Tag: columns Willem Kuiper

Voer voor MNW-ers : mandaet

Door Willem Kuiper

Geen mens is onfeilbaar, maar sommige mensen komen een heel eind. Jacob Verdam (1845-1919) was zo iemand. Samen met Eelco Verwijs (1830-1880) maakte hij het monumentale Middelnederlandsch Woordenboek (1885-1929), een naslagwerk dat ik bijna dagelijks digitaal raadpleeg via de onmisbare CD-ROM Middelnederlands. Verdam op een fout betrappen doe je maar hoogstzelden. Vandaar ook mijn verbazing toen ik een woord tegenkwam, waarvan ik dacht dat hij het zeker onder ogen gehad moest hebben, maar dat niet in het MNW staat. Ik citeer (mijn editie i.s.n.):

“Grote bloetstortinge geschiede in dit pongijs aen beyde siden. Ogiers mandaet van Denemercken en ware niet mogelijc te scriven, die hi daer dede, slaende, stekende, hem niet ontsiende, hoe groten oploop hem de heydenen deden. Desghelijc de Rode Galeaen, die hem ridderlijc queet, verslaende menigen Sarazijn.”
 
                                           Den droefliken strijt die opten berch van Roncevale, cap. [8]

In eerste instantie las ik “mandaet” verkeerd als ‘mandáát’, om mij vervolgens te realiseren dat dit niet in de context past. Pas in tweede instantie zag ik dat hier ‘mándaad’ gelezen moest worden: ‘mannelijke daad / daden’, zoals in ‘misdaad’ en ‘weldaad’. Omdat het woord mij niet bekend voorkwam, keek ik eerst of het vaker gebruikt werd in de Droefliken strijt. En ja hoor, ook in het volgende capittel [9], alleen nu niet in het proza-deel, maar in de versregels die Willem Vorsterman ontleende aan een / de Middelnederlandse vertaling van het Chanson de Roland: het Roelantslied:

Lees verder >>

Over en sluiten : “VU stopt na honderd jaar met de bachelorstudie Nederlands”

Door Willem Kuiper

Met vijf medewerkers op vijf eerstejaars is de studie onbetaalbaar geworden, zegt de Amsterdamse universiteit.

Aldus de NRC van zaterdag 23 februari 2019.

Tot mijn verbazing blijft het merkwaardig rustig op Neerlandistiek na deze zeer deprimerende mededeling. Laat ik dan maar mijn stem verheffen.

Literatuur is het dagboek van onze cultuur. Als wij onszelf willen begrijpen dan zullen wij de boeken moeten lezen die onze voorouders geschreven hebben gedurende de 20e eeuw, de 19e eeuw, de 18e eeuw, de 17e eeuw, de 16e eeuw, de 15e eeuw, de 14e eeuw, de 13e eeuw en wat erover is van vóór die tijd. Dat is een hoop eeuwen en dat zijn heel veel boeken, en daarom heeft men al in de 19e eeuw periodisering ingevoerd en de Middelnederlandse letterkunde afgescheiden van de letterkunde van de Renaissance en de Nieuwe Tijd. Later heeft men daar de letterkunde van de 18e en de 19e eeuw aan toegevoegd. Ook zag je aan Nederlandse en Belgische universiteiten specialismen ontstaan. Je kunt niet overal goed in zijn. Het Instituut voor Neerlandistiek UvA, waaraan ik studeerde en doceerde, had als één van de zwaartepunten de gedrukte letterkunde van de Middeleeuwen (Herman Pleij en Rob Resoort) en ook werd er relatief veel aandacht aan de 18e eeuw besteed (André Hanou en Bert Paasman). Zo’n specialisme opheffen of wegbezuinigen kost relatief weinig vergadertijd, zo’n specialisme opbouwen een decennium, gesteld dat je de mensen kunt aantrekken die over voldoende kennis, ervaring en affiniteit beschikken. Lees verder >>

Willem

Door Willem Kuiper

Tijdens de brunch ben ik gewoon de papieren Volkskrant door te bladeren. Zo viel mijn oog begin deze week op de WiBra column van Sylvia Witteman, met als titel ‘Willem’. Als drager van die naam voel je je onwillekeurig aangesproken, en dat gevoel werd er alleen maar sterker op bij het lezen van de eerste alinea:

Zowat niemand wil meer Nederlands studeren, las ik in de krant. Dat wil zeggen, in Nederland. In het buitenland doet de studie het gek genoeg veel beter. Vooral in Polen schijnen ze er wel pap van te lusten, wat merkwaardig is, want de Polen die ik in Nederland tegenkom, zijn meestal fruitplukker of stukadoor en hun Nederlands idioom gaat niet veel dieper dan ‘lekker biertje’, dus wat die lui met Mariken van Nieumeghen en ‘Ambrosia wat vloeit mij aan/ uw schedelveld is koeler maan’ aanmoeten, ontgaat me (‘en alle appels blozen’).

Lees verder >>

Column 107 : Voer voor vertalers : De laatste Toren ?

