Tag: columns Marieke Winkler

Literaire kritiek: Man niet overal aan de macht

Door Marieke Winkler

Ongeveer een maand geleden verscheen in NRC het artikel ‘Man schrijft de boeken, man bemant de kritiek’ (10/04/2015). Naar aanleiding van de zogenaamde VIDA Count, waarin jaarlijks de verhoudingen tussen mannen en vrouwen in de Angelsaksische literaire wereld in kaart worden gebracht, legde NRC de eigen recensies onder de loep. Hoeveel werden er afgelopen jaar eigenlijk door een man geschreven en hoeveel door een vrouw? En wat is de verdeling als we kijken naar wát er wordt besproken?
Het resultaat was onthutsend. Maar liefst 77% van de 703 recensies die NRC in 2014 plaatste, bleek door een man geschreven. Ter vergelijking: in de Volkskrant was dat 63% (op een totaal van 483) en in Trouw 55% (op een totaal van 400). Daarmee komt NRC dichter in de buurt van The New York Review of Books (81% mannelijke recensenten) dan The New York Literary Supplement (48%), overigens het enige papieren medium in het Angelsaksische taalgebied dat een min of meer gelijke verdeling weet te handhaven, aldus VIDA. 

Lees verder >>

Literaire ‘self-representation’ in een studie uit 1929

door Marieke Winkler

In het kader van mijn promotieonderzoek naar de verhouding tussen de literaire kritiek en de literatuurwetenschap in Nederland ben ik al een tijdje bezig grip te krijgen op deze man: Nico Donkersloot (1902-1965).* In de jaren dertig beter bekend als de dichter en criticus Anthonie Donker. 

In 1930 richtte Donker het literaire maandblad Critisch Bulletin op dat pleitte voor een ‘onpartijdige, samenvattende en bij voorkeur opbouwende critiek’. Donker had een jaar eerder in een interview te kennen geven dat hij de huidige kritiek maar onsmakelijk vond:

‘Het is nu een chaos. Ruzies, bijbedoelingen, partijdige critiek, vertroebeling door politieke factoren, dat alles maakt onze critiek onbetrouwbaar en onsmakelijk. En de goede, ernstige, artistieke krachten zijn verstrooid.’

Een ‘saneering van de critiek’ was volgens Donker dan ook hard nodig.

Lees verder >>

Het raadsel van academisch schrijven

Door Marieke Winkler

Gisteren schreef Marc van Oostendorp op Neder-Lover Steven Pinkers nieuwe boek Sense of Style. Het herinnerde mij aan een essayvan Pinker dat ik onlangs las in The Chronicle of Higher Education. Het essay, overigens bedoeld als teaser bij het boek, fascineerde mij omdat het opende met eenzelfde vraag die Karel van ‘t Reve alweer 36 jaar geleden stelde in zijn beruchte Huizingalezing Het raadsel der onleesbaarheid. In ‘Why Academics Stink at Writing’ vraagt Pinker zich namelijk af:

Why should a profession that trades in words and dedicates itself to the transmission of knowledge so often turn out prose that is turgid, soggy, wooden, bloated, clumsy, obscure, unpleasant to read, and impossible to understand?

Van ’t Reve meende dat het een bewuste keuze was van de literatuurwetenschapper om onleesbaar te schrijven. Academici zouden een obscuur jargon hebben ontwikkeld om te verhullen dat ze eigenlijk niets te zeggen hebben. Ze kleden het triviale stilistisch op zo’n manier aan dat het complex en wetenschappelijke klinkt.

Precies dit argument haalt Pinker aan in de opening van zijn artikel, maar anders dan Van ’t Reve schuift hij het ook meteen weer van tafel.

Lees verder >>

Wetenschapper, u moet de wereld in!

Door Marieke Winkler

Vorige week was de laatste bijeenkomst van de Huizinga-onderwijsreeks ‘Science, scholarship and society’ waarin de reflectie op de geschiedenis van de geesteswetenschappen centraal stond en de vraag hoe we, ondanks de grote fragmentatie binnen de humaniora en de grote verscheidenheid aan onderzoeksmethoden, toch tot een gemeenschappelijke reflectie kunnen komen op de (maatschappelijke) waarde van de geesteswetenschappen.

