Tag: fonetiek

Marokkanen assimileren wel, maar anders

Door Khalid Mourigh

Eerder schreef ik dat de meeste woorden in straattaal uit het Sranan Tongo afkomstig zijn; waggie ‘auto’, mattie ‘vriend’,  os(so) ‘huis’ en torrie ‘verhaal’ zijn voor grootstedelijke jongeren inmiddels net zo Hollands als stroopwafels en kaas. Het lexicon is ook het eerste waar mensen aan denken bij straattaal. Toch vormt het gebruik van ‘vreemde’ woorden maar een deel van het verhaal. Lees verder >>

Competatief

Door Marc van Oostendorp

De man met de beste taaloren van Nederland is zonder twijfel Siemon Reker. Deze emeritus hoogleraar Gronings was de eerste die het verschijnsel opmerkte dat Jan Stroop later Poldernederlands zou noemen. Nu hoorde hij drie jaar geleden al iets bij Mark Rutte dat anderen, pas recentelijk begint op te vallen: de man zegt competatief. Net als tal van anderen, die trouwens ook bijvoorbeeld repetatief zeggen.

Lees verder >>

Wat betekent een zachte g?

Door Marc van Oostendorp

Een zin betekent meestal heel veel dingen tegelijk. Hij heeft een letterlijke inhoud, maar door de manier waarop je hem zegt kunnen daar nog allerlei andere betekenislagen aan worden toegevoegd. Wanneer iemand ‘Ik heb geen broers’ zegt met een zachte g, zegt hij niet alleen ‘mijn ouders hebben geen andere mannelijke kinderen gekregen die nog in leven zijn’, maar ook: ‘ik kom uit het zuiden’, en dat betekent op zijn beurt voor sommige hoorders: ‘ik ben een levensgenieter’.

Hoe verhouden die betekenissen zich tot elkaar? Daarover gaat een artikel van de Canadese taalkundige Ai Taniguchi dat sinds kort op internet circuleert. Taniguchi is een semanticus – een taalkundige die betekenis bestudeert. Meestal gaat dat niet om het soort betekenis dat de zachte g uitdrukt (sociale betekenis), maar de semantiek bloeit als weinig andere taalkundige subdisciplines en ieder bloeiend vak heeft de neiging om imperialistisch te zijn en te laten zien hoe de eigen methoden ook elders werken. En zo wil men dus nu ook de sociale betekenis claimen. Eerder besprak ik al een artikel van Heather Burnett in deze richting.

Lees verder >>

De een zijn dood is de ander zijn doet

Door Marc van Oostendorp

Dezelfde klank wordt in de ene omgeving gehoord als oe en in de andere als oo.

Wat hoor je als je een klinker hoort? De vorm van de mondholte van de spreker. Bij een oe is die bijvoorbeeld langgerekt, bij een ie een stukje korter en bij een aa is hij vooral hoog. Dat levert verschillende resonanties op, en dat is waar je de klinkers aan herkent.

Alleen zijn de mondholtes van verschillende mensen ook niet allemaal hetzelfde, en dat levert een probleem op: de oe van iemand met een kortere mondholte kan als je gaat meten precies hetzelfde klinken als de o van iemand met een langere. Wij mensen hebben dat niet in de gaten, want als we iemand horen praten, registreren we onwillekeurig hoe de mondholte van de spreker in elkaar zit, en we passen daar al even onwillekeurig en onbewust onze verwachtingen voor individuele klinkers op aan. En zo hoor je automatisch dezelfde klank bij de ene spreker als oe en bij de andere als o.

Lees verder >>

De klank van woorden in je hoofd

Door Marc van Oostendorp

Annika Nijveld

Ergens in ons hoofd zit verborgen dat we de viervoetige beste vriend van de mens aanduiden met hond: een bepaalde klankvorm die ruwweg begint met een geruis in de keel en eindigt met een tikje van de tong tegen de corona achter de tanden. Maar hoe zit die klankvorm precies in ons hoofd opgeslagen? Daarover gaat een interessant proefschrift, dat vandaag in Nijmegen verdedigd wordt: The role of exemplars in speech comprehension van Annika Nijveld.

Er zijn ruwweg twee antwoorden op die vraag in de vakliteratuur. De ene zegt dat we de vorm hebben opgeslagen als een aantal goed afgebakende en heldere instructies: één lettergreep, die begint met een medeklinker die gevormd wordt door het geruis, dan een korte klinker met geronde lippen en de achterkant van de tong iets omhoog, dan met een opgeheven puntje van de tong eerst een medeklinker waarbij lucht door de neus gaat, en dan een medeklinker de lucht tijdelijk helemaal gestopt wordt. In totaal zijn er vier duidelijk afgebakende klanken, ieder gevormd met een beperkt aantal eenduidige instructies.

