Tag: etymologie

Fuif: een woord van onbekende herkomst?

Door Renaat Gaspar

Woorden waarvan men de afkomst niet kent, kunnen je aandacht blijven trekken, ook al zijn ze inmiddels – in Noord-Nederland althans – betrekkelijk obsoleet geworden. Zo een woord is ‘fuif’: een niet-openbaar, besloten feest.

Het onderzoek tot nu toe

‘Fuif’ zou volgens Knuttel in het WNT s.v. ‘Fuif’ óf een Nederlands-Indisch óf een studentenwoord zijn. Het zou ontstaan zijn ca. 1850 of nog later. Raadpleging van de Etymologiebank.nl/trefwoord/fuif levert voorts op: alle etymologische woordenboeken zeggen kortweg: herkomst onbekend. Op twee na. De eerste is Vercoullie (1925); hij voegt eraan toe: ‘misschien wel uit het studentenduitsch Pfeiffe’. Dat is dus een blote veronderstelling, zonder enige nadere toelichting. De tweede is De Coster (1992); hij geeft een veel uitgebreidere verklaring. In M. Philippa e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands staat zijn betoog als volgt samengevat:

Lees verder >>

Multatuli en de historische taalkunde: ‘alles gaat over in alles’

Door Freek Van de Velde

Op de laatste dag van het jaar 1872 begint Eduard Douwes Dekker (Multatuli), die op dat ogenblik in Wiesbaden is, aan een brief aan Sicco E.W. Roorda van Eysinga, een koloniaal bestuurder in Nederlands-Indië, die (net als Multatuli) in vlammende geschriften tekeer ging tegen de Europese uitbuiting van de lokale bevolking.

De brief gaat over heel andere dingen. Multatuli, zelfverklaard expert op allerlei gebieden, heeft het in de eerste paragrafen terloops over onder andere de onbetrouwbaarheid van kranten, de stelling dat vrouwen beter pijn kunnen verdragen dan mannen, de observatie dat we meer bevreesd zijn voor een ingescheurde nagel en voor diepte dan voor een grote wonde, om dan plots over te springen op historische fonologie, wellicht iets waarover hij het met Roorda van Eysinga eerder gehad heeft. Multatuli schrijft:

Lees verder >>

De oorsprong van vreugde: Om triest van te worden!

Een 19e-eeuwse discussie over een kwaadaardig woord

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Brief van Franck aan Cosijn

Van een woord als vreugde kun je alleen maar vrolijk worden, toch? De negentiende-eeuwse taalwetenschappers die hebben bijgedragen aan het eerste etymologisch woordenboek van het Nederlands dachten daar heel anders over. De Duitse filoloog Johannes Franck die deze taak ten deel was gevallen kwam er gauw achter dat de klus veel problemen en frustraties met zich meebracht. Eén van de woorden die hem de meeste moeite kostte was het woord vreugde. Gelukkig kon hij rekenen op de assistentie van zijn Nederlandse collega Pieter Jacob Cosijn, met wie hij brievenlang gediscussieerd heeft over dit “böse wort” (zie ook het eerste artikel van dit drieluik).

Lees verder >>

De oorsprong van het woord gewoon: Om gek van te worden

Een 19e-eeuwse discussie over een zonderling woord

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Titelpagina van Francks etymologische woordenboek

Geen gewoner woord dan het woord gewoon, maar waar komt het eigenlijk vandaan, en wat heeft het te maken met wonen en wennen? Verrassend genoeg zijn deze vragen niet gemakkelijk te beantwoorden. Sterker nog: de opsteller van het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands, Johannes Franck (Etymologisch Woordenboek der Nederlandsche Taal 1884-1892), had het niet bepaald makkelijk met dit lemma. Dit blijkt uit de ongepubliceerde laat-negentiende-eeuwse briefwisseling tussen hem en zijn collega Pieter Jacob Cosijn, een voormalig redacteur van het WNT en hoogleraar Oudgermaans en Angelsaksisch in Leiden.

