Tag: columns Jan Stroop

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart ‘etensvork’

door Jan Stroop

Met een vork eten, dat doet de mensheid nog niet zo lang. Eerst was er alleen een mes of iets wat daarop leek, daarna de lepel. Er waren wel vorken, al in de Romeinse tijd. Maar die werden in de landbouw gebruikt, onder andere om hooi en stro te verplaatsen.  Zie mijn vorige blog.

De oudste vermeldingen van de etensvork zijn uit de vroege Middeleeuwen. De vorken zijn dan nog van goud of zilver en worden alleen gebruikt door de adel en andere hooggeplaatsten. De Byzantijnse prinses Maria Agyropoulaina baarde in 1004/5 opzien door in Venetië een kleine gouden vork te gebruiken. Dat was ze thuis in ’t ouderlijk paleis gewend!  Jacob van Maerlant kende ’t verhaal en hij schrijft er in zijn Spiegel Historiael(1301-1325) met verbazing over: 

Lees verder >>

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaarten ‘hooivork’ en ‘houten vork’

door Jan Stroop
Een van de aardigste bezigheden die ik op ’t Meertens instituut te doen had, was ’t tekenen van proefkaarten voor de Taalatlas. Je voelde je een beetje ambachtsman en bij dat tekenen kon je ook regelmatig verrast worden. Geen twee taalkaarten zijn namelijk ’tzelfde en terwijl je doende bent de symbooltjes een voor een op de invulkaart in te tekenen, nemen de verschillende woordgebieden hun unieke vorm aan. Lijkt een beetje op ’t ontwikkelen van een foto, waarbij de afbeelding ook langzaam tevoorschijn komt.

Lees verder >>

“ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit” (Vincent van Gogh)

 door Jan Stroop

De bijzin zonder ‘dat’, anno 2016

<!–Bij mijn lectuur van de brieven van Vincent van Gogh waren me twee grammaticale eigenaardigheden opgevallen. De eerste is ’t overvloedige gebruik van ’t wederkerend voornaamwoord bij begrijpen: ik begrijp me dat heel goed. Daar ging mijn vorige stukje over.

Het tweede verschijnsel dat me opviel is de gewoonte van Van Gogh om ’t onderschikkende voegwoord dat weg te laten in zinnen als:  ik hoop het hem goed zal gaan (7 augustus 1873);  ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit (22 september 1884)

 

Zinnen die beginnen met de frase ik hoop, ik denk, ik geloof of ik ben blij die gevolgd wordt door een bijzin zonder dat zijn in Van Goghs brieven frequent aanwezig. Een kleine selectie:
Ik hoop zoo wij elkaar voor dien tijd nog eens zien zullen, 17 maart 1873
Ik hoop het hem goed zal gaan, 7 augustus 1873
Ik ben blij het jelui zoo goed gaat, 16 oktober 1873
Ik geloof hij een beste kerel is, januari 1873
Ik ben blij je in Amsterdam geweest bent, 20 februari 1874
Ik denk wel gij het goed zult vinden ik meteen er op doorging om iets vasts te bewerken, 18 december 1883 (in deze zin zelfs twee keer een ontbrekend dat)

Maar ook in zinnen met een andere inleiding wordt dat weggelaten:
’t Is een jaar geleden ik ziek werd, 23 december 1889
het is maar goed ik niet in Parijs ben gebleven, idem

Leuk onderwerp voor een volgend stukje, dacht ik dus. Ik was al volop bezig met verzamelen, toen ik bij ’t uitbreiden van m’n horizon dit artikel van Joop van der Horst tegenkwam: ‘Is weglating van het voegwoord dat typisch voor 19de-eeuwse vrouwen?’ ’t Is uit 1990. ’t Antwoord op zijn vraag kon ik met mijn hand op Van Gogh al geven, maar wat verder in dat artikel stond, maaide alle gras voor m’n voeten weg. Daar gaat mijn stukje, dacht ik.