Lees verder >>

Voor kinderen doen we meer ons best op onze /t/

Door Marc van Oostendorp

Dat mensen anders praten tegen kleine kinderen – ik schrijf er de laatste tijd wel vaker over, want het lijkt ineens een onderwerp te zijn geworden in de literatuur. Want wat zijn de verschillen precies en hoe verklaren we ze?

Een duidelijke functie van dat anders praten is dat het in veel opzichten duidelijker is. Mensen praten zodra hun gesprekspartner jonger is wat langzamer, ze leggen meer klemtonen en ze articuleren ook beter. Dat helpt kinderen, want die hebben de enorm ingewikkelde taak om van alles te leren over hun moedertaal zonder dat iemand het ze gedegen kan uitleggen. Ze moeten het dus doen aan de hand van voorbeelden en dan helpt het als die voorbeelden duidelijk zijn.

In een nieuw artikel in het Journal of Phonetics bestudeerde een groep Amerikaanse onderzoekers dit voor drie Engelse medeklinkers: de t, de d en de n. Voor de liefhebber: dat zijn alle drie tandmedeklinkers, die je maakt door je tong vlak achter je tanden tegen het harde verhemelte te houden.

Lees verder >>

Hoe vind je de klemtoon in een woord?

Door Henk Wolf

Klemtonen zijn rare dingen. Een klemtoon maakt een lettergreep opvallender dan overige lettergrepen, maar dat kan op verschillende manieren: beklemtoonde lettergrepen kunnen bijvoorbeeld luider zijn dan hun onbeklemtoonde buren, maar ook op een hogere toon worden uitgesproken of langer worden aangehouden. Nederlandstaligen gebruiken vooral de laatste twee manieren.

Iedereen die als moedertaal Nederlands spreekt, legt klemtonen. Als anderen spreken, hoor ik waar die klemtonen liggen. Dat geldt alleen niet voor iedereen. Elk jaar weer kom ik studenten tegen die met wanhoop in hun stem vragen hoe ze in vredesnaam de klemtoon kunnen vinden. Soms hebben ze al hun toevlucht genomen tot internet en daar allerlei vuistregels gevonden, maar zelf horen doen ze het niet, niet eens in hun eigen spraak.

Uiteraard hebben we het als docenten onderling over zo’n probleem. Dan wisselen we ook de didactische aanpakken uit die we gebruiken om studenten te helpen bij de oplossing van dat probleem. Omdat ik bij het googelen niets vond wat de wanhopige student helpt, zet ik er maar een paar op een rijtje.

Lees verder >>

Leenwoorden uitspreken: je eigen keuze

Door Marc van Oostendorp

Sommige taalonderwerpen lijkt iedereen interessant te vinden, behalve de taalkundige. Leenwoorden zijn daar een voorbeeld van: begin in een volle bus een gesprek over taal, en binnen de kortste keren worden leenwoorden daarin genoemd; maar heel veel taalwetenschappelijk onderzoek is er niet naar dat verschijnsel.

Het boek Borrowing van de Canadese taalkundige Shana Poplack is daarom een welkome aanwinst in de literatuur. In het boek beschrijft Poplack uitgebreid haar onderzoek naar hoe woorden uit de ene taal in een andere taal worden overgenomen en hoe zo’n ‘vreemd’ woord gaandeweg integreert – in de taal zelf en in de taalgemeenschap.

Een fascinerend hoofdstuk is bijvoorbeeld dat over de uitspraak van leenwoorden. Als een woord lang genoeg gebruikt wordt, gaat de uitspraak zich vanzelf aanpassen aan de nieuwe taal. In het Nederlands spreekt niemand computer nog op zijn Engels uit, met een Engelse p of een Engelse t. Als je dat wel doet, klink je enorm aanstellerig en eigenlijk alsof je niet weet hoe het hoort. Voor nieuwere leenwoorden is dat niet altijd even duidelijk: ik geloof dat Whatsapp nog door veel mensen in mijn omgeving met een Engelse w wordt uitgesproken. Waar ligt de grens?

Lees verder >>

Het rare van de R

Door Marc van Oostendorp

Wat is een r-klank? Dat is een van de onbeantwoorde vragen van de taalwetenschap. Een van de rare kanten van de r is dat hij op zoveel verschillende manieren gemaakt kan worden en op zoveel verschillende manieren klinkt. Dat geldt voor heel veel talen, maar het Nederlands is een uitmuntend voorbeeld: er zijn tientallen manieren om de klank te maken (trillend met het puntje van je tong of met je huig, schrapend bij je huig, als een soort j, en zo voort). Dat zijn allemaal r’en en mensen herkennen ze ook als zodanig. Maar hoe kan dat, als ze zo weinig met elkaar te maken hebben?

