Tag: columns Suzanne Aalberse

Ongemakkelijke beleefdheid

Door Suzanne Aalberse

In hun opiniestuk “Laten we het woordje ‘u’ in ere herstellen” van 21 januari betogen Lotte Schouten en Noortje Pelikaan dat het woord u teloor gaat en dat die teloorgang een symptoom is van een steeds verdergaande respectloze omgang in de samenleving. 

De grote sympathie waarop het woordje u zich in hun bijdrage mag verheugen is een relatief nieuw verschijnsel. In zijn roman Klaasje Zevenster (1866) laat van Lennep zijn personage dominee Bol bij het horen van de aanspreekvorm u de retorische vraag stellen: Is dat nu gezond en gangbaar Hollandsch?”.Het impliciete antwoord is dat u als onderwerp (in bijvoorbeeld ‘Wilt u’) geen gezond en gangbaar Nederlands is.

Lees verder >>

Over strategische verzoeken om honing en 1-maandsrente, zoete-saus-watjes en culturele vloeiendheid

Door Suzanne Aalberse


Vandaag stonden in de Volkskrant een aantal fragmenten afgedrukt uit een emailwisseling tussen een handelaar van de Rabobank en een submitter. De handelaar wil graag de eenmaandsrente wat hoger en hij mailt de submitter: “Als het effe ken, dan wil ik het voor de eenmaandsrente wel wat hoger.” Hij schrijft niet iets formelers als:” mocht het mogelijk zijn, dan zou ik op prijs stellen als u de eenmanssrente wat hoger maakt”maar hij gebruikt het zeer informele “ken” en  “effe”. Dat informele taalgebruik suggereert een band. Voor iemand met wie je een band hebt, doe je meer. Strategisch informeel taalgebruik zou je kunnen zeggen. Een oud voorbeeld van informeel praten om wat gedaan te krijgen zit in de Vos Reynaerde. Bruun de Beer wil honing van Reynaerd. Hij vraagt: “Reynaert, wat haetste wat?” Waar in het hele verhaal de formele aanspreekvorm ghi gebruikt wordt, zit hier de informele aanspreekvorm te (. Die informele aanspreekvorm suggereert een band en Reynaerd hoopt zo meer honing te krijgen. Alweer strategisch informeel. Lulofs schreef er een prachtig artikel over.

Lees verder >>

Ben je ofzo dom?

Door Suzanne Aalberse
Een van de spannende momenten als docent op een nieuwe plek is het tentamen. Kan ik het tentamen zelf wel maken? Er zit bijna altijd wel een vraag bij waar ik twijfel. Die twijfel kan handig zijn, het is mogelijk dat zo een minder sterke vraag uit de toets geweerd kan worden, maar het is ook een eng moment. Wie weet ontdek je gaten in je kennis waarvan je gehoopt had dat ze er niet waren of in ieder geval nog even niet ontdekt werden.
Een tentamenvraag waar ik aan het twijfelen sloeg was:
– Leg uit waarom taalverandering vaak niet opvalt.
Het normantwoord was: taalverandering valt niet op, omdat taalverandering geleidelijk gaat. Een ijverige student had bij dit antwoord nog een s-curve getekend: de verandering raakt in het begin maar een paar woorden/constructies, dan gaat de verandering snel en dan weer langzaam.
Maakt geleidelijke verspreiding nu echt dat je de verandering niet direct opmerkt?

Lees verder >>

Heeft taalonderwijs nut?

Door Suzanne Aalberse

Is het als docent Nederlands zinvol om je leerlingen op fouten te wijzen? Voor het onderwijs in Nederlands als tweede taal is deze vraag preciezer uitgezocht dan voor Nederlands voor moedertaalsprekers. Een belangrijk discussiepunt in het antwoord op die vraag is de relatie tussen bewuste kennis en onbewuste kennis. Onze taalkennis is voor een heel groot deel onbewust. In een flits bepaal je bijvoorbeeld of je over een man en een vrouw spreekt. Je hoeft niet na te denken of je hij of zij zegt, het gaat vanzelf goed. In andere talen dan het Nederlands hoef je lang niet altijd aan te geven of het om een man of een vrouw gaat en daarom hoor je Chinezen of Indonesiërs soms over she of zij praten als het om een man gaat of juist om he of hij als het om een vrouw gaat. Alle sprekers die ik tegenkom die hij/zij fouten maken, weten best dat hij voor een man is en zij voor een vrouw, er is dus op bewust niveau geen enkel probleem, maar om het onderscheid altijd goed te gebruiken, dat is de uitdaging.