Lees verder >>

Etymologische discussies, 19e-eeuwse roddels en een geheime baard

Achter de schermen bij het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands

Door Pascale Eskes en Anouk Mudde

Johannes Franck (op latere leeftijd) en Pieter Jacob Cosijn (met baard)

Historische taalwetenschap en etymologie klinkt als een vrij braaf vakgebied, maar ook in deze discipline kan het een slagveld zijn. Etymologen hebben regelmatig tegengestelde meningen en dit levert vaak onenigheid op. Zo ook in de late negentiende eeuw toen het eerste etymologische woordenboek van het Nederlands in de steigers stond. 

Ruim een eeuw geleden zag dit woordenboek, met de volledige titel Etymologisch woordenboek der Nederlandsche taal (1884-1892), het daglicht. Het was geschreven door een Duitse taalwetenschapper genaamd Johannes Franck die eerder verantwoordelijk was voor een grammica van het Middelnederlands (Mittelniederländische Grammatik 1883). Francks woordenboek was het eerste Nederlandse etymologische overzichtswerk dat op wetenschappelijke methoden gebaseerd was, maar werd door de tijdgenoten met veel kritiek en de nodige controverse ontvangen. Een jarenlange briefwisseling tussen Franck en een bevriende Nederlandse collega, Pieter Jacob Cosijn, geeft een uniek kijkje achter de schermen bij de totstandkoming van het woordenboek en het etymologische wapengekletter tussen de twee geleerden.

Lees verder >>

Zolft

door Viorica Van der Roest

In het Huizer dialect noem je de vuilnisbelt ‘de zolft’. Dat is natuurlijk vooral heel exotisch en uniek, maar wat voor etymologische achtergrond heeft dat woord nu eigenlijk?

Bij een speurtocht op internet blijkt dat deze vraag ook al eens gesteld is in 2015, op de Facebookpagina van Vrienden van het Oude Dorp. Uit de reacties op het bericht blijkt wel dat het woord door een aantal mensen nog steeds gebruikt wordt, maar de vraag naar de etymologische verklaring is hier nooit beantwoord. Wanneer ik ‘zolft’ in mijn browser typ, weet Google zeker dat ik zoloft bedoel, de Amerikaanse merknaam van een veelgebruikt antidepressivum. Ik corrigeer en geef nog een keer de zoekopdracht ‘zolft’. Nu kom ik erachter hoeveel mensen die iets over zoloft willen schrijven of vragen een typfout maken. Goed, van Google deze keer geen heil te verwachten dus.

De etymologische woordenboeken bieden ook geen uitkomst. Lees verder >>

Flamenco en Vlaanderen – nog een andere theorie (iets met een mes)

door Viorica Van der Roest

Een paar maanden geleden schreef ik over het woord flamenco zoals dat gebruikt wordt om de muziekcultuur van de gitanos in Andalusië te beschrijven, en wat dat nu precies met Vlaanderen te maken zou kunnen hebben. Ik concludeerde toen dat een mogelijke verklaring ligt in de kleurrijke stoffen die al sinds de twaalfde eeuw vanuit Vlaanderen in Spanje verhandeld werden: ‘Vlaams’ als synoniem voor kleurrijk. Maar er blijkt nog een andere theorie te zijn over de herkomst van dit woord. Het zou namelijk ook kunnen dat een bepaald type mes, het ‘cuchillo flamenco’, verantwoordelijk is voor de verbinding van het adjectief flamenco (=Vlaams) met de Andalusische muziek. Lees verder >>

Huizer dialect revisited – 2

door Viorica Van der Roest

Zoals vorige week beloofd, hier het antwoord op de prangende vraag: waarom noemen ze in Huizen een Vlaamse gaai een marriekolf?

