Tag: dialect

Nééj Mééls Woordeboe:k voltooid

Het Nééj Mééls Woordeboe:k is klaar. Het bevat ruim 4900 woorden die in de negentiende en twintigste eeuw in het Meijels dialect zeker gebruikt zijn. Daarvan worden er in de omgangstaal ook nu nog steeds veel gehoord. Maar de modernisering van het dagelijks leven, de toename van communicatiemiddelen en een verhoogde mobiliteit hebben geleid tot verminderd dialectgebruik en het verdwijnen van woorden, die in het dagelijkse leven van eerdere generaties volop gebruikt werden.

Lees verder >>

Zolft

door Viorica Van der Roest

In het Huizer dialect noem je de vuilnisbelt ‘de zolft’. Dat is natuurlijk vooral heel exotisch en uniek, maar wat voor etymologische achtergrond heeft dat woord nu eigenlijk?

Bij een speurtocht op internet blijkt dat deze vraag ook al eens gesteld is in 2015, op de Facebookpagina van Vrienden van het Oude Dorp. Uit de reacties op het bericht blijkt wel dat het woord door een aantal mensen nog steeds gebruikt wordt, maar de vraag naar de etymologische verklaring is hier nooit beantwoord. Wanneer ik ‘zolft’ in mijn browser typ, weet Google zeker dat ik zoloft bedoel, de Amerikaanse merknaam van een veelgebruikt antidepressivum. Ik corrigeer en geef nog een keer de zoekopdracht ‘zolft’. Nu kom ik erachter hoeveel mensen die iets over zoloft willen schrijven of vragen een typfout maken. Goed, van Google deze keer geen heil te verwachten dus.

De etymologische woordenboeken bieden ook geen uitkomst. Lees verder >>

Huizer dialect revisited – 2

door Viorica Van der Roest

Zoals vorige week beloofd, hier het antwoord op de prangende vraag: waarom noemen ze in Huizen een Vlaamse gaai een marriekolf?

Lezer Daan Wesselink wees mij na de oorspronkelijke publicatie van mijn stukje over dieren- en plantennamen uit het Huizer dialect op de vorm meerkol, die tot in de twintigste eeuw gangbaar was voor ‘Vlaamse gaai’. Deze vorm gaat terug op markolf, dat al in de Middeleeuwen gebruikt werd. De 13e-eeuwse filosoof en theoloog Albertus Magnus wist te vertellen dat de vogel deze naam te danken had aan een literair personage, Marcolphus. Volgens het Etymologisch Woordenboek van het Nederlands van M. Philippa (e.a.) schreef Magnus dat de vernoeming plaatsvond omdat Marcolphus (net als een Vlaamse gaai) erg luidruchtig was en bovendien goed het geluid van vogels kon nabootsen.

Sommige andere etymologische woordenboeken verklaren de persoonsnaam Markolf als mark-wolf (‘grenswolf’), zonder echter duidelijk te maken waar deze theorie op gebaseerd is (of wat we ons bij een ‘grenswolf’ moeten voorstellen). Lees verder >>

Gedicht: Warden Oom • Wedding

Wedding

Boer Knul had twintig pinten in,
boer Knijs al even vele.
Ze zaten vast, heel naar hun zin
pas
’t glas
gevuld, ’t bier vond de kele.

Ze zaagden over hemel, hel
en vruchten, beesten, wijven
en deden menig aardig spel,
dat
wat
verging in luide kijven.

Ze g’rochten toch van alles moe.
Zegt Knul : Wat nu verrichten ?
Zegt Knijs : Wij wedden om een koe,
wie
die,
van ons, het kortst kan dichten.

Boer Knul gaf toe. Hij sloeg zijn hand
in ’t vet der smout-telloore
en sprak glorieusch, voor Knijs geplant :
,,Met
vet” !
en smoutte Knijs zijn oore.

’t Is kort, zei Knijs, maar danig stout !
Hij ging voor Knul en grolde :
Hier hebt ge ’t kortste zonder smout
„Ik
tik !”
En sloeg hem dat hij rolde.

