van taaldatabanken zijn ook welkom. Lezingen kunnen gehouden worden in alle talen die tot de West-Germaanse taalfamilie behoren. Lees verder >>

De Fryske Akademy op in krúspunt

Door Abe de Vries

It Coulonhûs (Bron: Wikipedia)

Wittenskiplik ûndersyk nei de Fryske taal, skiednis en kultuer bestiet al ieuwen. Dat begjint by midsieuske skiedskriuwers, ferhuzet nei it hôf fan de Nassaus en de universiteit fan Frjentsjer, fynt ûnderdak by it Frysk Genoatskip, efkes letter ek by it Frysk Selskip, en bedarret úteinlik yn 1938 yn in spesjaal foar dat doel oprjochte Fryske Akademy yn Ljouwert.

Wêrom hawwe oare provinsjes net sa’n ‘eigen’ ûndersyksakademy? Miskien hjirom: Fryslân hat wat aparts. Neam it ‘Fryske frijheid’, of in wiis wêzen mei de eigen taal.

Net tafallich binne it krekt dy twa ûndersyksgebieten, de skiedwittenskip en de taalkunde, dêr’t de Akademy yn syn 81-jierrige bestean fierrewei it measte omtinken oan jûn hat. Hieltyd út it idee wei dat yn Fryslân in eigen ‘Fryske’ identiteit bestie, dy’t belangstelling fan de wittenskip fertsjinne. En yntusken hawwe de produkten fan de Akademy sels ek ryklik bydroegen oan de konstruksje fan sokke identiteiten. In relatyf nije bewenner fan it Coulonhûs fan de Fryske Akademy is sûnt in oantal jierren de stúdzje fan meartaligens, itselde fakgebiet dêr’t professor Goffe Jensma him yn Grins mei dwaande hâldt.

Lees verder >>

Helje-en-bringservice

Door Henk Wolf

Als ik ’s morgens naar het werk rij, hoor ik voor de radio vaak een reclame van een bedrijf met een “helje-en-bringservice”. Dat is Fries voor ‘haal-en-brengservice’, maar wel opvallend Fries.

Het Nederlands heeft één type regelmatige werkwoorden, het Fries heeft er twee. Je hebt werkwoorden met een woordenboekvorm (onbepaalde wijs, infinitief, hele werkwoord) op -je en werkwoorden met een woordenboekvorm op -e. Die krijgen verschillende vervoegingen. Helje (‘halen’) is een -je-werkwoord. De vorm helje is onder andere de woordenboekvorm, de eerste persoon enkelvoud in de tegenwoordige tijd en de gebiedende wijs.

Wat helje niet is, is de stam. En aan de linkerkant van een samengesteld woord gebruik je in het Fries, net als in het Nederlands, de stam van het werkwoord. Dat is het stukje dat in alle regelmatige vormen wordt gebruikt, waarin het eventueel met voor- en achtervoegsels wordt aangevuld. Lees verder >>

Nederlandse Rijksoverheid tevreden over eigen beleid voor minderheidstalen

Door Henk Wolf

De Nederlandse Rijksoverheid heeft zichzelf ertoe verplicht zorg te dragen voor vijf kleine talen: het Fries, Nedersaksisch, Limburgs, Jiddisch en Romanes. Dat is gebeurd door het Europees Handvest voor regionale talen en talen van minderheden te ratificeren. Om de drie jaar onderzoekt een groep deskundigen (juristen, politici, onderzoekers) in opdracht van de Raad van Europa of Nederland z’n verplichtingen wel nakomt en om de paar jaar moet het Ministerie van binnenlandse zaken een zelfrapportage schrijven. De laatste is deze week verschenen en heel veel verantwoordelijkheidsbesef spreekt er niet uit.

In het document, waarin geen auteur wordt genoemd, gaat het ministerie vooral in op kritiek en suggesties van drie partijen: de genoemde groep deskundigen, het Comité van ministers van de Raad van Europa en het eigen adviesorgaan voor de Friese taal Dingtiid. Die zijn op diverse vlakken niet zo tevreden, maar de kritiek wordt luchtig weggewuifd.