Lezer Daan Wesselink wees mij na de oorspronkelijke publicatie van mijn stukje over dieren- en plantennamen uit het Huizer dialect op de vorm meerkol, die tot in de twintigste eeuw gangbaar was voor ‘Vlaamse gaai’. Deze vorm gaat terug op markolf, dat al in de Middeleeuwen gebruikt werd. De 13e-eeuwse filosoof en theoloog Albertus Magnus wist te vertellen dat de vogel deze naam te danken had aan een literair personage, Marcolphus. Volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands van M. Philippa (e.a.) schreef Magnus dat de vernoeming plaatsvond omdat Marcolphus (net als een Vlaamse gaai) erg luidruchtig was en bovendien goed het geluid van vogels kon nabootsen.

Sommige andere etymologische woordenboeken verklaren de persoonsnaam Markolf als mark-wolf (‘grenswolf’), zonder echter duidelijk te maken waar deze theorie op gebaseerd is (of wat we ons bij een ‘grenswolf’ moeten voorstellen). Lees verder >>

Huizer dialect revisited – 1

Door Viorica Van der Roest

[Het eerste stukje dat ik ooit schreef voor Neder-L, ging over planten- en dierennamen in het dialect van Huizen (NH), het dorp waar mijn vader vandaan komt. Omdat ik op het moment ook met een onderzoekje naar een Huizer woord bezig ben (daarover over een paar weken meer), zocht ik op internet naar dat eerste stukje en ontdekte dat Google het kwijt gemaakt heeft! (het zit nog wel ergens diep in de archieven van Neerlandistiek, maar komt zelfs met de meest specifieke zoekopdrachten niet meer tevoorschijn in Google). Dus: tijd voor een (iets geactualiseerde) herpublicatie:]

Huizen zoe as ’t nooit meer wurdt. Deze melancholieke titel van een boekje uit 1981 over Huizen geeft aardig weer hoe veel oudere Huizers zich tegenwoordig over hun dorp voelen. Dat had altijd een geïsoleerde positie in het Gooi, maar sinds halverwege de twintigste eeuw is het dorp volgestroomd met ‘buitenlui’ en is de Huizer cultuur iets geworden dat beschermd moet worden om te kunnen blijven bestaan. Een belangrijk onderdeel van die cultuur is het Huizer dialect, dat in een aantal opzichten afwijkt van de andere dialecten in het Gooi, en meer verwant is met bijvoorbeeld het Urks of het Westfries. Lees verder >>

Maan(zaad)

Door Michiel de Vaan

maan zn. ‘papaver’, maanzaad zn. ‘papaverzaad’

In het Middelnederlands vinden we vooral samenstellingen van maan of meen met de woorden kop en knop (een verwijzing naar de grote zaadbollen van de papaver), later ook met zaad:  mecopin (West-Vlaanderen, 1226–1250), mecoppen (Hs. De Vreese), macopijn (1287), mancopyn (1351), mancnop (Holland, 1450–1470) ‘papaver’, macopijn saet (1287), macopisaet (ca. 1450) ‘papaverzaad’, maensaet ‘papaver’ (1477). De Mnl. vormen eindigend op –in of –ijn bevatten het materiaalsuffix Mnl. –ijn, Nnl. –en. Gezien het behoud van n in modern in maankop, is de eerste n van *mankopīn, *menkopīn waarschijnlijk tegenover de tweede n weggedissimileerd.

De Middelengelse vorm mecop ‘papaver’ heeft Caxton (in ‘Ryght good lernyng for to lerne shortly frenssh and englyssh’, 1483) waarschijnlijk aan het Vlaams ontleend. Nieuwnl. maenkop ‘papaver’, maensaed, maenkopsaed ‘papaverzaad’ (1599). In moderne dialecten: Westvlaams mèèkop, Zeeuws maenzaed, maonzaod; Gronings en Drents maankop, maankap, maanknop ‘klaproos’. Lees verder >>

Driewerff Leiden

Er zijn maar weinig steden met een drievuldige oorsprong. Leiden is er zo een. In de Goederenlijst van de Utrechtse Sint Maartenskerk, uit de tiende eeuw, staan in de buurt van het huidige Leiden maar liefst drie villa’s (‘nederzettingen’) met de naam Leithon opgesomd. Hier is een uitsnede uit de tekst:

In Holtlant IIII mansa. In prima Leithon II, in secunda I, in tertia I.  In Rodanburg quinque mansa.

