Tag: Columns Marijke De Belder

Dat ze haar hand maar eens in eigen boezem steekt!

Door Marijke De Belder
De spelling is als het slag mensen dat er vilein genoegen in schept wanneer je een puistje, een haar op je tepelhof of een extra pondje ontwikkelt. In elk futiel falen weet zij het leedvermaak te vinden. Zo zit zij vanop haar troon hautain met haar hete adem in je nek te blazen smekend om de dag waarop je over choquante przewalskipaarden moet schrijven of –oh, geen schitterender jolijt- een dt-fout maakt.
Als een zwaard van Damocles hangt ze boven onze hoofden en ze lijkt daarbij niet te beseffen dat ze slechtgesmeed is. Want wat er soms echt fout gespeld is, is de spelling zelf. Aha, laat ons het daar eens over hebben!

Lees verder >>

Opruimen


Soms regent het in mei. Soms gebeuren er zelfs nog eindeloos veel treuriger zaken die je bij de Grote Vragen doen aanbelanden. Om zulke tollende gedachten te vermijden kan een mens zich vermeien met de kleine vragen. Het lusthof van deze taalkundige zijn dan de woordenboeken van het Instituut voor Nederlandse Lexicologie, een fort van minutieus verzamelde kleine antwoorden, gratis en voor iedereen het net opvrolijkend.
Deze week vroeg ik me samen met een collega bijvoorbeeld af of opruimen in hetzelfde rijtje past als opvrolijken, opfrissen en opleuken. Tenslotte zijn het allemaal scheidbare werkwoorden met op waarin je een bijvoeglijk naamwoord kan herkennen (ruim, vrolijk, fris en leuk). Wel, dat is zo opgezocht.
Opvrolijken, opfrissen en opleuken klinken jong en dat zijn ze ook. De voorbeelden in het Woordenboek der Nederlandsche Taal, het WNT voor de vrienden, zijn niet ouder dan eind achttiende-eeuws. Je zou de indruk kunnen krijgen dat we pas sinds een goede tweehonderd jaar scheidbare werkwoorden vormen van bijvoeglijke naamwoorden en op. Dat is echter niet zo. Volgens het Middelnederlandsch Woordenboek werd opschonen al in het Middelnederlands gebruikt, al zei men destijds nog opsconen. Opruimen, ten slotte, is zo oud als de straat. Het wordt al aangetroffen in teksten uit de dertiende eeuw, dus in het Vroegmiddelnederlands. Mogelijk is het zelfs veel ouder, maar oudere bronnen zijn schaars en zeer beperkt. Uit plaatsnamen zoals Rumbeke, Rumpt en Ruimel weten we in ieder geval dat het bijvoeglijk naamwoord ruim echt ontzettend oud moet zijn. Dat staat in het Oudnederlands Woordenboek. Opruimen verschilt dus wezenlijk niet van opleuken. Het werd minstens vijf eeuwen eerder gevormd, maar wel volgens precies hetzelfde recept. Men neme een bijvoeglijk naamwoord en men make een scheidbaar werkwoord met op.

Lees verder >>

Te Belgisch

Door Marijke De Belder
Omdat ik onderzoek naar woordvorming doe, plaats ik soms vragenlijsten online. Die vragenlijsten worden enthousiast ingevuld, waarvoor ik zeer dankbaar ben. Na elke vragenlijst ontvang ik steevast mails van bezorgde Nederlanders om me te melden dat mijn taalgebruik te Belgisch is. Het is niet gewoon Belgisch, zoals ikzelf. Het is té Belgisch. Net omdat ik met deze taalgebruikers de liefde voor de standaardtaal deel, wil ik er graag wat over kwijt.
Ik beken schuld. Mijn woordenschat is Belgisch. Ik gebruik bijvoorbeeld woorden als jobstudent. Goedbedoelende Nederlanders moedigen me daarom aan de belgicismen te vervangen. Ik vrees echter dat mijn taalgebruik dan te Hollands wordt. Het is namelijk niet zo dat de volledige Noord-Nederlandse woordenschat in de oren van Vlamingen neutraal klinkt. Een Vlaming trekt de wenkbrauwen evenzeer op bij ontbijtkoek als een Nederlander dat doet bij peperkoek. Er is een deel van de Nederlandse woordenschat dat nu eenmaal varieert. Ik stel voor dat we die verschillen in onze woordenschat met de mantel der liefde bedekken. Ik zie namelijk niet onmiddellijk een alternatief.

Lees verder >>

Somberende Sue

Uw favoriete woordsoort is het zelfstandig naamwoord. Dat is u zo overkomen omdat u ook maar een mens bent. U mag misschien denken dat u toch net wat tukker bent op de werkwoorden of zo, maar werkelijk, u verstrekt allerlei privileges aan zelfstandige naamwoorden. U vormt bijvoorbeeld veel spontaner een nieuw woord als dat nieuwe woord een zelfstandig naamwoord mag zijn. Het nieuw verzonnen zelfstandig naamwoord kiwibesmest in (1) vindt u bijvoorbeeld toch aanvaardbaarder dan het nieuwe werkwoord bekiwibesmesten in (2).
(1) Ze strooit kiwibesmest op de struikjes.
(2) Ze bekiwibesmest de struikjes. [vreemd]
U hebt ook niet minder dan 115 woorddeeltjes te uwer beschikking om zelfstandige naamwoorden te vormen.

Lees verder >>

Het meestershuisje in de wezeltuin

Het wonderlijke aan moedertaalsprekers is dat ze spontaan weten of zinnen en woorden welgevormd zijn, zelfs als ze die nooit eerder hoorden. Dat Deolifant neuriede hetwezellied een goede Nederlandse zin is en dat wezelliedeen prima woord is, daar twijfelt u niet aan, al heeft u beide vast nooit eerder gehoord. En toch, soms ga je twijfelen, ook als taalkundige. Dan schrijf je een artikel over tussenklanken in nieuwe woorden en je aarzelt. Is het nou ministerlied of ministerslied? Je stelt vast dat je het eigenlijk zelf ook niet goed weet. Het overkwam mij vorige week. Ik liep vast op tussenklanken die volgen op woorden die eindigen op -en, -er, -el en -em, zoals varken, bever, ezelen bezem. Ezeltuin of ezelstuin, ik wist de knoop niet door te hakken en het leek me volstrekt onverantwoord om zomaar een keuze te maken. Ik kon het antwoord ook niet gewoon even opzoeken. Woordenboeken brengen nauwelijks raad als je onderzoek doet naar tussenklanken in nieuw verzonnen woorden.

Lees verder >>