Tag: fonologie

Verkansie

Door Henk Wolf

Vrijdag schreef columniste Nadia Ezzeroili in de Volkskrant een stukje over het woord verkansie, een variant van vakantie.

De columniste observeert een groeiende populariteit van de geschreven vorm verkansie op de sociale media. Dat kan heel goed een juiste observatie zijn, daar wil ik af blijven, maar de suggestie dat de variant verkansie nieuw zou zijn of een “lelijke verbastering” van vakantie is niet correct. Nadia Ezzeroili neemt aan dat het nu als Standaardnederlands geldende vakantie als model wordt gebruikt om een onvolmaakte kopie (‘een verbastering’) als verkansie te vormen. Die denkfout wordt heel veel gemaakt, maar beide vormen komen al eeuwenlang in het Nederlands voor, naast talloze andere varianten. Op schrift is vakantie de norm geworden, maar in de spreektaal bestaat die vormvariatie nog steeds.

Vakantie en verkansie zijn allebei ‘verbasteringen’

Vakantie en verkansie zijn allebei gevormd naar het voorbeeld van een woord uit een Romaanse taal. Dat is vermoedelijk niet, zoals de columniste schrijft, het Latijnse vacatio. Het is onwaarschijnlijk dat de mensen in Nederland en Vlaanderen het [n]’etje in het woord zelf hebben verzonnen. Volgens de meeste etymologische woordenboeken is het Latijnse vacantia of het Franse vacances de waarschijnlijke inspiratiebron geweest (of allebei). Vernederlandste vormen kwamen in de vijftiende eeuw al in het Nederlands voor, toen nog alleen in de betekenis ‘periode waarin geen recht werd gesproken’.

Lees verder >>

Wat betekent een zachte g?

Door Marc van Oostendorp

Een zin betekent meestal heel veel dingen tegelijk. Hij heeft een letterlijke inhoud, maar door de manier waarop je hem zegt kunnen daar nog allerlei andere betekenislagen aan worden toegevoegd. Wanneer iemand ‘Ik heb geen broers’ zegt met een zachte g, zegt hij niet alleen ‘mijn ouders hebben geen andere mannelijke kinderen gekregen die nog in leven zijn’, maar ook: ‘ik kom uit het zuiden’, en dat betekent op zijn beurt voor sommige hoorders: ‘ik ben een levensgenieter’.

Hoe verhouden die betekenissen zich tot elkaar? Daarover gaat een artikel van de Canadese taalkundige Ai Taniguchi dat sinds kort op internet circuleert. Taniguchi is een semanticus – een taalkundige die betekenis bestudeert. Meestal gaat dat niet om het soort betekenis dat de zachte g uitdrukt (sociale betekenis), maar de semantiek bloeit als weinig andere taalkundige subdisciplines en ieder bloeiend vak heeft de neiging om imperialistisch te zijn en te laten zien hoe de eigen methoden ook elders werken. En zo wil men dus nu ook de sociale betekenis claimen. Eerder besprak ik al een artikel van Heather Burnett in deze richting.

Lees verder >>

Geen brein zo geschikt om het verschil tussen a en i te horen als het menselijk brein

Door Marc van Oostendorp

De fonologie! Het is mijn eigen specialisme van de taalkunde, de klankleer. Zo’n honderd jaar geleden bracht het dé vernieuwing in de taalkunde, omdat de fonologen lieten zien hoe je ook de taal van de eigen tijd op een wetenschappelijke manier kunt bestuderen.

In de negentiende eeuw was de historische taalkunde enorm succesvol. De grootste intellectuele ontdekking van de taalwetenschap stamt uit die tijd: dat je door nauwkeurige vergelijking van talen duizenden jaren terug kunt gaan in de geschiedenis. Dat je zo de taal kunt reconstrueren die de moeder is van vrijwel alle talen van Europa, maar ook van een groot deel van Azië, het Indo-Europees.

Kon je zoiets precies en wetenschappelijks ook doen voor de niet-historische kant van taal, de manier waarop een taal op een bepaald moment in elkaar zit. De fonologen waren de eersten die ontdekten hoe dat kon, misschien wel doordat de fonologie een relatieve ‘aardse’ subdiscipline is, met duidelijke verbanden met de fysiologie van de mens en de fysica van het spraakgeluid. Eind de jaren vijftig werd onder leiding van de beroemde Amerikaan Noam Chomsky de leiding overgenomen door de syntaxis, de leer van de zinsbouw. Als ik het goed zie is de grammaticadiscipline die momenteel het meest bloeit die van de betekenisleer. Van klanken, naar zinsbouw, naar betekenis: een weg naar de steeds abstractere dimensies van taal.

