Tag: Conrad Busken Huet

Het interesseerde me enorm hoe sommige Pietjes sommige Mietjes krijgen – al waren ze maar verzonnen

De Multatulileescursus (75)

Door Marc van Oostendorp

– Kunnen jullie me zien?

– Ik kan je wel zien, maar niet horen!

– Grappenmaker. Het is twee weken én een eeuwigheid geleden dat we elkaar gezien hebben. Fijn dat we elkaar nu op deze manier kunnen treffen. We zouden nog Multatuli’s brieven uit 1885 en 1886 met elkaar bespreken.

Lees verder >>

Een knal gelijk klinkt het ruwe vloekwoord van den matroos door ’s heeren Bosscha’s welgemeubelde vertrekken

De Multatulileescursus (26)

Door Marc van Oostendorp

– Ik heb ontdekt dat één reden waarom ik van het werk van Multatuli houd is dat ik dol ben op commentaar.

– Zoals het werk dat we deze week gelezen hebben, Een en ander over Pruisen en Nederland, commentaar is op een brochure van J. Bosscha over … de relatie tussen Pruisen en Nederland.

– Hadden jullie gezien dat die brochure ook op internet staat? Bij Het Geheugen van Nederland?

– Net als het commentaar dat Busken Huet dan weer schreef op Multatuli’s stuk.

– Nooit eerder was het zo makkelijk om al die stukken te lezen. Zelfs in Multatuli’s eigen tijd had je ze niet zo gemakkelijk bij elkaar.

– Maar luister nu, het zijn niet alleen deze verschillende brochures. Multatuli voegde ook graag later nog voetnoten in, ook in deze brochure heeft hij dat gedaan, met commentaar op zijn eigen werk. Zoals hij ook voortdurend verwijst naar zijn eigen eerdere werk, en al zijn geschriften dus commentaar zijn op al zijn eerdere geschriften. Lees verder >>

Ik voel dit aan myzelf, hoeveel trotscher, flinker ik gestemd ben wanneer ik werk, dan als ik mymerend ronddool.

De Multatulileescursus (25)

Door Marc van Oostendorp

– Wat mij ineens opviel: hoe aardig Multatuli ook kon zijn. Als hij niks van de mensen moest, kon hij ze buitengewoon hoffelijk bejegenen.

– Zeker, de ellende begon als hij ze nodig had, dan werd hij een lastpak.

– Ja, de brieven uit 1867! Het moet een naar jaar voor hem zijn geweest, hij zat daar in Duitsland in een soort ballingschap omdat hij niet naar Nederland kon vawege die kleine gevangenschap die hem boven het hoofd hing. Ondertussen zaten Tine en de kinderen in Milaan. En voor het geld moest hij die saaie stukjes schrijven over wat er allemaal in de Duitse kranten had gestaan.

– En toch bleef hij dus aardig.

– De brief aan die molenaarsknecht met de onsterfelijke naam Klaas Ris: Lees verder >>