In het taalkundig tijdschrift Glossa verscheen een nieuw artikel over deze kwestie, waarvan een van de curieuze aspecten is dat de auteur meent dat hij het probleem heeft opgelost. Lees verder >>

Oudere mensen spreken preciezer

Door Marc van Oostendorp

Een van de vele wonderlijke vermogens van de mens is dat hij van andere mensen vrij nauwkeurig kan inschatten hoe oud ze zijn, niet alleen als hij ze ziet, maar ook als hij ze alleen maar hoort praten.

Uit een nieuw artikel in het Journal of Phonetics  komt mogelijk een reden naar voren: oudere mensen articuleren preciezer. Of wat ze vooral doen: ze  maken een net wat groter verschil in hun mond tussen de verschillende klinkers.

Je ziet dat aan de grafiek hiernaast, waar staat ingetekend welk deel van de mondholte wordt gebruikt om verschillende klinkers te maken. Het lichtgrijze gedeelte, dat gaat over mensen van 49, is net wat groter dan het donkergrijze, met mensen van 21. Lees verder >>

Is meten weten? Bericht uit de wereld van de klemtoon

Door Marc van Oostendorp

Ik ben van huis uit fonoloog en geen foneticus. Er zijn allerlei verschillen tussen deze zusterdisciplines. Zo gaat fonologie over klanken als onderdeel van de taal (de relatie met andere onderdelen van de grammatica, bijvoorbeeld, de manier waarop ons innerlijke woordenboek in elkaar zit, hoe we daar onthouden hoe we woorden zeggen en hoe ze klinken) en fonetiek over klanken als onderdeel van de natuur (de geluidsgolven, de bewegingen van het lichaam die nodig zijn om ze te maken). Daar zitten ook andere verschillen aan vast, zo zijn fonologen geneigd om wat theoretischer te zijn terwijl fonetici prijs stellen op nauwkeurige metingen.

Je zou zeggen dat het allemaal nodig is voor goed begrip van een ingewikkeld verschijnsel als spraakklanken, maar zo denkt niet iedereen erover. Er is een menselijke neiging om zodra twee groepen zich bezighouden met verwante verschijnselen te wensen dat de ene groep veel beter is dan de ander: je bent team ologie of team etiek. Ik zat een keer in een promotiecommissie van een fonetisch proefschrift toen ik door de rector tijdens de verdediging ook als foneticus werd aangeduid. De promotor ontplofte zowat. Zo zuiver wetenschappelijk als de fonetiek mocht wat ik deed niet heten! De fonologie met al zijn theorieën was daarvoor te speculatief! Lees verder >>

Louise Kaiser zingt ‘A’. Een miniatuurconcert van Louise Kaiser.

Door Elise ’t Hart

In het audio archief van het Meertens Instituut zit een grote hoeveelheid bijzondere opnames van Louise Kaiser. Een deel van deze collectie is opgenomen op wasrollen. Steeds wanneer Kaiser een opname startte op wasrol, zong ze een ‘A’. Ik heb de ‘A’s verzameld en achter elkaar geplakt, een miniatuurconcert is het resultaat.

Louise Kaiser (1891-1973) was de eerste vrouwelijke lector van de UvA. Kaiser geldt als een pionier in de fonetiek. In haar onderzoeksmethoden was zij haar tijd vooruit. Zo experimenteerde zij met geluidsapparatuur en maakte zij als eerste in haar vakgebied gebruik van grote aantallen proefpersonen.

(Beluister deze opname op SoundCloud)

Het borrelen van je buik is als het spreken van je stem

Door Marc van Oostendorp

Gerommel van de darmen maakt geluid. Illustratie uit het besproken artikel.

2018 was een mooi jaar voor de liefhebber van het door het menselijk lichaam voortgebrachte geluid. Verscheen er in maart in Nature een doorbraak in onze kennis van het knakken van vingers, vorige maand was er dan eindelijk een artikel over het geluid dat de darmen maken in de menselijke buik in de Journal of the Acoustic Society of America.  (Beide artikelen hebben als titel ‘A Mathematical Model of X’, dus met het wetenschappelijk gehalte zit het wel snor.)

