Tag: columns Leonie Cornips

Streektaalbeleid

Door Leonie Cornips
Binnenkort verschijnt de erfgoednota van de Provincie die het beleid voor de komende jaren voor het (im)materieel cultureel erfgoed presenteert. Taal valt onder cultureel erfgoed en kent veel verschijningsvormen in Limburg. Diverse vertegenwoordigers, betrokken bij de streektaal, schreven onlangs het visiedocument ‘Sjiek is miech dat’ als input voor de nieuwe erfgoednota. In dit visiedocument staat dat de regionale taal in Limburg mensen mobiliseert in hun gevoel van eigenwaarde, zelfbewustzijn en zelfredzaamheid. Taal is onmisbaar om regionale identiteiten te creëren: ze leidt tot sociale binding en herkenbaarheid van de provincie.

De ambities van de erfgoednota zijn duidelijk: dialecten hebben een digitaal platform nodig om ze vitaal te houden. Talentontwikkeling is een uitdaging: Limburg heeft een blijvende diversiteit aan podia nodig waar jongeren zich cultureel en literair kunnen manifesteren. Kennis over hoe de jeugd zich organiseert is urgent om streektaalbeleid te kunnen continueren. Kennisverspreiding over meertaligheid naar leerkrachten in het onderwijs (van kinderopvang tot middelbare school) is hard nodig. Limburgers zijn vaak van huis uit meertalig. Naast het Nederlands spreken zij dialect; een buurtaal zoals Duits of Frans, een lingua franca als Engels of een andere veel voorkomende taal zoals het Arabisch/Berbers, Turks en Spaans. Deze meertaligheid is niet alleen een cognitieve, sociaal-culturele kracht in Limburg maar zeker ook een economische. De kunst is om die meertaligheid te bevorderen en in te zetten waar dat nodig is (bijvoorbeeld in grensoverschrijdend werkverkeer en toerisme).

Lees verder >>

Mislukt gesprek

Door Leonie Cornips

Ik was nieuwsgierig om te weten hoe bewoners in een verzorgingstehuis in de Randstad gebruik maken van dialect (plat Haags, Rotterdams of Amsterdams) in hun interactie met elkaar en met de staf. Sophie Martini, studente Taalwetenschappen in Leiden, voerde een onderzoek uit in een klein tehuis. Al snel blijkt dat de bewoners geen opvallende lokale talige elementen gebruiken en hoe dan ook nauwelijks met elkaar spreken. Juist in dit tehuis zijn veel bewoners hardhorend en ondervinden zij moeite om te spreken; vooral de staf is aan het woord. Maar hoe leg je aan een bewoner met gehoorproblemen uit dat er iets gaat veranderen aan de zorg die ze ontvangt? Sophie was getuige van een volkomen mislukt gesprek tussen een staflid en een bewoonster. 

Op een middag speelt Sophie scrabble in de gemeenschappelijke zaal (eet-, speel- en bezoekerszaal bij de receptie) met bewoners aan een tafeltje. De opnamerecorder ligt voor haar. Naast haar spelen twee vrouwen Rummikub. Aan de overkant van de gang probeert een staflid Betty (B) aan mevrouw de Graaf (G) (de namen zijn fictief) nieuwe regels uit te leggen over huishoudelijke hulp. Het gesprek tussen B. en G. is duidelijk hoorbaar voor iedereen in de zaal hoewel het gesprek best wel privé is: hoe wil G. haar huishoudelijke hulp inrichten en betalen aangezien sommige diensten niet langer in het standaardpakket zitten zoals haar bed verschonen en het huisvuil ophalen. Die taken nemen drie minuten per dag in beslag – dat is 21 minuten per week – en vijftien minuten extra kost 7,85 euro. Een gek bedrag! Die boodschap probeert B. over te dragen. 

Lees verder >>

Taalbarrières

Door Leonie Cornips


Limburg is bij uitstek een grensregio waar (samen)werken over de grenzen heen in de praktijk vaak lastig is vanwege cultuur- en taalverschillen, andere wet- en regelgeving en bevoegdheden. Verleden jaar is daarom het expertisecentrum ITEM opgericht, een acroniem voor de heel lange benaming ‘Expertisecentrum Internationale, Transnationale en Euregionale Mobiliteits- en Grensoverschrijdende’ vraagstukken in de regio. De bedoeling van het onderzoek binnen ITEM is om met praktische oplossingen te komen voor de politiek en diverse adviesorganen. Iedereen die over de grens werkt, ook al is dat in Limburg soms maar een afstand van een paar kilometer, komt voor allerlei problemen te staan. Hoe ziet straks mijn pensioen in Nederland eruit als ik in België werk? Hoe is de vergadercultuur in Duitsland? Wat zijn de knelpunten in grensoverschrijdende arbeidsbemiddeling? Hoe zit het met diploma’s: een Vlaamse verzorger mag bijvoorbeeld geen verpleegtechnische handelingen uitvoeren terwijl een Nederlander daar wel voor opgeleid is. Hoe zit het mijn hypotheek in Nederland als ik in Duitsland werk?