‘In Holland 4 hoeven. In de eerste (nederzetting) (van) Leiden 2 (hoeven), in de tweede (nederzetting) (van) Leiden 1 (hoeve), in de derde (nederzetting) (van) Leiden 1 (hoeve). In Roomburg 5 hoeven.’ Lees verder >>

Koperaasje en alkolist

Door Henk Wolf

Aan het einde van de negentiende eeuw richtten boeren in Nederland op veel plaatsen coöperatieve zuivelfabrieken op. Tot ver in de twintigste eeuw hadden veel mensen op het platteland direct of indirect met zulke fabrieken te maken. Mijn grootouders hadden het er vaak over en zij spraken daarbij steevast van de koperaasje. Nog steeds wordt de grote zuivelfabriek in Leeuwarden door veel mensen de koperaasje genoemd. De aanduiding werd ook gebruikt voor andere coöperatieve (of voormalige coöperatieve) bedrijven in Friesland, zoals de voormalige bakkerij Excelsior in Leeuwarden. Zelfs op schrift kom je in het Fries nog af en toe koperaasje en koperatyf tegen.

Dat woord koperaasje moet ergens in z’n geschiedenis een van z’n twee [o.]-klanken zijn kwijtgeraakt. Heel gek is dat niet, wie een paar in redelijk tempo coöperatie zegt, merkt waarschijnlijk dat de twee [o.]’s bijna als één klank gaan klinken.

Wie gewend is aan die uitspraak en misschien ook wel aan de Friese schrijfwijze koperaasje, en dan opeens de schrijfwijze coöperatie tegenkomt, die is vast verbaasd. Hij of zij heeft misschien tot dan toe aangenomen dat het woord maar één [o.] had, maar krijgt nu door het schriftbeeld het idee dat die ene klank wel moet bestaan uit twee samengeklonterde klanken: /o.o./. Lees verder >>

Knosbien? Knorsbien? Knasbien?

Door Henk Wolf

Soms hangt taalkunde van toeval aan elkaar. Zo maakte mijn schoonmoeder tijdens een etentje een opmerking over het vlees in de groentesoep. Daar kon misschien nog een stukje knaster in zitten. Ik begreep uit de context dat ze daarmee een zeentje bedoelde, een stukje kraakbeen, maar ik kende het woord niet. Mijn schoonouders zijn Groningers en gebruiken knaster ook in het Nederlands, maar het blijkt een heel regionaal bepaald woord te zijn. Ik was blij dat ik het leerde kennen, want het lijkt erg op het woord dat ik in het Fries gebruik en waar ik al jaren een paar onbeantwoorde vragen over heb.

In mijn Noordhoekse dialect van het Fries heet ‘kraakbeen’ knosbien. Zo wordt het althans uitgesproken. Hoe ik het moet schrijven, weet ik niet zo goed. De woordenboeken helpen me er niet bij, het is blijkbaar zo lokaal dat het daar nooit in opgenomen is. Wel geeft mijn woordenboek kreakbien, krasbien en knarsbien. Lees verder >>

De etymologie van Velpon

Door Wouter van der Land

Merknamen zijn taalkundig interessant omdat ze zich niets aantrekken van de gangbare woordvormingsregels. Het huishoudmerk ‘Sorbo’ is bijvoorbeeld gevormd door het woord ‘absorb’ aan de voorkant in te korten, maar aan de achterkant te voorzien van een achtervoegsel. En het elektronikamerk ‘Rowenta’ is een vrije letterkeuze op volgorde uit de naam van oprichter Robert Weintraud (net als ‘Battus’ uit’ Brandt Corstius’). Dit morfologisch anarchisme heeft een keerzijde: het is soms moeilijk te achterhalen waar een merknaam vandaan komt.