Lees verder >>

Hoe(zo) ben je zo dik? Miratieve modaliteit in het Nederlands en Fries

Door Henk Wolf

Het vraagwoord hoe komt in zowel het Nederlands als het Fries voor, maar er is een subtiel verschil, dat ik nog nooit beschreven heb gezien.

Eerst de overeenkomsten. In beide talen kom je zinnen tegen als de volgende:

  • Hoe ben je zo dik geworden?
  • Hoe bist sa grou wurden?

Daarin is hoe dubbelzinnig. Het kan vragen naar de oorzaak en is dan ongeveer synoniem aan waardoor. In dat geval is het antwoord op de vraag zoiets als ‘Ik heb te veel bier gedronken’. Hoe kan ook wat betekenen als ‘op welke manier’ en dan is het antwoord op de vraag iets in de trant van ‘Ik kreeg er elk jaar een kilootje bij’. In beide gevallen is hoe een bijwoord bij het hele gezegde ‘dik worden’.

Enigszins moeizaam is het als je hoe gebruikt voor het bevragen van alleen dik. Je vraagt dan:

  • Hoe ben je dik? <beetje raar>

Op zo’n vraag zou een antwoord kunnen komen als ‘Peervormig’, maar dat blijft een beetje raar.

Lees verder >>

Waar vind je nog frisisten?

door Goffe Jensma en Henk Wolf

Een ijzeren wet in universitair Nederland is dat de grote vissen de kleine eten. Om financieel het hoofd boven water te houden openen Colleges van Bestuur en Faculteitsbesturen aan hun geesteswetenschappelijke faculteiten steeds bredere opleidingen om daarmee steeds omvangrijkere groepen studenten te interesseren. Het visje Fries heeft in deze vijver in de afgelopen decennia een bewogen geschiedenis achter de rug. Hoe kon en kan het overleven?

Ooit kon je naar verluidt aan vijf van de zes klassieke universiteiten in Nederland Fries studeren en werd er schande van gesproken dat de Radboud-Universiteit in Nijmegen niet ook Fries aanbood. Die tijden zijn voorbij. De voorzieningen aan de Leidse en de Utrechtse universiteiten zijn volledig verdwenen, evenals ook de volledige opleiding aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. De Universiteit van Amsterdam hief haar studierichting Friese taal- en letterkunde in 1999 op en ging verder als minor Fries.

De ontwikkeling in de frisistiek – de studie van de Friese taalkunde, letterkunde en geschiedenis – laat zo zien dat een bestaande, evenwichtig uitgebalanceerde wetenschappelijke infrastructuur in een paar decennia dreigt te worden opgeslokt. Onder dwang verdwijnt er echter niet alleen van alles, maar ontstaan ook nieuwe initiatieven en samenwerkingsverbanden. In dit stuk zetten wij op een rijtje wat er aan Friese opleidingen bestaat.

Lees verder >>

Welke taalvoorschriften willen we zo langzamerhand weleens kwijt?

Door Henk Wolf

In het onderwijzen van taalvoorschriften zit een rare paradox. Aan de ene kant is het nuttig om mensen taalvoorschriften te leren. Als ze die kennen, kunnen ze zich eraan houden en dat heeft een aantal voordelen. Ze worden dan serieuzer genomen en het komt minder vaak voor dat discussies over de vorm van hun taal de aandacht afleiden van de inhoud.

Aan de andere kant creëert het onderwijs de maatschappelijke afkeer van allerlei taalvormen juist zelf. Nederlandstaligen maken zich alleen maar druk over een zinnetje als ‘Janneke is slimmer als Durkje’ omdat ze ooit op school hebben geleerd dat ze zich daar druk over moeten maken. Onderwijzers proberen zo een maatschappelijk probleem te verkleinen dat een vorige generatie onderwijzers heeft gecreëerd. En ze creëren het probleem opnieuw voor de kinderen die hun leerlingen ooit gaan krijgen.

