Tag: etymologie

Etymologie: wroeten

Door Michiel de Vaan

wroeten ww. ‘woelen, graven’

Middelnederlands vroeten (1285), wroeten (1350–1420), wruedt ‘wroet’ (ca. 1400). Nieuwnl. wroeten (1540), wrooten (1573), vroeyen (Brussel, 1693). Centrale en oostelijke dialecten hebben een klinker eu of uu die op umlaut van de (pendant van) oe teruggaat, bijv. vruten, vreuten in Antwerpen, Noord-Brabant, Noord-Limburg, Utrecht, Gelderland, Overijssel; daarentegen vroete(n) in Vlaanderen, Zeeland en Holland. Afleidingen: wroetelen ‘voortdurend wroeten, uitsloven’ (1617); wroet v. ‘snuit, smoel; soort ploeg; mol’, Oost-Nederlands vreute, vruut.

Lees verder >>

Etymologie: wegge, wig

Door Michiel de Vaan

wegge zn. ‘brood’

Middelnederlands wegge ‘wigvormig tarwebrood’ (1477), boterwegghe ‘met boter gebakken tarwebrood’ (1450-1470), weggenbacker ‘bakker van wigvormig brood’ (1369). Nieuwnl. wegge ‘wigvormig tarwebrood’ (1532-1536), wegh (1613), wek  (1709); vandaar wegge voor ‘koek’ (1576) en ‘los brood(je)’ (1836) in het algemeen en in samenstellingen als kerstwegge en krentenwegge.

wig zn. ‘keil’

Mnl. wegge ‘wig’ (1390-1410), opwigghen ‘met een wig openbreken (1491-1500), Nnl. wegghe ‘wig, spie, spits voorwerp’ (1521), wigghe (1567), wickge (1658), wig (1842). Bij Kiliaan (1599) gelden wegghe en wigghe als gelijkwaardige varianten, maar de e-vormen worden in de schrijftaal na 1600 opgegeven ten gunste van wig.

Lees verder >>

Etymologie: Moffrika

Door Michiel de Vaan

Moffrika zn. ‘Duitsland’

Scheldwoord voor ‘Duitsland’, opgekomen in de 19e eeuw, door kruising van mof ‘Duitser’ met Afrika. De oudste vindplaats is bij Bilderdijk (1820, Hekeldichten):

“Ik zal in Moffrika nog wel een Vetter vinden
(My aangewaaid hoe ’t wil) om ’t boêltjen saam te binden
Zoo groot of klein het zij; en daarmeê, Goede nacht!
‘Een Duitsche Vetter, hee! en buiten uw geslacht?'”

Vergelijk ook “iedere vernederduitschte en naar den rook smakende moffrikaansche braadworst” (1822; Bilderdijk, Vaderlandsche Letteroefeningen). Ook andere auteurs in Vaderlandsche Letteroefeningen bezigen de term, vgl. “Eene recensie van een Moffrikaansch boek” (1833), en “Moffricana” (1835), “een moffrikaantje” (1838) als titels van negatieve recensies van Duitse boeken. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw komt Moffrika in heel Nederland als term voor ‘Duitsland’ voor.

Lees verder >>

Kut als oudste Nederlandse woord en aanverwante etymologische kwesties

Door Peter Alexander Kerkhof

Etymologisch gezien zijn vagina’s razend interessante dingen. Enerzijds zijn vagina’s alledaagse lichaamsdelen en behoren ze daarom tot wat taalkundigen het basisvocabulaire noemen. We mogen daarom verwachten dat woorden voor vagina’s archaïsch lexicaal materiaal bevatten dat ver teruggaat in de prehistorie van de desbetreffende taal. Dit is bijvoorbeeld het geval met de Nederlandse woorden voor ‘hart’, ‘oog’  en ‘oor’ die direct vergeleken kunnen worden met verwante woorden in het Oudgrieks en Sanskriet. Anderzijds behoren woorden voor vagina’s vaak tot de zogeheten categorie van taboewoorden. Deze categorie is erg vatbaar voor ontleningen, expressieve formaties en metaforen. Dat is de reden waarom veel talen een relatief jonge term voor vagina gebruiken, een term die vaak extra gemarkeerd is door een expressieve fonologie (vgl. NL flamoes, Belgisch NL foef, Duits muschi en Engels pussy).