Door Willem Kuiper

In 1929 publiceerde de Amerikaan Arthur Dickson: Valentine and Orson. A Study in Late Medieval Romance. Schitterend boek! Daarin behandelt hij eerst Valentin und Namelos en vervolgens Valentin et Orson. Valentin und Nameloos is de Nederduitse vertaling / bewerking van de Middelnederlandse vertaling / bewerking van een verloren gegaan Oudfrans chanson de geste over een tweeling die onmiddellijk na hun geboorte gescheiden raakt. Het ene kind groeit op als vondeling in de periferie van het koninklijk hof van Frankrijk. Het andere in het bos, waar het gezoogd wordt door een berin en zo opgroeit als ‘wildeman’. Aan het einde van de Middeleeuwen werd het Franse verhaal opnieuw en sterk uitgebreid in proza naverteld als Valentin et Orson. Die roman verscheen in druk, vond zijn weg naar de Lage Landen en werd daar vertaald als Valentijn ende Oursson. Ware de 16e eeuw wat rustiger verlopen, bijvoorbeeld zonder Beeldenstorm, Reformatie, Opstand, de hertog van Alva en de koning van Hispanje, dan zou de overlevering van de literatuur uit die dagen vast en zeker beter, zo niet véél beter geweest zijn. Nu bezitten wij geen oudere druk van Valentijn ende Oursson dan die van Jan Jacobszoon, Amsterdam 1657. Bijna anderhalve eeuw  jonger dan de vermoedelijk in Antwerpen vervaardigde vertaling.

Vorig jaar bezorgde ik een editie van Helena van Constantinopel. Een fantastisch verhaal! Al editerend bekroop mij het gevoel dat de auteur van Valentin et Orson deze roman gekend en gebruikt moest hebben. Wist Dickson dat? Die somt in zijn boek een aantal door gevonden bronnen op. Op zulke momenten zou je weer een kamer op het PCH willen hebben, want dan hoef je alleen maar wat trappen af te lopen en luttele minuten later weet je wat je weten wilt. Momenteel heb ik Die vergaderinge der historien van Troyen op de digitale lezenaar liggen. En weer bekruipt mij het gevoel, zeg maar de absolute zekerheid, dat de auteur van Valentin et Orson ook Le Recoeil van Raoul met smaak verorberd heeft en in zijn roman verwerkt. Wist Dickson dat? Gelukkig deed zich nu een concrete aanleiding voor om naar Amsterdam te gaan: een lezing van Marjolein Hogenbirk over Arturs doet. En dan is een bezoek aan de UBA balie in het PCH een kleine moeite. Nu weet ik dat Dickson wist dat La belle Hélaine als bron gebruikt is, maar ik weet nu ook dat het hem ontgaan is dat ook Le Recoeil als bron heeft dienst gedaan. Leuke lezing trouwens. Over de complexe wordingsgeschiedenis van Arturs doet, over Lodewijc van Velthem als de compilator van 129 A 10 [?] en zijn alter ego: kopiist B [?]. Ga ik het binnenkort ook eens over hebben. Houd u vast aan u bretellen! Lees verder >>

Column 105 : Voer voor filologen : corruptie, contaminatie en confusie #2

Door Willem Kuiper

Sneller dan ik voor mogelijk hield in mijn vorige column, dient zich weer een corrupte passage in de Vergaderinge aan, die duidelijk zichtbaar teruggaat op de grootste fout die een kopiist of zetter kan maken: le saut du même au même, in het Duits die Augensprung geheten. Wij hebben er bij mijn weten geen aparte naam voor.

Het conflict tussen Saturnus en Jupiter (dat zijn oorsprong vindt in de dreigende voorspelling die Saturnus ooit in de tempel van Appollo kreeg, te weten dat zijn zoon hem uit zijn koninkrijk zal verdrijven) escaleert als de mannen van Archaden de volgende dag rond de klok van 09:00 in slagorde hun stad uittrekken om de Cretenzers aan te vallen. Je achter je stadsmuren verschuilen gold als laf. Tijdens het gevecht dat losbarst, vechten Saturnus en Jupiter in de voorste gelederen. Jupiter spreekt Saturnus aan en probeert hem met zachte woorden op andere gedachten te brengen. Maar tevergeefs. Saturnus is zo verblind door zijn paranoia dat hij van geen ophouden weet. En nu komt het:

[S]aturnus niet teghenstaende dese kintlike ende soete woerden [en] toemde sijn toren niet, mer sloech op Jupiter als hi starcste mocht. Mer Jupiter leydet of mer hi en maecte geen consiensi te besteen sijn slagen op die van Creten, slaende elcke slach een man ter neder ende toechde sijn macht op dat Saturnus bekende dat hi tegens hem te vergheefs vacht.

Lees verder >>

Column 104 : Voer voor filologen : corruptie, contaminatie en confusie

Door Willem Kuiper

Verreweg de meeste Middelnederlandse literaire teksten zijn vertaald, meestal uit het Frans, met het Latijn als goede tweede. Hoe graag zouden wij filologen willen weten welk boek de vertaler op zijn schrijftafel had liggen, en wat zouden wij graag diens autograaf met de vertaling in handen houden. Dan zouden wij kunnen zien hoe de vertaler met zijn brontekst is omgegaan. Maar helaas, autografen zijn uiterst zeldzaam en maar (hoogst) zelden weten wij zeker (genoeg) welk boek als legger gebruikt werd.
     Om de Vergaderinge der historien van Troyen met het origineel te vergelijken, maak ik om praktische redenen, maar ook in overeenstemming met de wetenschappelijke stand van zaken, gebruik van een gedrukt boek, waarvan William Caxton de uitgever is c.q. heet te zijn. William Caxton is de maker van het eerste gedrukte Engelstalige boek. Dat deed hij in 1473-1474 te Brugge in samenwerking met de Vlaming Colard Mansion: Recuyell of the Historyes of Troye, door Caxton zelf uit het Frans vertaald. Ziet er zo uit:

 Bibliothèque nationale de France, département Réserve des livres rares, RES-Y2-399

Lees verder >>

Column 103: Voer voor filologen: “een slappe hand”?