Velpon. Velpa, Gupa

De aanleiding herinner ik me niet meer, maar volgens mijn e-mailarchief zocht ik in 2012 naar de naamverklaring van ‘Velpon’, de lijm van mijn jeugd. Het laatste deel -on is een typische uitgang voor stofnamen, zoals in ‘nylon’ en ‘dralon’. Maar waar komt het eerste deel vandaan? Stond de fabriek misschien in Velp? Hij staat nu in elk geval in Goes, want het merk is tegenwoordig ondergebracht bij het daar gevestigde Bison. Maar vroeger was het van Ceta Bever, leerde ik van Wikipedia. Op de site van dit merk stond een geschiedenispagina, die uitlegde dat Velpon rond 1930 was geïntroduceerd en een afgeleide was van een andere lijm genaamd ‘Velpa’. Een verdere verklaring gaf de site niet, maar wel die van een ander merk, het eveneens uit de jaren dertig stammende houtvulmiddel Gupa. Dit was vernoemd naar uitvinder Gustav Pape, een Duitse chemicus in dienst van Ceta Bever. Lees verder >>

Nogmaals blinn auga: nieuwe inzichten van negentig jaar geleden

De afgelopen periode is er op Neerlandistiek een discussie gevoerd over de mogelijke herkomst van de Germaanse term blinn auga in een middeleeuwse Ierse woordenlijst. De drie belangrijkste discussianten geven vandaag ieder een slotwoord. Tot er nieuwe gegevens opduiken beschouwen we de discussie hiermee als gesloten.

Door Peter Schrijver

Ik had nooit gedacht dat een discussie over het Oudnederlands zou afhangen van de resultaten van een expeditie naar de diepste krochten van de middeleeuws-Ierse filologie, maar dat is nu dus toch gebeurd (BLINN AUGA als Oudnederlands: een waardevolle historische suggestie, 24-10-2018). Nu we hier toch zijn aangeland, kan de lezer het krijgen ook. Lees verder >>

Tijdverlies

Door Michiel de Vaan

tijdverlies zn. ‘tijdverspilling, tijdverlies’

Samenstelling van tijd en verlies. Vroegmiddelnederlands titverlis betekent vooral ‘tijdverspilling, het verdoen van tijd’. Oudste attestatie in Dijn wise wort si sonder fel ende sonder tijtverlies dijn spel (van Maerlant, Spiegel Historiael, Eerste partie, 1283), en ook regelmatig na 1300, bijv. Al haer leven is tijtverlies, bidien haer werken die sijn ries ‘Heel hun leven is tijdverspilling, want hun handelen is lichtzinnig’ (van Boendale, Der leken spieghel, ca. 1340-1360). Verder wordt het woord spottend gebruikt als bijnaam, bijv. in de naam van boswachter Gerardus Titverlis (Elmpt; Meihuizen 1953, p. 11 van de rekening van Gelre, 1294/95), dus min of meer ‘Gerard Treuzelaar’ of ‘Gerard Nietsnut’, en bruder titverlis ende bruder idelere (Limburgse Sermoenen, ca. 1300). Als parallel van laatstgenoemde ‘Broeder Tijdverlies’ wijst Scheepsma 2005: 162 op Bruder Tzijtverluyss uit de Ripuarische (Keulse) tekst Der Boiffen Orde (ca. 1500). Lees verder >>

Flamenco, flamingo’s en Vlaanderen

Door Viorica Van der Roest

Een raadsel: wat is het verband tussen Andalusische muziek, Vlaanderen en knalroze vogels? Al sinds ik jaren geleden begon met het volgen van flamencodanslessen heb ik me dat afgevraagd. De mysterieuze link tussen de Andalusische flamencomuziek en Vlaanderen (een Vlaming heet een ‘Flamenco’ in het Spaans) is het eigenlijke probleem, maar die roze vogels duiken ook iedere keer op, of je ze nu serieus wilt nemen of niet. Ten eerste gebeurt het regelmatig dat iemand tegen je zegt: “O ja, want jij doet natuurlijk flamingo,” of “Waar volg je die flamingolessen eigenlijk?” Ten tweede is er ooit een serieuze theorie geweest dat de flamencomuziek zijn naam dankt aan de overeenkomsten tuseen mannelijke flamencodansers en flamingo’s. Die overeenkomsten zijn er natuurlijk helemaal niet, dus die theorie is alweer een jaar of honderd geleden het raam uit gegaan.