Gastspreker voor deze laatste bijeenkomst was Wijnand Mijnhardt, hoogleraar vergelijkende wetenschapsgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht en één van de auteurs van het spraakmakende position paper Waarom de wetenschap niet werkt zoals zou moeten, en wat daar aan te doen is dat afgelopen september verscheen.
Lees verder >>

Het uniekste tijdschrift uit de Nederlandse literatuur

door Marieke Winkler
Voor uw lichamelijke verkoudheid
een schone zakdoek
Voor uw geestelijke verkoudheid
DE SCHONE ZAKDOEK
(motto uit De Schone Zakdoek, nr.3)
Het tijdschrift De Schone Zakdoek waart als een mythe door de Nederlandse literatuurgeschiedenis. Niet alleen omdat De Schone Zakdoek het enige Nederlandse surrealistische tijdschrift was, maar ook, of eigenlijk vooral, omdat een nummer van het tijdschrift schaars goed was. Het verscheen namelijk tussen 1941 en 1944 in de bijzondere oplage van één exemplaar.

Terug naar de tekst II

door Marieke Winkler


In het handboek Het leven van teksten (2006) stellen Brillenburg Wurth & Rigney dat sinds de jaren ’70 het besef steeds sterker is geworden dat literatuur bestaat bij gratie van de lezer. De literatuur-wetenschapper is niet alleen geïnteresseerd in de bijzondere structuur van het literaire werk maar vooral ook in wat mensen doenmet literatuur. De literatuurwetenschapper houdt zich met andere woorden bezig met méér dan de literaire tekst: hij richt de aandacht op ‘het leven van teksten in de samenleving’ (11) en de manier waarop mensen door middel van verhalen betekenis geven aan de wereld om hen heen.

Deze uitgesproken aandacht voor de cultureel-sociale context van literatuur maakt dat de literatuurwetenschapper (ook als hij het woord niet wil gebruiken) deels socioloog is.

Lees verder >>

Terug naar de tekst I

Door Marieke Winkler

In het voorwoord van zijn boek Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur  (2013) schrijft Thomas Vaessens dat hij specifiek gekozen heeft voor een benadering die een ‘terugkeer naar de tekst’ betekent. ‘[W]aar veel literatuurwetenschappelijk onderzoek de laatste decennia gericht was op de instituties om de literatuur heen (de kritiek, de uitgeverij, het boekbedrijf en het gedrag van verschillende actoren in het veld, waaronder ook de schrijver)’ richt Geschiedenis van de moderne Nederlandse literatuur  zich in de eerste plaats op ‘de bijzondere aard, functies en effecten van de literaire tekst.’ (12) In Vaessens’ literatuurgeschiedenis staat met andere woorden niet de contextcentraal maar de tekstzelf.

Er zijn al langer geluiden te horen die een terugkeer naar de tekst voorstaan. In 1996 schreef Frank Hellemans in Mediatisering en Literatuur. Een moderne, mediavergelijkende literatuurgeschiedenis  bijvoorbeeld dat de aandacht van literatuuronderzoekers al te snel uitgaat naar vormen van ‘afgeleide of secundaire mediatisering’. Die vormen betreffen volgens Hellemans extra-literaire fenomenen die eerder onder de noemer van commercialisering vallen dan onder de noemer cultuur. Het is duidelijk hoe Hellemans deze benadering beoordeelt: ‘het beeld van de schrijver in de media [dringt] het werk als dusdanig op de achtergrond, terwijl precies het literaire werk toch op de eerste plaats datgene is waar het in de literatuur om gaat’. (13)

Schrijverslogboek of kleine filosofie?

Essayistisch schrijven over literatuur is booming business
Over Jannah Loontjens. Mijn leven is mooier dan literatuur. Een kleine filosofie van het schrijverschap (2013) Ambo: Amsterdam. pp.184. (Bestel)informatie bij de uitgever.
Door Marieke Winkler
Leven met literatuur

Jannah Loontjens debuteerde als dichter in 2001 met de bundel Spectroscoop. Een jaar later volgde de dichtbundel Varianten van nu en in 2006 verscheen Het ongelooflijk krimpen. Naast gedichten schreef zij twee romans: Veel geluk (2007) en Hoe laat eigenlijk (2011). Oorspronkelijk opgeleid in de filosofie koos Loontjens voor een promotietraject in de literatuurwetenschap. In 2012 promoveerde zij aan de Universiteit van Amsterdam op het proefschrift Popular Modernism.