Door Willem Kuiper

Ging men er tot in het begin van de negentiende eeuw gemakshalve vanuit dat zo’n beetje de hele Middelnederlandse literatuur vertaald was uit, dan wel sterk geïnspireerd door de Franse letterkunde, eenmaal in handen van academisch geschoolde taal- en letterkundigen en onder invloed van de Tachtigers werd er een rigoreuze scheiding aangebracht tussen wat slechts vertaald was en wat oorspronkelijk Middelnederlands was. Als gevolg van deze waan van de dag werd de Ferguut in het verdomhoekje geparkeerd, kon de Walewein plotsklaps rivaliseren met de beste Oudfranse Arturromans en werd Hadewijch uitgeroepen tot Europees kampioen mystieke lyriek.
     In de loop der jaren ben ik tot het besef gekomen dat die negentiende-eeuwers zo gek nog niet waren, en dat de Middelnederlandse letterkunde benaderd en begrepen moet worden als ‘vertaalde literatuur’. Hiermee wil ik niet beweren dat de Middelnederlandse literatuur tweederangs of ‘onecht’ is. Wie de moeite neemt de Middelnederlandse vertalingen van Oudfranse teksten woord voor woord met de bronteksten te vergelijken, en dat heb ik gedaan, ziet dat die vertalingen allesbehalve ‘slaafs’ zijn, maar een eigen ‘stadse’ identiteit en mentaliteit uitstralen. En die stadscultuur begint al in de dertiende eeuw haar invloed uit te oefenen. Floris ende Blancefloer werd niet door een (Franstalige?) klerk geschreven / vertaald voor de niet francofonen, werkzaam aan het ambulante hof van Vlaanderen, maar door een Brugse schoolmeester, die in deze liefdesroman een reclamecampagne zag voor het nut en de noodzaak van onderwijs in taal- en letterkunde.
     Als u de Lagelandse literaire Middeleeuwen wilt leren kennen dan moet u zich vooral niet blindstaren op wat zogenaamd ‘oorspronkelijk’ is, maar zien hoe vertalers met hun bronteksten omgingen: wat zij weglieten, wat zij veranderden, wat zij toevoegden, wat zij niet begrepen en wat zij verkeerd begrepen.
Lees verder >>

Column 102: Voer voor filologen: Dubbelzinnigheid

Door Willem Kuiper

Noem het een beroepsziekte, maar ik lees nooit één boek tegelijk. Minstens twee. Soms lees je iets in het ene boek dat je zonder het andere boek weer snel zou vergeten. Maar omdat in het andere boek iets vergelijkbaars staat, krijgt zo’n passage opeens een onverwachte dimensie.

In het chanson de geste Elaine de Constantinople varen vader Anthoine de Constantinople en schoonzoon Henry d’Angleterre in gezelschap van hun (klein)zonen Martin en Brisse en hun peetvader, de aartsbisschop van Tours, nadat zij Bruges (Brugge) op de Saracenen veroverd hebben, via l’Escluse (Sluis) het zeegat uit op zoek naar Elaine. Wij, de luisteraars en lezers, weten dat Helena under cover in Tours verblijft, maar omdat de wind uit de verkeerde hoek waait, gaan zij aan land in het heidense Escoche (Schotland), waar zij het beleg slaan voor de stad Hantonne (Southampton). Hantonne is in handen van koning Gamaus, de broer van koning Amaury d’Escoche, die eerder in het verhaal een belangrijke rol speelde als vrijwillige bekeerling tot het Christendom en vervolgens als onverschrokken voorvechter in de strijd tegen de Saracenen, wat hij uiteindelijk bekopen moest met de kruisdood in Castres (Plaisance) in Lombardie. Gamaus is een Saraceen in hart en nieren, maar zijn zuster Ludiane is tot het Christendom geneigd en wil niets liever dan een christen echtgenoot en een christen leven leiden. In de strijd voor Hantonne hakt Brisse – die zijn naam dankt aan de afgehakte arm (bras) / hand van zijn moeder – Gamaus een hand af. Maar in het verdere verloop van de strijd worden hij, de aartsbisschop van Tours, en koning Anthoine gevangen genomen. De wraakzuchtige Gamaus wil hen de volgende dag op een gruwelijke manier om het leven laten brengen, maar Ludiane praat hem dat uit zijn hoofd: Het is verstandiger de gevangenen als wisselgeld te bewaren. Een volgende keer worden er Saracenen gevangen genomen, en dan heb je wat om te ruilen. Gamaus kan zich hierin vinden en vertrouwt de gevangenen aan Ludiane toe, omdat hij geen fiducie heeft in zijn eigen gevangenbewaarders. Hij is als de dood dat die zich zullen laten omkopen. Tussen de bedrijven door heeft Ludiane een blik op het drietal kunnen werpen: twee mannen op leeftijd en één jonge man.
Lees verder >>

Column 101: Voer voor filologen: Tekstkritiek via de achterdeur, of hoe een Amsterdamse druk uit 1640 een (hardnekkige) fout in een Parijse druk van ca. 1510 kan verbeteren.