Toch gaat dit artikel niet over deze jongere formaties, hoe interessant ze ook mogen zijn. In dit artikel wil ik het hebben over de woorden kut en kont en hun etymologie. Meermaals hebben taalkundigen geprobeerd beide woorden etymologisch met elkaar in verband te brengen, een idee dat de moeite waard is om opnieuw onder de loep te leggen. Laten we beginnen bij het woord kont dat nu louter ‘achterwerk’ betekent maar dat in het Middelnederlands (MidNL cont en conte) zowel naar de vagina als naar de anus kon verwijzen (vgl. ook Engels cunt). We mogen daarom aannemen dat het Middelnederlandse woord een brede betekenis had zoals ‘onderste delen’ of ‘benedengebied’ dat naar gelang de context semantisch verengd kon worden. Lees verder >>

Etymologie: vermouth, weermoed

Door Michiel de Vaan

vermout zn. ‘alcoholische drank’

Nnl. vermouth (1853, Surinaamse courant), zelden gespeld als vermout (1909). Ontleend aan Frans vermouth (1798), dat zelf in de 18e eeuw als dranknaam aan Duits Wermut ‘weermoed; weermoedwijn’ ontleend is, hetzelfde woord als Nl. weermoed. De vermouth is dus een terugontlening van een Germaans woord via het Frans.

 

weermoed zn. ‘absintplant (artemisia absinthium); bitter kruid’

Mnl. wermoede (1435–1500), wermoide (1477), wermoet (1401-1500). Nnl. wermode (1515), weermoet (1543), wermoedt (1546), wormte (1599), wormmoet ofte wermoet (1648). De plantnaam is in de Nederlandse dialecten door alsem vervangen en nu niet meer terug te vinden.

Lees verder >>

Addenda EWN: stechelen

Door Michiel de Vaan

stechelen ww. ‘redetwisten, kijven’

In de moderne schrijftaal komen de spellingen stechelen en steggelen voor ‘redetwisten, vitten, kijven’ beide voor. De meeste oude attestaties noemen het woord expliciet een dialectwoord c.q. staan in dialectteksten, en vertonen een breed betekenisspectrum, o.a. ‘twisten; valsspelen, spieken; knoeien; mokken’. Zo vinden we stechelen, stachelen, steggelen (Kempen, 1850), gesteggel ‘geruzie’ (Noord-Brabant, 1878), gestecheld ‘valsgespeeld’ (Achterhoek, 1884), stechelen, steggelen ‘wringen, wrokken, dwars zijn’ (Antwerpen, 1899–1906), stechelen, stichelen ‘tegenspreken, krakeelen’ (Bree, B.-Limburg, 1914), gestachel ‘geruzie’ (Suriname, 1884; Roosendaal, 1923), en nu meestal stechele(n) in Noord-Brabant en Limburg. Afleiding: steggel (1871), stechel ‘kladpapiertje’ (1882). Lees verder >>

O, makkers, ’t pad gaat stijgend

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (133)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Hoe de menschen samengaan in de dagen der jeugd, en waardoor zij scheiden.

Opgetogen gingen de jongelingen
al wier gedachten in hun oogen welden,
eendrachtig, met harten, die niet ontstelden
over de afwijkende zielsverbeeldingen
in de oogen der and’ren, die hen verzelden,
want elks eigene droomen en verwachtingen
hingen tusschen hem en alle and’re dingen
zooals een nevel hangt over de velden.

Zoo ging ‘t, tot waar de weg als kruis zich scheidde.
Toen sprak er een ‘O, makkers, ’t pad gaat stijgend:
nu moed, den bergen toe’. En de and’re ‘ik dacht’
dat ge als wij dien stroom volgen woudt langs weiden.
Toen wendde zich de derde, droef en zwijgend
en eenzaam verdwenen zij in den nacht.

