Tag: etymologie

Vleet

vleet zn. ‘visnet; menigte’

 

Vroegmiddelnederlands vlete v. ‘bij één vissersboot behorende partij visnetten’ (1293–1298, Calais). Nieuwnl. vlete (1535), vleet (1630) ‘visnet, verzameling visnetten’, al de vleet ‘de hele boel’ (1612), bij de vleet ‘in overvloed’ (ca. 1720). In dialecten onder andere Westvlaams vlote, Zeeuws vloot, Zaans vleet naast vloot. Dezelfde wisseling tussen ee en oo vinden we in Westvlaams vlote, Antwerps vloot ‘soort rog’, sporadisch vleet, en in vlotemelk ‘afgeroomde melk’, Zeeuws ook vleetemelk.

Lees verder >>

zwachtel

Door Michiel de Vaan

zwachtel zn. ‘windsel’

Middelnederlands zwachtel (1421), swechtel (1425–1450) v. ‘doek, luier, windsel’. In de 15e eeuw is a-vocalisme kenmerkend voor Holland, e-vocalisme voor het Oostnederlands. In het zuiden wordt het woord niet aangetroffen.

Nnl. swechtel ‘luier’ (1505, Antwerpen: Een Boecxken van deuocien gheheeten die Neghen couden), swachtel ‘windsel, smalle strook van stof, luier; mitella’ (1567). Kiliaan (1599) noemt swachtel Hollands behalve in de betekenis ‘armband, mitella’. Varianten swachtelt (1615, Bredero), zwachel (Gelders, eind 19e e.). Nnl. swachtelen (1637), beswachtelen (1626) ‘met zwachtel(s) omwikkelen’.

Lees verder >>

Zwerk

Door Michiel de Vaan

zwerk zn. ‘hemel’

Vroegmiddelnederlands swerc o. ‘wolk, wolken’ (1285), swerkigh bn. ‘als van een donkere wolk’ (1285); Mnl. gheswerc ‘donkere wolken’ (1390-1410), beswerct ‘beneveld’ (1340-1360). Nnl. swerck ‘wolk, wolkendek’ (ca. 1500), swerrech (1612), swergh (1622), zwurf (18e eeuw, Den Haag), vaak ook ‘donkere, onheilspellende wolk(en)’ (va. 1500); zwerk ‘hemel, luchtruim’ (1641). Ww. zwercken ‘zich wenden tot; verduisteren’ (1530), beswercken, besworcken ‘bewolken’ (1599, Gelders, Oost-Nederlands). De Haagse vorm zwurf heeft zich uit *zwerf uit *zwerg ontwikkeld.

Lees verder >>

sneuvelen, sneven

Door Michiel de Vaan

sneuvelen ww. ‘omkomen’

Mnl. snevelen ‘struikelen, vallen’ (1408), daarnaast sneuvelen en snovelen [waarin de o voor eu staat] (1399); bijna uitsluitend in het Noord-Nederlands.

Nieuwnl. snevelen (1570), snuevelen, sneuvelen (1570), snuyvlen (1683, Gent) ‘struikelen, vallen; omkomen, vergaan, in de strijd vallen’; snevel, sneuvel ‘onheil, misstap’ (1522). De vormen met ee verdwijnen na 1650, alleen sneuv- blijft dan over. Bovendien is sinds die tijd de betekenis van het werkwoord vernauwd tot ‘in de strijd vallen’. Dialecten: Zeeuws snevelen ‘zich bij het lopen tegen de enkels schoppen’. Lees verder >>

Etymologisch snacken

Door Marc van Oostendorp

Wie een beeld van de Nederlandse taalcultuur aan het begin van de 21e eeuw wil schetsen, kan niet om Wim Daniëls heen. Die man verenigt in zijn persoon en zijn werk zo’n beetje die hele cultuur. Dat blijkt ook weer uit zijn nieuwste boek Koken met taal, dat verscheen bij Thomas Rap.