Want ’t is niet niks wat Van der Horst gevonden heeft. Dat de constructie al in ’t Middelnederlands voorkomt, dat je ’m in de erop volgende eeuwen ook aantreft, zij ’t spaarzaam, en dat ’t gebruik in de 19e eeuw sterk toeneemt. ’t Idee dat ’t vooral vrouwen zijn die ’t deden, blijkt, ook volgens Van der Horst, geen stand te houden. Verder is ’t een verschijnsel van de schrijftaal, maar wel zijn ’t in meerderheid ‘minder geoefende schrijvers’ die dat weglaten, als hoedanig ik Van Gogh trouwens niet zou willen kwalificeren.

Hiermee was alles wel gezegd, dacht ik, totdat ik las: “Voor zover mij bekend komt ze [de constructie zonder dat] tegenwoordig niet meer voor”, wat Van der Horst later nog eens herhaalt: “In de tweede helft van de 20e eeuw verdween de dat-loze constructie”. Voorgoed, lijkt dat te suggereren. Maar dat is toch anders gelopen. In de jaren vanaf 2000 is een opvallende ontwikkeling te zien en daar wil ik nog wel wat over te zeggen.

In de 21e eeuw zijn de dat-loze constructies namelijk volop aanwezig en dat in toenemende mate. Met wat vernuft zijn ze ook goed te vinden. Bedenk wel, ik moest zoeken naar iets wat er niet is! Hoe doe je dat? Ik besloot uit te gaan van de frases die bij Van Gogh veel voorkomen: ik hoop.., ik ben blij.., ik denk.., en dergelijke.

Dit zijn de resultaten van Google, waarin ik, net als bij de overige resultaten, het weggelaten dat weergeef met ø.
Vóór 2000: geen gevallen
Oudste voorbeeld: ik ben blij ø ik op de pinto ben, 24 februari 2002.
Daarna t/m februari 2016 101 gevallen van:
Ik denk ø ..
Ik dacht ø ..
Ik ben blij ø ..
Ik geloof ø ..
Ik wou ø

Bij Delpher vond ik deze zinnen uit de tweede helft van de 20e eeuw:
Ik dacht ø hij allang dood was, 1952
We zijn blij ø we geen les meer hebben, 1966
Ik dacht ø hij je dochter gekrabd had, 1983
Ik dacht ø hij ziek was, 1987
Ik dacht ø hij mijn droomprins was, 1994
Helemaal afwezig is de constructie in deze periode dus niet. Gegevens uit de 21e eeuw heeft Delpher op dit moment nog niet.

Dan de krantenbank LexisNexis, die de complete tekst van alle Nederlandstalige dag- en weekbladen vanaf de jaren 1990 bevat. ’t Oudste citaat daar is uit 1992: Ik denk ø hij gelijk heeft als men de invloed van de kerken in Nederland bestudeert. Vóór 2000 zijn er dan nog zeven gevallen. Vanaf dat jaar tot nu toe heb ik er 63 geteld.

De meeste LexisNexis-citaten zijn van sportjournalisten en het betreft dan vaak aangehaalde woorden van spelers en trainers:
“Ik denk ø hij zijn comeback nu echt heeft aangekondigd”, 2012
“Ik denk ø hij het nu al waarmaakt door gewoon te zijn wie hij is”, 2013
“Ik denk ø hij hier snel een hecht team van zal weten te smeden”, 2013
“Ik denk ø hij in een man-tot-man-gevecht de snelste is”, 2014
“Man, ik ben blij ø ik even met jullie kan praten”, 2014
“Ik ben blij ø ik toch belangrijk kon zijn”, 2014

Opvallend frequent is in de moderne krant de ø-zin die met ik dacht begint:
Ik dacht ø hij boos was, 2012
Ik dacht ø hij in Duitsland was, 2013
Ik dacht ø hij misschien bijkluste, 2013
Ik dacht ø hij zichzelf zou redden, 2015
Ik dacht ø hij heel arm was, 2015
Ik dacht ø ze zou schieten, 2016 (door de verleden tijd zou is dit een bijzin)

Minder frequent zijn die met een ander onderwerp als:
Hij dacht ø hij in mekaar geslagen zou worden’, 2012
Ze dacht ø ze zwanger was van één baby, 2012

Ook in ’t Corpus Gesproken Nederlands heb ik enkele (4) ø-zinnen gevonden:
Ik denk ø we veilig kunnen zeggen dat meer onderzoek gewenst is.
ik denk ø ’t toch een soort evenwichtsstoornis is.