Afgelopen jaar verscheen er niet alleen een volgende dichtbundel (Dat ben jij toch) maar ook de essaybundel Mijn leven is mooier dan literatuur, volgens de ondertitel een ‘kleine filosofie van het schrijverschap’. Mijn leven is mooier dan literatuur bevat, zo schrijft Loontjens in het nawoord, ‘juist datgene wat ik niet in mijn proefschrift kwijt kon, maar dat in feite toch de onderliggende voedingsbodem van mijn literatuurwetenschappelijk onderzoek vormde.’ (172) In dit boek is –anders dan in haar proefschrift– ruimte voor haar eigen ervaringen als lezer en schrijver, voor jeugdherinneringen en voor perosonlijke interpretaties van literaire werken en films. In het ‘Woord vooraf’ wordt de onderliggende voedingsbodem meteen duidelijk, de overtuiging dat leven en literatuur intrinsiek met elkaar verbonden zijn: ‘Leven zonder literatuur is voor mij ondenkbaar; hoe we met en in literatuur leven, daar gaat dit boek over.’ (8) Het is een overtuiging die Loontjens herkent bij grote modernistische auteurs als Proust en Kafka.
Lees verder >>

Hoe herken je het nieuwe?

In aanloop naar De geest moet waaien. Festival voor het gesproken woord (23-26 mei)

door Marieke Winkler
In november 1958 verscheen, in eigen beheer, het eerste nummer van het literaire tijdschrift Barbarber. De oplage bestond uit 100 gestencilde nummers en de redactie had het goedkoopste en dunste papier gebruikt om de kosten tot een minimum te beperken. De omslag werd gesierd door allerhande gemeenplaatsen zoals ‘zeg dat wel’, ‘zo is dat’, ‘de kop is er af’ en ‘wie zal het zeggen’ waarmee de relativerende houding van het tijdschrift duidelijk werd. Barbarber had niet de behoefte om de ‘oude lyriek’ van de Vijftigers met veel lawaai af te schaffen, zij negeerde haar gewoon.
De drie redacteuren G. Brands, K. Schippers en J. Bernlef besloten het eerste nummer rond te sturen naar verschillende prominente literatoren en kunstenaars, maar ondanks deze publiciteitsstunt vond het eerste nummer nauwelijks weerklank. Wanneer men het eerste nummer van Barbarber nu in handen heeft, is dit goed voor te stellen: de onbenulligheid van de uitvoering doet meer denken aan het uiterlijk van een plaatselijk schoolkrantje dan aan een tijdschrift met een vaste plek in ieder Nederlandse literatuurgeschiedenis. Het is dan ook vanaf het verschijnen van het tweede nummer geweest, wanneer Barbarber zijn kenmerkende formaat van een in de lengte gevouwen foliovel krijgt, dat het de aandacht begint te trekken.
Lees verder >>

Op zoek naar de ideale academicus

Door Marieke Winkler
De ijverige oefenaar en kennisstamper floreert, terwijl het potentiële genie niet aan zijn trekken komt’ schrijft Michiel Hennink in het NRC Handelsblad van 11 maart jongstleden. In zijn opiniestuk getiteld ‘De universiteit hoort juist geen praktijkschool te zijn’ verzet hij zich tegen verdere ‘bemoedering’ door de universiteit, die haar studenten steeds meer aan de hand neemt door middel van verplichte werkcolleges, verplichte zelfevaluaties en verplichte mentoruurtjes. Hennink pleit voor ‘de geur van boeken, intellectuele gesprekken en scherpe teksten’. Hij wil zijn geest scherpen en zou graag zien dat de universitaire opleiding meer ruimte beidt voor creativiteit.

Henninks artikel doet denken aan het stuk van Karsten Meijer en Sicco de Knegt ‘The Homo Universalis Returns!’ dat een maand eerder verscheen op online opinieplatform De Fusie. Meijer & De Knegt ageren net als Henninks tegen de verregaande praktijkgerichtheid van de universiteit die de ‘waardevolle kritische geest’ de das om doet.
Lees verder >>