Lees verder >>

Is het Friese woord ‘gebeure’ een hollandisme?

Door Henk Wolf

Wie in een Nederlands-Fries woordenboek kijkt of een cursus Fries volgt, die leert dat het Nederlandse gebeuren in het Fries barre zou zijn. Wie dan echter luistert naar het gesproken Fries, ontdekt dat dat barre een zeldzaam woord is, vooral in gebruik bij mensen die een cursus Fries hebben gevolgd. Het woord dat in het gesproken Fries domineert, is gebeure. Leerboeken en ook het wetenschappelijke Woordenboek der Friese Taal wijzen dat af als ‘hollandisme’.

Maar is dat wel correct? Ik heb het eens opgezocht en gebeure komt rond 1500 al in het Fries voor, dan nog in de Oudfriese vorm gebeura. We zitten dan op het randje van de middeleeuwen. We hebben ongetwijfeld te maken met een leenwoord uit het Hollands, maar het is wel een stokoud leenwoord, geleend voordat er überhaupt sprake was van Nederlands als bovenregionale taal.

Lees verder >>

Oproep voor de 10e Dag van de Friese taalkunde (25-10-2019)

10e Dag van de Friese taalkunde / 25-10-2019

Bestand:Friese vlag provincie Friesland.svg
Het Taalkundich Wurkferbân van de Fryske Akademy organiseert dit jaar de tiende Dag van de Friese taalkunde. De dag is bedoeld voor iedereen die zich direct of indirect bezig houdt met de taalkunde van het Fries: grammatica, fonetiek/fonologie, naamkunde, lexicologie, sociolinguïstiek, historische taalkunde, kindertaalverwerving, enz. In de lezing kan over wetenschappelijk onderzoek gerapporteerd worden, maar presentaties van onderzoeksplannen, van speculaties of van taaldatabanken zijn ook welkom. Lezingen kunnen gehouden worden in alle talen die tot de West-Germaanse taalfamilie behoren. Lees verder >>

Heel de toekomst van het Hylpers

Door Marcel Plaatsman

Gisteren reisde ik naar Friesland. Het was er het weer voor; Friesland is misschien wel op z’n mooist met het eendenkuikentjesweer van gisteren en vandaag. Het riet langs de plassen is nu nog geel van de winter, maar de velden zijn donkergroen en de vogels jagen er overheen: kieviten, grutto’s, af en toe een kiekendief. Met het dieseltreintje voer ik voorbij de kleine scheepjes die de dorpen er wel kijken. Mijn bestemming was Hindeloopen, waar niet alleen de lente, maar ook de Hindelooper taal gevierd werd. Dit Hylpers kreeg gisteren z’n langverwachte woordenboek, waarmee het ineens één van de best beschreven Friese dialecten werd. En dat had het Hylpers verdiend, dat zou nog blijken.

Hylpers in ’n groter verband

Ik stapte overigens niet in Hindeloopen uit, maar in Molkwerum. Het was immers fantastisch weer en als tekstschrijver zit ik wel genóeg binnen, ik wilde over dijk wandelen, van Molkwerum op Hindeloopen aan. Het Hindelooper kerkje hield ik als een vuurtoren voor ogen. Op de heenreis had ik Workum en Makkum ook al zien liggen, in de trein waren er scholieren geweest die, afgaande op hun accent in het Fries, wel naar Warns of iets daaromtrent op weg waren: heel de omgeving van Hindeloopen was even om mij. En daarmee de bijzondere geschiedenis van het Hylpers. Lees verder >>

‘Hoofdzaak’ als bijwoord

Door Henk Wolf

Vroeger hoorde ik in Friesland vaak het woord hoofdzaak gebruikt worden waar je ook ‘hoofdzakelijk’ of ‘in hoofdzaak’ kunt zeggen, als bijwoord dus. Dat gebeurde in elk geval in het Fries en ik vermoed ook in het Nederlands, maar helemaal zeker ben ik daar niet van. Nu lijkt dat gebruik grotendeels verdwenen.