Daniëls is een aardige man: iemand die hard werkt, geen kapsones heeft en met iedereen kan praten. Dat klopt alvast, want de Nederlandse taalcultuur in onze tijd is in veel opzichten best een aardige. Zeker als je hem vergelijkt met die in andere landen: er wordt veel minder gemopperd, ik ken bijvoorbeeld eigenlijk geen bekende taalschrijvers die op gemopper hun carrière hebben gebouwd (de laatste was wijlen J.L. Heldring, en zelfs die deed dat op een verlichtere manier dan menig auteur in Franse, Britse, Spaanse kranten). Ook zijn er veel minder waanwijze zelfbenoemde deskundigen die ongestraft de grootst mogelijke onzin mogen beweren. Mensen die in Nederland over taal aan het woord worden gelaten zijn misschien geen Stephen Hawkings van de linguïstiek, maar hebben meestal toch wel een idee waar ze het over hebben. Lees verder >>

kreek

Door Michiel de Vaan

kreek zn. ‘smal water’

Oudnederlands Creka (976), Crika (1003), grondbezit in Zeeland.

Vroegmiddelnederlands van der Creke (1276, West-Holland), vander Kreke (Saaftinge), kreke ‘inham van de zee, ondiep water’ in Zuid-Holland en Zeeland (1321 Reimerswaal, 1324 ’s-Gravezande), nederzetting die Creke (Middelburg, 1341). Mogelijk is het bekende Crikenputte (1276–1300) uit de Reinaertroman als ‘kreek-put’ op te vatten; in ieder geval speelt het verhaal zich in een krekenlandschap af.

Nnl. creecke ‘inham, baai’ (1528, Vorstermanbijbel, Hand. 27,39: Ende alst dach was, en kenden si dat lant niet, maer si werden een creecke siende, hebbende eenen oeuer, daer si dochten dat schip in te worpen), creke, creecke ‘ondiepe zee-arm’ (1576, Tractaet van dyckagie), kreke ‘ondiep water; walkant’ (1599; Zeeland), kreeck (1629); steenkreke ‘stenen wal’ (1564). In moderne dialecten: Westvlaams kreek, kreke ‘strook zand en schelpen in het veen’ (ontstaan doordat de zee-arm hier zand heeft afgezet tussen het veen), Zeeuws (Walcheren, Tholen) kriek, krieke met lange /i:/ (WZD).

Lees verder >>

klovenier

klovenier zn. ‘schutter’

 

Middelnederlands coloverier (Brielle, 1445–1455) ‘schutter, soldaat die een schietbus ofwel colover bedient’, colloevenier (Dordrecht, 1451–1500, echter geciteerd in 1677), culuvrenier (Ieper, 1488), culoverier (Gent, 1489).

Nieuwnederlands coluevrenier (Oudenaarde, 1507), culluevrier (Gent, 1510), collovrier en coluvrenier (Gent, 1512–1514), coleuvrenier (Gent, 1515), culverenier (Holland, 1514), cloevenier (Amsterdam, 1522), clovenier (Brielle, 1538), colveneur (Aalst, 1555), colveurier (1562, Naembouck), coleverier (1567, Junius), colveniers erve (Antwerpen, 1576), clovienier, cluyvenier, cleuvenier (Antwerpen, 1584), coloveniers gilde (Antwerpen, 1584), koluvrier (Kiliaan, 1599).

  Lees verder >>

kleineren

kleineren ww. ‘in waarde verkleinen; krenken’

 

Middelnederlands cleeneren (1330-1332)? Nieuwnl. kleynéren ‘verminderen’ (1599, Kiliaan; naast kleynen met dezelfde betekenis), kleyneere (1648) ‘doen verminderen’, kleyneeren ‘minder (waard) worden’ (1671), kleineeren ‘minachten’ (1701). Nnl. vercleyneringhe ‘vermindering’ (1580) veronderstelt een ww. *verkléineren, in de 19e eeuw en in dialecten bevestigd door verkleinderen, verkleenderen. Westvlaams kleineeren ‘verkleinen’ bewaart de oudere, letterlijke betekenis. In Drents en Gronings verkleineeren.

