Tagarchief: etymologie

zoeven

Door Michiel de Vaan zoeven ww. ‘suizen, snorren’ Mogelijk in oorsprong een klanknabootsende vorm *sūf of *sōf, vgl. ook suizen uit klanknabootsend *sūs. De overlevering laat een opvallende verdeling zien: het woord komt eenmaal voor in het Middelnederlands, als gesoef … Lees verder

Geplaatst in column | Getagged , , | Één reactie

Zieltogen

Door Michiel de Vaan zieltogen ww. ‘op sterven liggen’ Middelnederlands sieltōghen ‘de laatste adem uitblazen, in doodsstrijd liggen’ (1455–1465, in Devote oefeninge van Brugman: Ooc sach se hem bleeck werden ende sieltoghen, ende in dat leste saghen se hem … … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | Reacties staat uit voor Zieltogen

wurgen

Door Michiel de Vaan wurgen ww. ‘de keel dichtknijpen’ Vroegmiddelnl. verworgen ‘wurgen’ (1240), worgen ‘bij de keel grijpen’ (1291–1300), ghewurghet ‘gewurgd’; Middelnl. worgen, verworgen ook onovergankelijk ‘stikken, smoren’, (1479). Nieuwnl. worgen (1510), gewercht (1573), wurgen (1617). Nog rond 1900 geldt … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 3 Reacties

wuft

Door Michiel de Vaan wuft bn. ‘frivool’ Mnl. wijft ‘beweeglijk’ (1475–1495), Nnl. wift ‘beweeglijk, onbezonnen, lichtzinnig’ (1562), bw. wifjes ‘op levendige wijze’ (1659); met -u- Nnl. wuft ‘beweeglijk; dwalend, zwervend; lichtzinnig, onbestendig’ (1602), zelden wuf (1624). De u-vormen lijken vooral … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 2 Reacties

Wichelen

Door Michiel de Vaan wichelen ww. ‘voorspellingen doen uit tekens’ Middelnederlands vyghlen (1414), wijchelen ‘waarzeggen, voorspellen’ (1437). Nieuwnl. wijchelen ‘voorspellen’ (1528), wichelen (1588). Afleidingen onder andere Mnl. en Nnl. wichelare, wijchelaer, wijgheler ‘waarzegger’ en wichelije ‘waarzeggerij’. Zie voor de samenstelling … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | Reacties staat uit voor Wichelen

waterlander

waterlander zn. ‘traan’   Waterlander (ca. 1300) betekent allereerst ‘bewoner van Waterland’, het gebied in Noord-Holland grofweg tussen Amsterdam en Edam. In verband met ‘huilen’ wordt het woord voor het eerst in 1561 aangetroffen in het spreekwoord De waterlanders op … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | Reacties staat uit voor waterlander

Vleet

vleet zn. ‘visnet; menigte’   Vroegmiddelnederlands vlete v. ‘bij één vissersboot behorende partij visnetten’ (1293–1298, Calais). Nieuwnl. vlete (1535), vleet (1630) ‘visnet, verzameling visnetten’, al de vleet ‘de hele boel’ (1612), bij de vleet ‘in overvloed’ (ca. 1720). In dialecten … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 5 Reacties

zwachtel

Door Michiel de Vaan zwachtel zn. ‘windsel’ Middelnederlands zwachtel (1421), swechtel (1425–1450) v. ‘doek, luier, windsel’. In de 15e eeuw is a-vocalisme kenmerkend voor Holland, e-vocalisme voor het Oostnederlands. In het zuiden wordt het woord niet aangetroffen. Nnl. swechtel ‘luier’ … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 7 Reacties

Zwerk

Door Michiel de Vaan zwerk zn. ‘hemel’ Vroegmiddelnederlands swerc o. ‘wolk, wolken’ (1285), swerkigh bn. ‘als van een donkere wolk’ (1285); Mnl. gheswerc ‘donkere wolken’ (1390-1410), beswerct ‘beneveld’ (1340-1360). Nnl. swerck ‘wolk, wolkendek’ (ca. 1500), swerrech (1612), swergh (1622), zwurf … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 4 Reacties

sneuvelen, sneven

Door Michiel de Vaan sneuvelen ww. ‘omkomen’ Mnl. snevelen ‘struikelen, vallen’ (1408), daarnaast sneuvelen en snovelen [waarin de o voor eu staat] (1399); bijna uitsluitend in het Noord-Nederlands. Nieuwnl. snevelen (1570), snuevelen, sneuvelen (1570), snuyvlen (1683, Gent) ‘struikelen, vallen; omkomen, … Lees verder

Geplaatst in taalkunde | Getagged , | 5 Reacties