Het gaat om het gebruik zoals in de volgende zinnen:

Se ferkeapje dêr hoofdsaak boeken. (Fries)
Ze verkopen daar hoofdzaak boeken. (Nederlands) Lees verder >>

De toekomst van de frisistiek in Nederland: een symposium

Het lijkt niet goed te gaan met de frisistiek in Nederland. Die constatering vormt de aanleiding tot het organiseren van een congres over de toekomst van de frisistiek.

Wie de frisistiek – de wetenschappelijke studie van de Friese taal- en letterkunde – van nu overziet en vergelijkt met de situatie van zo’n veertig, vijftig jaar geleden, zal zien dat er heel wat is veranderd. Toen waren er hoogleraren voor het Fries aan de universiteiten van Groningen, Amsterdam (zowel VU als UvA), Utrecht en Leiden. Voor het onderzoek was bovendien de Fryske Akademy belangrijk.

Maar op dit moment zijn er geen bijzondere hoogleraren Fries meer en is de frisistiek aan de RUG en UvA ondergebracht in bredere programma’s. Het resultaat is dat de universitaire frisistiek in Nederland niet alleen sterk is ingekrompen, maar dat er een opvolgingsprobleem is ontstaan. Bij de Fryske Akademy is ondertussen het accent verschoven naar geschiedenis en sociolinguïstiek. Er zijn geen jonge frisisten meer met een vaste aanstelling op dit instituut. Lees verder >>

Nieuw rapport biedt een actueel overzicht van de contactvariëteiten in Friesland

De Fryske Akademy heeft in opdracht van de Taalunie een onderzoek uitgevoerd naar de taalkundige positie en het functioneren van de zogenaamde contactvariëteiten Fries – Nederlands in Friesland. Het onderzoek ligt in lijn met het implementatieplan taalvariatie van het Algemeen Secretariaat van de Taalunie. Het beschrijven van taalvariatie is een van de beleidslijnen in dat plan.

In de provincie Friesland worden enkele contactvariëteiten gesproken die ontstaan zijn uit het contact tussen het Fries en het Nederlands. Deze Fries-Nederlandse contacttalen worden in de dagelijkse omgang gebruikt. Ze behoren tot het cultuurhistorisch erfgoed en zijn van groot belang voor de taalwetenschap.

Het onderzoek

Het rapport biedt onder andere een beschrijving van de contactvariëteiten in Friesland en een overzicht van de gebruikers, bestaande bronnen en basismaterialen en van partijen en organisaties die met contactvariëteiten bezig zijn. Daarnaast geeft het rapport een aanzet tot een eerste documentatie-, onderzoeks- en ontwikkelingsagenda. Lees verder >>

Boekjes lezen werkt het beste

Door Marc van Oostendorp

Nijntje in het Fries.

Voorlezen is goed voor de taal van kinderen. Ja, daar staan jullie niet van te kijken! Het is dan ook de minst interessante uitkomst van een onderzoek dat Evelyn Bosma en Elma Blom deze maand publiceerden in het Journal of Child Language. Het werkt waarschijnlijk meestal beter dan zomaar een verhaal vertellen, en dat komt misschien doordat een verhaal in een boek zorgvuldiger geconstrueerd is, en dus alleen al om die reden meer verschillende woorden bevat.

Er is trouwens nóg een mogelijke reden, zeggen Bosma en Blom, en die is dat bij een boek de gezamelijke aandacht van ouder en kind naar hetzelfde object uitgaat, het boek. En gedeelde aandacht, samen bezig zijn met hetzelfde, is een van de sleutels voor taal en zeker voor de ontwikkeling van taal.  Lees verder >>

July 2019, Oxford: First Oxford Old Frisian Summer School

It is a great pleasure to announce the first Oxford Old Frisian Summer School, taking place in Oxford, St Edmund Hall/Taylor Institution Library from 8th-13th July, organised in close co-operation with the university of Groningen. Special topic: Anglo-Frisian connections.