Lees verder >>

zegge

zegge zn. ‘rietgras’

Middelnederlands alleen in plaatsnamen, bijv. Zecvelt (13e eeuw) ‘Zegveld’ (prov. Utrecht), Zegcamp, Zeccamp (1334, Moordrecht), Segacker (1417, Gelderland); cf. Schönfeld, Veldnamen in Nederland (1950), 65–66. Nieuwnederlands segge (1578), seck (1599, Zeeland), zegge (1608). In dialecten: Vlaams zagge, Zeeuws, Gronings, Drents sek, Twents zegge. Daarnaast Brabants (Kempen, Hageland, Peelland) en sporadisch Limburgs (Zonhoven) zaar(gras), zoor(gras) ‘zegge’.

 

Verwante vormen: (1) MoWFri. sigge, Oud-Engels secg m., MoE sedge ‘zegge’. (2) Oudsaksisch sahar m./o. (*sahara-), segcar ‘zegge’ (*sagjara-?), saherai ‘zegge’ (< *saharahja-), dat.mv. seón ‘wier, zeegras’ (*sahja- of *seha-); Oudhoogduits sahar, Middelhoogduits saher ‘rietgras’, Nieuwhd. saher ‘rietgras; groene punten van grashalmen of korenaren’. (3) Middeliers seisc v., Welsh hesg ‘zegge, riet’ (< Proto-Keltisch *seski/ā).

Lees verder >>

Zavel

zavel zn. ‘zand, zandige grondsoort’

 

Oudnederlands Sauelberga ‘Zavelberg’ (1198), Middelnederlands Thomas de Zavle (Calais, 1282), savel m. ‘zand’ (1324), saveligh ‘zandig’ (1464), Savel ‘plein’ (1450–1470; waarschijnlijk als vertaling van Frans Sablon in dezelfde functie). Nieuwnl. sauel ‘zandige grond’ (1502), ‘grof zand’ (1552), zavel (1602); van de samenstelling sauelkuyl ‘zandgroeve’ (1562). Met –r zaverig ‘zandig’ (ca. 1670), zaver ‘zavel’ (1719). Gewoonlijk mannelijk in het Zuidnederlands, als stofnaam onzijdig in de standaardtaal. Verwante vormen: Moezelfrankisch sāwel.

Lees verder >>

wouw (plant)

Door Michiel de Vaan

wouw ‘reseda luteola’, plant waaruit gele verfstof wordt gewonnen

Middelnederlands woude v. (1288–1301) ‘wouw, plant gebruikt voor het verven van textiel’, wouwe (1498, Leiden), Nieuwnederlands woude (nog sporadisch in de 16e eeuw), wouwe (1554), wauwe (1562), wou (1531, Leiden), wouw (1696) ‘reseda, geelvervende plant’. Afleiding: Mnl. wouden ww. (1296-1298) ‘verven met wouw’, wolden (1451–1460), Nnl. wouden (1531), wouwen (1793).

Verwante vormen: Middelnederduits wolde (1262, in een Latijnse tollijst); Middelengels wolde, welde, Nieuwengels weld ‘wouw; kleurstof uit wouw’. Deze vormen veronderstellen Oudengels *wealde. Frans gaude kan uit een Oudnederlandse of Westfrankische vorm *walda stammen. Mnd. waude en Nieuwhoogduits Wau (sinds de 18e eeuw) zijn met de lakenhandel uit het Nederlands ontleend.