Mijn verzameling is zeker niet volledig, maar omvat, schat ik, toch wel 90% van de ø-zinnen uit drie data-verzamelingen, Delpher, Google en LexisNexis. Ik veroorloof me daarom de volgende constateringen.

De nieuwe zinnen-zonder-dat zijn geen voortzetting van die uit de eerste fase.  Er is een tussenfase, van ongeveer 1950 tot ca 2000, waarin de ø-zin sporadisch voorkomt. Na 2000 neemt ’t gebruik ervan ‘explosief’ toe.

Het verschijnsel doet zich voor bij alle (?) verba dicendi en sentiendi. Verreweg de meeste bijzinnen zijn objectszinnen. Na ik ben blij volgt een oorzakelijk voorwerpszin. Bij Van Gogh kom je ook subjectszinnen tegen. Die zullen er ook in de corpora wel zijn. Gericht zoeken is vrijwel onmogelijk. Daarom daarvan maar één voorbeeld: Tis al langer dan een jaar geleden ø we in de Revue hebben gespeeld. Google 2015.

Was de zin zonder dat tot circa 1950 alleen in de schrijftaal aanwezig (voor zover we weten), tegenwoordig hoort ie juist specifiek tot de spreektaal of de informele schrijftaal van Google. En dat is meestal ook spreektaal, bijvoorbeeld als in dit geval: “Ik denk ø hij foto’s maakt voor de krant”, antwoordde ik (was in 2001 gezegd en geschreven door Ewoud Sanders). Belangrijk is wel dat de citaten gevonden zijn via frasen als ik denk, die meestal spreektaal genereren.

Anders dan in de 19e eeuw blijkt het weglaten van dat onderdeel te zijn van een algemenere tendens. Je kunt nu ook zinnen vinden waarbij of weggelaten is:
Google:
Ik vroeg ø hij me wilde helpen om de plug er eventjes uit te halen
, 2010
Ze vroeg ø wij meegingen naar een café hier op de markt, 2010
Hij vroeg ø ik hem wilde starten, 2010
Toen ik vroeg ø hij hierbij kwam, vertelde de man mij het volgende, 2013
Als ik vroeg ø hij vreemd ging, zei hij van niet, 2014

Van der Horst heeft in 1990 ook een verklaring voorgesteld voor de bijzinnen zonder dat. Na de Middelnederlandse periode waarin voegwoorden vaak gecombineerd werden met dat (doe dat, want dat, wat dat, enz. ), verdween dat daar als ongewenst. Dat had tot gevolg dat onzekere schrijvers dat ook weglieten waar het ‘al bijna verplicht geworden is’: hypercorrectie dus.

Hypercorrect kun je ’t weglaten van dat tegenwoordig natuurlijk niet meer noemen. Vraag is wat dan wel de oorzaak is van deze (nieuwe) ontwikkeling. Je kunt ø beschouwen als een een lege complementeerder, zoals die voorkomt in ’t Engels: He asked ø she said yes, I knew ø you knew ø he knew. Die laatste frase is ook de titel van een artikel van Jaap de Rooy uit 1965 (Taal en Tongval). De Rooy doet daarin verslag van een onderzoek naar ’t gebruik van zinnen zonder dat in de Nederlandse dialecten.