Door Willem Kuiper

Nadat de arme 13-jarige Helena van Constantinopel aan een afgedwongen huwelijk met haar eigen vader ontkomen is door in het holst van de nacht met een schip te vluchten, gaat zij aan land nabij Sluis in (Zeeuws) Vlaanderen. Vlaanderen was toen nog woest en Saraceens en heette destijds Vautembron. Een lastig te begrijpen naam, ook voor middeleeuwers. Zelf houd ik het op een vervorming van Val tenebreux: Duister Dal. In dit heidense woeste land staat een nonnenklooster, en daar vindt Helena onderdak. Maar als de koning van Vautembron hoort dat er een bloedmooi jong meisje in dat klooster ingetreden is, eist hij haar op. En als hij zijn zin niet krijgt, zal hij het klooster met alle nonnen in de fik steken. Helena vlucht naar de kust en krijgt daar een lift van een koopvaardijvaarder. Maar eenmaal op de hoge zee worden zij overvallen door Saraceense piraten die het hele schip uitmoorden, behalve dan Helena. De kapitein heeft andere plannen met haar. En als zij daar geen zin in heeft, zal hij haar overboord gooien. Helena beseft dat verzet zinloos is en vraagt om uitstel om even te mogen bidden. Het wordt haar toegestaan, “Maar houd het alsjeblieft kort, Car sçachiés, vo biauté me fait moult desirer / De vo bouche baisier et de vous acoler ».” Dan volgt zo’n typisch chanson de geste-gebed, waarin de hele heilsgeschiedenis in het kort wordt naverteld, eindigend in een smeekbede voor het behoud van haar maagdelijkheid. Helena is nog niet uitgesproken of donder en bliksem, wind en regen overvallen het schip, en dat blijkt niet bestand tegen deze Goddelijke krachten van de natuur. Het vergaat met man en muis. Alleen Helena vindt een plank in het water die groot genoeg is om haar drijvend te houden, waarna zij op de derde dag aanspoelt in de monding van de Thames nabij het “Noef Castel” in de omgeving van Londen.
Lees verder >>

Column 100: Voer voor boekhistorici #3: de Historie vanden reus Gilias

Door Willem Kuiper

In 1903 publiceerde Gerrit Jacob Boekenoogen (1868-1930) de Historie vanden reus Gilias als deel IV van de prachtige, door hem in samenwerking met de Maatschappij der Nederlands(ch)e Letterkunde begonnen en gedragen, reeks Nederlandsche volksboeken. Eerder bezorgde hij de delen I-III, achtereenvolgens Den droefliken strijt van Roncevale, Historie van Floris ende Blancefleur en Historie van den Ridder metter Swane. Later zou hij nog tekenen voor de delen VI: Historie van Jan van Beverley, IX: Exempel van een soudaensdochter, X: Historie van den jongen geheeten Jacke en XI: Historie van den verloren sone. Liefdewerk oud papier in de allerbeste zin van het woord.
Recentelijk realiseerde ik mij dat deze Historie vanden reus Gilias (nog) niet geëxcerpeerd was voor het Repertorium van Eigennamen in Middelnederlandse Litereraire Teksten (REMLT). Via de on-line catalogus van de KB Den Haag vond ik op de website Early European Books, gedrukte bronnen tot 1700 een gedigitaliseerd facsimile van één van de twee bewaard gebleven exemplaren van dit boekje: KB Den Haag 190 D 21. Het andere exemplaar wordt in de Bibliotheca Thysiana van de UB Leiden bewaard: THYSIA 1935.

Ik weet dat het Internet vooral gebruikt wordt om naar heel andere plaatjes te kijken, maar mij maak je gelukkig met een oud boek in kleur en hoge resolutie. En dat geluk wordt er nog groter op als ik dat boek mag downloaden. Want dat mag lang niet altijd. On-line ziet het er oogverblindend uit, je kunt er zelfs in zoeken, maar je kunt er niet uit kopiëren. Soms mag je zo’n digitaal boek als pdf-bestand downloaden, maar als je het dan opent, is het vaak zwart-wit en zichtbaar onscherper. En dan voel je je als Jacob die naast Lea wakker wordt in plaats van naast Rachel (Genesis 29, 25).
Lees verder >>

Column 99: Occasio of Fortuna?

Door Willem Kuiper

Onlangs heeft u in Neder-L een even enthousiaste als welwillende recensie kunnen lezen van Kennis in beeld van de hand van Ine Kiekens. Toen dat boek nog op de tekentafel stond, zou ik daaraan meewerken. Maar ik werd ziek en kon mijn afspraak niet nakomen. Gelukkig won de medische wetenschap het van mijn ziekte, en duurde het productieproces van het boek zo lang dat ik, nog maar net hersteld van mijn behandeling, alsnog mijn bijdrage kon leveren: ‘Luna en Fortuna’.
Eigenlijk had ik iets anders in dat boek willen publiceren: een exegese van de satirische voorstelling die deze miniatuur m.i. verbeeldde.

De Maan in De natuurkunde van het geheelal, Utrecht, 1465-1470.
Wolfenbüttel, Herzog August Bibliothek, Cod. Guelf. 18.2 Aug. 4°,
fol. 123r. Copyright: Herzog August Bibliothek,Wolfenbüttel.