Het knakken van vingers is niet erg taalkundig, maar het geborrel in de menselijke buik lijkt op een paar grappige manieren op dat ándere geluid dat mensen maken – spraak. Lees verder >>

Van p naar b in Nederland en Duitsland

Door Marc van Oostendorp

Vanmiddag promoveert Nina Ouddeken in Nijmegen, hoera! Nina is de eerste student die ik naar drie titels heb mogen begeleiden – eerst de bachelor, dan de master en nu dan het doctoraat. Het proefschrift dat ze vanmiddag verdedigt is daar dus de kroon op, en het is een fonkelende kroon.

Het gaat onder andere over een probleem dat mij al heel lang interesseert. Dat probleem heeft ermee te maken dat je Nederlandse p’s en b’s anders maakt dan Duitse of Engelse.

Wat is het verschil tussen pa en ba? In beide gevallen sluit je eerst je lippen, laat de lucht in je mond stromen, en laat dan plotseling los zodat de lucht met een kleine explosie naar buiten komt. Die kleine explosie is één component van het geluid. Een andere component is dat je op zeker moment je stembanden laat trillen. Het verschil tussen pa en ba is een verschil in timing.  Lees verder >>

De ‘Friese zachte g’

Door Henk Wolf

Al een jaar of twintig geleden zei een Duitse kennis tegen me dat naar zijn idee jonge Friezen Nederlandser klonken dan oudere. Hij kwam vaak in Friesland en had een scherp oor voor taal, dus ik nam zijn opmerking serieus en vroeg hem wat er volgens hem veranderde. Vooral de uitspraak van de g, zei hij. Bij jonge Friezen klonk die net als in het Nederlands schraperig, bij oudere mensen niet.

Dat gesprek kwam begin 2015 weer bij me op. Ik zat toen in de trein en in het zitje naast mij zaten drie conducteurs over de Friese g te praten. Ik begreep uit het gesprek dat een van hen uit Gelderland kwam, een ander uit Groningen en de derde uit Friesland. De Friese conducteur had net omgeroepen dat de trein om ‘negentien uur veertien’ op het station zou aankomen. De Gelderse conducteur had de uitspraak van de g in negentien opvallend gevonden en er tegen z’n Groningse collega een grapje over gemaakt. Toen de Friese collega weer aanschoof, had de Geldersman de Friese uitspraak gecontrasteerd met wat hij ‘de ABN-uitspraak’ noemde. Lees verder >>

Je zegt wel degelijk twee ‘r’-en na elkaar

Door Marc van Oostendorp

Met ultrasound gemaakte plaatjes van de tong tijdens het uitspreken van een tril-r (links) en een Gooise-r (rechts). Het plaatje geeft een doorsnede van de mond; de punt van de tong bevindt zich links. (Afbeelding uit het besproken artikel.)

Je zegt eigenlijk nooit twee keer dezelfde medeklinker achter elkaar. Probeer het maar: mokka, dat spreek je niet uit met twee keer een k. En zelfs als je pakkans met een beetje tempo uitspreekt, laat je je tong maar één keer klikken. Uit metingen blijkt: de s van huisstofmijt is niet net zo lang als die van huis opgeteld bij die van stofmijt wanneer je die twee woorden los uitspreekt, maar ongeveer even lang als één s.

Wat betekent dit? Laat je één van de twee medeklinkers weg als ze op elkaar botsen? Of druk je samen? Het lijkt weinig verschil te maken, maar in een nieuw artikel in het Journal of Phonetics laten de fonetici Patrycja Strycharczuk en Koen Sebregts overtuigend zien dat het tweede aan de hand is: je laat niet één van de twee medeklinkers weg, maar je drukt de twee samen in de tijdsspanne van één medeklinker. Lees verder >>

Taal is hoe je tong beweegt

Door Marc van Oostendorp

Hoe hebben we pakweg de l, de o en de t in ons hoofd zitten? Ja, als letters die allerlei verschillende vormen kunnen hebben, maar verder? Die letters corresponderen toch ook nog met iets uit de gesproken taal? Wat is dat dan – is het geluid (een soort specificatie van hoe die klanken klinken) of is het de manier waarop je met je stembanden, tong en lippen die klanken maakt?

Veel taalkundig werk is gebaseerd op de veronderstelling dat het gaat om het geluid (‘de /t/ is een plofklank’), maar er zijn aanwijzingen dat de articulatie eigenlijk fundamenteler is; dat dit bijvoorbeeld de vorm is waarin je klinkers en medeklinkers in je hoofd hebt opgeslagen. Ook wanneer we luisteren naar taal, maken we als het ware in ons hoofd de vereiste bewegingen mee: het binnenkomende akoestische signaal wordt onmiddellijk en volautomatisch omgezet in articulatorische bewegingen. Lees verder >>

Zeg eens ie, schrijf eens oe

Door Marc van Oostendorp

Op het onderstaande plaatje staan twee letters uit het schrift van de Oeigoeren, de ie en de oe. Welk van de twee is wat?