Why a summer school?

In Oxford, there is hardly any opportunity to study Old Frisian within the normal curriculum.  The summer school is meant to give students and early career researchers who are interested in Old Frisian in the context of Old Germanic, especially Old English, a chance to get acquainted with this small but fascinating member of the Old Germanic language family.   Lees verder >>

‘Dan deed ze het werk van een man’

Moraal, politiek en emancipatie bij Haitskemoei

Door Abe de Vries

Een niet-geïnterpreteerde tekst uit het verleden is als een onuitgepakt cadeau.
Marita Mathijsen

Buste van Waling Dijkstra in Holwerd. Keunstwurk

Tussen de memorabele vrouwenfiguren in de literatuur in Nederland zou ook makkelijk de Friese Haitskemoei van Waling Dijkstra kunnen staan. Als voorbeeld van emancipatie verschijnt in de Friese literatuur al in het midden van de negentiende eeuw, twintig jaar voor het begin van de Eerste Feministische Golf, een maatschappelijk onafhankelijke en zelf denkende en handelende vrouwenfiguur op het toneel. Dat is Haitskemoei, Haitske Klaversma zoals ze voluit heet.

Haitskemoei is zonder twijfel een van de interessantste karakters in het werk van schrijver, dichter en voordrager Waling Dijkstra (1821-1914). Tussen 1855 en 1878 heeft hij aan haar belevenissen en overdenkingen vier lange, al dan niet ingeleide en in boekvorm gepubliceerde gedichten gewijd, plus een publicatie met samenspraken van haar kinderen, en dan nog twee ‘brieven’ in de tweemaandelijkse periodiek De Fryske Húsfreon [De Friese Huisvriend] en een in het weekblad De Fryske Nysbode. Hij heeft van haar zelfs de centrale figuur van een literaire familie gemaakt. Haitskemoei is weduwe, haar man is rond 1835 overleden, en ze krijgt vaak bezoek. Boer Seakeleboer, met wie ze correspondeert, moet tante tegen haar zeggen. Schrijver Japik Japiks, die ook in de Húsfreon publiceert, wordt gepresenteerd als een halfbroer van Haitskemoei. En Eabele Trochnoasker [doorneuzer], die in 1854 Twa tekeningen út it Fryske folkslibben publiceert, is haar volle neef. Onnodig te zeggen dat dat allemaal alter ego’s van Dijkstra zijn. Lees verder >>

In dit ons land

Door Henk Wolf

Het Nederlands is ergens in de twintigste eeuw een grammaticale mogelijkheid kwijtgeraakt. Hieronder wordt die geïllustreerd:

“We hebben in dit ons Dichtwerkje, dat reedts voor die tyt afgedrukt was, met de Opdragt deszelfs, onder anderen, hartelyk gewenscht, dat …”
(Johannes van Boskoop, Het in Beginselen verhoogde Nederlandt, 1748)

“Hoe zalig is dit myn besluit!”
(lied ‘Het gelukkig buitenleven’, Betje Wolff en Aagje Deken, 1781)

“… de algemeene zaken in dit ons Vaderland voleindigen my geheel te verpletteren.”
(brief van Willem Bilderdijk, 1837)

“Gij gaaft aan deze uwe vinding den schilderachtigen naam van Onderaardschen Schietblaasbalg” (brief van Hildebrand, 1871)

“Een symbool van roomse aanspraak op de macht in dit ons Nederland …”
(Ch. J.G., archief Protestants Nederlands, 1955)

Opvallend is natuurlijk het gebruik van zowel een aanwijzend als een bezittelijk voornaamwoord bij hetzelfde zelfstandige naamwoord (‘dit ons’). Die woorden zijn allebei zogenaamde determineerders. Dat is een groep woorden zoals de, het, dit, deze, welke, alle, geen, zulke etcetera. Ze hebben als gemeenschappelijke eigenschap dat ze voor een zelfstandig naamwoord staan, en zelfs nog voor de bijvoeglijke naamwoorden die daarbij horen. En bij elk zelfstandig naamwoord kan tegenwoordig maar één determineerder staan: Lees verder >>