Warden Oom (1861-1934)
uit: Volkse verzen (1973)

———————————–

Gedicht: Warden Oom • Eerste uitgang der koeien

Eerste uitgang der koeien

Maart en knape brengen hoopen
knippels*; elk grijpt stok of tak
en de boever komt geloopen
met de lange peerdedjak.
’t Koeierke is ’t stal ingeslopen,
stout en bout en riesche ’t al*
om het bindalaam t’ ontknopen
moedermensch alleen in ’t stal.
’t Is een brullen, grollen, loeien
en een kletsen en een slaan,
van die veertien groote koeien,
hunkerend om uit te gaan,
moe van snorlen op de geuren,
die de wind bij dag en nacht
uit de weiden, door de deuren
prikklend in de stalling bracht.
— Op uw post ! ’t Is uit met praten,
roept de boer, nu opgelet!
Beest voor beeste doorgelaten
en het vechten streng belet. Lees verder >>

Huizer dialect revisited – 1

Door Viorica Van der Roest

[Het eerste stukje dat ik ooit schreef voor Neder-L, ging over planten- en dierennamen in het dialect van Huizen (NH), het dorp waar mijn vader vandaan komt. Omdat ik op het moment ook met een onderzoekje naar een Huizer woord bezig ben (daarover over een paar weken meer), zocht ik op internet naar dat eerste stukje en ontdekte dat Google het kwijt gemaakt heeft! (het zit nog wel ergens diep in de archieven van Neerlandistiek, maar komt zelfs met de meest specifieke zoekopdrachten niet meer tevoorschijn in Google). Dus: tijd voor een (iets geactualiseerde) herpublicatie:]

Huizen zoe as ’t nooit meer wurdt. Deze melancholieke titel van een boekje uit 1981 over Huizen geeft aardig weer hoe veel oudere Huizers zich tegenwoordig over hun dorp voelen. Dat had altijd een geïsoleerde positie in het Gooi, maar sinds halverwege de twintigste eeuw is het dorp volgestroomd met ‘buitenlui’ en is de Huizer cultuur iets geworden dat beschermd moet worden om te kunnen blijven bestaan. Een belangrijk onderdeel van die cultuur is het Huizer dialect, dat in een aantal opzichten afwijkt van de andere dialecten in het Gooi, en meer verwant is met bijvoorbeeld het Urks of het Westfries. Lees verder >>

Het Vlaardings is de moeite van het vastleggen waard

Onderstaande tekst is het voorwoord van het nieuwe Vlaardings woordenboek van Stephen de Vos. We plaatsen het hier met toestemming van de auteur als voorpublicatie.

Door Cor van Bree

Mooi dat er nu ook een woordenboek van het Vlaardings is! Hoe zou ik anders kunnen reageren: het is de tongval waarin ik zelf opgegroeid moet zijn. Rond mijn twaalfde moet ik op de standaardtaal overgestapt zijn. In 1945, na een jaar op de hbs gezeten te hebben, kwam ik op een tribune naast een jongen uit mijn vroegere klas van de lagere school te zitten. Hijzelf was naar de Ambachtsschool gegaan. Hij maakte een denigrerende opmerking over mijn “nette” manier van spreken. Die manier van spreken moet ik dus in mijn eerste hbs-jaar veranderd hebben. Wat zou ik “afgeleerd” kunnen hebben? Sprak ik van huis uit de ei/ij met een aai-klank uit? Zette ik achter de eerste persoon een -t: ik gaat, hoewel ik van de meester leerde: “ik lust geen t(h)ee”? Vervoegde ik niet alleen het werkwoord maar ook het voegwoord: en nou hope-me maar datte-me…? En gebruikte ik <terwijl> terwijl het <onderwijl> of <intussen> moest zijn? Zeker zal ik net als mijn moeder <dorpel> gezegd hebben en niet het meer algemene <drempel>. Lees verder >>

Aan de slag met streektaal op het vmbo

In samenwerking met het Cedin heeft de IJsselacademie een aangepaste uitgave van de lesbrief ‘Jouw taal hoort bij jou’ uitgebracht, speciaal voor vmbo-leerlingen in regio’s waar thuis ook dialect gesproken wordt.