Lees verder >>

Ciaciao

Door Marc van Oostendorp

Van de week klaagde iemand in een reactiepaneel op dit blog dat de geesteswetenschappen zo weinig ontdekken, maar die klacht is ongegrond, er worden aan de lopende band dingen ontdekt, in ieder geval door mij. Let op! De ontdekking van de week: het Nederlands lijkt op het Ilokano.

Het begon van de week op Twitter met iemand die zich erover verbaasde dat hij zo vaak doei doei zei. Iemand anders dacht dat ik daar weleens over had geschreven, maar ik kende die hele persoon niet, laat staan dat ik erover had nagedacht waarom hij zo vaak doei doei zei.

Al snel ging de discussie echter een interessante kant op. Iemand (nee, niet iemand: de bekende taalkundige, biograaf van Piet Grijs en journalist Liesbeth Koenen) merkte tussen neus en lippen op dat veel mensen eerder doedoei zeggen. En daarop zei de wetenschapscommunicator en taalkundige Iris Roggema: ja, ik zeg geloof ik ook ciaciao en momoi. En toen zei Liesbeth, ik geloof voor de grap: we hebben een generalisatie.

Maar ik denk dat we hier inderdaad iets bij de hand hebben.

Lees verder >>

Seuren

Door Marc van Oostendorp

De Multatulileescursus / Sprachwissenschaftliche Beihefte I

Er zou een aardige studie te maken zijn van de spelling van Multatuli. Er zijn natuurlijk de in het oog springende details – de y in plaats van ij (hy lydt) en het feit dat Douwes Dekker mens schreef voor mensch als hij even de kans kreeg –, maar interessanter nog zijn de details. Omdat hij zich niet sterk richtte op bijvoorbeeld de spelling van De Vries en Te Winkel, is niet altijd duidelijk waar hij zich op richtte.

Zo spelde hij altijd seuren. Het woord komt niet heel vaak voor in de Volledige Werken, maar toch wel af en toe, en voor zover ik heb kunnen nagaan, wordt het dan altijd met een s gespeld. Andere woorden die de meesten met een z schrijven, schrijft hij ook met een z. Multatuli’s tijdgenoten lijken niet dat systeem te hebben gevolgd: meestal schreven ze zeuren en zuur, al hield een enkeling ook vast aan het wat ouderwetsere seuren en suur. Dat doet vermoeden dat Multatuli een reden heeft gehad voor deze spelling, en de meest plausibele is dat hij seuren inderdaad met een s uitsprak.

Lees verder >>

De klank van woorden in je hoofd

Door Marc van Oostendorp

Annika Nijveld

Ergens in ons hoofd zit verborgen dat we de viervoetige beste vriend van de mens aanduiden met hond: een bepaalde klankvorm die ruwweg begint met een geruis in de keel en eindigt met een tikje van de tong tegen de corona achter de tanden. Maar hoe zit die klankvorm precies in ons hoofd opgeslagen? Daarover gaat een interessant proefschrift, dat vandaag in Nijmegen verdedigd wordt: The role of exemplars in speech comprehension van Annika Nijveld.

Er zijn ruwweg twee antwoorden op die vraag in de vakliteratuur. De ene zegt dat we de vorm hebben opgeslagen als een aantal goed afgebakende en heldere instructies: één lettergreep, die begint met een medeklinker die gevormd wordt door het geruis, dan een korte klinker met geronde lippen en de achterkant van de tong iets omhoog, dan met een opgeheven puntje van de tong eerst een medeklinker waarbij lucht door de neus gaat, en dan een medeklinker de lucht tijdelijk helemaal gestopt wordt. In totaal zijn er vier duidelijk afgebakende klanken, ieder gevormd met een beperkt aantal eenduidige instructies.

Lees verder >>

Hoe vind je de klemtoon in een woord?

Door Henk Wolf

Klemtonen zijn rare dingen. Een klemtoon maakt een lettergreep opvallender dan overige lettergrepen, maar dat kan op verschillende manieren: beklemtoonde lettergrepen kunnen bijvoorbeeld luider zijn dan hun onbeklemtoonde buren, maar ook op een hogere toon worden uitgesproken of langer worden aangehouden. Nederlandstaligen gebruiken vooral de laatste twee manieren.