Lees verder >>

Zachte g

Door Leonie Cornips


Een medeklinker als de ‘zachte (g)’ heeft geen enkele betekenis; het verwijst niet naar ‘iets’ in de wereld. Bij een woord als boom zien we een stam en takken met groene bladeren voor ons, bij een zachte (g) helemaal niets. Maar toch kent dit kleine klankje vele sociale betekenissen. Voor Limburgers is de zachte (g) een echte achilleshiel. Deze krant staat vol met columns als van Gé Reinders en ingezonden brieven over hoe Limburgers zich tot de zachte (g) verhouden. ‘Mensen met een zachte (g) kunnen een softe en onzekere indruk maken op mensen uit bijvoorbeeld de Randstad’, schrijft Pascal Cuijpers. P. Bors uit Venlo laat weten: ‘Enige tijd geleden verliet ik het station van Eindhoven, met een klant overleggend aan de telefoon. Iemand hoorde dit en liet onmiddellijk weten te horen dat ik uit Limburg kwam.’ Ad Canters uit Tegelen: ‘Vaak heb ik voor mijn werk cursussen gevolgd in Amsterdam, Utrecht en Rotterdam. Steeds maar weer dat genöäl: ‘Uw komp saekuh oit Limburch, dat hoar ik oan u accint.’ 

Natuurlijk is het niet alleen de zachte (g) waardoor veel Limburgers aan hun Nederlands te herkennen zijn maar ook aan hun melodieuze wijze van spreken, de huig (r) en noem maar op. Maar de zachte (g) is wel het kenmerk dat de essentie van de Limburger afbeeldt met alle bijbehorende stereotypen – ze vieren allemaal carnaval, zijn katholiek, frauduleus, gezellig, incompetent – en bijbehorende emoties. En dat terwijl de zachte (g) volgens de Dialectatlas van het Nederlands ook elders voorkomt: in Brabant, het oostelijk deel van Gelderland, een beetje in Overijssel tot gedeeltes in Drenthe toe en een klein stukje Zuid-Holland. 

Lees verder >>

Zingen in dialect

Door Leonie Cornips

Begin januari is Louis Grijp overleden. Louis was 22 jaar lang mijn collega aan het Meertens Instituut. Hij was hoogleraar en succesvolle onderzoeker ‘Nederlandse liedcultuur in het heden en verleden’ en de grote spil achter het ensemble Camerata Trajectina (Latijn voor ‘Utrechts muziekgezelschap’) dat liederen vanaf de middeleeuwen tot de Gouden Eeuw speelt. Hij is lange tijd mijn buurman in het instituut geweest. Vaak hoorde ik hem in zijn kamer neuriën, zingen of luitspelen. Hij onderzocht zoveel, te veel om in deze column kwijt te kunnen. Over al dat onderzoek vertelde hij boeiend: over de liederen die de bouwvakkers vroeger zongen bij het heien in Amsterdam, over vrouwenrollen die door mannen gespeeld en gezongen moesten worden in het historisch theater, over schunnige liedjes en zeker ook over zingen in dialect. Louis schreef als eerste over zingen in dialect, al in de jaren negentig van de vorige eeuw. Hij signaleerde dat Friesland in de negentiende eeuw met het Friese Liedboek (1876) voorop liep en Groningen later met het Grunneger zankbouk (1930). Het wonderlijke is, zo schrijft Louis, dat het plattelandsvolk dat gewoon was in dialect of streektaal te spreken, voornamelijk in het Nederlands zong! De echte doorbraak van de streektaalmuziek in de jaren tachtig is vooral te danken aan de regionale omroepen.

Louis was vooral geïnteresseerd in de Groningse liedzanger Ede Staal, die hij in één adem noemde met Jo Erens en Rowwen Hèze. Ede Staal werd landelijk bekend door een documentaire (1996) en de film de Poolse bruid (1998) die zich op het Groningse platteland afspeelt. In die film is Staals’ lied ’t Hoogelaand in het Gronings te beluisteren. 

Lees verder >>

Kinderpoëzie

Door Leonie Cornips
 
Het is zelden dat ik als taalkundige een proefschrift onder ogen krijg dat in het Nederlands geschreven is. Maar afgelopen december verdedigde Annette de Bruijn aan de Universiteit Maastricht haar in het Nederlands geschreven proefschrift Zin in Poëzie over kinderpoëzie. Haar schrijven is verrukkelijk om te lezen en laat overtuigend zien dat het Nederlands (nog steeds) een volwaardige wetenschapstaal is. Vooral het deel waarin ze pleit dat poëzie voor leerlingen op de basisschool belangrijk is, verdient een dunne handelseditie voor een breed geïnteresseerd publiek. Maar daarvoor ontbreekt meestal de tijd; net gepromoveerden bevinden zich in een competitiestrijd om een volgende tijdelijke onderzoekaanstelling binnen te halen. 
 
De vraag die Annette stelt, is of we door onderzoek kunnen achterhalen welke teksten geliefd zijn bij kinderen met verschillende culturele achtergronden van vijf en acht jaar en waarom? Dat is een belangrijke vraag want de school kan dan voortborduren op wat kinderen thuis al als vanzelfsprekend leren en leuk vinden. De school neemt dan verworven kennis van huis uit serieus. Dit is niet vanzelfsprekend want kinderen die thuis bijvoorbeeld andere talen spreken zoals Berber, Turks, Farsi, Japans en dialect kunnen en mogen vaak hun kennis van die talen, net als hun kennis over andere culturen dan de dominante ‘Nederlandse’ niet gebruiken op school. 
 