Nedersaksisch erkende regionale taal

10 oktober jongstleden ondertekenden de verschillende Nedersaksische overheden een convenant met het Rijk waarin het Nedersaksisch als taal erkend wordt. Veel jongeren hebben echter nog de (onjuiste) aanname dat hun lokale, Nedersaksische dialecten een vorm van ‘slecht’ Nederlands zijn, in plaats van dialecten van een andere taal: het Nedersaksisch. Met deze uitgave hoopt de IJsselacademie discussie over de rol die taal bij de eigen identiteit van jongeren speelt op gang te brengen.  Lees verder >>

“Kind moet over op het ‘plat’”

Door Leonie Cornips

“Kind moet over op ‘plat’”, kopt De Limburger afgelopen week boven een artikel van verslaggever Jule Peeters. Waarom besteedt De Limburger juist nu aandacht aan Limburgs op de peuterspeelzaal en waarom op deze wijze? Waarom ik namens de leerstoel Taalcultuur in Limburg pleit voor meertalige peuterspeelzalen schreef ik in twee eerdere columns (hier en hier), en over de urgentie om aandacht te besteden aan de toekomst van het Limburgs (het Limburgs is de officiële benaming volgens het Europees Handvest voor regionale talen of minderheidstalen hoewel de Provincie Limburg de noemer streektaal hanteert en sprekers in Limburg dialect of plat) schreef ik hier en hier.

Het verslag in De Limburger bevat dus niets nieuws. De Gedeputeerde van Cultuur van de Provincie Limburg zei in november 2017 al toe op basis van onderzoek door mijn leerstoel een taalbeleid te ontwikkelen voor de peuterspeelzalen in Limburg. De organisaties in Limburg die zich bekommeren om de toekomstige vitaliteit van het Limburgs delen in oktober 2015 dit pleidooi in het visiestuk ‘Sjiek is miech dat!’ dat als belangrijke input diende voor de Erfgoednota van de Provincie Limburg. Lees verder >>

Op z’n Amsterdams en Rotterdams volgens parlementariërs

Door Siemon Reker

Leentjebuur spelen in het Nederlands is zó gewoon, dat bijvoorbeeld iemand als premier Rutte niet vaak een excuserende opmerking maakt als hij iets in het Engels of Duits zegt, wat hij geregeld doet. In de tijd dat het uitspreken van Latijnse citaten of het gebruik van een Frans woord iets van alledag was, hoefde dat evenmin speciaal geëtiketteerd te worden. Pas als iets wat uitzonderlijker is, is de kans groter dat daar uitdrukkelijk op gewezen wordt. Daarvan zijn de taal van Amsterdam en Rotterdam illustratieve voorbeelden – en niet toevallig.

De hoofdstedelijke taal duikt laat op in de Handelingen via de aanduiding “op zijn Amsterdams”, als ik het goed zie pas in 1968. De communist Wim van het Schip noemde in dat jaar “Houen zo!” Amsterdams en enkele jaren later “slikken of stikken” (1973) eveneens. Dat is net zo opvallend als wanneer Minister Pais (Onderwijs) spreekt van “(…) – ik zeg het nu maar op zijn Amsterdams – de MO-opleidingen alsnog de nek om te draaien” (1980). Lees verder >>

Zelf op zoek naar een taal om in te zingen

Door Marcel Plaatsman

Eierland. Foto: Marcel Plaatsman (bron)

Het dialect van Texel, het Tessels, staat volop in de belangstelling. Ik doe daar ook wel erg mijn best voor, om dat dialect weer onder de aandacht te brengen, maar het aardige is: ik ben niet de enige die daar zijn best voor doet. De Historische Vereniging Texel wist met de reeks dialectvoorstellingen Echt op sien Tessels de juiste snaar te raken en in navolging daarvan is er nu een bijzonder boek verschenen, Brief uut Eierlând, dat zich laat lezen als een poëtische zoektocht naar het wezen van dit dialect.