Lees verder >>

Want is een oeroud woord

Door Marc van Oostendorp

Wonderlijk woord: want. Het is een woord dat deel uitmaakt van de basisstructuur van de taal, zonder dat woord zou het Nederlands het Nederlands niet zijn, maar het is niet onmiddellijk duidelijk waar het vandaan komt. Het Engels en het Duits, onze naaste zustertalen, hebben geen equivalent (het Fries en het Afrikaans overigens wél). Waar je nog kunt zien dat of iets te maken heeft met if of ob, en en met und en end, valt want nergens mee te vergelijken. Wat doet het daar, in het hart van het Nederlands?

Het is een woord met heel oude wortels, zegt de Duitse taalkundige Olav Hackstein in een artikel in het nieuwste nummer van Indo-European Linguistics. Hij denkt dat het een woord is dat we hebben geërfd uit Indo-Europese tijden, dat wil zeggen van de taal waaruit duizenden jaren geleden het Latijn, het Proto-Slavisch, het Grieks en het Proto-Germaans zijn ontstaan – waarbij de laatste taal dan weer de moeder is van het Nederlands, het Engels, het Duits, de Scandinavische talen en nog een handjevol.  Lees verder >>

zwak

Door Michiel de Vaan

zwak bn. ‘krachteloos’

Vroegmiddelnederlands zuakart (1272), swakard (1291) ‘Zwakaard’, bijnaam ; Mnl. zwack ‘buigzaam’ (van hout), ‘gebrekkig’, ‘zondig, slecht’, Zuidoostmnl. ook swaeck, swake ‘buigzaam, ziek’; Nieuwnl. swack ‘krachteloos’ (1528), ‘buigzaam, soepel’ (1599). Ook in alle moderne dialecten kan zwak nog ‘lenig, vlug’ betekenen. Het Limburgs heeft veelal z(j)waak ‘zwak’ met gerekte klinker. ‘Lenig’ is gezwak in Belgisch Limburg en gezwank in Nederlands Limburg. Werkwoorden: Mnl. swacken en swaken ‘verzwakken, zwak maken & zwak worden’, Nnl. swacken.

Lees verder >>

zuinig

zuinig bn. ‘spaarzaam’

Middelnederlands zunich ‘nauwlettend toeziend’ (1401–1500), sticksuynigh ‘scheel’ (1477; lett. ‘stijf kijkend’), onsunich (1430–1450) ‘onrein’, Nieuwnl. bi sunicheyt ‘waarschijnlijk’ (1525-1527), onzuynigh ‘verkwistend’ (1663), suynich ‘spaarzaam’ (1612), ‘behoedzaam’ (1618), ‘teleurgesteld’ (1683).

 

Zuinig betekende oorspronkelijk ‘toeziend, omzichtig’, en is een afleiding met -ig van het bn. dat we als suun ‘scheel’ (1340-1360, Brabant), suyn, suyne ‘waarschijnlijk’ (1477, ZO-Nl.) ook in het Middelnl. vinden. De vormen met de klinker ie die vooral in Vlaamse en Hollandse bronnen voorkomen zijn in feite hetzelfde woord: Middelnl. siene bn. ‘flink, strijdbaar’ (1285), ‘mooi’, siene bw. ‘op uitstekende wijze’ (1285), onsiene ‘hachelijk’ (1285), ‘lelijk’, tsienst ‘het beste’, selsiene ‘zeldzaam’.

Lees verder >>

waffel

Door Michiel de Vaan

 

waffel zn. ‘bek, mond; oorvijg’

[revisie van de versie geplaatst op 21 december 2017]

Nnl. wafel ‘mond, bek’ (1615), waffel (1670) ‘mond, snavel, bek’, waffelkaak ‘bek’ (1690); waffel ‘klap, oorvijg’ (1708), waefel (1840).