Het rad van fortuin wordt immers niet door mensen bevolkt, maar door dieren, en Fortuna draait niet zélf aan het rad, maar het wordt voortbewogen door een ezel die daarin loopt als ware het rad een tredmolen. Zo te zien voert zij de ezel aan een touw mee.
Ik moest denken aan de vroeg veertiende-eeuwse Roman de Fauvel, een ‘musical’ die naar men denkt als vorstenspiegel geschreven werd voor de Franse koning Philips de Schone (1268-1314), en probeerde de dieren op het rad in te passen in de hoofdzonden die de naam van de roodharige ezel spellen: Flatterie, Avarice, Vilenie, Variété, Envie en Lâcheté. Maar daar dachten de kunsthistorica’s die mijn tekst redigeerden, heel anders over. Niet het woord maar het beeld stond centraal in dit boek. Mijn bijdrage moest worden ingepast in het grotere geheel van Kennis in beeld. En zo geschiedde.
Maar bij alle verschil van mening, over één ding waren wij het allen roerend met elkaar eens: de vrouw op de miniatuur was een voorstelling van ‘Fortuna’. Nooit heeft iemand een vinger opgestoken en gezegd: “Maar is dat wel Fortuna?”

Lees verder >>

Column 98 : de middeleeuwse slaapmuts als voorbehoedsmiddel

Door Willem Kuiper

Deze augustus maand zendt de NCRV weer de kennisquiz De slimste mens uit. Als de rest van Nederland – jury-voorzitter Maarten van Rossem uitgesloten, want dat is óók een nachtmens – op één oor ligt, spelen mijn echtgenote en ik mee via Uitzending gemist.
In aflevering 19 van donderdag 7 augustus 2014 kwam een opgave voor over hoofddeksels met als één van de oplossingen: de ‘slaapmuts’. Deze slaapmuts was voor Maarten van Rossem aanleiding om het spel te onderbreken en het publiek te vergasten op een buitenissig ‘terzijde’. Als deze uitzending nog nakijkbaar is als u dit leest, moet u de cursor zetten op tijdstip 25:38. Ik citeer:

Waarom werd er vroeger een slaapmuts gedragen? Men weet dat niet helemaal zeker, maar de veronderstelling is dat dat was om de luizen binnen boord te houden. En die mensen hadden allemaal luizen, en met een slaapmuts op verspreidden ze zich niet door het hele slaapvertrek. Bovendien hadden ze geen centrale verwarming, dus het vroor vaak dat het kraakte in de slaapkamer, zodat je hoofd toch frappant koud werd. Dat zou de reden zijn voor het dragen van de slaapmuts.

Column 97 : celibaat

Door Willem Kuiper


“Nederlandse priesters worden zeldzaam: tweederde uit buitenland” kopte de NRC van donderdag 14 augustus.
  Wist ik al lang. Toen mijn dierbare tante Lies al weer heel veel jaren geleden te Alkmaar begraven werd onder de schaduw van de hoofdtribune van het oude AZ67-stadion, terwijl het vroor dat het kraakte, werd de uitvaartdienst geleid door een Poolse kapelaan, destijds een nouveauté: “Zij roeste in vrede!”
  Je zult maar behept zijn met de slappe lach.

Eén van de, zo niet dé hoofdoorzaak van het gebrek aan priesters is m.i. het celibaat: de belofte zich niet aan een ander mens te binden en zich te onthouden van alles wat met seks te maken heeft. Leven als een engel op aarde. Op zich is daar niets op tegen, alleen het is waanzin om zo iemand in te zetten als zielzorger van gehuwde mensen.
  Gedurende de Middeleeuwen was het celibaat voorgeschreven voor kloosterlingen, niet voor wereldlijke geestelijken. En waarom ook niet? Sommige apostelen waren ‘gewoon’ gehuwd, Petrus inclusief. Wist iedereen in de Middeleeuwen. En hij had ook nog een dochter, Petronilla geheten. Bloedmooie meid! Om ervoor te zorgen dat daar geen ongelukken van kwamen, was zij chronisch bedlegerig. Wat wel vragen opriep bij de mensen rond Petrus, aangezien hij andermans dochters aan de lopende band genas. “Waarom genees je je eigen dochter niet?,” vroegen zij Petrus. “Omdat dat beter voor haar is,” antwoordde Petrus. “Maar omdat jullie mij niet geloven, kom vanavond bij mij eten en dan zul je het zien.”
Lees verder >>

Column 96 : “Kennisse” voor gebruikers van de CD-ROM Middelnederlands

Door Willem Kuiper

Terwijl u dit leest, herlees ik Buevijn van Austoen. Dat is een van oorsprong Frans chanson de geste, waarvan zelfs nog dertiende-eeuwse Middelnederlandse fragmenten bestaan, 116 regels in totaal, uitgegeven in het Corpus Gysseling II, deel 1. Opmerkelijk is dat de Middelnederlandse dichter / vertaler / bewerker zijn (Franse) voorbeeld een “liet” noemt: “Nae dien dat ict int liet verstoet” (r. 100). Ook is hij niet vies van sensatie, want hij laat Boeve een superieure helm dragen die door “varende vrouwen” in het land Morianen gesmeed werd voor de machtige koning Bradimont. Heel jammer dat ons van deze roman slechts 116 regels van de hoeveel 1000 resten, want dit riekt naar een vrije bewerking. Ik kon deze exotische herkomst van het zwaard in het Frans niet terugvinden.
     Buevijn van Austoen is een prozaroman die in 1504 gedrukt werd door de Antwerpse drukker, uitgever en vertaler Jan van Doesborch. Of de bewaard gebleven druk de eerste is, kan ik u niet zeggen. Zal haast wel. De roman moet veel succes gehad hebben, want in 1511 verschijnt een herdruk bij Adriaen van Berghen, Antwerpen, in 1552 een herdruk bij Hans van Liesvelt, Antwerpen, en in 1563 een herdruk bij Jan van Ghelen, eveneens Antwerpen [Bron: R.J. Resoort].
Lees verder >>