Lees verder >>

Ontheemde talen

Door Leonie Cornips


Begin jaren tachtig vertrok ik voor mijn studie naar Amsterdam. In de eerste week verloor ik al meteen mijn paspoort. Bij de balie van het politiebureau waar ik aangifte doe, luistert een meneer aandachtig naar mijn verhaal. Hij vertelt me dat ik voor aangifte naar boven moet. Ik loop naar de eerste verdieping en wacht in een lange rij. Net als ik het juiste kantoor binnenloop, zie ik vanuit mijn ooghoek het bordje vreemdelingenpolitie hangen. Ik ben erg verbaasd,  maar ja, net in Amsterdam. Ik vertel mijn verhaal aan de dienstdoende agent en tot mijn verrassing zegt hij: ‘Je kan geen aangifte doen want je zal eerst moeten bewijzen dat je Nederlander bent want met zo’n afwijkend accent ben je eerder een Duitser of Belg.’ Achteraf denk ik dat hij een Amsterdams grapje met me uithaalde maar in die tijd begreep ik dat niet. 

Nu is dit verhaal natuurlijk niet uniek.

Lees verder >>

Horst aan de Maas

Door Leonie Cornips

Als onderzoekers zien we vooral de Randstad als de kosmopolitische plek waar veel nieuwkomers zich vestigen, maar niets is minder waar. Horst aan de Maas staat bekend om grote aantallen Polen die er tijdelijk of permanent wonen en merendeels in de tuinbouw werken. Deze gemeente herbergt volgens het CBS het hoogste aandeel Poolse migranten van Limburg, ongeveer drieduizend op een bevolkingsaantal van krap 40 duizend. 

Daria Boruta – zelf Poolse die Nederlands gestudeerd heeft aan de Universiteit van Poznan en afgestudeerd studente aan de Universiteit Utrecht – voerde voor de Universiteit Maastricht en het Meertens Instituut een drie maanden durend onderzoek uit met een lange veldwerkperiode in Horst aan de Maas. Haar specialisatie is interculturele communicatie en zij onderzoekt onbedoelde misverstanden die door talige en culturele diversiteit ontstaan. Een van haar bevindingen: Daria woont een barbecue bij, georganiseerd door een woningcorporatie, zodat de Poolse en lokale bewoners elkaar beter leren kennen. Tijdens de barbecue speelt een accordeonist en de bewoners zingen. Later, zingen zij samen spontaan in canon ‘Vader Jacob’ en ‘Panie Janie’; de Polen in het Pools, de Nederlanders in het Nederlands. Maar het zingen van het gevraagde volkslied levert problemen op. Terwijl het voor de Nederlanders geen enkel probleem is om het Wilhelmus te zingen, ligt dat voor de Polen anders. Polen associëren hun volkslied ‘Jeszcze Polska nie zginęła…’ met een formele, feestelijke sfeer dat niet bij het informele karakter van de avond past en het zingen ervan tijdens een barbecue zou van disrespect getuigen. 

Lees verder >>

Nederlandse woordenschat

Door Leonie Cornips
Lopen basisschoolleerlingen die in Limburg van huis uit dialect spreken achter in hun kennis van de Nederlandse woordenschat vergeleken met hun eentalig Nederlands sprekende leeftijdgenootjes? Dankzij verschillende subsidies en samenwerking met Elma Blom van de Universiteit Utrecht proberen we (met Kirsten van den Heuij en Ryanne Francot) deze vraag te beantwoorden. In 2014 zijn 128 kinderen (73 jongens en 55 meisjes) tussen de vijf en acht jaar oud voor ons aan het werk gegaan na toestemming van hun ouders en scholen in Elsloo, Stein, Geleen, Schinnen, Puth en Doenrade. De kinderen deden hun best op de Nederlandse versie van een internationale taak die de Nederlandse woordenschatkennis van een kind bepaalt. Een studente noemt een woord in het Nederlands en het kind kiest een afbeelding uit een reeks van vier die bij het woord hoort. Deze test bestaat uit reeksen van twaalf woorden in het Nederlands waarbij de woorden per reeks steeds moeilijker worden. Daarnaast zijn dezelfde kinderen op school met een door ons ontwikkelde dialecttaak aan de slag gegaan. Deze methode bepaalt hun woordenschatkennis in het dialect. De kinderen zien een plaatje en dezelfde studente vraagt in het dialect aan het kind om de afbeelding op het plaatje in het dialect te benoemen. De dialectwoorden verschillen duidelijk van het Nederlands zoals versjet, brook, zjwaegel en veugelke. De selectie van de dertig plaatjes voor de Limburgse Woordtaak is gebaseerd op de Basiswoordenlijst Amsterdamse Kleuters die in opdracht van gemeente Amsterdam is samengesteld. Deze woordenlijst telt drieduizend woorden en is gebaseerd op overzichten van de meest gebruikte woorden in bestaande peuter- en kleutermethodes en lesmateriaal. Verondersteld wordt dat kleuters deze woorden aan het eind van groep 2 kennen.  