Aart van den Brink, dichter en zanger

Brief uut Eierlând is geschreven door Aart van den Brink, die onder de liefhebbers van het Tessels toch wel een beroemdheid is door zijn liederen in het dialect, die op het eerste gehoor geestig en licht zijn, maar toch vol poëzie zitten. Eigenlijk is dat ook hoe Aart het Tessels lijkt te horen: in de vrolijke herinnering aan het dialect van zijn jeugd zit uiteindelijk de poëzie van een familiekroniek én een grammatica. Lees verder >>

Geletterdheid van Limburgse basisschoolleerlingen

Door Romy Roumans

Als studente taalwetenschappen aan de Radboud Universiteit knoop ik vaak gesprekken aan met Limburgse leerkrachten en ouders over hun gebruik van het Limburgse dialect, waarbij ik soms de meest vreemde opmerkingen hoor. Zo kwam mij vorig jaar ter ore dat ouders hun kinderen bewust niet opvoeden met het Limburgs dialect, omdat hun kinderen dan slechter zouden gaan schrijven en lezen in de Nederlandse taal. Niet lang daarna kwam ik de volgende uitspraak tegen van een journalist in De Limburger:

“De combinatie van dialect spreken, achterstandssituatie en gebrek aan stimulering thuis om te gaan lezen kan ervoor zorgen dat laaggeletterdheid in Limburg een structureel karakter krijgt.”

Het spreken van een Limburgs dialect zou dus zelfs laaggeletterdheid kunnen veroorzaken. Lees verder >>

Hoe bepaal je de grens van een dialect?

Dit stuk verschijnt in het kader van de Nieuwsbrief Neerlandistiek in de klas. Het bevat geen origineel onderzoek, maar is een vereenvoudigde weergave van recent onderzoek op het gebied van het Nederlands, speciaal bedoeld voor leerlingen van de middelbare school.

Door Marten van der Meulen

Het zal je vast weleens opgevallen zijn: mensen spreken verschillend in verschillende delen van Nederland. Een iets andere klank, een uitdrukking, een woord: verschil kan er op allerlei niveaus zijn. En dat is alleen nog maar in de standaardtaal. Naast die taalvariëteit worden er nog steeds op heel veel plekken lokale taalvariëteiten gesproken, zoals dialecten of streektalen. Die lokale varianten zijn al lange tijd een dankbaar onderzoeksobject voor taalkundigen. Zij willen bijvoorbeeld vaststellen waar grenzen liggen tussen dialecten. Die onderzoeksvraag bestaat dus al lang, maar tegenwoordig zijn er allerlei nieuwe methoden beschikbaar om heel precies na te gaan waar het ene dialect stopt en het andere begint. Een aantal van die methoden werden gebruikt door twee taalkundigen om een oude scheidslijn in Noord-Limburg te evalueren. Wat bleek: de scheidslijn is zeker niet zo belangrijk als wel werd gedacht. Sterker nog: hij ligt eigenlijk ergens anders. Lees verder >>

Over streektaalgrenzen heen

Door Marcel Plaatsman

Als bierliefhebber bezoek ik regelmatig bierfestivals, als thuisdialectoloog voortaan ook taalconferenties. Gisteren was ik in Amsterdam voor een streektaalconferentie – dat is een soort festival met in plaats van bier lezingen, en in plaats van bierliefhebbers taalkundigen om mee te praten. Voor mij toch wel gefundenes Fressen, zoiets. Ik heb er ′n welbestede dag gehad.

