Tag: fonologie

De lange ee, eu en oo, en de korte i, u en o

De klanken van het Langstraats

Door Yoïn van Spijk

In deze video wordt een aantal lange en korte klinkers van de Midden-Brabantse Langstraatdialecten besproken: de lange ee, eu en oo en de korte i, u en o. Bij de korte o wordt ingegaan op het foneemonderscheid tussen een open en een gesloten o, dat in de Midden- en Oost-Brabantse dialecten bewaard is gebleven. Er worden audiovoorbeelden van authentieke dialectsprekers gegeven en er wordt ingegaan op de verandering van de dialecten.

(Bekijk deze video op YouTube)

Toon in Afrikaanse talen en autosegmentele fonologie

Door Marc van Oostendorp

Fonologische kenmerken worden niet (alleen) georganiseerd in klinkers en medeklinkers, ze leiden ook als het ware een eigen leven. Dat is de centrale gedachte achter autosegmentele fonologie, en dat kan goed geïllustreerd worden aan de hand van (Afrikaanse) toontalen, zoals in dit college. Marc van Oostendorp (Radboud Universiteit) geeft alweer zijn vierde college van de cursus Fonologie!

(Bekijk deze video op YouTube)

Het Nederlandse klinkersysteem

Door Marc van Oostendorp

In het derde college bespreekt taalkunde Marc van Oostendorp (Radboud Universiteit) het Nederlandse klinkersysteem: wat zijn de verschillende klinkers van het Nederlands en hoe kunnen we deze begrijpen aan de hand van kenmerk- en van elemententheorie? En wat zegt die laatste theorie over klinkerreductie in het Witrussisch en het Catalaans?

(Bekijk deze video op YouTube)

Wat is fonologie?

Door Marc van Oostendorp

De Quarantaine Colleges zijn begonnen! Ik neem de komende weken de cursus op die ik normaliter geef voor bachelorstudenten Taalwetenschap en Nederlandse Taal en Cultuur van de Radboud Universiteit. Fonologie is de tak van de taalwetenschap die de klanken van taal bestudeert: hoe zitten die in ons hoofd? Waarom veranderen klanken aan het eind van een woord makkelijker dan aan het begin (in plaats van ‘hond’ zeg je ‘hont’)? Hoeveel verschillende klinkers en medeklinkers zijn er?

Je kunt ook meedoen met je eigen colleges. Doe dat alsjeblieft!

(Bekijk deze video op YouTube)

Ik heb het leerboek waarop deze cursus is gebaseerd ook online gezet (in een ruwe schets)

Het eind van het woord is zwakker

Door Marc van Oostendorp

In het Nederlands zijn er geen woorden die eindigen op een d-, een b-, een z- of een v-klank. Je hebt natuurlijk een woord als hond, waarin je een d schrijft, en die d klinkt ook in de meervoudsvorm honden, maar als die d aan het eind van een woord staat zegt iedereen die Nederlands spreekt een t. Dat geldt ook voor de bweb zeg je in het meervoud wel met een b maar in het enkelvoud niet, en voor de v en de z. Die laatste schrijf je doorgaans zelfs niet, ook als hij in verbogen of vervoegde vormen (lieve, lezen) wel klinkt en geschreven wordt.

Lees verder >>

Accenten in noord en zuid

Door Miet Ooms

De goede toehoorder heeft het waarschijnlijk wel eens gemerkt: sommige woorden hebben in België een ander woordaccent dan in Nederland. In sommige gevallen vormt de rijksgrens niet eens de grens tussen het ene en het andere accent, maar tussen de regio waar beide accenten kunnen (een wisselend accent) en die waar maar één accent gebruikelijk is. Soms is dat verschil er altijd geweest; soms is het ontstaan omdat in de ene regio het accent in de loop van de tijd verschoven is en in de andere regio niet (deMENtie vs. demenTIE); soms wordt er in de ene regio een betekenisverschil aangegeven door twee verschillende accenten (in NL: INgewikkeld ‘voltooid deelwoord van inwikkelen’ versus ingeWIKkeld ‘complex’), terwijl in de andere er toch maar 1 woordaccent is (in BE: altijd INgewikkeld). En soms is het beeld zo divers dat we gewoon niet weten wat er eerst was en waarom.

Lees verder >>

Aanvullend of aanvullend?

Klemtoonverschuiving en morfonologie

Door Ad Welschen

U leest in uw dagblad: “Hij [verdachte Josef B.] hield buren altijd vriendelijk maar dringend op afstand. Moszkowicz [zijn advocaat] wilde voorafgaand aan de zitting geen aanvullende vragen beantwoorden.’’ (De Volkskrant, 21-1-20).  En u leest de laatste zin nog eens, maar nu hardop, met de normale accentuatie:  “Moszkowicz wilde voorafgaand aan de zitting …’’ Hier aarzelt u even, om dan te vervolgen:  “geen aanvullende vragen beantwoorden.’’ U bedenkt zich, en corrigeert als nog het tweede deel van de zin tot: “ geen aanvullende vragen beantwoorden.’’