Iedereen die als moedertaal Nederlands spreekt, legt klemtonen. Als anderen spreken, hoor ik waar die klemtonen liggen. Dat geldt alleen niet voor iedereen. Elk jaar weer kom ik studenten tegen die met wanhoop in hun stem vragen hoe ze in vredesnaam de klemtoon kunnen vinden. Soms hebben ze al hun toevlucht genomen tot internet en daar allerlei vuistregels gevonden, maar zelf horen doen ze het niet, niet eens in hun eigen spraak.

Uiteraard hebben we het als docenten onderling over zo’n probleem. Dan wisselen we ook de didactische aanpakken uit die we gebruiken om studenten te helpen bij de oplossing van dat probleem. Omdat ik bij het googelen niets vond wat de wanhopige student helpt, zet ik er maar een paar op een rijtje.

Lees verder >>

Extra lange klinkers in het Nederlands

Door Henk Wolf

De fouten die Nederlandstaligen maken bij het leren van een vreemde taal, kunnen je soms ook wat leren over hoe het Nederlands in hun hoofd zit. Zo zie ik regelmatig dat Nederlandstaligen zich bij bepaalde klinkerlengtes gemakkelijker voelen dan bij andere.

Een van mijn taken is het geven van cursussen Fries. Daar komen mensen op af met heel verschillende moedertalen, maar de grote meerderheid spreekt toch Nederlands als eerste taal. Doordat Nederlands en Fries nauw verwante talen zijn, die al heel lang in hetzelfde gebied gesproken worden, kunnen Nederlandstaligen al snel een behoorlijk niveau bereiken. Wel hebben ze hun eigen specifieke problemen. Een daarvan zijn, wat ik nu maar even de ‘extra lange klinkers’ noem.

Lees verder >>

Leenwoorden uitspreken: je eigen keuze

Door Marc van Oostendorp

Sommige taalonderwerpen lijkt iedereen interessant te vinden, behalve de taalkundige. Leenwoorden zijn daar een voorbeeld van: begin in een volle bus een gesprek over taal, en binnen de kortste keren worden leenwoorden daarin genoemd; maar heel veel taalwetenschappelijk onderzoek is er niet naar dat verschijnsel.

Het boek Borrowing van de Canadese taalkundige Shana Poplack is daarom een welkome aanwinst in de literatuur. In het boek beschrijft Poplack uitgebreid haar onderzoek naar hoe woorden uit de ene taal in een andere taal worden overgenomen en hoe zo’n ‘vreemd’ woord gaandeweg integreert – in de taal zelf en in de taalgemeenschap.

Een fascinerend hoofdstuk is bijvoorbeeld dat over de uitspraak van leenwoorden. Als een woord lang genoeg gebruikt wordt, gaat de uitspraak zich vanzelf aanpassen aan de nieuwe taal. In het Nederlands spreekt niemand computer nog op zijn Engels uit, met een Engelse p of een Engelse t. Als je dat wel doet, klink je enorm aanstellerig en eigenlijk alsof je niet weet hoe het hoort. Voor nieuwere leenwoorden is dat niet altijd even duidelijk: ik geloof dat Whatsapp nog door veel mensen in mijn omgeving met een Engelse w wordt uitgesproken. Waar ligt de grens?

Lees verder >>

D’r zij licht

Door Henk Wolf

Er zijn veel Nederlandstaligen die het woordje dat we als er schrijven net zo uitspreken als het woordje d’r, dus met een [d] aan het begin, dan eventueel een sterk gereduceerde klinker (de sjwa) en daarna een [r]. Die begin-[d] is historisch, want in veel contexten is er ontstaan uit daar.

Ook de uitspraak waarbij er rijmt op ver (zonder [d], maar met een duidelijke klinker) komt voor. Ik let er weleens op en mijn heel voorzichtige indruk is dat het vooral jonge vrouwen zijn die die uitspraakvariant gebruiken.

Ongetwijfeld wisselen veel Nederlandstaligen tussen beide uitspraakvarianten, maar dat kan niet in alle contexten. Zo merk ik dat ik in ‘er komt een man bij de dokter’ alleen de d’r-uitspraak kan gebruiken, terwijl ik in ‘er was eens een meisje dat Roodkapje heette’ die d’r-uitspraak kan gebruiken, maar er ook op ver kan laten rijmen.