Lees verder >>

Mijntaal

Door Leonie Cornips

In het Jaar van de Mijnen is tot nu toe weinig aandacht besteed aan hoe de Oostelijke Mijnstreek talig veranderde door de vele mijnwerkers van elders. Een journalist van het socialistisch Dagblad Het Volk noteert in 1917 over Heerlen: ‘De huizen, de menschen, heel de sfeer doet on-Hollandsch aan… Allerlei vreemde typen loopen er rond en men hoort een mengelmoes van talen en dialecten om zich heen’. Die talen zijn naast Duits zeker Pools, Sloveens en Italiaans omdat deze nieuwkomers hun eigen scholen stichtten. De onderwijzeres Maria Azman onderwees in 1929 het Sloveens aan 329 kinderen in elf verschillende plaatsen in de Mijnstreek. Op de Poolse school, opgericht in 1929, gebruikten Poolse onderwijzers Pools in alle vakken en de lessen in het Italiaans op de Italiaanse school (vanaf 1932) waren volledig op Italië gericht. De bevolkingssamenstelling van Heerlen laat in 1930 dan ook relatief veel Polen en Slovenen zien: Nederlanders (36.563), Duitsers (6.253), Polen (1.209), Slovenen (789) en Italianen (226).

Hoe de mijnwerkers in de voormalige Oostelijke Mijnstreek ondergronds spraken, is wat giswerk.

Lees verder >>

Peutertalen

Door Leonie Cornips


Het voordeel van hoogleraar ‘Taalcultuur in Limburg’ zijn, is dat veel mensen me bellen en vooral e-mailen over allerlei zaken die zij van belang vinden. Die correspondentie levert een mooie wisselwerking op. Ik krijg te horen wat er in Limburg leeft en vooral wat er talig speelt en ik geef informatie of advies terug. Toen ik net aangesteld was bij de Universiteit Maastricht belde een aantal jonge moeders mij op om te vertellen dat sommige leerkrachten het spreken van dialect van hun kind op het kinderdagverblijf ontmoedigden. Ze maakten zich zorgen omdat hun kind daardoor thuis opeens ook geen dialect meer wilde spreken hoewel vader, moeder, opa en oma dat wel wilden. Nadien heb ik dit verhaal vaker gehoord.

Peuters die naar een kinderdagverblijf gaan, zijn nog in een leeftijd waarop de leerkracht een absoluut rolmodel is en zij imiteren het (taal)gedrag van die leerkracht. Een kind van die leeftijd heeft waardering nodig voor zijn of haar manier van spreken ongeacht welke taal dat is (dialect, Turks of Farsi). Als de leerkracht het dialectspreken (in)direct ontmoedigt en uitsluitend Nederlands spreekt, raakt de peuter zo onder de indruk dat hij thuis geen dialect meer wil gebruiken. Op die leeftijd bekommert hij zich verder niet meer om andere situaties waarin hij wel dialect zou kunnen spreken. Oudere kinderen die naar de basisschool gaan, zijn cognitief verder en kunnen het onderscheid tussen thuis- en schoolcontext wel maken en passen daar hun taalgebruik – dialect/andere taal of Nederlands – op aan.

Lees verder >>

Taalkabaal

Door Leonie Cornips

Op de Facebook-pagina van L1 was op 30 september deze stelling te lezen: ‘Dialect heeft geen functie; laat het maar uitsterven’. De begeleidende  tekst luidde: ‘Dialect wordt met uitsterven bedreigd, dat zeggen taaldeskundigen. Steeds minder mensen “kalle plat”’. Deze stelling leverde in twee dagen tijd 271 grappige, verontwaardigde, boze, ongeruste, vragende en lieve reacties op. Zestig mensen deelden deze stelling op hun eigen Facebook-pagina.

Taaldeskundigen zullen niet zeggen dat het dialect uitsterft. Zij zullen zeggen dat het dialect net als elke andere taal voortdurend in verandering is. Het dialect kan alleen uitsterven als iedereen tegelijkertijd zou beslissen om het niet te spreken. Daar is nu geen sprake van.

Lees verder >>

Taalversmalling


Door Leonie Cornips
In zijn recente column schetst Frans Pollux hoe het dialect sluipenderwijs in Limburg verdwijnt. Mensen zijn mobieler en partners komen van verder weg dan eigen dorp, stad of provincie. Nederlands wordt dan de voertaal in het gezin, zeker met kinderen. “Opvoeding schakelt elke generatie meer dialectsprekers uit dan dat er nieuwe bijkomen” schrijft hij. Cijfers lijken dit beeld te ondersteunen. Tussen 1995 en 2011 hebben leerlingen uit groep 2 en 4 van 400 basisscholen door heel Nederland de volgende vragen van onderwijskundig onderzoeker Driessen beantwoord: welke taal spreek je met je vader, je moeder en je vriendjes? In Nederland heeft Limburg samen met Friesland de hoogste scores in dialectgebruik (hoewel het Fries op de basisschool thuishoort). In 1995 spreekt ongeveer de helft van de moeders en vaders in Limburg dialect met hun kind; in 2011 is dat met elf procent geslonken. 42 procent van de kinderen zeggen in 1995 dialect met hun vriendjes te spreken; in 2011 is dat tien procent minder. Deze cijfers zeggen overigens niets over de betekenis die de kinderen hechten aan hun dialect, wat zij precies onder ‘dialect’ verstaan en of zij hierin van elkaar verschillen in de provincie.