De beroemdste regels van Henriëtte Roland Holst komen waarschijnlijk uit haar vertaling van De internationale, hét socialistische strijdlied: Lees verder >>

Etymologie: spinde, spint

Door Michiel de Vaan

spinde zn. ‘provisiekast’

Vroegmiddelnederlands spinde ‘provisiekast’ (1293, Oost-Vlaanderen). Mnl. spinde, spijnde, spende v. ‘provisiekast, voorraadkamer’. Nnl. spynde (1518), spende (1548) ‘uitdeling’, spende, spinde ‘provisiekast, -kamer’ (1599), spijnthiens ‘spindjes’ (1535), spint (1773). In dialecten: Vlaams spinde, Denderstreek spinne, spenne, Brabants en Limburgs spin, spen, etc., Overijssel spinde, spiende, spaen etc., Noordhollands spijn en etersspoin ‘etenskast’, Gronings spin(ne), spie ‘provisiekamertje, voorraadkast’.

Verwante vormen: Mnd. spinde v. o., spint o. ‘spinde’, Nhd. Spinde ‘kast’; MoWFri. spyn, spine ‘kast, etenskast’.

spint zn. ‘mand’

Oudnederlands spinde (ca. 1135), spent (1101–1200), spind (1187) ‘inhoudsmaat voor graan, kwartschepel’; Vmnl. spinthalster ‘inhoudsmaat voor graan’ (1272), spentachtelinc ‘een achtste van een spent’ (1276–1300), vierspint ‘een schepel’ (1297). Mnl. spint, spijnt, spent o. ‘inhoudsmaat voor graan’, Nnl. spint (1544) ‘inhoudsmaat’, spinte (1599) ‘mandje’.

Lees verder >>

Etymologie: worstelen

Door Michiel de Vaan

worstelen ww. ‘vechten’

Vroegmiddelnederlands worstelen (1240, Limburg, Vlaanderen), werstelen (1320–40, Vlaanderen/Holland/Brabant), warstelen (1348, Vla.), wrastelen (1469–80, Hol.), wraestelen (1481, Hol.), widerworstelen ‘tegenspartelen’, ontworstelen/ontwrastelen (1340–60), tegenwrasselen ‘tegenspartelen’ (1477). Nieuwnl. worstelen (1526), wurstelen (1566, Vlaanderen), wostelen (1568, Antwerpen).

Veel van de moderne dialecten zetten worstelen voort, waarbij de r kan wegvallen (wostelen), de t (worselen) of allebei (wosselen), en het woord ook met wr-, vr- of fr- kan beginnen (froeselen, frossele e.d.). De o kan tot u geworden zijn (wurstelen, frusseln, wrusselen, vrutsjele). Het Noordhollands kent wratselen, daarnaast ook de a-klinker in Zuid-Limburg (vrassele, vraa(t)sjele in Zuid-Limburg). Verder sporadisch westelen in Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen.

Lees verder >>

tragisch / triest

Verwarwoordenboek Vervolg (33)

Door Jan Renkema

In het Verwarwoordenboek worden zo’n 500 woordparen behandeld met vaak onduidelijke verschillen: afgunst-jaloezie, bloot-naakt, geliefd-populair, plaats-plek, enz. Talrijke lezers hebben woordparen aangedragen met het verzoek om ook die te behandelen. Vandaar deze wekelijkse rubriek.

Mocht u ook een ‘verwarpaar’ behandeld willen zien, plaats dan een reactie onder deze rubriek. Kijkt u dan wel even op de website om te zien of de woorden al zijn opgenomen.

tragisch / triest

De woorden verschillen heel subtiel in betekenis. En tragisch is vaak iets sterker dan triest. Lees verder >>

Etymologie: wankel

Door Michiel de Vaan

wankel bn. ‘niet vast, zwenkend’

wankelen ww. ‘onvast gaan’

Oudnederlands uuankilheide ‘onstandvastigheid’ (901–1000); Middelnederlands wankel ‘onstandvastig’ (1285), ‘zwak, onbetrouwbaar, onzeker’ (1373), wankelen ww. ‘wankelen; onvast staan, twijfelen’ en ‘doen wankelen’ (1240), wankelheit zn. (1401–1410), wankelmoet ‘onstandvastigheid’ (ca. 1400); Nnl. wanckel (1551) ‘onvast staand of gaand; veranderlijk, onzeker’ (1551); wanckelen ww. (1516), wanckelmoedig (1564), wankelmoedigheit (1642), wankelmoed (1649).