De twee oudste attestaties van wafel ‘mond’ in de vroege zeventiende eeuw zijn: wy sellen ierst wat speulen mette wafel, we beginne ierst te eten ‘we zullen eerst wat met onze mond spelen, we beginnen eerst te eten’ (Coster, 1615), stracx gingh hem daar de wafel wt de kerf ‘meteen ging hij daar met zijn mond over de schreef’ (Bredero, Moortje, 1617). Een interessante samenstelling waffelkaak komt voor in een vrije vertaling uit 1670 door Adriaen de Leeuw van Calderón de la Barca’s stuk El Mayor Encanto: en ik laat nou iens louter bóllen myn waffelkaak en zeg: ‘en ik laat mijn mond nou eens louter babbelen’ (in het Spaans: pero no confesaré que Circe no es…  ‘maar ik moet bekennen dat Circe wél is …’).

Lees verder >>

vunzig

Door Michiel de Vaan

vunzig bn. ‘muf; schunnig’

Middelnederlands vunsch (1401–1450), funsch (1460), vonsch (1466), vuyns (1475) ‘muf, schimmelig’ van graan of koren. Nieuwnederlands vuynsch (1501–1523), vunst (1501–1536), vunsch (1612), vuns (1612), vints (1630), vunts (1658) ‘schimmelig, muf, vies’, van brood maar ook van smaak, geur en objecten zoals hooi of een hoerekot. De verbogen vorm vunze, die in de plaats van vunse gekomen is, vinden we voor het eerst in 1698 in een liedtekst (Daar vunze spotterny / Op hooger altaar staat). In moderne dialecten zelden aangetroffen, alleen Noordhollands fun ‘smerig, muffig’, vunsterig weer ‘donker, slecht weer’.

Daarvan afgeleid het bn. Mnl. vunstich (1450), vonstich (1440–1460), Nnl. vonstig (1545), vunstich (1536), vunsigh (1588), vuntsigh (1588), vunzig (1720), vunzigheit “vermuftheit” (1710).

Lees verder >>

daarentegen

Door Michiel de Vaan

daarentegen vw. ‘echter’

Samenstelling van daar en het grotendeels Middelnederlandse voorzetsel entegen ‘tegen’: dar entgegen ‘daartegen’ (1220–1240), daerentieghen (1451–1500), Nieuwnl. daerenteghen (1560), daarenteghen (1604), daarenteegen (1642) ‘echter’, zelden nog als bw. daarentegen ‘daartegen’ (1598, Zuid-Limburg).

Voor het voorzetsel: Mnl. entgegen ‘tegemoet’ (1240), entegen (1478), integhen (1451–1500). Voor 1500 is het beperkt tot de oostelijke dialecten van Groningen tot Limburg, in de 16e eeuw vinden we het sporadisch ook elders.

De oudste MNl. vorm entgegen is ontstaan uit Oudnederlands angegin ‘tegen, adversus’ (zo in de Wachtendonckse Psalmen, Zuidoostnederlands, 10e eeuw), een combinatie van aan en gegen ‘tegen’, waarin de klemtoon op -gé- lag zodat de eerste lettergreep verzwakte, eerst tot in- in Oudnederlands ingegan, ingegin (Leidse Willeram, ca. 1100) en toen tot en- vanaf 1200.

Lees verder >>

Bohemen

Bohemen zn. gebied in Midden-Europa

Vroegmiddelnederlands Behem, Beihem (1287), Behem (ca. 1300), Beheem (1301-1325), Bihem, Byhem (1340-1360 ); met samentrekking tot een lettergreep Mnl. Beem (1276–1300), Bemen (1460–1480) en het bn. Beemsche ‘Boheems’ (1393). Daarnaast komt iets later ook het uit het Latijn of Frans ontleende Boheme voor (1343–1345), in ambtelijke bronnen.

 

Nieuwnederlands in 1531 nog Behemen, maar in de 16e en 17e eeuw meestal met samentrekking Be(e)men (1521) ‘Bohemen’, bn. Beemsch (1581) ‘Boheems’, zn. Bemer (1517) ‘Bohemer’, Be(e)merlant (1517) ‘Bohemen’. Vormen met Boh- blijven zeldzaam tot 1700 (Bohemer 1621, Bohemerlant 1562) maar blijven daarna als enige variant over.