Maar hoe komt het dan wel dat het adjectief flamenco gebruikt wordt voor de muziek van de gitanos (zigeuners) uit Andalusië? De flamingo blijkt wel degelijk een aanwijzing te bieden, maar niet zoals meestal gedacht wordt, en er blijkt ook nog een andere vogel in het spel. Lees verder >>

Fiets–vitis–vicis. Wellicht stamt fiets af van Latijn vitis, niet vicis

Door Gerard Kempen

Figuur 1. Straatnaambord voor een fietspad in Sint Anthonis, Noord-Brabant. Foto van Aad Vernooy (december 2014), Bron: Zuivelhistorie

In zijn onlangs verschenen De taal van de fiets vat Wim Daniëls in tien bladzijden de diverse theorieën samen over de herkomst van het woord fiets. Aan het eind van zijn overzicht concludeert hij dat niemand weet welke van de genoemde verklaringen de juiste is. Hij voegt daaraan toe: “Dat is van de ene kant jammer, van de andere kant is het ook wel aardig dat het speculeren voortduurt en dat er af en toe nog weer een nieuwe theorie bij komt.” Hieraan doe ik graag mee, in de vorm van een plausibeler versie van een verklaring die ik in 1999 heb geopperd in Onze Taal.

Die verklaring ging uit van een observatie die ik deed als ongeveer tienjarige spreker van het Oost-Brabantse dialect van het Land van Cuyk. Op zeker moment drong tot me door dat fiets niet alleen ‘rijwiel’ betekende maar ook ‘ondermelk’ (zie ook Figuur 1). Zou het toeval zijn dat dat ene woord twee zulke totaal verschillende dingen aanduidde, of waren die twee betekenissen misschien op een of andere manier verwant? (Ik wil hiermee niet beweren dat ik mij toen bewust was van het onderscheid tussen homonymie en polysemie.) Lees verder >>

zoeven

Door Michiel de Vaan

zoeven ww. ‘suizen, snorren’

Mogelijk in oorsprong een klanknabootsende vorm *sūf of *sōf, vgl. ook suizen uit klanknabootsend *sūs. De overlevering laat een opvallende verdeling zien: het woord komt eenmaal voor in het Middelnederlands, als gesoef ‘gehuil’ in 1360 (tgesoef van den heere ‘het gehuil van het leger’). Daarna pas weer in de 19e eeuw, als zoeven vanaf 1855 en als zn. zoef ‘deuntje’ in Vlaamse bronnen, vanaf het einde van de 19e eeuw ook bij auteurs van elders. Het tussenwerpsel zoef! vind ik het eerst vanaf 1879 (en zoef daar ging het, den schoorsteen door; François Haverschmidt, Op Reis [ed. dbnl]). Er moet wel bij gezegd worden dat een zoektocht naar oudere attestaties bemoeilijkt wordt door de vele foutlezingen van de OCR die een zoektocht naar ‘zoef’ bijvoorbeeld in www.delpher.nl oplevert.

Lees verder >>

Zieltogen

Door Michiel de Vaan

zieltogen ww. ‘op sterven liggen’

Middelnederlands sieltōghen ‘de laatste adem uitblazen, in doodsstrijd liggen’ (1455–1465, in Devote oefeninge van Brugman: Ooc sach se hem bleeck werden ende sieltoghen, ende in dat leste saghen se hem … sinen geest geven); met Gelderse overgang o > a in Teuthonista (1477) syeltaighen ww., syeltaigher ‘die op sterven ligt’, syeltaighyng ‘doodsstrijd’. Sporadisch komt de variant zieltijgen voor (Hooft, 1635), met preteritum zieltoech (1491, Leven van Sinte Clara).