Verwante vormen: Oudsaksisch wankul, Mnd. wankel bn., wankelen ww.; Oudhoogduits wankal bn., wankalōn ww.; Oudengels wancol ‘wankel’.

Lees verder >>

Etymologie: vierschaar

Door Michiel de Vaan

vierschaar zn. ‘rechtbank’

Oudnederlands in Latijnse context: virscarnam (1125, acc.), virscarnen (1153, nom.), virscarna (1193) ‘rechtbank’.

Vroegmiddelnederlands vierscharne (1254), vierscaerne (1294), vierscaren (1277), vierscarre (1278), vierscaer (1356) ‘rechtbank’, ‘gebied waarin een vierschaar jurisdictie heeft’. Het woord wordt in een groot deel van het Nederlandstalige gebied aangetroffen, al ligt het zwaartepunt in Vlaanderen, Zeeland en Holland. Uit Limburg ontbreken attestaties.

Nnl. vierscare (1516), vierscarre (1517), vierschair (1519) ‘rechtbank in eerste aanleg, schepenbank; rechtszaal; zitting’, ook ‘rechtbank’ in het algemeen. Door dissimilatie van r_r daarnaast Mnl. vierscael (NO-Nl., 1481–1483), Nnl. vierschale (Vlaanderen, 1510), vierschael (1528, Vorstermanbijbel). Verwante vormen: Middelnederduits rschāre.

Lees verder >>

Etymologie: vroed

vroedmeesterpad
De vroedmeesterpad heet niet voor niets zo.

Door Michiel de Vaan

vroed bn. ‘verstandig’

Vroegmiddelnl. vroet, vroede (1212–1223, als toenaam), vrut (1240) ‘wijs, verstandig’, Nieuwnl. vroet (1503), vroede. Tot de afleidingen behoren o.a. Mnl. vroeden (1240) ‘verstand hebben; tot inzicht brengen’; Mnl. bevroeden ‘meedelen; begrijpen’ (1265-1270), Nnl. bevroeden ‘inlichten; begrijpen’ (bevroeden 1509, bevroeyen 1555, bevroen 1539); Mnl. ghevroeden (1285) ‘inzien, weten’; Mnl. froschep (1236), vroescap (1285), vrutscap (1240) ‘wijsheid, verstand’, Nnl. vroedschap ‘wijsheid’ (1517 vroetscap, 1562 vroeschap), ‘bestuurscollege’ (1500 vroescip, 1501 vroetscap). De vorm vroeschap, waarin t door assimilatie aan s verdwenen is, stamt vooral uit westelijke dialecten. Voorts betekent vroed- ‘verloskundig’ in samenstellingen als Mnl. en Nnl. vroedmoeder (1434–1436 vroemoeder, 1450–1470 vroemoer, 1485 vroetmoeder), vroedvrouw (zie onder dat lemma), en Nnl. vroedmeester ‘mannelijke verloskundige’ (1699).

Lees verder >>

Etymologie: vlijt

Door Michiel de Vaan

vlijt zn. ‘ijver’