Lees verder >>

Het rare van de R

Door Marc van Oostendorp

Wat is een r-klank? Dat is een van de onbeantwoorde vragen van de taalwetenschap. Een van de rare kanten van de r is dat hij op zoveel verschillende manieren gemaakt kan worden en op zoveel verschillende manieren klinkt. Dat geldt voor heel veel talen, maar het Nederlands is een uitmuntend voorbeeld: er zijn tientallen manieren om de klank te maken (trillend met het puntje van je tong of met je huig, schrapend bij je huig, als een soort j, en zo voort). Dat zijn allemaal r’en en mensen herkennen ze ook als zodanig. Maar hoe kan dat, als ze zo weinig met elkaar te maken hebben?

In het taalkundig tijdschrift Glossa verscheen een nieuw artikel over deze kwestie, waarvan een van de curieuze aspecten is dat de auteur meent dat hij het probleem heeft opgelost. Lees verder >>

De h is goedkoop

Door Peter Nieuwenhuijsen

Van de bekende versregel ‘O, kom er eens kijken’ bestaan, zo leert het internet, diverse varianten. Een daarvan is dat het eerste woord ook wel als ‘Oh’ wordt geschreven. In Van Dale (ik gebruik de 15e druk) vormt zowel O als Oh een lemma.

Bij O lezen we dat het een uitroep is van (ik doe een greep) verrukking, bewondering, verwondering, verbazing, vreugde of voldoening. Voorbeelden worden gegeven als ‘O, rijkdom van het onvoltooide’, maar ook: o foei, o wee, o gut, o ja? en o zo netjes. (Tussen twee haakjes: wat we precies met ‘O!’ willen uitdrukken, maken we duidelijk via de toonhoogte. Zo is het Nederlands toch een toontaal.)

Bij Oh vallen woorden als spijt, droefheid, schrik en (wederom) verbazing. Bij wijze van uitzondering geeft Van Dale ook een fonetische notatie: oh wordt gerealiseerd als de o van os. Het rijmt dus, heel logisch, op joh en goh. Lees verder >>

Is meten weten? Bericht uit de wereld van de klemtoon

Door Marc van Oostendorp

Ik ben van huis uit fonoloog en geen foneticus. Er zijn allerlei verschillen tussen deze zusterdisciplines. Zo gaat fonologie over klanken als onderdeel van de taal (de relatie met andere onderdelen van de grammatica, bijvoorbeeld, de manier waarop ons innerlijke woordenboek in elkaar zit, hoe we daar onthouden hoe we woorden zeggen en hoe ze klinken) en fonetiek over klanken als onderdeel van de natuur (de geluidsgolven, de bewegingen van het lichaam die nodig zijn om ze te maken). Daar zitten ook andere verschillen aan vast, zo zijn fonologen geneigd om wat theoretischer te zijn terwijl fonetici prijs stellen op nauwkeurige metingen.

Je zou zeggen dat het allemaal nodig is voor goed begrip van een ingewikkeld verschijnsel als spraakklanken, maar zo denkt niet iedereen erover. Er is een menselijke neiging om zodra twee groepen zich bezighouden met verwante verschijnselen te wensen dat de ene groep veel beter is dan de ander: je bent team ologie of team etiek. Ik zat een keer in een promotiecommissie van een fonetisch proefschrift toen ik door de rector tijdens de verdediging ook als foneticus werd aangeduid. De promotor ontplofte zowat. Zo zuiver wetenschappelijk als de fonetiek mocht wat ik deed niet heten! De fonologie met al zijn theorieën was daarvoor te speculatief! Lees verder >>

Prof. Jac. van Ginneken SJ zegt middenklinkers en zingt ‘In ’t bronsgroen eikenhout’

Door Marc van Oostendorp

Jac. van Ginneken. Bron: Wikimedia

Bovenstaande opname is een van de vele uit de rijke audio-archieven van het Meertens Instituut. De oorspronkelijke opname komt van het Fonetisch Instituut van de Universiteit van Amsterdam.