Column 95: Google en de Gulden legende

Door Willem Kuiper

Tegen de tijd dat u dit leest, is de voltooiing van deel I van de Gulden legende-editie weer een paar weken dichterbij gekomen. De editie zelf is al af, nu alleen de inleiding nog. En de registers … In de inleiding nemen wij, de drie editeurs, een legende op die ontbreekt in het handschrift KB Brussel 15140, dat aan de basis van de editie ligt. Dit is het oudste, compleet bewaard gebleven handschrift, nog net veertiende-eeuws en geschreven in een taal die niet ver af staat van de taal van de Brabantse vertaler, Petrus Naghel van Aelst († 1395). Deze Pelagius-legende ontbreekt ook in het ‘Amsterdamse’ handschrift UBA UvA VI B 15, waarmee het voor mij allemaal begon, met als gevolg dat ik mij tot voor kort niet bewust was van het bestaan van deze legende. Curieus genoeg staat hij wel in het onvolledig bewaard gebleven ‘Brugse’ handschrift. Dit is een nogal excentrisch handschrift – zie hier een afbeelding van fol. 75recto – het oudste ‘letterkundige’ handschrift dat op papier geschreven werd, en dat dateert van 12 oktober 1357 (of is dat de datum van de voltooiing van de Gulden legende?).
Lees verder >>

Column 94 : Zwarte Piet

Door Willem Kuiper

Nog niet zo heel erg lang geleden, als de R in de maand kwam, dan ging het mosselseizoen van start. Wat er met die mosselen, of mossels zo u wilt, gebeurd is, Joost mag het weten. Feit is dat een 2 kg. zak Prins en Dingemanse – beter bestond er niet – nu € 11,99 moet kosten, terwijl er amper volgroeide mosselen in de schelpen te vinden zijn … Heel irritant. Maar nóg irritanter vind ik de commotie rond het Sinterklaasfeest, waarvan onze media overlopen. Alsof er niets belangrijkers is om je over op te winden. Bijvoorbeeld de teloorgang van de postbode.

Waar gaat het om? Sinterklaas zou een racistisch feest zijn, want daarin speelt de zwarte man een ondergeschikte rol ten opzichte van de witte man – hoop dat ik het zo goed heb samengevat. Dit vonnis wordt vooral geveld door niet witte mannen van Surinaamse komaf, die in de maanden voorafgaand aan het Sinterklaasfeest op basis van het feit dat een verre voorouder als slaaf van West-Afrika naar Zuid Amerika vervoerd werd, zich diep beledigd voelen over Zwarte Piet als knecht van de goedheiligman, of die door over hun toeren geraakte peuters in de supermarkt herkend worden als een Zwarte Piet in burger. Nee, wat dat betreft heb ik meer te doen met nette mannen van mijn leeftijd die geboren zijn met de achternaam Sintnicolaas of jonge gasten uit de buurt die door hun vader bij de burgelijke stand zijn aangegeven als Piet Zwart.
Lees verder >>

Column 93: een ondergeschoven kindje

Door Willem Kuiper

Naarmate een mens ouder wordt, gaat hij of zij zich storen aan het taalgebruik van anderen, en dan met name dat van jongeren. Vermoed dat dit al sinds Adam en Eva het geval is. Ik vorm hierop geen uitzondering, maar probeer mild in mijn ergernis te zijn. Dus als ik op Radio 1 een vraaggesprek beluister, waarin de gast m/v elk antwoord op elke vraag begint met het uitspreken van de woorden: “Nou ja”, dan probeer ik dat te negeren.
Moeilijker heb ik het met de gewoonte, die maar weinig mensen om mij heen niet vertonen, om overal “OK!” op te zeggen. Zelfs op een mededeling als “Met mij gaat het momenteel iets minder”, wordt zonder nadenken gereageerd met “OK!” Soms zeg ik dan: “Dat is helemáál niet ‘OK’!” Alsof ik niet begrijp hoe sterk de macht der gewoonte is.
Maar de spreekwoordelijke druppel die nu de emmer doet overlopen, is de te onpas door veel te veel mensen gebruikte uitdrukking: Dat is een ondergeschoven kindje. Een dezer dagen nog: Medezeggenschap ook aan de HvA ondergeschoven kindje Wie die kop bedacht heeft, weet ik niet, en doet er ook niet toe, maar hij staat er.
Wat er met de uitdrukking “een ondergeschoven kindje” bedoeld wordt, daarover lijken alle gebruikers het met elkaar eens te zijn: niet de aandacht, liefde en zorg krijgen waarop je recht meent te hebben. Tot zo ver is er niets aan de hand. Maar is dat ook de historische betekenis van “een ondergeschoven kindje”?