Oudnederlands fliz ‘aandrang, vlijt’, flizech bn. ‘ijverig’, flizlicher bw. ‘ijveriger’, flizan ww. ‘ijveren’, pret. fleiz (ca. 1100; de tekst waarin deze vormen voorkomen bevat Hoogduitse kenmerken, zoals hier de z).
Middelnl. flit m. (1200, Servaasfr.), vliit (1270–1290) ‘ijver, inzet’, ook ‘spoed, haast’; vliteleke bw. (1284, Dordrecht) ‘ijverig’; vlitech (1240, Limburg), vlitich (1340–1360) ‘toegewijd’. Ww. vliten ‘zich beijveren’ (ca. 1300, Limburgse Sermoenen); ook vervlijten met deelwoord vervleten.
Nnl. vlijt v., in Brabant en Limburg m. ‘ijver, zorg, moeite, passie’ (1540), Gelders vliet (1567); vlijtelijk bw., bn. ‘ijverig, toegewijd, nauwkeurig’ (1525), na de 17e eeuw vervangen door vlijtig ‘wakker, toegewijd, vlug, ijverig’ (ca. 1540; vlietigh 1562); bevlijten ww. ‘werk van iets maken; zich oefenen’ (1597), vervlijten ‘vlijtig worden’ (1588; sporadisch), waarvan het deelwoord vervleten in de 16e en 17e eeuw frequent voorkomt als ‘zeer gesteld op, geoefend, toegewijd’ (1528).

Lees verder >>

De Bakker of de Baets?

Een Oudnederlandse beroepsnaam in Oudfranse vermomming

Door Peter Alexander Kerkhof

Namen zijn eigenaardige dingen binnen de etymologie. Ze zijn van nature erg conservatief en hebben daarom het wonderbaarlijke vermogen om een oude uitspraak van een woord te bewaren terwijl de rest van de taal verder evolueert (zie Stroop 1984). Maar er is nog een reden waarom het behoudende karakter van namen erg interessant is; dit conservatisme maakt ze namelijk een waardevolle bron voor historisch woordmateriaal dat inmiddels al uit onze taal verdwenen is. Want hoewel beroepen zoals voller of kramer al lange tijd uit het alledaagse leven zijn verdwenen, zijn de oude beroepsnamen bewaard in de familienamen Vuller, Vulder of Volder en Cramer, Kramer of Cremer. In dit artikel wil ik het over een Vlaamse familienaam hebben die ook zo’n oude beroepsnaam bewaart, maar dan wel een naam die zelfs in de oudste fase van de Nederlandse taal al aan het verdwijnen was. Het gaat hier om een Oudnederlands woord dat via een Franse omweg opnieuw in het (zuidelijk) Nederlands terecht is gekomen. Lees verder >>

Etymologie: verguizen

Door Michiel de Vaan

verguizen ww. ‘beschimpen’

Middelnederlands vergusen (1440–1460) ‘te schande maken’, Nnl. verguysen ‘bespotten; met hoon overladen’ (1572), guyse (zetten) ‘spottend gebaar naar iemand maken’ (1588).

Verwante vormen: Middelnederduits gusen ‘schrik aanjagen, tot zwijgen brengen’, Westfaals dial. vergüset ‘gestoord’, Ripuarisch verguuzen, verjuuzen ‘bang maken’.

Lees verder >>

Etymologie: vergetel

Door Michiel de Vaan

vergetel bn. ‘vergeetachtig’

Middelnederlands vergetel ‘vergeetachtig’ (1284), Nnl. verghetel ‘vergeetachtig’, ook ‘vergetend’ (1588). In de schrijftaal nog maar zelden na 1700. Afleiding: onverghetel ‘niet te vergeten’ (1350-1450). Het bn. -getel komt met een ander voorvoegsel al voor in het Oudnederlandse zn. afgetali v. ‘vergeetachtigheid’ (Wachtendonckse Psalmen, 901–1000).

vergetelheid zn. ‘het vergeten zijn, het vergeten’

Mnl. vergetelheit ‘vergeetachtigheid’ (1351), Nnl. verghetelheijt (1510–1519) ‘vergeetachtigheid; het vergeten zijn/hebben/worden’.

Verwante vormen: Middelnederduits vorgetel ‘vergeetachtig’, Oudhoogduits abgezzal ‘vergeten’, āgezzal ‘vergeetachtig’, Oudengels forgytel ‘vergeetachtig’, andgetul, andgyttol ‘verstandig’, ofergitol, ofergeotol ‘vergeetachtig’; Oudnoors Sann-getall bijnaam van Odin, lett. ‘de waarheid vermoedend’.