Inderdaad: de linker is de ie-klank en de rechter de oe-klank. Een meerderheid van mensen kan dat raden, ook als ze nog nooit van de Oeigoeren en hun mooie taal hebben gehoord. Dat staat in onderzoek dat alweer een paar maanden geleden verscheen, maar dat ik door omstandigheden nu pas goed las. Lees verder >>

Spelen met de Marokkaanse ‘sj’

Door Marc van Oostendorp

Een van de eigenaardigheden van het moderne Gouds is dat je ‘sjchoon’ zegt in plaats van ‘schoon’. Dat blijkt uit een nieuw artikel van Khalid Mourigh in Nederlandse taalkunde.

Dat Gouds wordt dan wel alleen (of overwegend) gesproken door jonge Marokkanen in Gouda. Als Mourigh aan een aantal van hen vraagt ‘wat is (…) typisch Gouds?’, dan komen zij met dit voorbeeld. De Marokkanen zijn dan ook een vrij grote groep in Gouda: ze vormen ongeveer 10% van de bevolking, in geen enkele andere Nederlandse stad ligt dat percentage hoger. Die sj gebruiken Marokkaanse Nederlanders buiten Gouda ook, maar kennelijk staat noch het feit dat er veel Goudenaren zijn zonder Marokkaanse wortels noch veel Marokkanen zonder band met Gouda in de weg dat het verschijnsel als ‘typisch Gouds’ kan worden ervaren. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als uitspreker van de [k]

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (40)

Door Marc van Oostendorp

Een van de zaken die opvallen in de voordracht van Ilja Leonard Pfeijffer is hoe lang zijn k-klanken zijn, vooral aan het eind van woorden. Het lijkt me dat dit een van de karakteristieken is van zijn voordracht van poëzie – wanneer hij spontaan spreekt doet hij het niet.

Je hoort het bijvoorbeeld in sonnet 15 (dit is een link naar de website van Poetry, waar audiobestanden staan) van het bundeltje Giro giro tondo, dat integraal op de website van Poetry international staat. Het duidelijkst is het bij de k aan het eind van strik in:

Je vlocht de woorden tot een strik. Je lachte,

(Pfeijffer vergist zich vermoedelijk als hij mijn woorden zegt in plaats van de woorden.) De k strekt zich daar helemaal uit tot de volgende lettergreep. Eigenlijk zegt de dichter hier ongeveer: strik-kje lachte. Lees verder >>

Niet iedere s is gelijk

Door Marc van Oostendorp

In ieder vakgebied zullen ze wel opduiken: feiten waar niemand iets mee aan kan. Iemand doet een bevinding die je niet zou verwachten en waar geen enkele beschikbare theorie iets over kan zeggen. Wat moet je daarmee?

Het overkomt de taalkunde bijvoorbeeld in een artikel  van een aantal Duitse taalkundigen in het nieuwe nummer van de Journal of Linguistics. Dat artikel gaat over de lengte van de s in het Engels.

Bij normale uitspraaksnelheid neemt die klank – in het Nederlands zal dat niet heel anders zijn – ongeveer een tiende seconde in beslag. Het fijne van de s is dat hij een vrij duidelijk akoestisch signaal heeft: je kunt vrij precies meten waar hij begint en ophoudt, en bovendien is de klank gedurende hele duur vrij constant. Dat geldt voor veel andere klanken niet per se.

Maar nu komt het. Lees verder >>

Zijn Groningers gevoeliger voor kleine verschillen tussen v en f dan West-Vlamingen?

Door Marc van Oostendorp

Wie van het zuidwesten van het Nederlandse taalgebied naar het noordoosten trekt, hoort steeds minder mensen nog verschil maken tussen vier en fier. In West-Vlaanderen maakt iedereen dat verschil nog, in Vlaams Brabant wordt het al wat minder – al zullen mensen daar dat verontwaardigd van de hand wijzen – en wanneer je eenmaal in Groningen bent aangekomen is het verdwenen: het is alsof het Friese gebrek aan verschil tussen die twee klanken langzaam maar zeker het naburige Nederlands verovert. Alleen de uiterste zuidwesthoek heeft het nog niet bereikt.

In een nieuw artikel in het Journal of Linguistic Geography gebruiken Anne-France Pinget, René Kager en Hans Van de Velde dat duidelijke geografische patroon om een interessant experimentje te doen: luisteren Groningers ook anders naar vier en fier dan West-Vlamingen?

Lees verder >>