Vroegnieuwnl. sieltoghen ‘op sterven liggen’ (1561), zieltogen (1618); vanaf de 17e eeuw ook overdrachtelijk ‘noodlijdend zijn, wegkwijnen’. Kiliaan kent ook het synoniem sielbraecken ‘= doodbraecken, zieltogen’. Finiete vormen zoals hij, gij zieltoocht komen zelden voor, maar wel bij Bredero en Vondel. Met –e- zeldzaam, dichterlijk, zieletogen (1753).

Lees verder >>

wurgen

Door Michiel de Vaan

wurgen ww. ‘de keel dichtknijpen’

Vroegmiddelnl. verworgen ‘wurgen’ (1240), worgen ‘bij de keel grijpen’ (1291–1300), ghewurghet ‘gewurgd’; Middelnl. worgen, verworgen ook onovergankelijk ‘stikken, smoren’, (1479). Nieuwnl. worgen (1510), gewercht (1573), wurgen (1617). Nog rond 1900 geldt worgen ook in het Noordnederlands als de standaardvariant, na 1950 wordt wurgen frequenter dan worgen in in de schrijftaal (bron: n-gram viewer, dbnl.org).

Lees verder >>

wuft

Door Michiel de Vaan

wuft bn. ‘frivool’

Mnl. wijft ‘beweeglijk’ (1475–1495), Nnl. wift ‘beweeglijk, onbezonnen, lichtzinnig’ (1562), bw. wifjes ‘op levendige wijze’ (1659); met -u- Nnl. wuft ‘beweeglijk; dwalend, zwervend; lichtzinnig, onbestendig’ (1602), zelden wuf (1624). De u-vormen lijken vooral Hollands. Dialecten: Gronings, Oostfries wif ‘beweeglijk, wispelturig, dartel, schichtig’.

Verwante vormen: MoWFri. wif ‘wankel, beweeglijk, wisselvallig’.

Lees verder >>

Wichelen

Door Michiel de Vaan

wichelen ww. ‘voorspellingen doen uit tekens’

Middelnederlands vyghlen (1414), wijchelen ‘waarzeggen, voorspellen’ (1437). Nieuwnl. wijchelen ‘voorspellen’ (1528), wichelen (1588). Afleidingen onder andere Mnl. en Nnl. wichelare, wijchelaer, wijgheler ‘waarzegger’ en wichelije ‘waarzeggerij’. Zie voor de samenstelling wichelroede de desbetreffende pagina op de Etymologiewiki. Met kk Mnl. wikken ‘waarzeggen, voorspellen’ (1477), wikelen ‘bezweren’ (1285), wikelare ‘wichelaar’ (1285), wikeligghe ‘wichelaarster’ (1285); Nieuwnl. wikken (eind 16e e.).

Lees verder >>

waterlander

waterlander zn. ‘traan’

 

Waterlander (ca. 1300) betekent allereerst ‘bewoner van Waterland’, het gebied in Noord-Holland grofweg tussen Amsterdam en Edam. In verband met ‘huilen’ wordt het woord voor het eerst in 1561 aangetroffen in het spreekwoord De waterlanders op den dijck laten komen ‘beginnen te tranen’, in Sartorius’ bewerking en vertaling van Erasmus’ Adagia (Hst. III, III, nr. 16) : “[Latijn:] Cepas edere aut olfacere [‘uien eten of ruiken’], [Grieks:] krommua esthiein [‘uien eten’]. De waterlanders op den dijck laten komen”. Daarbij geeft Sartorius de uitleg: ‘Gezegd van hen bij wie tranen in de ogen komen. Vanwege de tranenwekkende bitterheid van uien.’ Dit werk werd in de 17e eeuw een aantal keren heruitgegeven. In 1681 schrijft Winschoten in zijn Spreekwoorden uit de Seevaart: “de Waaterlanders quaamen op den dijk: dat is oneigendlijk, de traanen quaamen in de oogen: want sij sijn niet gewoon op den dijk te koomen, of het moet al groote nood doen: gelijk ook die schreien, sig inbeelden in groote nood te sijn.”

Lees verder >>