Leidse corpsstuko

Door Leonie Cornips

Het universitaire leven is weer begonnen. Verse studenten dwalen door hun universiteit en stad en proberen zich aan het nieuwe aan te passen, ook in hun manier van spreken. Het woord ‘student’ roept veel stereotyperingen op. Een KNO-arts werkzaam bij het VU Medisch Centrum vertelde dit jaar in de Volkskrant: ‘Ik zie veel stemproblemen bij studerende vrouwen van begin twintig. Ik kan niet bewijzen dat het door het verenigingsleven komt, daar vragen we niet standaard naar, maar het is een herkenbare populatie. Ze zijn hees na het stappen of hebben helemaal geen stem als ze opstaan.’ Auteurs die over het studentenleven in het verleden schreven, typeerden de student als iemand die veel tijd besteedde ‘aan tabak, wijn, aan de jol, maar ook aan het dispuut, doch minder aan de colleges’ of ‘feesten, slempen, vrijen, uitslapen, en tussen de bedrijven door een beetje studeren’.

Voor haar stage aan het Meertens Instituut heeft Tess van der Zanden (Universiteit Leiden) onderzoek verricht naar hoe studenten, die in Leiden lid zijn van de vijf grootste studentenverenigingen (Minerva, Augustinus, SSR, Catena, Quintus), spreken en hoe zij zelf hun manier van spreken omschrijven. Ze heeft in het bijzonder gekeken naar studenten die corpsleden zijn. Minerva is het oudste en meest elitaire studentencorps, telt 1600 leden en is voor iedere student toegankelijk. Dat was vroeger nogal anders omdat de kosten van lidmaatschap voor velen te hoog waren. Minerva staat bekend als een ontmoetingsplaats voor adel en patriciaat omdat leden van het koningshuis – Beatrix en Willem-Alexander – corpslid waren. In 2015 blijkt uit een onderzoek van NRC Handelsbladonder 189 Nederlandse topbestuurders dat nagenoeg een derde van hen lid is geweest van een studentencorps, waaronder velen van Minerva.

Lees verder >>

Functiewoorden

Door Leonie Cornips
Woorden in een zin zijn ruwweg te verdelen in twee soorten. Er zijn inhoudswoorden die naar iets in de werkelijkheid verwijzen en waarbij onmiddellijk een beeld opdoemt, zoals bij de woorden ‘boom’, ‘hond’ en ‘rennen’. In principe zijn inhoudswoorden onbeperkt in aantal; we verliezen woorden omdat we ze niet meer (willen) gebruiken of omdat waarnaar ze verwijzen, verdwenen is. Maar er komen ook gestaag nieuwe inhoudswoorden bij zoals ‘selfie’ en ‘participatiesamenleving’. Daarentegen zijn er ook woorden die niet naar iets verwijzen en alleen een functie binnen de zin hebben. Voorzetsels zoals op, tot, in, onder, te en naar en lidwoorden zoals de, het, een zijn goede voorbeelden. Deze functiewoorden verwijzen niet naar iets in de wereld buiten ons; er is geen beeld te bedenken bij een voorzetsel zoals ’te’ of lidwoord ‘de’. Bovendien is de reeks van voorzetsels heel beperkt; er komen door de jaren heen geen nieuwe voorzetsels bij en er verdwijnen nauwelijks voorzetsels hoewel we wel steeds meer voorzetsels uit het Engels gaan gebruiken. Nu lijkt het lidwoord ‘het’ in de Randstad te verdwijnen maar er komen geen nieuwe lidwoorden bij. 

Lees verder >>

Taalgevoel

Door Leonie Cornips

Frans Timmermans plaatste op 10 april een berichtje op zijn Facebook-pagina dat het een hardnekkig vooroordeel is dat dialectspreken door kinderen ‘ten koste zou gaan van hun kennis van het Nederlands’. Dat juist hij die uitspraak doet, betekent veel. Hij is het grote tegenvoorbeeld van het idee dat opgroeien in dialect, naast Nederlands, een goede taalvaardigheid in het Nederlands belemmert en dat dialectspreken niet samen kan gaan met een succesvolle carrière. Uit onderzoek blijkt dat pasgeboren baby’s die opgroeien in een tweetalig gezin, talen die veel op elkaar lijken prima van elkaar kunnen onderscheiden terwijl dat niet zo is voor baby’s in een eentalig gezin. Zij onderscheiden ‘slechts’ talen die veel van elkaar verschillen. Jonge kinderen in tweetalige gezinnen zijn gevoelig voor kleine verschillen tussen talen en merken deze op. Zo schrijft een lezer me: ‘Wim Daniëls zei, dat het (zijn) dialect veel rijker is aan klanken dan het ABN. Naar aanleiding hiervan zei mijn dochter toen, dat zij blij was dialect te spreken en had gemerkt, toen zij indertijd als bijvak met Zweeds bezig was, met typische Zweedse klanken minder moeite had dan Nederlandssprekenden.’ Door dit taalgevoel lijken tweetalige kinderen op latere leeftijd ook andere talen sneller te verwerven dan eentalige kinderen. Ook hier is Timmermans een goed voorbeeld van. Hij spreekt immers Italiaans, Frans, Duits zeer vloeiend en op hoog niveau.