Lees verder >>

Column 92 : Tekstkritiek

Momenteel, geachte lezer, werk ik samen met collega Ludo Jongen aan een vertaling in hedendaags Nederlands van “Dat es tspel vanden heiligen sacramente vander nyeuwer vaert”, een mirakelspel geschreven door iemand die ondertekende met “Smeken fecit”. Het is verleidelijk om in deze Smeken de Brusselse dichter Jan Smeken te herkennen. Jan Smeken is de nom de plume van Jan de Baertmaker (Brussel? ca. 1450-Brussel 1517). Curieus genoeg bestaat er geen Nederlandstalig Wikipedia-artikel over hem, wel een Franstalig: zie hier. Jan was stadsdichter van Brussel, maar het is allesbehalve onmogelijk dat hij er af en toe wat bij schnabbelde en niet te beroerd was om voor de Bredase broederschap van het heilig Sacrament van de Nyeuwervaert een toneelstuk te schrijven op basis van een bestaande prozakroniek.
Lees verder >>

Column 91: het dieet van Karel de Grote

Vorige week woensdag, 30 januari 2013, presenteerde De Wereld Draait Door (DWDD) de herontdekking van een schild gesneden uit het gewei van een eland. Het curiosum was in 1952 door de Duits-Nederlandse bankier Mannheimer aan het Rijksmuseum cadeau gedaan, waar het sindsdien in de kelder bewaard werd. Aan het schild kleefde een verhaal: het zou afkomstig zijn uit de abdij van St. Arnould te Metz, waar Lodewijk de Vrome (778-840) begraven werd, de vierde zoon van Karel de Grote, die hem opvolgde als koning van Frankrijk. Blijkbaar werd dit verhaal destijds niet serieus genomen, want er werd niets mee gedaan. Ook was er geen ander, vergelijkbaar schild bekend. Men hield zelfs rekening met de mogelijkheid dat het om een vervalsing ging.
Lees verder >>

Column 90: 100 % DNA match Jacob van Maerlant

Door Willem Kuiper

Elke woensdagmiddag werken Hella Hendriks en ik een aantal uren aan het Repertorium van Eigennamen in Middelnederlandse Literaire Teksten (REMLT). Verspreid over de week editeer, lees, of excerpeer ik teksten die tot het corpus behoren of eraan kunnen bijdragen. Jan van Stijevoorts refreinenbundel uit 1524 bijvoorbeeld. In die refreinen lees je zinnen als: ik houd nog meer van jou dan A van B hield, of C van D, of E van F. A tot en met F zijn doorgaans literaire personages, en zo kun je je een betrouwbare indruk vormen van hoe er in het begin van de zestiende eeuw gedacht werd over antieke en middeleeuwse literaire helden. Refreinen vormen een heel rijke bron voor de receptie van literaire kennis.
Lees verder >>

Willem Kuiper: Voorspelbretels (Column 89)


Een kleine 20 jaar geleden werd ik gebeld door iemand van het computergebeuren binnen het PC Hoofthuis UvA. Zijn naam kon ik mij nog herinneren: Harm van Beek. (Voorlopig hoef ik mijnheer Altzheimer geen hand te geven.) Hij was mijn naam tegengekomen in een nieuwsbrief die op Internet verspreid werd. Of ik geïnteresseerd was? Nou dat was ik.
    Dankzij de inmiddels wegbezuinigde vakgroep ‘Alfa informatica’ beschikte het PCH over een kleine VAX, en die werd te weinig gebruikt. Het PCH was nog niet aan de beurt voor een PC voor elke medewerker. Dat kwam pas jaren later. In een voor het publiek toegankelijke ruimte stond een terminal en daar kon je inloggen. Hoe dat werkte, werd mij uitgelegd door Jeannet Bierling. Zij heeft mij leren e-mailen en FTP-en.
    Mijn naam was genoemd in een aflevering van de Internet-nieuwsbrief Neder-L. Die werd vanuit het Universitair Rekencentrum van de Katholieke Universiteit Nijmegen de wereld ingestuurd door Ben Salemans. Ben was onder andere geïnteresseerd in computers en letteren, en had vanuit die belangstelling kennis genomen van mijn proefschrift Die Riddere metten Witten Scilde, dat ik met WordPerfect, AskSam en Pascal als onderzoeksinstrumenten op de PC, verdedigd had in september 1989.
    Toen ik dankzij zelfgemaakte checklisten wist in welke volgorde ik welke commando’s moest invoeren – want die verschilden per programma – heb ik mij op enkele listservers geabonneerd. Om daar weer razendsnel mee op te houden. Die listservers waren Twitter avant la lettre. Als iemand die op de lijst stond iets ‘postte’ dan werd dat bericht bij alle aangesloten abonnees bezorgd. Meestal was de inhoud ‘sociaal’: waar je moet gaan eten als je daar en daar bent. Heel interessant maar niet voor mij.
    Neder-L was een verademing, want dat werd gemodereerd. Ben Salemans verzamelde berichten en publiceerde die in een bulletin dat aanvankelijk twee keer per maand verscheen, later drie keer. Daar kon je je gratis en voor niks op abonneren en zo werd je via e-mail op de hoogte gehouden van wat er zoal gebeurde binnen de (digitale) neerlandistiek.
Lees verder >>