Lees verder >>

Opnieuw Robert

Door Marc van Oostendorp

Hoe zit het nu met Robert? Vorige week schreef ik daar hier een stukje over, maar volkomen ten onrechte vergat ik daarbij de historische taalkunde. Gelukkig wees Cor van Bree, de mens geworden historische taalkunde van het Nederlands daarop, met een verwijzing zelfs naar de relevante paragraaf in zijn meesterlijke Leerboek voor de historische grammatica.

Het Nederlands heeft historisch gezien geen b’s na lange klinkers.

Lees verder >>

De kortste klank van het Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Als een groot geleerde overlijdt, laat hij of zij altijd een onvoltooid werk achter. Dat kan niet anders, want nog nooit is er een onderwerp geweest dat in alle opzichten voldoende onderzocht is.

Het gat dat Johan Taeldeman twee jaar geleden naliet, heette de sjwa, de ‘toonloze e‘ aan het eind van bede, In de grote Fonologische Atlas van de Nederlandse Dialecten was het achteraf ten onrechte, vond Taeldeman, te weinig aan bod gekomen. Heel veel heel gedetailleerde kaarten zijn er in die imposante atlas opgenomen over zo ongeveer iedere klank die willekeurig welke Nederlandstalige ooit in zijn mond heeft genomen. Maar de sjwa ontbreekt.

Lees verder >>

Robert, Robbert, Roobert

Door Marc van Oostendorp

Ik geloof niet dat ik ooit een Robert Ro-bert heb genoemd, met de o van poot (in het fonetisch alfabet: [o]. Alle Roberts heb ik altijd de klinker van pot gegeven ([ɔ]). Maar onlangs kwam ik erachter dat dit niet altijd op prijs wordt gesteld omdat er heren zijn die wel degelijk R[o]bert heten, en ten tweede dat ik mijn tijd misschien ooit vooruit was.

Lees verder >>

Szomjas vagyok

Nene leert Nederlands

Door Marc van Oostendorp

Nene is nu acht maanden weg uit Hongarije en haar Hongaars is bijna weg, in ieder geval als ze met ons spreekt. Er zijn nog een paar restanten: als ze moet plassen zegt ze thuis soms nog pisilniki – eigenlijk een door ons verbasterde vorm van het Hongaarse woord pisilni – terwijl ze op school heeft geleerd dat het naar de wc gaan heet. En als ze dorst heet zegt ze vaak nog szomjas vagyok.

Lees verder >>

Een hele goeie navond: de opgebruimde conducteur

Door Siemon Reker

Het verhaal van de hoofdconducteur van enkele maanden terug komt zo, eerst even naar een jaar of 30 geleden. Een collega vertelde me enthousiast hoe zijn zoontje hem had verteld dat hij iets juist heel goed had opgebruimd. Opgebruimd? Ja, van het werkwoord opbruimen dat net zo klinkt als opruimen en als je dat als jonge junior nog niet zo bewust hebt gehoord, dan is opgebruimd even begrijpelijk als opgeruimd.

Lees verder >>

Marokkanen assimileren wel, maar anders

Door Khalid Mourigh

Eerder schreef ik dat de meeste woorden in straattaal uit het Sranan Tongo afkomstig zijn; waggie ‘auto’, mattie ‘vriend’,  os(so) ‘huis’ en torrie ‘verhaal’ zijn voor grootstedelijke jongeren inmiddels net zo Hollands als stroopwafels en kaas. Het lexicon is ook het eerste waar mensen aan denken bij straattaal. Toch vormt het gebruik van ‘vreemde’ woorden maar een deel van het verhaal. Lees verder >>

Competatief

Door Marc van Oostendorp

De man met de beste taaloren van Nederland is zonder twijfel Siemon Reker. Deze emeritus hoogleraar Gronings was de eerste die het verschijnsel opmerkte dat Jan Stroop later Poldernederlands zou noemen. Nu hoorde hij drie jaar geleden al iets bij Mark Rutte dat anderen, pas recentelijk begint op te vallen: de man zegt competatief. Net als tal van anderen, die trouwens ook bijvoorbeeld repetatief zeggen.

Lees verder >>

Verkansie

Door Henk Wolf

Vrijdag schreef columniste Nadia Ezzeroili in de Volkskrant een stukje over het woord verkansie, een variant van vakantie.

De columniste observeert een groeiende populariteit van de geschreven vorm verkansie op de sociale media. Dat kan heel goed een juiste observatie zijn, daar wil ik af blijven, maar de suggestie dat de variant verkansie nieuw zou zijn of een “lelijke verbastering” van vakantie is niet correct. Nadia Ezzeroili neemt aan dat het nu als Standaardnederlands geldende vakantie als model wordt gebruikt om een onvolmaakte kopie (‘een verbastering’) als verkansie te vormen. Die denkfout wordt heel veel gemaakt, maar beide vormen komen al eeuwenlang in het Nederlands voor, naast talloze andere varianten. Op schrift is vakantie de norm geworden, maar in de spreektaal bestaat die vormvariatie nog steeds.