Lees verder >>

Dageraad

Door Michiel de Vaan

dageraad zn. ‘het aanbreken van de dag’

Vroegmiddelnederlands dageraet v. (1249), dageraid (1270–1290), dagerraet (1276–1300), dagraet (1291-1300), Dagheraet als bijnaam (1293), Middelnl. dagereit (1451–1500, Holland), Nieuwnl. dageraet m. (1572), daechraet (1599), dageraad (1793). Het behoud van dage- in de standaardtaal is vanaf de 17e eeuw vrij unaniem en in zoverre opvallend, dat de verwachte ontwikkeling tot daagraad al in 1599 wordt gevonden.

Verwante vormen: Middelnederduits dagerāt, dagerait, dagerēt, dāgerōt v., Oudhoogduits tagarōt m. ‘dageraad’, tagarōta v. ‘dageraad; avondschemering’, Middelhoogduits tagerât v., Oudengels dægrēd, dægrǣd o. ‘dageraad’, Oud-IJslands dagrāð o. ‘gunstig tijdstip’. Het woord werd ook als persoonsnaam gebruikt, bijv. in Ohd. Tagarat, OS Daghared, OE Dægred, al kan die ook onafhankelijk zijn ontstaan door het frequente voorkomen van Dag- en -Raad in Oudgermaanse namen.

Lees verder >>

Middelnederlands -erse

Door Michiel de Vaan

Middelnederlands –erse

Middelnederlands -se is een suffix voor vrouwelijke personen. Niet te verwarren met het Noordnl. se uit –sche, zoals in Nieuwnl. kosterse ‘vrouw van de koster’ (1693).

In het Middelnederlands van de 13e en 14e eeuw komt het bijna alleen voor toegevoegd aan mannelijke zn. op –er, bijv. bescermersse ‘beschermvrouw’ (1276-1300), clusenersse (1265-70) ‘kluizenares’, cremerse (1280) ‘kramersvrouw’, dorperse ‘boerin’ (1240), meesterse ‘meesteres’, meyerse ‘vrouw van de meier’ (1283), springerse ‘danseres’ (1240), enz., en zelfs pieterse ‘vrouw van Pieter’ (1286) volgt dit patroon. Licht afwijkend (want zonder mannelijk pendant op –er) maar geheel begrijpelijk zijn patronerse ‘patrones’ (1276-1300), propheterse ‘vrouwelijke profeet’ (14e e.) en princersse ‘prinses’ (15e e.) Lees verder >>

Etymologie: zwalpen

Door Michiel de Vaan

zwalpen ww. ‘zich golvend verheffen, klotsen’

Middelnederlands swalpen ‘heen en weer gaan (van een vloeistof)ʼ (1351), Nnl. swalpen ‘heen en weer gaan, geslingerd worden (van personen)’, ‘golven, klotsen’ (van vloeistoffen)’ (voor 1568), swalp-ey (1562) ‘bebroed maar onbevrucht ei, rot ei; drinkebroer’. In dialecten vooral in het Vlaams en Brabants bekend, als zwalpen en zwolpen.

Verwante vormen: Modern Westerlauwers Fries swalpje; Deens skvalpe, Noors en Zweeds skvalpa ‘bewegen (van golven), in kabbelende beweging brengenʼ; Noors dial. skvelpa ‘plonzen’ Lees verder >>

Etymologie: penantie

Door Michiel de Vaan

penantie zn. ‘strafschop’