De titel van de conferentie luidde: De wondere wereld van streektaalgrenzen en over de grenzen tussen dialecten, en over de grenzen tussen taal en dialect, gingen de lezingen, die werden afgesloten met een debat.

streektaalconferentieZoeken naar streektaalgrenzen

Het ochtendprogramma was gevuld met lezingen over dialectverschijnselen en hun verspreiding, met daarbij de vraag of die verschijnselen harde streektaalgrenzen konden opleveren. De actualiteit van het Catalaanse referendum gaf die vraag nog wat welkome urgentie. Kun je op basis van wat taalverschijnselen werkelijk grenzen trekken? Ja, je kunt kaarten tekenen, met isoglossen, met kruisverbanden, Wilbert Heeringa van de Fryske Akademy liet er prachtige zien. Maar zijn dat nu echt de taalgrenzen zoals we die voelen? Lees verder >>

Dialect in de klas

Door Astrid Wijnands

Eind september publiceerde de NOS een drieluik geheten ‘Dealen met je dialect’ <1|2|3>. De NOS had eerder een oproep op Facebook geplaatst om erachter te komen of dialectsprekers last zouden hebben van negatieve reacties en welke reacties dat dan zouden zijn. Op die oproep kwamen 28.000 reacties binnen en zo’n 150 mensen wilden graag hun ervaringen delen.

In het drieluik maken we kennis met jongeren en volwassenen uit heel Nederlands, van Groningen tot Maastricht, van Zeeland tot Twente. Allen geven aan trots te zijn op hun dialect en zij spreken hun dialect dan ook graag. De keerzijde van de medaille is dat zij ook vaak niet serieus genomen worden als zij hun dialect spreken. Zo moet acteur Bart logopedie volgen om zijn Achterhoekse accent kwijt te raken, wil hij als acteur rollen aangeboden krijgen en voorziet Myriam uit Terneuzen dat zij haar Zeeuwse accent moet aanpassen aan het Standaardnederlands als zij straks als afgestudeerd advocate aan de slag gaat. Soms gaat het nog verder en worden dialectsprekers uitgescholden als domme boeren of krijgen ze te horen dat ze maar terug moeten naar hun ‘eigen land’. Docent Adele Spikker van het Deltion College in Zwolle besteedt juist in haar lessen aandacht aan de meerwaarde van streektaal in de zorg. Door de taal van de patiënten te spreken is er sprake van een beter contact tussen zorgverlener en zorgdrager. Lees verder >>

Plat-Amsterdams in de ring van de geschiedenis

Door Marcel Plaatsman

Gisteren trof ik in de kringloopwinkel een boekje over hedscn1161t Amsterdams. Erg goed zag dat boekje er niet meer uit, de vorige eigenaar moet er weinig van gehouden hebben, maar ík was er blij mee. Het valt namelijk nog niet mee om bruikbare bronnen voor het Amsterdamse dialect te vinden, maar dit boekje, uit de reeks Taal in Stad en Land, geeft een goed overzicht en het vat ook bondig samen wat die bronnen zoal over het Amsterdams te melden hebben.

Vanmiddag sloeg ik Het Parool open en daar was het toeval dan: een artikel over het zieltogende plat-Amsterdams. Zo had mijn vondst van gisteren nog nieuwswaarde ook. Ik kon er wel over gaan bloggen, vond ik. En zo geschiedde. Lees verder >>

In laaie liefdevlammen gaan ons harten tot U

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (120)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Het Nederlandse sonnet en de Nederlandse standaardtaal zijn ongeveer even oud: ze kwamen beide zo’n 450 jaar geleden tot ons, in de late 16e eeuw. Ze hebben zich daarom hand in hand ontwikkeld – dat is het idee achter deze reeks.

Ik weet niet wanneer het eerste sonnet in dialect verschenen is. Lange tijd waren sonnetten er te deftig voor, en het dialect te volks. Negentiende-eeuwse dichters als Guido Gezelle die dialect gebruiken in hun werk hebben een te romantische inborst om zich al te veel te laten insnoeren door het keurslijf van de veertien regels. Sonnetten zijn cultuur, dialecten zijn woeste natuur, dat past niet bij elkaar.