Vakantie en verkansie zijn allebei ‘verbasteringen’

Vakantie en verkansie zijn allebei gevormd naar het voorbeeld van een woord uit een Romaanse taal. Dat is vermoedelijk niet, zoals de columniste schrijft, het Latijnse vacatio. Het is onwaarschijnlijk dat de mensen in Nederland en Vlaanderen het [n]’etje in het woord zelf hebben verzonnen. Volgens de meeste etymologische woordenboeken is het Latijnse vacantia of het Franse vacances de waarschijnlijke inspiratiebron geweest (of allebei). Vernederlandste vormen kwamen in de vijftiende eeuw al in het Nederlands voor, toen nog alleen in de betekenis ‘periode waarin geen recht werd gesproken’.

Lees verder >>

Wat betekent een zachte g?

Door Marc van Oostendorp

Een zin betekent meestal heel veel dingen tegelijk. Hij heeft een letterlijke inhoud, maar door de manier waarop je hem zegt kunnen daar nog allerlei andere betekenislagen aan worden toegevoegd. Wanneer iemand ‘Ik heb geen broers’ zegt met een zachte g, zegt hij niet alleen ‘mijn ouders hebben geen andere mannelijke kinderen gekregen die nog in leven zijn’, maar ook: ‘ik kom uit het zuiden’, en dat betekent op zijn beurt voor sommige hoorders: ‘ik ben een levensgenieter’.

Hoe verhouden die betekenissen zich tot elkaar? Daarover gaat een artikel van de Canadese taalkundige Ai Taniguchi dat sinds kort op internet circuleert. Taniguchi is een semanticus – een taalkundige die betekenis bestudeert. Meestal gaat dat niet om het soort betekenis dat de zachte g uitdrukt (sociale betekenis), maar de semantiek bloeit als weinig andere taalkundige subdisciplines en ieder bloeiend vak heeft de neiging om imperialistisch te zijn en te laten zien hoe de eigen methoden ook elders werken. En zo wil men dus nu ook de sociale betekenis claimen. Eerder besprak ik al een artikel van Heather Burnett in deze richting.

Lees verder >>

Geen brein zo geschikt om het verschil tussen a en i te horen als het menselijk brein

Door Marc van Oostendorp

De fonologie! Het is mijn eigen specialisme van de taalkunde, de klankleer. Zo’n honderd jaar geleden bracht het dé vernieuwing in de taalkunde, omdat de fonologen lieten zien hoe je ook de taal van de eigen tijd op een wetenschappelijke manier kunt bestuderen.

In de negentiende eeuw was de historische taalkunde enorm succesvol. De grootste intellectuele ontdekking van de taalwetenschap stamt uit die tijd: dat je door nauwkeurige vergelijking van talen duizenden jaren terug kunt gaan in de geschiedenis. Dat je zo de taal kunt reconstrueren die de moeder is van vrijwel alle talen van Europa, maar ook van een groot deel van Azië, het Indo-Europees.

Kon je zoiets precies en wetenschappelijks ook doen voor de niet-historische kant van taal, de manier waarop een taal op een bepaald moment in elkaar zit. De fonologen waren de eersten die ontdekten hoe dat kon, misschien wel doordat de fonologie een relatieve ‘aardse’ subdiscipline is, met duidelijke verbanden met de fysiologie van de mens en de fysica van het spraakgeluid. Eind de jaren vijftig werd onder leiding van de beroemde Amerikaan Noam Chomsky de leiding overgenomen door de syntaxis, de leer van de zinsbouw. Als ik het goed zie is de grammaticadiscipline die momenteel het meest bloeit die van de betekenisleer. Van klanken, naar zinsbouw, naar betekenis: een weg naar de steeds abstractere dimensies van taal.

Lees verder >>

Ciaciao

Door Marc van Oostendorp

Van de week klaagde iemand in een reactiepaneel op dit blog dat de geesteswetenschappen zo weinig ontdekken, maar die klacht is ongegrond, er worden aan de lopende band dingen ontdekt, in ieder geval door mij. Let op! De ontdekking van de week: het Nederlands lijkt op het Ilokano.

Het begon van de week op Twitter met iemand die zich erover verbaasde dat hij zo vaak doei doei zei. Iemand anders dacht dat ik daar weleens over had geschreven, maar ik kende die hele persoon niet, laat staan dat ik erover had nagedacht waarom hij zo vaak doei doei zei.

Al snel ging de discussie echter een interessante kant op. Iemand (nee, niet iemand: de bekende taalkundige, biograaf van Piet Grijs en journalist Liesbeth Koenen) merkte tussen neus en lippen op dat veel mensen eerder doedoei zeggen. En daarop zei de wetenschapscommunicator en taalkundige Iris Roggema: ja, ik zeg geloof ik ook ciaciao en momoi. En toen zei Liesbeth, ik geloof voor de grap: we hebben een generalisatie.

Maar ik denk dat we hier inderdaad iets bij de hand hebben.

Lees verder >>