Als de archieven juist zijn, hoor je hier Jac. van Ginneken (1877-1945), de roemruchte eerste hoogleraar Nederlands van de Katholieke Universiteit Nijmegen. Hij spreekt de klinkers aa-ee-oo-ie-oe in verschillende omgevingen in: los, voor een n, voor een m, enzovoort.  Lees verder >>

Herherhalingen

Door Marc van Oostendorp

Wat is gemakkelijker dan iets twee keer zeggen? Ja, wat is er gemakkelijker? Jan Renkema heeft al een tijdje een serie op Neerlandistiek over nultaal, de manier waarop we in taal de mogelijkheden inzetten om iets niet te zeggen. Wanneer hij klaar is, hoop ik dat hij met een serie begint over herhalingen en herhalingen van herhalingen, herherhalingen en herherhalingen van herherhalingen.

De Duitse taalkundige Gerrit Kentner wijdde onlangs een artikel aan het verschijnsel. De meeste dingen die hij in dat artikel zegt over het Duits gaan ook op voor het Nederlands.  Lees verder >>

bɛstyderə

Door Marc van Oostendorp

Een aardige observatie van Siemon Reker in zijn nieuwe boekje Dat gezegd hebbend (op 23 januari wordt het in Nijmegen gepresenteerd in aanwezigheid van politieketaalkanon Dries van Agt): premier Rutte spreekt de eerste klinker in het woord bestuderen consequent uit als de [ɛ] van pet.  Je hoort het bijvoorbeeld duidelijk in het volgende, al wat oudere fragment (onder andere om 1’54”, 2’04” en 2’16”)

In een toelichting zei Reker tegen mij dat er twee raadsels zijn: waarom doet Rutte dat zo consequent? En waarom valt het niemand op? Lees verder >>

Koperaasje en alkolist

Door Henk Wolf

Aan het einde van de negentiende eeuw richtten boeren in Nederland op veel plaatsen coöperatieve zuivelfabrieken op. Tot ver in de twintigste eeuw hadden veel mensen op het platteland direct of indirect met zulke fabrieken te maken. Mijn grootouders hadden het er vaak over en zij spraken daarbij steevast van de koperaasje. Nog steeds wordt de grote zuivelfabriek in Leeuwarden door veel mensen de koperaasje genoemd. De aanduiding werd ook gebruikt voor andere coöperatieve (of voormalige coöperatieve) bedrijven in Friesland, zoals de voormalige bakkerij Excelsior in Leeuwarden. Zelfs op schrift kom je in het Fries nog af en toe koperaasje en koperatyf tegen.

Dat woord koperaasje moet ergens in z’n geschiedenis een van z’n twee [o.]-klanken zijn kwijtgeraakt. Heel gek is dat niet, wie een paar in redelijk tempo coöperatie zegt, merkt waarschijnlijk dat de twee [o.]’s bijna als één klank gaan klinken.

Wie gewend is aan die uitspraak en misschien ook wel aan de Friese schrijfwijze koperaasje, en dan opeens de schrijfwijze coöperatie tegenkomt, die is vast verbaasd. Hij of zij heeft misschien tot dan toe aangenomen dat het woord maar één [o.] had, maar krijgt nu door het schriftbeeld het idee dat die ene klank wel moet bestaan uit twee samengeklonterde klanken: /o.o./. Lees verder >>

Alcoholische alcoholisten

Door Marc van Oostendorp

Een intrigerende vraag van Jan Renkema, afgelopen woensdag in zijn rubriek Verwarwoordenboek Vervolg:

Nog een vraagje: hoe spreekt u de tweede –o– uit? In alcoholicus is het de o van ‘dool’ en van ‘holistisch’, maar in alcoholist de o van ‘dol’ en van ‘alcohol’. Vreemd, die lange klinker in alcoholicus. Dat komt natuurlijk door die ene -l-, vergelijk ‘dolen’ en ‘dollen’. Maar waarom dan niet in alcoholist?

Ik heb het verschil in uitspraak zelf niet, en ook Van Dale schrijft /ɑl­ko­ho­lɪst/ en /ɑl­ko­ho­li­kʏs/ allebei met een /o/. Maar Jan is natuurlijk een van de taalgevoeligsten onder de Nederlandstaligen, dus ik ga ervanuit dat het verschil dat hij observeert voor sommige sprekers reëel is. En wat beter is: het is te verklaren. Lees verder >>

Van p naar b in Nederland en Duitsland

Door Marc van Oostendorp

Vanmiddag promoveert Nina Ouddeken in Nijmegen, hoera! Nina is de eerste student die ik naar drie titels heb mogen begeleiden – eerst de bachelor, dan de master en nu dan het doctoraat. Het proefschrift dat ze vanmiddag verdedigt is daar dus de kroon op, en het is een fonkelende kroon.