De observatie dat weten hoe het zit niet maakt dat je een vorm goed gebruikt, ligt mede ten grondslag aan de non-interface hypothese van Krashen.

Lees verder >>

Is de nieuwe paus een zij?

Door Suzanne Aalberse

Biologisch gezien zal de volgende paus een man zijn, dat wordt van tevoren gecontroleerd (zie de uitdrukking Testiculos habet et bene pendentes ). Toch is het mogelijk dat de paus “zij” genoemd wordt. De aanspreekvorm voor de nieuwe paus (en de paus-emiritus) is namelijk zijne heiligheid. Woorden die op –heid eindigen zijn altijd vrouwelijk en alle abstracte termen waarmee verwezen wordt naar belangrijke mensen (majesteit, edelheid, hoogheid) zijn vrouwelijk. Naar vrouwelijke woorden kun je met zij verwijzen. De Franse koning was bijvoorbeeld zij. Anna Siewierska beschrijft bijvoorbeeld dat er tegen de Franse koning gezegd kon worden: Votre altesse, que désire-t-elle? Vertaald: Uwe hoogheid wat wenst zij?

Lees verder >>

Wat is de relatie tussen cakeverkopers en Celine Dion?

Door Suzanne Aalberse

Gisteren is op veel plekken Chinees Nieuwjaar gevierd van Korea tot Rotterdam. Een bijzonder optreden was op de Chinese staatstelevisie was van Celine Dion. Ze zong in het Chinees.  Met Celine Dion komen Chinees en Engels (en Frans) samen in het hoofd van één persoon. De samenkomst van Chinees en Engels in één hoofd is ook de veroorzaker van het woord cakeseller in het Engels van Chinese jongeren: ‘cake seller’ is in het Mandarijn Chinees mai gao de (糕的) en dat klinkt weer als het Engelse ‘O my god’ zoals beschreven door Li Wei.

Bij cake seller gaat het om een bewust taalgrapje.
Lees verder >>

Brood en spelen in taal

Door Suzanne Aalberse
Als u dit stukje leest, kunt u waarschijnlijk Nederlands. Dat is economisch best handig. Redelijk veel mensen verstaan Nederlands, je kunt daarom in de taal handel drijven, veel verschillende sociale contacten mee aanknopen, onderwijs volgen en nog veel meer. Met Nederlands kun je misschien niet zoveel als met Engels, maar weer meer dan met het Tukkers. In zijn boek words of the world uit 2001 beschrijft Abram de Swaan de talen als een planetenstelsel. Supercentrale talen als het Engels verbinden heel veel sprekers. Om die grote planeten heen zweven wat kleinere planeten, de centrale talen zoals het Nederlands en weer daaromheen zweven de meer perifere talen als het tukkers. De voorspeling van de socioloog de Swaan is dat de grote planeten steeds belangrijker worden, omdat ze hun sprekers het meeste opleveren. Taal als brood zou je kunnen zeggen.

Lees verder >>

Taal als tijdsmachine

Om de reiziger aan te sporen om een kaartje te kopen en zo de boete van 40 euro te vermijden, hangt er een bordje in de bus van Wupperal: “40 euro sind viel geld!”Mijn oog valt op sind, ik zou niet snel zeggen 40 euro “zijn veel geld”, maar liever ”is veel geld”. Mijn aandacht gaat naar wat anders is dan in het Nederlands. Dat op de uitspraak na alles hetzelfde als in het Nederlands is,merk ik niet op. Vaak gaat praten over taal over verandering en over verschillen. Groot was dan ook mijn verbazing dat Fiona Jordan, antropoloog bij het Max Planck instituut zei dat taal voor antropologen zo interessant is, omdat taal zo stabiel is. Waar de techniek om dingen zoals vazen maken in twee generaties helemaal kan veranderen of verdwijnen, verandert taal geleidelijk. Je moet elkaar kunnen blijven verstaan. De eis van verstaanbaarheid remt verandering.