Lees verder >>

Succes in dialect

Door Leonie Cornips


In de jaren vijftig zou het voor Rowwen Hèze, Ivo Rosbeek, Normaal of Nynke Laverman onmogelijk geweest zijn om in het Nederlands, dialect of Fries te zingen. Nederlandstalige muziek was toen oubollig en dialecttalige muziek te eenvoudig en uitermate braaf. Maar volgens Hans op de Coul en Ine Sijben kantelt ‘het beeld van dialect als museumstuk’ in de jaren zeventig volledig. De Worried Men Skiffle Group uit Wenen verbindt als eerste muziekgroep in 1970 dialect aan popmuziek. Uitgerekend de babyboomers gaan dialect in popmuziek gebruiken waardoor een absurdistisch, ironisch en humoristisch effect ontstaat. Het dialect, zo schrijven Op de Coul en Sijben, is immers de taal van de gewone man die de babyboomers in gaan zetten tegen die van de culturele elite. Zo begint in 1973 ook Normaal(Bennie Jolink, student kunstacademie en Jan Manschot, student sociale academie): ‘bereik de gewone man, met kritische liedteksten, in zijn eigen dialect.’ De groep heet Normaal, een sneer naar de oudere generatie waarvan ze steeds te horen kregen: ‘Doe toch eens normaal man!’

Lees verder >>

Rowwen Hèze gaat digitaal


Door Leonie Cornips
In diepe stilte werken we hard aan het Limburgportaal in de Digitale Bibliotheek  voor de Nederlandse Letteren, die iedereen de DBNL noemt. De DBNL was altijd zelfstandig maar is met ingang van 1 januari 2015 onderdeel geworden van de Koninklijke Bibliotheek. De DBNL digitaliseert de Nederlandse literatuur snel, betrouwbaar en in zeer hoge kwaliteit. Iedereen, waar ook ter wereld, kan zonder ingewikkelde poespas, zonder wachtwoorden en gratis op de website van de DBNL  de meest relevante Nederlandse literatuur lezen.
In het Limburgportaal zijn teksten van Henric van Veldeke te vinden die zijn Servaaslegende in het Maaslands dialect rond 1180 schreef en van vele schrijvers na hem tot op de dag van vandaag. Het Limburgportaal is sinds 2012 in opbouw en raakt met literatuur uit/van/over Limburg behoorlijk gevuld dankzij de onvermoeibare inzet van een deskundige werkgroep en dankzij subsidie van vooral de Provincie Limburg en het Winand Roukens Fonds. Subsidie of sponsoring blijft nodig want het kost één euro om een gedrukte pagina te digitaliseren en op te nemen in het Limburgportaal. 

Lees verder >>

30 Jaar Over Rowwen Hèze: auteurs en bijdragen in vogelvlucht

Voorwoord bij: Cornips, Leonie & Barbara Beckers (red.). 2015. Het dorp en de wereld. Over dertig jaar Rowwen Hèze. Nijmegen: Uitgeverij Vantilt. pp 264

30 Jaar Over Rowwen Hèze: auteurs en bijdragen in vogelvlucht

Door Leonie Cornips

Rowwen Hèze bestaat dertig jaar en trekt volle poptempels, weidetenten en theaters met steeds nieuwe fans en trouwe fans die hun band al sinds de begintijd volgen. Dat is een buitengewone prestatie. Het dertigjarig jubileum wordt gevierd met een tournee, een tentoonstelling in het Limburgs Museum en met dit dikke boek voor Rowwen Hèze, over Rowwen Hèze en vooral over wat Rowwen Hèze voor ons betekent.[1]Het boek bevat bijdragen van Rowwen Hèze zelf (Tren van Enckevort, Wladimir Geels, Jack Haegens, Rudy Havermans, Theo Joosten, ex-bassist Jan Philipsen, Jack Poels en Martîn Rongen), van fans, liefhebbers, bewonderaars, muzikanten, journalisten, documentairemakers en wetenschappers. Zij proberen allen op een of andere wijze het succes, hun liefde voor of de betekenis van Rowwen Hèze voor hun eigen leven of voor dat van anderen te verklaren. Het prachtige beeldmateriaal is verzameld door Frank Holthuizen. Deze bijdragen in het dorp en de wereld zijn, naast ‘Rowwen Hèze aan het woord’ verdeeld over acht thema’s: (i) Rowwen Hèze en de fans, (ii) Rowwen Hèze van nabij, (iii) Hoe het begon, (iv) Het persoonlijke en het universele, (v) Geloof, troost en verlies, (vi) Rowwen Hèze en de muziek, (vii) De verbeelding van Limburg en (viii) Rowwen Hèze en de taal. De thema’s lopen in elkaar over en daarom zal ik de 45 bijdragen[2]van de 43 auteurs in vogelvlucht kriskras door de thema’s aanstippen.[3]
 