Het gaat onder andere over een probleem dat mij al heel lang interesseert. Dat probleem heeft ermee te maken dat je Nederlandse p’s en b’s anders maakt dan Duitse of Engelse.

Wat is het verschil tussen pa en ba? In beide gevallen sluit je eerst je lippen, laat de lucht in je mond stromen, en laat dan plotseling los zodat de lucht met een kleine explosie naar buiten komt. Die kleine explosie is één component van het geluid. Een andere component is dat je op zeker moment je stembanden laat trillen. Het verschil tussen pa en ba is een verschil in timing.  Lees verder >>

Waarom schrijven we ‘brief’ en ‘doos’, maar ‘hond’ en ‘krab’?

Door Sterre Leufkens

Sorry, spellingsregelsbedenkers van weleer. Excuses dat ik jullie vals beschuldigd heb. Al jaren! Badend in onwetendheid dacht ik dat jullie een enorm inconsequente regel hadden bedacht. Maar niets blijkt minder waar: de bewuste regel is gewoon geheel en al het gevolg van de klankregels van het Nederlands. Niks geen inconsequente inmenging. Mea culpa, dus. Om het goed te maken zal ik het hele verhaal vertellen, opdat verder niemand een dergelijke misstap begaat.

De gewraakte regel 

In het Nederlands doen we aan zogenaamde eindklankverstemlozing: als een woord eindigt op een stemhebbende klank (dat zijn klanken waarbij je je stembanden laat trillen, zoals de b, d, v, en z), dan maken we die lekker stemloos (respectievelijk p, t, f, s). Maar hoe schrijven we dat op? Schrijven we de stemloze letter, of behouden we de stemhebbende letter die we zouden gebruiken wanneer ‘ie op een andere plek in het woord stond? Komt ‘ie. De v en de z veranderen we mee met de uitspraak: het enkelvoud van brieven is dus brief, en het enkelvoud van dozen is doos. Maar! Als het om plofklanken gaat, in casu de b en de d, dan laten we die aan het eind van een woord lekker staan, al spreken we ze anders uit. Zo is het enkelvoud van honden niet hont maar hond, en het enkelvoud van krabben is niet krap maar krab. Lees verder >>

De ‘Friese zachte g’

Door Henk Wolf

Al een jaar of twintig geleden zei een Duitse kennis tegen me dat naar zijn idee jonge Friezen Nederlandser klonken dan oudere. Hij kwam vaak in Friesland en had een scherp oor voor taal, dus ik nam zijn opmerking serieus en vroeg hem wat er volgens hem veranderde. Vooral de uitspraak van de g, zei hij. Bij jonge Friezen klonk die net als in het Nederlands schraperig, bij oudere mensen niet.

Dat gesprek kwam begin 2015 weer bij me op. Ik zat toen in de trein en in het zitje naast mij zaten drie conducteurs over de Friese g te praten. Ik begreep uit het gesprek dat een van hen uit Gelderland kwam, een ander uit Groningen en de derde uit Friesland. De Friese conducteur had net omgeroepen dat de trein om ‘negentien uur veertien’ op het station zou aankomen. De Gelderse conducteur had de uitspraak van de g in negentien opvallend gevonden en er tegen z’n Groningse collega een grapje over gemaakt. Toen de Friese collega weer aanschoof, had de Geldersman de Friese uitspraak gecontrasteerd met wat hij ‘de ABN-uitspraak’ noemde. Lees verder >>

Marrekies

Door Marc van Oostendorp

Iemand schreef ergens lievie en iemand vond dat vreemd. Dat moest toch lieffie zijn, met een f? Iemand wendde zich tot mij en vroeg wat nu het juiste antwoord was.

Er is natuurlijk geen ‘juist’, maar ik zou zelf hier ook geneigd zijn een f te zeggen. De enige reden die ik me kan voorstellen is als je toch al geen verschil maakt tussen f en v, als je faal en vaal op dezelfde manier uitspreekt – wat natuurlijk veel mensen doen, daar niet van, en daar is ook weinig op tegen.

Maar ik, die wel verschil maak tussen faal en vaal zou zeker lieffie zeggen als ik een lieffie had om het tegen te zeggen. Hoe zit dat? Ik zeg toch ook lieverd, met een v, of lieve oma, lieveling? Lees verder >>