Bij hem gaat ’t om objectszinnen met hoofdzinsvolgorde: de meid zei hij had gelijk; de brouwer zegt het is te duur…. .  Maar terwijl in ’t Engels daar een voegwoord wel mogelijk is, I knew that you knew him, het betreft daar bijzinnen, is dat in ’t Nederlands onmogelijk of, voorzichtiger gezegd, ongebruikelijk: *de meid zei dat hij had gelijk. 

Ook de hierboven genoemde werkwoorden kunnen zonder voegwoord gevolgd word door een bijzin in hoofdzinsvolgorde:
Ik denk hij heeft gelijk; ik geloof ze heeft gelijk  (Google)
Maar ik hoop hij zal wel wat soetter worden (scheepsbrief uit 1777)
Ik meen hij is accountant of zo iets  (uit Awater, Nijhoff)

Maar ook in deze zinnen kun je geen voegwoord dat invoegen, vanwege die hoofdzinsvolgorde. Ik heb in de corpora geen zinnen aangetroffen als *Ik geloof dat ze heeft gelijk; *de meid zei dat hij had gelijk. Ik kan ze zelf ook niet zeggen. Dus is daar ook geen lege complementeerder aanwezig.

Over de echte zinnen-zonder-dat zegt  Reichling (Het woord 1935, 280): “Dat ‘woord’ [dat] is volstrekt niet noodzakelik om de betrekking te ‘denken’. [….]. Ook wíj kunnen zeggen: Ik geloof, dat-ie komt en: Ik geloof, hij komt. Maar in het eerste geval hebben we de afhankelikheid van het tweede zinslid ten opzichte van Ik geloof, uitdrukkelik verwoord, in het tweede geval niet.”  Voor de duidelijkheid, Reichling bedoelt met zijn tweede voorbeeld natuurlijk ook een bijzin, al kun je dat niet zien.

Tegenwoordig zeggen we dat in zinnen als ik geloof dat ze gelijk heeft en Ik vroeg of hij me wilde helpen de complementeerder dat resp. of aanwezig is. Is ie afwezig dan zou je kunnen spreken van een lege conplementeerder. Waarom die complementeerder tegenwoordig weggelaten kan worden en, zoals we gezien hebben ook steeds vaker weggelaten wordt, blijft nog de vraag.

Misschien leiden de volgende constateringen naar een antwoord. In mijn West-Brabants komen zinnen voor met de complementeerder at. Dat at verschijnt in verschillende gedaantes en verschijnt soms ook niet.
Ik denk ad Annie thuis is
Ik denk a Willem thuis is
Ik denk Willem thuis is

In bepaalde gevallen is alleen ’t assimilerende effect zichtbaar, een nagelaten spoor:
Ik wou fader meeging, waar de v van vader f geworden is door assimilatie aan de t van at, dat zelf onwaarneembaar blijft. Aan die f hoort de luisteraar dat er een bijzin volgt. Is er geen at dan blijft die v een vIk wou vaders verrassen.

In de Reeks Nederlandse Dialectatlassen, deel Noord-Brabant, vond ik deze zinnen:
Ik wou ’t (h)ondje een brief aar (aar is ‘had’)
Ik wou te post een brief brocht   (lidwoord te uit: at + deatte  > te)

Misschien moeten we gewoon maar constateren dat die complementeerder weggelaten kan worden omdat je aan de zinsvolgorde al ziet dat ’t een bijzin is en door het voorafgaande werkwoord zelfs ook wat voor een bijzin ’t is:
Ik vroeg hij met ons meeging
Ik twijfel hij nog komt
Ik verwacht hij nog komt
Ik denk ik kom morgen

“ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit”

Zich beseffen, zich bedenken, zich begrijpen

door Jan Stroop
Een paar weken geleden (12 januari) hoorde ik ’t weer, een nieuw wederkerend werkwoord. In ’t programma Nieuwsuurop NPO2 was oud-politiecommissaris Eric Nordholt present vanwege de voorvallen in Keulen. Hij ontrolde daar de volgende zin: “Ik denk dat, waar hij niet de problematiek, zoals die in Keulen was en is, eerder aan de orde heeft gesteld, kan ik me wel begrijpen dat als zoiets gebeurt, dat hij nu weg moet, omdat ie de zaken verzwegen heeft.” 