Het Proto-Germaans bn. *getula- ‘pakkend, vattend’ is afgeleid van het ww. *getan ‘pakken’. De afleiding *fra-getula- ‘vergeetachtig’ veronderstelt het bestaan van het ww. *fra-getan waaruit vergeten stamt. Andere Nederlandse bn. op –el bij werkwoorden zijn bijv. schamel, kregel, vermetel, wankel.

Etymologie: Klaas Vaak

Klaas VaakDoor Michiel de Vaan

vaak zn. ‘slaap’

Oudnederlands Vak, gebruikt als bijnaam: Simon cognomento Vak (1130–1161). Middelnl. vaek m. ‘slaperigheid, slaap’ (1240), Nnl. vaeck (1540), vaak (1612). Tot ca. 1700 in de Noordnl. literatuur in gebruik voor ‘slaap’, bijv. in de vaak verdrijven, de vaak uit de ogen wrijven. In de standaardtaal nog in de uitdrukking praetjes voor de vaeck (1613, Bredero) ‘praatjes voor de vaak, verhaaltjes om iemand in slaap te krijgen’. Dialectisch vaok, vaak, vèèk(e) ‘slaap’ (Vlaams, Zeeuws, Brabants, Gelders, Overijssels). Verder is het woord bewaard in de naam van Claes-vaeck (1666, Bruno, Mengel-moes), Klaas Vaak (vanaf 1726) ‘het Zandmannetje’.

vaken ww. ‘slapen’

Lees verder >>

Etymologie: smaldeel

Door Michiel de Vaan

smaldeel zn. ‘onderdeel’

Nnl. smaldeel (1700). Afgeleid uit het werkwoord Mnl. smaldeelen ‘in kleine delen splitsen, onderverdelen’ (1301–25), smaeldelen (1362), Nnl. smaldeelen. Daarvan ook het bw. smaldeelich ‘betreffende wiskundige breuken’ (De Dene, 1561) en zn. Mnl. sma(e)ldelinge ‘splitsing, omslag’ (1409-1412), Nnl. smaldelinge (1511).

Samenstelling van smal en deel, gevormd in de tijd dat smal nog ‘klein’ betekende. Smal mag in smaldelen dus als een oorspronkelijk resultatief bn. opgevat worden: *smal *delen ‘verdelen zodat daaruit kleinere delen ontstaan’ > smaldelen. In het Vroegmiddelnederlands komen daarnaast ook enkele samenstellingen met zn. voor, zoals het toponiem Smalrac, lett. ‘klein rak, kleine strook’, en smaltiende ‘klein tiende’ (1280–87; vgl. Middelnederduits smalteghede ‘id.’), d.w.z. ‘tiende van klein vee, vruchten, groenten’, dat in contrast staat met het grote of grove tiende ofwel korentiende.

 

Zeeuwse feestdronk

Door Jan Bethlehem

Gaarne voldoet de redactie aan het verzoek tot plaatsing van den navolgenden onlangs te Middelburg, op eenen groten maaltijd, met genoegen gehoorden Toast:

kielen, wielen, rand om ’t land

De aloude toast van onze vadren,
Heel kort, naïf en vol verstand,
Die op hun feesten werd gedronken
Was: Kielen, Wielen, Rand om ’t Land!

Thans is die spreuk omtrent vergeten,
’t Gebruik bijna geheel ontwend;
En menig’ Zeeuw van onze dagen
Is haar beteek’nis onbekend.

Verlangt men echter die te weten?
Welaan ik zeg het, luister dan:
De Kielen moest de scheepvaart wezen,
Daar dronk men dan de welvaart van. Lees verder >>

Etymologie: schreef

Door Michiel de Vaan

schreef zn. ‘streep’

Mnl. screve v./m. ‘spleet, snede, opening’ (1351), ook ‘streep, lijn’, vandaar ‘grenslijn’ en ‘maat voor vloeistoffen of hout’ (1345: 23 screven houts); Nnl. screve, schreve (1510), schreef (1620) ‘streep, grenslijn, perk; reet, kier; inhoudsmaat’. Vandaar overdrachtelijk in boven screven, buter screven ‘boven mate, uitermate’ (1510). Met ‘over’ zoals in het MoNl.: ouer de screue ‘bovenmatig’ (Biestkensbijbel, 1560), gaettet over die screve ‘gaat het over de schreef’ (Trou moet blijcken, ca. 1600, Boek A, stuk Die mane).