Maar als Prosper van Langendonck een sonnet ‘Voor Guido Gezelle’ schrijft, kruidt hij het met West-Vlaams:

Zwaar peinzend hoofd, met eeuwigheid omtogen,
doorgroefd van voren, door de idee geleid,
diep over al dat werelds wee gebogen,
dat, staag opwellend, in Uw boezem schreit;

schoon hoofd, wars van versiering, los van logen,
wijd-stralend brandpunt van al-menselijkheid,
waarop, nu ’t aardse leven is vervlogen,
een glans van eeuwig leven ligt gespreid:

in laaie liefdevlammen gaan ons harten
tot U, die al hun liefd’ hebt voorgevoeld,
en duizendvoud doorvoeld hun fijnste smarten,

met gal gelaafd, door ’t waanwijs volkje omjoeld,
waarop Gij nederschouwt met zielvolle ogen,
groots van vergiffenis en mededogen…

Lees verder >>

Ziet Em Duun en het verval van de Vlaamse dialecten

Door Marc van Oostendorp

Ziet em duun had ik ruim vijftien jaar geleden niet zien aankomen.

Het was nogal een pretentieuze titel die we indertijd op het Meertens Instituut bedachten voor een onderzoeksproject: dialectrenaissance. Maar we constateerden dat er allerlei semiculturele uitingen ineens in het dialect waren: films (Wilde mossels in het Zeeuws), gedichten (Heftan tattat van de naar Enschede teruggekeerde Willem Wilmink), bijbelvertalingen (de Biebel uit het Hebreeuws en Grieks vertaald in het Gronings). En vooral heel veel muziek: van Skik in Drenthe in Rowwen Heze in Limburg.

De term Dialectrenaissance hadden we overigens geleend uit de internationale literatuur, waar soortgelijke verschijnselen werden beschreven in bijvoorbeeld Duitsland en Noord-Italië. Lees verder >>

APT: een ‘grap’ of taalkundig interessant?

Door Kristel Doreleijers,
student Neerlandistiek aan de Universiteit Utrecht

in samenwerking met Roos Hamelink en Noortje Smits

badmeesterIedere zomer vertrekt een groep van ongeveer 24 jongens van het Utrechtsch Studenten Corps voor negen weken naar Texel om daar als badmeester te werken. Rode zwembroeken, spijkerblouses (die NIET gewassen mogen worden) en veel bier zijn de ingrediënten voor hun periode op het eiland als ‘bademeisters’. Maar hun uiterlijk en studentikoze gedrag is niet het enige wat de jongensgroep zo’n opvallende verschijning maakt. De bademeisters spreken immers ook een eigen taal: Algemeen Puur (of Plat) Texels (APT).

Op 19 april 2015 wordt op NPO 3 de teledocumentaire Bademeisters uitgezonden. De documentaire is een observatie van de jongens: ‘de Texelse boys’. Wat doen zij tijdens hun opleiding en hun werk als badmeesters? Filmregiseusse Judith van Leeuwen wilde de bademeisters vastleggen zonder een expliciet oordeel te geven. ‘Ze spelen een spel, het is een initiatieritueel waarbij de vraag is hoe zij zich eigenlijk tot de badgasten verhouden: zijn zij er voor de badgasten of zijn de badgasten eigenlijk pionnen in hun spel?’ Lees verder >>

Erasmus in Weerts dialect


056ErasmusRabus1697Door Ton Harmsen

Mijn wekelijkse column in Neerlandistiek.nl werpt vruchten af. Ik krijg opmerkingen van lezers over mijn data en mijn digitale edities, suggesties voor onderwerpen en complete teksten om te publiceren. Deze week stuurde Michiel de Vaan, aan de lezers van Neerlandistiek.nl welbekend, mij een bijzondere Erasmusvertaling toe, in een Nederlands dialect. Ik schreef hier al twee keer over Nederlandse Erasmusvertalingen. Mijn lijst van die vertalingen omvat ruim 500 uitgaven. De Lof der Zotheid is de kampioen, maar de enorme populariteit daarvan is van de laatste honderd jaar: daarvoor hebben de Colloquia altijd vóórgelegen. Eén daarvan staat dus pas sinds deze week in mijn lijst: de Weertse vertaling van het colloquium ‘Conjugium sive Uxor mempsigamos’, de vrouw die over haar huwelijk klaagt. Het is een gesprek tussen twee vriendinnen, Xantippe en Eulalia. Xantippe klaagt, scheldt en dreigt, terwijl Eulalia met psychologische middelen en verstandige raad naar oplossingen voor Xantippe’s huwelijksproblemen zoekt. Aan dat opvallende onderwerp dankte deze dialoog zijn reputatie. Er zijn veel vertalingen van gemaakt. Lees verder >>