Nordholt zegt: me begrijpenOmdat ik ’t al eens gehoord heb uit de mond van oud-minister Jan Pronk, begin ik me af te vragen of we hier misschien met een taalverandering van doen hebben, van ’t type beseffen wordt zich beseffen

Lees verder >>

Kerst of Kerstmis

door Jan Stroop

Als mijn indruk juist is dan zeggen de meeste katholieken kerstmis, de overige  Nederlanders kerst. Dat zou dan ook geografisch enigszins zichtbaar moeten zijn: meer kerstmis-zeggers in ’t zuiden van Nederland, meer kerst-zeggers in ’t noorden. Maar daarover bestaan geen gegevens. Waar wel gegevens over zijn is de verandering in de verhouding tussen die twee in de loop van de tijd.

Lees verder >>

Hinderrijk

door Jan Stroop
Blijkbaar is ’t aan de aandacht van de lexicofielen ontsnapt, ’t woord waarmee ProRail zijn beleid voor ’t komende jaar typeerde: hinderrijk. ’t Stond in een kop in de Volkskrant van 15 oktober j.l.: “ProRail voorziet ‘hinderrijk’ jaar voor reizigers”. In ’t artikel werd de hinder gespecificeerd: “De ingrijpende werkzaamheden bij het belangrijkste spoorknooppunt van Nederland, Utrecht Centraal, leiden voor de treinreiziger tot een ‘hinderrijk’ 2016. De gevolgen van het werk in Utrecht, in combinatie met dat aan andere trajecten en stations, zijn zo verreikend dat spoorbeheerder ProRail nu al een waarschuwing afgeeft.” ’t Is geen alledaags woord. Waarschijnlijk hebt u ’t nog nooit ergens gelezen en zeker nooit gehoord.

Lees verder >>

Nogmaals Klaas Woudt (1923-2012)

door Jan Stroop
Op 6 november schreef Bart FM Droog in zijn blog over de legendarische Zaanse drukker, uitgever, publicist en dichter Klaas Woudt (1923-2012). Een  belangrijk aspect bleef daar onvermeld, diens belangstelling voor dialect. Klaas Woudt publiceerde jarenlang over ’t Zaans dialect, o.a. verzameld in Zaans voor beginners, en hij schreef verhalen in dialect. 
Woudt betoont zich in die stukken en verhalen een scherp waarnemer en een bekwaam beschrijver van de kenmerken van ’t Zaans. Hij is een van de eerste geweest die de befaamde overgang van Zaans oi in eu gesignaleerd heeft. Van het koike loopt in de keukenaar het keuke loopt in de keuke. Zijn stukken over dialect zijn, samen met een aantal verhalen, gebundeld in Deer hoor ik je. Gedachten over de Zaanse streektaal, 1984. De titel betekent: dat ben ik met je eens.  
In 1971 verzorgde Woudt ook een prachtige heruitgave van Boekenoogens De Zaansche Volkstaal, met een voorwoord van de dialectologe Jo Daan. Woudt heeft aan ’t idioticon een groot aantal nieuwe lemmata toegevoegd, o.a. dat van doeg, de van oorsprong Zaanse afscheidsgroet, die inmiddels, vooral in de gedaante doei, overal in Nederland en Suriname ingang gevonden heeft. ’t Boek werd, met weer nieuwe aanvullingen, nogmaals herdrukt in 2004.
Woudt heeft honderden lezingen gehouden over ’t Zaans, de Zaanse (streek)cultuur en de Zaanse molens. In 1991 maakte hij deel uit van de eindredactie van de Encyclopedie van de Zaanstreek. In 1984 is Klaas Woudt onderscheiden met de Cultuurprijs van de Gemeente Zaanstad.
Nog een paar titels:
De Zaanse Schans en recepten uit de keuken van De Hoop op d’Swarte Walvis, (met Anneke Ammerlaan en Jan Kuiper, 1993.
Molens: Een eerste kennismaking met een boeiend fenomeen, 1981.
Een stad aan de Zaan (Zaanstad), 1996.
Meer over de ‘andere’ Klaas Woudt:

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart ‘etter’

door Jan Stroop



’t Vakgebied dat mijn werkterrein werd toen ik in 1966 aangesteld werd bij ’t Dialectbureau, ’t latere Meertens Instituut, was de taalgeografie, meer in ‘t bijzonder de woordgeografie. Dat is   een vakgebied dat zich bezighoudt met de
verspreiding van heteroniemen en de verklaring van hun verspreidingspatronen op de landkaart. De woordgeograaf verzamelt de verschillende benamingen (heteroniemen) voor een bepaald begrip of een voorwerp, meestal door middel van vragenlijsten. 
De vragenlijsten die ’t Dialectbureau jaarlijks naar zijn correspondenten rondstuurde waren ook met dat doel opgesteld. De binnengekomen vragenlijsten werden dan doorgenomen om te zien of de antwoorden op een bepaalde vraag voldoende variatie vertoonden. Was dat ’t geval dan werden de antwoorden een voor een op fiches genoteerd die vervolgens naar naamtype geordend werden.

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart kaft

(met twee kaarten)
Door Jan Stroop
Van augustus 1966 tot augustus 1974 was ik medewerker van het Dialectbureau van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Mijn werk was o.a. ’t ontwerpen en uitgeven van kaarten voor de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland. Aflevering 9 van die Atlas is zodoende onder mijn supervisie tot stand gekomen. Ook de Toelichting met commentaren bij de tien taalkaarten. Vier van die commentaren zijn van mij.  
Na de voltooiing van de 9e aflevering ben ik doorgegaan met het maken van proefkaarten als voorbereiding voor aflevering 10. De bedoeling van proefkaarten was na te gaan of een onderwerp taalgeografisch interessant genoeg was voor publicatie in de Taalatlas. Het materiaal voor de proefkaarten werd voornamelijk geleverd door de korrespondenten van het Dialectbureau die de jaarlijkse vragenlijsten beantwoordden.
Aflevering 10 van de Taalatlasis door collega’s voltooid, toen ik al weg was bij ’t Dialectbureau. Voor een aantal van de gepubliceerde kaarten heb ik nog wel ’t voorwerk verricht, o.a. in de vorm van zulke proefkaarten. Dankzij de pas gelanceerde Kaartenbank van Nicoline van der Sijs, heb ik ze na bijna 50 jaar weer onder ogen gekregen. En ik was verrast. Misschien aardig om er voor Neder-L wat over te vertellen.

Lees verder >>

De nummer één

door Jan Stroop

Kortgeleden zag ik op de website Taalmeldpunt.nl de volgende melding: “Flexa, het nummer één verfmerk voor doe-het-zelvers.” De melder vond kennelijk dat het nummer één een vreemde formulering is en inderdaad je leest en hoort in dit soort combinaties steeds de nummer één met ’t lidwoord de.  Paar voorbeelden uit Google:  De nummer één uien leverancier van Europa. Waarom is Engels de nummer één wereldtaal?  
Meestal gaat ’t bij de nummer één om sportverslaggeving, zoals hier:
Novak Djokovic is weer de nummer één op de wereldranglijst.
In mijn ogen is Barça nog altijd de nummer één van Europa.
De Oranje Dames zijn nog steeds de nummer één van de wereld.
Agassi de nummer een, maar Becker is er ook nog.
om zodoende de nummer één spits te worden in Amsterdam.