Lees verder >>

Meertaligheid: risico of rijkdom?

door Suzanne Aalberse
Deze week kwam meertaligheid vaak langs. D66 bepleit tweetalig onderwijs voor de basisschool en ook op het VMBO en het MBO in plaats van alleen voor havo/vwo scholen, Emile Roemer wordt tijdens het eerste debat aangevallen om zijn gebrekkige talenkennis, talen zouden juist weer geen probleem zijn geweest voor de piloten uit het Airbus-passagiersvliegtuig uit het Spaanse Malaga. Die beheersen hun talen uitstekend werd gemeld op het journaal. Bovendien wordt er druk getweet over het drongo-festival, het festival over meertaligeheid genoemd naar de meertalige vogel, de drongo.

Is meertalig zijn leuk?

Lees verder >>

Wie wil er een ijsje? Ikken!

 

Over de nadruks-n en de opkomst van rare regels in taal

door Suzanne Aalberse

Als mijn dochters iets heel duidelijk willen maken, dan gebruiken ze de –n: “Bedoel je dit boek, neehee, dezeN!” “Wie wil er een ijsje? IkkeN!”, “Is Maaike je oom? Nee dat is mijn tanteN. “Meestal is het alleen na de sjwa (de –e), maar het kleintje kan de –n nog breder toevoegen, bijvoorbeeld: “dat is geen t-shirt dat is een truiN”. Ik vertelde over die extra –n’s het aan mijn collega Els Elffers en ze zei: o ja de nadruks-n die hadden mijn kinderen vroeger ook. De kinderen horen de –n vooral in nadrukscontexten. Op de crèche zeggen ze bijvoorbeeld: “Ga zittuh op je billuh.” Als dat niet gebeurt, wordt het verzoek herhaald: “Ik zei : ga zitteN op je billeN.” De normale uitspraak voor de kinderen is de uitspraak zonder -n (zie stukje Marc). Ze ervaren “zittuh” niet als een vorm die iets mist, maar “zitteN” als een woord met een toegevoegde klank die nadruk geeft. En voor hun kan die extra klank makkelijk toegevoegd worden en zo hebben ze een eigen nadruksuitgang gemaakt. Waarschijnlijk houden de kinderen op met de extra –n’s als ze goed kunnen lezen en schrijven en zien dat zitten wel op een –n eindigt en dezeniet.

Lees verder >>

Over de geboorte van lidwoorden, naamvallen en andere (on)gemakken

door Suzanne Aalberse


Vaak lees je over het verdwijnen van lidwoorden of naamvallen. Steeds meer mensen zeggen ‘de mooie meisje’ en de –n van ‘te allen tijde’ is er alleen op papier nog maar allang niet meer in gesproken taal. Toch  zijn lidwoorden en naamvallen ooit ontstaan. Hoe eigenlijk en waarom?


In zijn boek Sociolinguistic Typology.  Social determinants of linguistic complexity schrijft Peter Trudgill over de situatie waarin naamvallen, lidwoorden en andere elementen die in ieder geval voor volwassen en soms ook voor kinderen lastig te leren zijn, toch kunnen opkomen. Dat is vooral in hele kleine taalgemeenschappen, waar weinig tot geen volwassen de taal voor het eerst leren –iedereen leert de taal al als kind-, waar mensen de meeste kennis delen, een taal die vooral informeel gebruikt wordt en in een gemeenschap waar geen heftige dingen gebeuren zoals massaal doodgaan aan de pest en waar de sociale orde niet opeens verschuift. Hij noemt die gemeenschappen ‘societies of intimates’.

Grappig is om te zien waar naamvallen vandaan komen.
Lees verder >>