Lees verder >>

Taalcultuur = economie


Door Leonie Cornips
Taalkundigen onderzoeken de grammatica van een taal maar bestuderen taal ook als een cultureel of sociaal verschijnsel. Maar ‘taal’ is daarnaast ook een economisch product. Onderzoek naar hoe ‘taal’ zich in harde euro’s vertaalt, is behoorlijk in opkomst en geïnspireerd door de Franse socioloog Pierre Bourdieu. Bourdieu schreef vooral tussen 1970 en 1980 over specifieke sociale en politieke condities van taal en taalgebruik. Volgens hem creëren we met zijn allen een symbolische ‘markt’ waar sprekers en hun talige producten ongelijk zijn aan elkaar. De wijze waarop iemand spreekt, is immers niet neutraal. Tussen de zinnen door horen we (on)bewust allerlei ‘sociale’ informatie. Het verraadt voor een deel iemands herkomst, opleiding, type werk, met wie hij zich identificeert en wat hij doet in zijn vrije tijd. Die sociale informatie valt in economische waarde uit te drukken. Een persoon die toegang tot de hoogst betaalde posities wil krijgen en wil participeren in elitaire kringen, zal de meest prestigieuze taalvariëteit moeten spreken en schrijven. Het meest prestigieuze in Nederland is dat wat we als het meest goede, correcte, mooie, grammaticale en verzorgde Nederlands beschouwen. Degenen die dat Nederlands van huis uit niet meekrijgen, zullen later in hun leven voor het leren ervan (veel) moeten betalen in wat voor een vorm dan ook (scholing, tijd en moeite). Talige competenties hebben dus handelswaarde. Leerlingen die hun school niet afmaken, geen werk kunnen vinden vanwege gebrek aan juist geachte taalvaardigheden zijn duur.
Dat we het eens zijn over de waarde van allerlei soorten Nederlands, is het resultaat van een historisch proces waarin we oordelen en normen over het goede Nederlands ontwikkelen, onze emoties erover, en hoe we naar die normen handelen door dat soort Nederlands te onderwijzen en voor examens te eisen. Op deze wijze houdt een samenleving de ‘markt’ van Bourdieu in stand waarin verschillende manieren van spreken en schrijven ongelijkwaardig zijn en als handelswaar verschillen.

Lees verder >>

Tweetaligheidscampagne

Door Leonie Cornips

Vaak hoor ik dat spreken van dialect door jonge kinderen een goede taalbeheersing van het Nederlands belemmert. Taalachterstand in het Nederlands wordt dus vanzelfsprekend gekoppeld aan tweetaligheid. Toch is dat niet zo. Jonge kinderen kunnen moedertaalspreker van twee talen worden zoals van dialect, Pools, Engels, Turks en Nederlands. Het dialect geldt, net als het Engels, als een taal en het doet er niet toe welke twee talen het kind van huis uit meekrijgt. De gedachte dat tweetaligheid taalachterstand oplevert klopt nog meer niet omdat kinderen die van huis uit alleen Nederlands spreken net zo goed met een taalachterstand in groep 1 kunnen beginnen. 

Waarom pleit ik voor het opvoeden van jongs af aan in twee talen?

Lees verder >>

Zorggesprekken

Door Leonie Cornips
Een student in deze tijd heeft een bijbaan nodig, want van een beurs alleen is nauwelijks meer te leven. Wanneer studenten bij mij op het Meertens Instituut als stagiaire een onderzoek willen uitvoeren, probeer ik zo goed mogelijk een onderwerp te verzinnen waar die bijbaan van pas komt. Bij de master-student Marijke aan de Vrije Universiteit was dat onderwerp snel gevonden. Marijke heeft een bijbaan in de thuiszorg en komt makkelijk in contact met zorgverleners en zorgvragers. Zij kan antwoorden geven op de vraag hoe zorgverlener en zorgvrager ‘taal’ inzetten in dagelijkse zorgpraktijken. 

De literatuur beschrijft een gesprek tussen een zorgverlener (arts, (wijk)verpleegkundige, zorgverlener van thuiszorg) en zorgvrager als een soort opvolging van verschillende stadia dat overigens behoorlijk varieert. Eerst start de interactie met een opening (hoe is het met u?), daarna het bespreken van de klacht, vragen voor onderzoek, het stellen van een diagnose, informatie over de behandeling en afsluiting. In een dergelijke interactie stelt de zorgverlener vragen en de zorgvrager geeft antwoorden. Door de vraag-antwoord-opeenvolging zijn de gesprekspartners ongelijk aan elkaar. Degene die de vragen stelt, bepaalt wanneer de ander ‘moet’ spreken en tevens de inhoud van het gesprek. Die ongelijkheid ervaren ouderen ook omdat zij rapporteren dat zij in gesprek met een zorgverlener zich vaak een patiënt en kwetsbaar individu voelen. 