Over de spellingvrijheid die niet genomen wordt

Door Henk Wolf

Marc van Oostendorp schreef zondag een stuk op neerlandistiek.nl waarin ie vertelde dat ie tegen een door de overheid voorgeschreven eenheidsspelling was. Hij zei dat ie zich wat eenzaam voelde op dat standpunt, omdat ie niet geloofde dat anderen het deelden.

Ik ben het wel met Marc eens. Om mij hoeft de overheid zich niet te bemoeien met de manier waarop andere mensen schrijven. Helemaal alleen staat Marc dus niet.

Misschien ben ik iets minder uitgesproken tegen dan Marc als het gaat om de eigen organisatie van de overheid. Het maakt me weinig uit of die in eigen huis spellingvoorschriften hanteert. Daar waar zulke duidelijkheid bijdraagt aan de eenduidigheid van juridische teksten kan ik me er zelfs wel iets bij voorstellen. Lees verder >>

Het meisje die jarig is en mijn broer, dat een vrolijke prater is

Door Henk Wolf

Het meisje is grammaticaal onzijdig en biologisch vrouwelijk. Die twee soorten geslachten vechten steeds om voorrang in de grammatica. Bij de persoonlijke voornaamwoorden wint het vrouwelijke. Van de volgende zinnen is de bovenste verreweg het gewoonst:

  • Het meisje zei dat ze jarig was.
  • Het meisje zei dat het jarig was.

Bij de betrekkelijke voornaamwoorden wint doorgaans weer het grammaticaal onzijdige. De bovenste van de volgende zinnen is gewoner dan de onderste:

  • Het meisje dat jarig was, noemde haar naam.
  • Het meisje die jarig was, noemde haar naam.

Lees verder >>

Als je voltooide deelwoorden te kort zijn

Door Henk Wolf

Friezen zijn ongelukkig met hun voltooide deelwoorden. Voor hun gevoel zijn die te kort en kun je er daardoor te weinig mee doen. Het is dan ook geen wonder dat die Friese voltooide deelwoorden stilletjes iets langer worden.

Korte voltooide deelwoorden

Nederlandse voltooide deelwoorden zijn lang. Ze bestaan in de regel uit een stam waar iets voor en iets achter staat. Voltooide deelwoorden in het Fries hebben geen extra voorvoegsels. Achter de stam staat vaak wel wat, maar ook lang niet altijd. Om het verschil tussen de twee talen duidelijk te maken een paar Nederlandse voltooide deelwoorden met hun Friese vertaling erachter:
gepakt – pakt
geweest – west
gezet – set
gepraat – praat
gezien – sjoen
gedaan – dien
gehad – hân
geproefd – preaun
geschreven – skreaun
gelopen – rûn
gewonnen – wûn
gebonden – bûn

Lees verder >>

Ze vonden haar een eindje verderop liggen

Door Henk Wolf

Ze zag [de dode begraven worden].
We horen [de doofstomme beul haar neus breken],
Iedereen hoorde [het hard waaien].
Ik vind [het hier stinken].
Hij voelde [een vuist vlak langs zijn oor suizen].

De bovenstaande zinnen laten zien dat de werkwoorden zien, horen, vinden en voelen als lijdend voorwerp een beknopte bijzin kunnen nemen. Dat zijn de stukjes tussen vierkante haken. Wie iets van de klassieke talen weet, herkent in deze zinnen de infinitivus cum accusativo (of accusativus cum infinitivo).