Variant van het aan het Engels ontleende penalty (in het Engels het eerst in 1889 als penalty kick). Terwijl standaardtalig penalty, evenals in het Engels, beginklemtoon heeft, is in penantie, pinantie de tweede lettergreep beklemtoond. De redenen voor de accentverschuiving en de vervanging van l door n zijn nog niet geheel duidelijk. Zonneveld 2013: 78 verklaart de klemtoon uit het feit dat -al- een gesloten lettergreep vormt, waar in het Nederlands, althans bij spellingsuitspraak, de klemtoon op moet vallen. Verder signaleert Zonneveld in een voetnoot het probleem van de nt maar heeft geen oplossing. Het bestaan van nt geeft voor mij al aan dat het hier niet enkel om spellingsuitspraak kan gaan. Van Oostendorp (2013) merkt terecht op dat penantie niet ontstaan kan zijn in navolging van andere Nederlandse woorden op –antie (vakantie, garantie), omdat die als –ansie worden uitgesproken. Verder wijst hij nog op royalty ‘aandeel in de opbrengst’, dat zijn beginklemtoon behouden heeft en ook begin 20e eeuw aan het Engels is ontleend. Zijn eigen verklaring is dat in alt- de ‘dikke’ (velare) l voor de t moeilijk te horen was en verdween, waarna de voorafgaande n de korte a nasaliseerde en men penãtie hoorde dat men als penantie opvatte. Het nadeel van die verklaring is dat die vier fonetische stappen binnen 10 tot 15 jaar zouden moeten hebben plaatsgevonden (zie beneden). Bovendien hebben niet alle dialecten die penantie zeggen ook een ‘dikke’ l, en bleef de l in andere leenwoorden, zoals halte, wel overal bewaard. Lees verder >>

Etymologie: zeiken

Door Michiel de Vaan

zeiken ww. ‘plassen; zeuren’

Vroegmiddelnederlands seiken ‘urineren’ (1240, Limburg), Mnl. beseiken (1351, Vla.), seyct ‘pist’ (1415–1435, Holland), Nieuwnl. seycken (1537), seecken (1580). De betekenis ‘zeuren’ wordt pas vanaf de 19e eeuw aangetroffen. Dial. Zeeuws zêêken, Vlaams zeeken, elders zeiken.

Verder het zn. Mnl. zeec ‘urine’ (1277, Brugge), seike (1400-1420, Brabant), seyck (1477), Nieuwl. seyck (1551, Antwerpen), seeke (1562), seeck (1569). In moderne dialecten komt zeik ook voor als woord voor ‘gier, mest’, vooral in het Zuidnederlands, en is daarom in de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland afgebeeld (afl. 1, kaart 7).

Lees verder >>

Veels te interessant

Door Marc van Oostendorp

Het is een vraag die weleens naar voren komt in de taalkundige praktijk: waar komt de s in veels te goed vandaan? Is hij daar bijvoorbeeld toegevoegd vanwege uitspraakgemak? Althans, het is een vraag die al in 1860 besproken werd, inclusief dat uitspraakgemak, ontdekte ik toen iemand mij onlangs deze vraag stelde.

Dat ‘uitspraakgemak’ kun je gemakkelijk uitsluiten want de s komt alleen in deze constructie voor: je zegt niet ‘hij wil veels tennissen’, of ‘zij moet veels teleurstellingen verwerken’, ook al volgt in beide constructies ook een t. Als een s makkelijker zou zijn tussen een l en een t, zou hij dus ook daar gemakkelijker moeten zijn. Lees verder >>

Etymologie: wulk

Door Michiel de Vaan

wulk zn. ‘eetbare zeeslak, kinkhoren (Buccinum undatum)’

Middelnederlands wilken mv. (1429, Vlaanderen), wilcken (1485), daarnaast willox mv.? (1351-1400, Vlaanderen), willoxen mv. (1401-1434, Holland). Of de plaatsnaam Mnl. wulkebroec (1287, West-Vlaanderen) ook ‘wulk’ bevat, is onzeker. Nieuwnl. willocxen mv. (1510), wulk (1758), ulk (1885). Komt in moderne kustdialecten voor van Frans-Vlaanderen tot Texel: FVla. weuluk, wulok, WVla. willok, wullok, wullek, Oostende wuloek, Zeeuws-Vlaanderen en Zeeland ulk(e), ullek(e), Schouwen-Duiveland wilke, Noord-Holland wulk, ulk, Texel ulek. Lees verder >>