Column 88: Gratis onderwijs


Toen het Japanse leger onder opperbevel van Hideki Tojo in juli 1937 het hart van China binnenviel, realiseerde men zich in militaire kringen te Washington DC dat Amerika vroeg of laat door de Japanse agressie in een oorlog in de Pacific betrokken zou raken. De ontwikkelingen in Europa namen dat gevoel van onrust geenszins weg. De aanvankelijk ‘vreedzame’ expansie van Hitler-Duitsland veranderde in een brute oorlog met de aanval op Polen in september 1939 en de verovering van Denemarken, Noorwegen, de Lage Landen en Frankrijk in het voorjaar van 1940. Roosevelt deed er alles aan om de hardwerkende Amerikaan, die nog maar net uit het diepe dal van de depressie opgekrabbeld was, te doen geloven dat Amerika buiten de oorlog kon blijven, ook al wist hij zelf beter.
  In het diepste geheim werden er vanaf 1937 voorbereidingen getroffen om het militair zeer zwakke Amerika weer enigszins op sterkte te brengen. Zonder woorden als herbewapening of mobilisatie in de mond te nemen werd opdracht gegeven tot het ontwerpen en bouwen van gevechtsvliegtuigen. Amerika was een groot land en kon daarom groot denken. De militaire denktank had begrepen dat in een volgende oorlog de luchtmacht wel eens doorslaggevend zou kunnen zijn.
  Dat besef leidde tot een opmerkelijk initiatief: het grootschalig opleiden van piloten. Verspreid over de gehele USA werden luchtmachtbases aangelegd, waar men tot piloot kon worden opgeleid. Ronduit revolutionair was dat er weinig of geen eisen gesteld werden aan de mannen die zich aanmeldden. Wie piloot wilde worden, moest als vrijwilliger dienst nemen in het leger, kreeg een gratis opleiding plus een bescheiden salaris. Deze carrière sprak vooral tot de verbeelding van ‘country boys’, jongens die op het platteland waren opgegroeid, niets van de wereld hadden gezien en – als zij deze buitenkans niet aangrepen – de rest van hun leven zouden slijten in of nabij hun old home town.
Lees verder >>

Column 87: ‘de moraal van die tijd’

Toen ik vanochtend – 9 mei 2012 – de voorpagina van de Volkskrant omsloeg, zag ik een plaatje dat ik kende en een kop die mij aansprak. De kop luidde: ‘Digitale bibliotheek wordt nieuw leven ingeblazen’. Het plaatje was een miniatuur uit het zogeheten Evangelarium van Egmond (KB Den Haag, 76 F 1). Een link naar een hoge resolutie foto van fol. 214 verso en 215 recto vindt u in de gelijknamige Wikipedia-pagina. De digitale bibliotheek in kwestie was niet ‘onze’ DBNL, maar Europeana, een digitale bibliotheek waar ik nooit gebruik van maak. Misschien ligt dat aan mij: ik vind niet wat ik zoek. Misschien is men nog onvoldoende uitgeblazen.
   Vandaag, las ik in de Volkskrant, presenteerden de Europese ministers hun favoriete keuze. En zo kon het gebeuren dat staatssecretaris Halbe Zijlstra tijdens een werkbezoek aan de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag koos voor het negende-eeuwse Evangelarium van Egmond dat daar in de kast staat.  Dit boek, dat omstreeks 900 in Reims geschreven en geschilderd werd, werd door graaf Dirk II van Egmond (ca. 932-988) aangekocht en geschonken aan de Benedictijner abdij van Egmond, het ‘huisklooster’ van de graven van Holland, dat hij omstreeks 950 een stenen kapel / kerk cadeau had gedaan. Daarmee nam Dirk de allure aan van een vorst.
   De graven van Holland dankten hun waardigheid aan het wantrouwen van de koningen van Frankrijk: Charles II, toegenaamd ‘de Kale’ en Charles III, toegenaamd ‘de Simpele’. Die werden geteisterd door de Noormannen en verdachten de Friezen ervan deze onverlaten vrije doortocht te verlenen. Als ik Beka mag geloven, was dit wantrouwen onterecht, maar de koningen van Frankrijk namen het zekere voor het onzekere en installeerden een strandwacht die moest waarschuwen als er Vikingen in aantocht waren.
Lees verder >>

Column 86: ‘middeleeuws’

Op de voorpagina van de Volkskrant van vandaag, 30 april 2012, viel mij het vetgedrukte woord “middeleeuws” op. Het bleek de ‘kop’ te zijn van de dagelijkse Voetnoot van Arnon Grunberg. Hoewel je dat niet kon afleiden van die vette kop handelde deze over economie. Grunberg verdeelt de experts in twee groepen: “Zij die menen dat fiscale discipline en bezuinigingen de weg uit de crisis zijn. […] En zij die menen dat de overheid de economie dient te stimuleren en dat fiscale discipline alleen het probleem slechts groter maakt.” Als een woordvoerder van de tweede groep citeert Grunberg een niet met name genoemde econoom, die het blind bezuinigen “middeleeuwse economische chirurgie” noemde. Volgt de slotalinea van Grunberg zelf: “Deskundigheid is inderdaad nauwelijks vereist om te beseffen dat de crisis met middeleeuwse middelen wordt bestreden waar later hard om zal worden gelachen.”

Ik moet nu al lachen.

Lees verder >>