Lees verder >>

Japan aan de Maas


Door Leonie Cornips
Volgens het CBS leefden er in 2011 achtduizend Japanners in Nederland. De meesten wonen in Amstelveen, ook wel Japan aan de Amstel genoemd. De Japanners daar zijn expats die met hun gezin tijdelijk uitgezonden zijn om in de hoofdkantoren van grote Japanse bedrijven te werken.
Mijn collega Anna Strycharz heeft met een prestigieuze beurs twee jaar lang onderzoek verricht naar de effecten van taalcontact tussen Japanse dialectsprekers in Amstelveen. Japan is net als Limburg beroemd om de vele dialecten. Helaas kregen we van de Japanse school in Amsterdam geen toestemming om kinderen onder elkaar in hun Japans dialect op te nemen. Dus zijn we uitgeweken naar Maastricht waar Japanners om meer uiteenlopende redenen verblijven dan in Amstelveen. In Amstelveen wonen uitsluitend gezinnen van wie de echtgenoot een kort arbeidscontract heeft. In Maastricht wonen Japanse studenten die aan de universiteit studeren vanwege het internationale klimaat. Er zijn Japanse werknemers die voor een aantal jaren hier verblijven, en dan is er een groep die zich in Maastricht en omgeving permanent gevestigd heeft. Deze groep bestaat uit gezinnen met hoofdzakelijk een Limburgse en dialectsprekende echtgenoot en een Japanse echtgenote. Hun kinderen zijn in Japan en in Limburg geboren. Deze gezinnen zijn een typisch voorbeeld van de huidige samenleving waarin mobiliteit zo prominent is. De Limburgse mannen hebben zelf als expat in Japan gewerkt en spreken standaard Japans. Zij hebben in Japan hun vrouw leren kennen. De mannen zijn met hun vrouwen naar Limburg teruggekeerd omdat zij graag in Limburg willen wonen en werken. 

Lees verder >>

Het leven van een taalfout

Door Leonie Cornips


Ik hoorde voor het eerst ‘hun hebben dat gedaan’ toen ik begin jaren tachtig naar Amsterdam verhuisde. In ‘hun hebben’ is ‘hun’ onderwerp dat volgens de norm ‘zij’ zou moeten zijn zoals in ‘zij hebben dat gedaan’. De toenmalige minister Plasterk, als voorzitter van de Nederlandse Taalunie verfoeide sterk dit gebruik van hun in zijn column in NRC.Next van 2010. Hij gaf taalkundigen ervan langs. Hij schreef: ‘Elke paar jaar zijn er weer goedbedoelende taalkundigen die via “vereenvoudigingen” de taal logischer willen maken’. Als taalkundige begreep ik die uitspraak toen en nu nog steeds niet want taalkundigen hebben tegenwoordig echt de macht niet om taal logischer te maken.

Hoe taalgebruikers bepaalde taalvarianten waarderen, heeft alles te maken met maatschappelijke verhoudingen. Komt de verandering ‘van boven’ dus van de elite of ‘van onder’ dus van het ‘volk’? Nieuwe varianten ‘van boven’ vallen snel op zoals gevleugelde uitspraken van Marten Toonder met Minkukel en Als je begrijpt wat ik bedoel. En Van Kooten en De Bie met doemdenken, regelneef en jemig de pemig. Deze vormen ervaren we als een verrijking van het Nederlands.

Lees verder >>

Eigenheid in carnaval


Door Leonie Cornips
Er zijn ontelbare manieren om carnaval te vieren. Met carnaval denk ik speciaal aan mijn oudere zus Margo die een fervente carnavalvierster was. Met haar en haar vriendinnen mee naar de vrouwenblutsj in Welten waar we aan het eind van de middag in een rij aan weerskanten op de lange tafels dansten en stampten. Ze liep ook mee in de optocht in Heerlen met haar groepje Fónkelnagelnui. Mijn zus was in de optocht altijd zo onherkenbaar geschminkt en verkleed dat mijn vader die ik trouw in zijn rolstoel naar de optocht duwde me altijd vroeg: ‘Wie is die vrouw die ons net zoende en met ons sprak?’ Hij herkende zijn eigen dochter niet eens. Peter Moors schrijft in het jubileumboek van de Winkbulle in 2014 over Fónkelnagelnuidat dit een dynamische groep was van acht à tien personen (aangevuld met kinderen en kennissen) met eigen ideeën en wensen, persoonlijkheden, kwaliteiten en vooral met een enorme bron van creativiteit. Voor Peter, opgegroeid in Neer, betekende het meedoen met Fónkelnagelnui in de Heerlense optochten dat hij ‘’ne winkbuul’ geworden is. Ik weet zeker dat dergelijke belevingen van carnaval niet te meten zijn in percentages via een gestructureerde vragenlijst.
Dit jaar ben ik naar het vijftigste lustrum van de Maastrichtse Narrenuniversiteit NUL in het provinciehuis geweest. Wat heb ik gelachen om de doldwaze, carnavaleske, dialectvirtuoze humor. De gouverneur promoveerde die avond met zijn gewichtige onderzoek naar de knievel (snor) met de stelling: ‘Zoonder knievel (snor) geine Gouverneur. Zien mach en succes verklaord!’ Karl Dittrich (voorzitter van de VSNU) promoveerde op zijn onderzoek naar de kredietwaardigheid van de NUL. Zijn evaluatie loog er niet om: de NUL met zijn magnifieke rector doet niets anders dan plezier maken, ze hebben lak aan alle universitaire voorschriften en zou dus gesloten moeten worden. De Venlose band Minsekinder swingde de pan uit om hun doctoraal bul met cum laude te halen. 

Lees verder >>