Je kunt die beknopte bijzinnen steeds met minimaal betekenisverschil vervangen door een gewone bijzin. Dan krijg je: Lees verder >>

Distantiëring

Door Henk Wolf

Van de week kreeg ik een vraag van een Vlaamse collega over het verschijnsel distantiëring. In het Friese taalwereldje is dat een begrip, maar daarbuiten is het ook bij taalkundigen lang niet altijd bekend. Daarom is het misschien aardig als ik er hier een paar regels aan wijd.

Belangryk of wichtich?

Als het begrip distantiëring met betrekking tot het Fries wordt gebruikt, dan wordt ermee bedoeld dat de afstand tussen het Fries en het Nederlands zo groot mogelijk wordt gemaakt. Een standaardvoorbeeld: je kunt in het Fries kiezen tussen de synoniemen belangryk en wichtich. Omdat de eerste vorm erg lijkt op de Nederlandse vertaling belangrijk, kies je voor de tweede. Bij de vorming van het Standaardfries heeft distantiëring een rol gespeeld, maar je komt het begrip vooral tegen als mensen hun persoonlijke taalnorm beredeneren, zeker op schrift. Zo is er maar een klein deel van het Friese taalgebied waar woorden op -ing de meervoudsuitgang -s krijgen (tekenings, ûntdekkings) en de Fryske Akademy beveelt aan om de uitgang -en te gebruiken (tekeningen, ûntdekkingen), maar veel Friezen kiezen op schrift voor tekenings en ûntdekkings, omdat die vormen minder op hun Nederlandse vertalingen lijken. Lees verder >>

Knosbien? Knorsbien? Knasbien?

Door Henk Wolf

Soms hangt taalkunde van toeval aan elkaar. Zo maakte mijn schoonmoeder tijdens een etentje een opmerking over het vlees in de groentesoep. Daar kon misschien nog een stukje knaster in zitten. Ik begreep uit de context dat ze daarmee een zeentje bedoelde, een stukje kraakbeen, maar ik kende het woord niet. Mijn schoonouders zijn Groningers en gebruiken knaster ook in het Nederlands, maar het blijkt een heel regionaal bepaald woord te zijn. Ik was blij dat ik het leerde kennen, want het lijkt erg op het woord dat ik in het Fries gebruik en waar ik al jaren een paar onbeantwoorde vragen over heb.

In mijn Noordhoekse dialect van het Fries heet ‘kraakbeen’ knosbien. Zo wordt het althans uitgesproken. Hoe ik het moet schrijven, weet ik niet zo goed. De woordenboeken helpen me er niet bij, het is blijkbaar zo lokaal dat het daar nooit in opgenomen is. Wel geeft mijn woordenboek kreakbien, krasbien en knarsbien. Lees verder >>

Ws Haita

Door Henk Wolf

Op Facebook zag ik een poosje geleden de hiernaast afgebeelde tekst langskomen. Hij bevat een laat-zestiende-eeuwse Friese versie van het Onze Vader. De tekst lijkt ook voor Friezen erg exotisch, maar wie hem hardop voorleest, merkt dat de verschillen met het Fries van vandaag de dag niet eens zo groot zijn.

Onder de tekst staat ‘Us Heit neffens de âldst oerlevere tekst (1597)’ en dat bleek een verwarrend onderschrift te zijn, want op Facebook dachten verschillende mensen dat deze tekst het oudste overgeleverde Fries was. Dat is natuurlijk niet zo. Er zijn veel oudere Friese teksten en zelfs een paar teksten die zo oud zijn dat het niet meer duidelijk is of ze nu Fries mogen heten of dat ze geschreven zijn een in een oudere Germaanse taalvorm die in een veel groter gebied werd gesproken dan het Fries.
Tot ongeveer 1550 was het Oudfries als schrijftaal in gebruik in wat nu de provincie Friesland is, daarna nam het Nederduits/Nederlands/Hollands (waar toen nog geen duidelijk verschil tussen bestond) die rol over en verviel het Fries tot een spreektaal. Het Onze Vader uit 1597 is dus opgeschreven in de tijd dat er nauwelijks meer Friese woorden op papier werden gezet. Lees verder >>