Lees verder >>

Etymologie: rul

Door Michiel de Vaan

rul bn.  ‘korrelig’

Nnl. rul ‘los, fijkorrelig’ bn. in de rulle aarde (1622, Bredero), het rulle zand (1814), ‘los’ in Laetst zagh ik een aerdigh baesje / Dorre blaedtjes rul op een / Houden ‘laatst zag ik een aardig baasje dorre blaadjes los op elkaar houden’ (J. Beets, 1668). MoWFri. rul maar ouder ook rol (1869).

Niet buiten het (Noord-)Nederlands bekend. Gezien de betekenis ligt een verband met het ww. rollen voor de hand: ‘rul’ zand is zand waarvan de korrels over elkaar heen rollen (i.t.t. klei of veen, bijvoorbeeld). In het Westnederlands is de korte o vaak tot u geworden, onder andere naast l (vgl. krul uit krol), en als het Friese woord uit het Hollands komt, bevestigt het dat daar rol heeft bestaan. Ik deel daarom de mening van de Vries/de Tollenaere (Etym. Wb., 2010) dat rul waarschijnlijk recent ontstaan is (en wel uit rol), en niet op een oude Germaanse formatie *ruzla- of *ruzlja- teruggaat. Probleem is wel dat een bn. *rol of *rolle ‘rollend’ nergens voorkomt. Eén mogelijke verklaring is dat er in het Mnl. een samenstelling *rollezand ‘rollend zand’ heeft bestaan (zoals rolblok, rolsteen) die later als twee woorden bn.-zn. *rolle *zand is opgevat, waarna het bn. zich zelfstandig maakte. Maar dat is natuurlijk pure speculatie.

Etymologie: rataplan

Door Michiel de Vaan

rataplan zn. ‘rommel’

Nnl. rataplan ‘rombom’, nabootsing van het geluid van een trommel. Het vroegst aangetroffen in Rataplan, of de jonge Trommelslager, titel van een uit het Frans vertaald blijspel (1825). Daarna bekend geraakt door het rataplan(-koor) uit Meyerbeers opera Les Huguenots (1836), in Nederlandse krantenrecensies vanaf de jaren 1850. Van het geluid is afgeleid het werkwoord rataplannen ‘op de trommels slaan’ (1864, Busken Huet). De uitdrukking d(i)e (ge)heele rataplan ‘de hele santekraam, de hele boel’ tref ik in kranten aan vanaf 1865, met rataplan (1865), ratteplan (1884), rattaplan (1887).

Afkomstig uit Frans rataplan ‘tromgeroffel’ (sinds 1822 in de titel van de boven genoemd blijspel), klanknabootsend gevormd; vergelijk Franse varianten als patatras, patatrac, patapouf, bataclan.

 

Pompernikkel: aard, voorkomen en herkomst

Door Renaat Gaspar

Een van de vreemdste woorden in het Nederlands is Pompernikkel, ‘Westfaals roggebrood’. Het is een internationaal woord: uit het Duits Pumpernickel is het onveranderd uitgewaaierd naar het Frans, het Portugees, het Italiaans, het Engels en naar de Scandinavische talen. Zelfs naar het Arabisch: bumbir-nikil. In het Nederlands heeft een klinkerverandering plaatsgevonden: Pompernikkel.

Westfaalse boerin met twee Pumpernickels. Foto uit 1919. Bron: Wikipedia.   

Wat is pompernikkel?

Het Westfaalse roggebrood heeft maar weinig te maken met het ‘Duitse roggebrood’ dat nu in de winkels te krijgen is. Hoe dit voedsel in de 18e eeuw werkelijk was, kunnen we lezen in een uitgebreide beschrijving – de oudste die ik kon achterhalen – van een Franse abbé, die in 1792 voor de revolutionairen gevlucht was naar Westfalen en daar een aantal jaren gewoond heeft. Dit waren volgens Abbé Baston de belangrijkste kenmerken: Lees verder >>