Congres 90 jaar Veldeke en 40 jaar VLDN

De Vereniging voor Limburgse Dialect- en Naamkunde en Veldeke Limburg nodigen u uit tot deelname aan hun feestelijk congres dat zij organiseren n.a.v. de jubilea 90 jaar Veldeke en 40 jaar VLDN.

Dialect in het hart en onder de loep
Dialectonderzoek en dialectcultuur in Limburg
Zaterdag 19 november 2016

Kasteel Groot Buggenum,
Loorderstraat 3, 6096 NE Grathem (NL)
Tel. +31 (0)475 452835

Lees verder >>

Platprater verdient meer

Door Leonie Cornips

Vorige week verscheen er een opmerkelijk krantenbericht in het Algemeen Dagblad met als titel ‘Lager loon voor platprater’ met als vervolg ‘Mensen die dialect praten verdienen aanzienlijk minder dan degenen die Algemeen Beschaafd Nederlands spreken. Dat geldt zeker voor mannen, hogeropgeleiden en mensen uit de verste “uithoeken” van het land. Het verschil in salaris tussen mensen die dialect en Standaardnederlands spreken bedraagt 5 tot 15 procent. Dat blijkt uit onderzoek dat Jan van Ours, hoogleraar arbeidseconomie aan de Universiteit van Tilburg, deze week heeft gepresenteerd op een congres.’

Het is opmerkelijk hoe Van Ours en zijn promovenda Yuxin Yao het verschijnsel ‘dialect’ en ‘Algemeen Nederlands’ (AN) in hun berekeningen opvatten. Ze beweren: ‘Zelfs onder taalkundigen is er geen algemene definitie over hoe dialect en Algemeen Nederlands (AN) van elkaar verschillen’. De economen zijn hier abuis. Dialectologen hebben boekenkasten vol geschreven over hoe dialecten en AN grammaticaal van elkaar verschillen in bouwstenen zoals klanken en woorden én regels om die bouwstenen te vervoegen en te verbuigen, aan elkaar vast te plakken tot zinnen en grotere gehelen. Wat de economen niet begrijpen, is dat taalkundigen benadrukken dat dialecten in grammaticale rijkdom niet verschillen van het AN en andere talen en dat vanuit die definitie geen onderscheid tussen dialect en AN mogelijk is. Lees verder >>

Economen en taal

Door Marc van Oostendorp

weeklyDe laatste jaren storten beoefenaren van de economische wetenschap zich vol verve op de taal. Kwade tongen beweren dat het komt door de crisis die sommige economen definitief heeft doen inzien dat wat zij beweren eigenlijk óók allemaal onzin is, maar een redelijker verklaring is dat de taalwetenschap de laatste jaren steeds meer met grote databases (zoals de World Atlas of Linguistic Structures) is gaan werken, iets waar economen dol op zijn.

Het begon enkele jaren geleden met een artikel van de Amerikaan Keith Chen, die probeerde te laten zien dat mensen die een taal spreken waarin toekomende tijd verplicht in de werkwoordsvorm wordt uitgedrukt minder geld sparen en minder goed op hun gezondheid letten dan sprekers van bijvoorbeeld het Nederlands waarin je ik kom morgen kunt zeggen in plaats van ik zal morgen komen. (Ik schreef hier over dat onderzoek.)

Sindsdien komt er regelmatig van dit soort onderzoek naar boven, en je vraagt je als taalkundige af wat je ermee moet.  Lees verder >>