Nogmaals OOM en NONKEL

Oorspronkelijk verschenen in de Dialectatlas van het Nederlands (red. Nicoline van der Sijs, Amsterdam 2011)
(met een verbeterde kaart)

door Jan Stroop

Dit is een hoofdstukje uit de Dialectatlas van het Nederlands. Ik publiceer ’t opnieuw omdat ik de tekst en ’t bijhorende kaartje op een belangrijk punt heb moeten verbeteren: ik ging er eerst ten onrechte van uit dat Zuid-Limburg bij het oom-gebied hoort. Dat is niet juist: in Zuid-Limburg wordt nonk gezegd net als in Belgisch-Limburg.

Lees verder >>

Hoe zeggen we ‘suiker’?

door Jan Stroop
(Dit is de uitwerking van de presentatie die ik op 15 december 2013 te Roosendaal gehouden heb, in ’t kader van de expositie ‘Suikergoed’.)




Van ’t woord suiker bestaan in de  Nederlandse dialecten minstens negen verschillende uitspraken:  suiker, suker, sökker, soiker, seuker, soeker, soker, sokker en sukker. En ze gaan allemaal terug op één oervorm.

De herkomst van ’t woord suiker is bekend. De oudste vorm is sakkharâ. Dat woord is uit India, waar ’t eerst riet verbouwd werd dat suiker opleverde. Vanuit India zijn de rietsuikercultuur en de benaming voor ‘suiker’ overgenomen door andere gebieden in ’t Midden-Oosten. Rond 600 leerden de Perzen die techniek van suiker winnen; de benaming kreeg een Perzische gedaante: šakar. Daarna maakten de Arabieren er kennis mee. Zij verbreidden de kunst van het telen van suikerriet naar Egypte, in de 8e eeuw naar Andalusië en vervolgens naar Sicilië.

Lees verder >>

Hoe zou De Ruyter echt gesproken hebben?

door Jan Stroop

In De Taalstaat (programma op radio 1, zaterdag van 11 tot 13 uur) van 31 januari ging ’t over de film Michiel de Ruyter. Wie verwacht had dat het dan in elk geval ook over de taal zou gaan die in de film gebruikt wordt, kwam bedrogen uit. ’t Ging vooral over hoe ’t scenario tot stand gekomen was en over ’t grappige feit dat zowat alles aan de film over de monumentale Zeeuw De Ruyter Brabants is: scenarioschrijver, regisseur en hoofdrolspeler.
Er is wel discussie geweest naar aanleiding van de film, onder andere over de vraag of de historische feiten wel recht gedaan is. Maar dat De Ruyter in de film spreekt met een sterk Brabants accent, daarover is geen woord gezegd. Blijkbaar is dat niemand opgevallen, terwijl ’t een vaststaand feit is dat de echte De Ruyter geen Brabants gesproken heeft.

’t Poldernederlands is toch echt iets aparts

door Jan Stroop
Op Wikipediavind je ook een hoofdstuk over het Poldernederlands. Dat gaat over mijn ontdekking en beschrijving van dit sub-ABN. Een intrigerende passage in die tekst is de volgende:   
“Critici van het concept Poldernederlands wijzen erop dat het verschijnsel van de lager aangezette diftong op zichzelf niet nieuw is. De verlaging van de diftongen in de Hollandse dialecten is reeds sinds de zestiende eeuw gaande, zowel in het Nederlands als in de andere West-Germaanse talen.”

Wie deze critici zijn weet ik niet, maar ’t zijn zeker geen dialectologen, want die zouden nooit gesuggereerd hebben dat de verlaging in de Hollandse dialecten te vergelijken is met de verlaging die de essentie is van het Poldernederlands. In mijn boek Poldernederlands (1998) wijs ik dat verband al met argumenten van de hand.

Lees verder >>

Een stukkie over kissies die gekaapt zijn

door Jan Stroop
In de titel boven deze tekst staan twee woorden die je in deze vorm niet vaak in geschreven taal zult tegenkomen. Stukkie dan nog wel een enkele keer, bijvoorbeeld als het gaat om een product van de tekstverwerker. Carmiggelt noemde z’n kronkels zo. In romans en verhalen die in volksbuurten spelen, van o.a. Brusse, Querido en Heijermans, kom je kissies tegen, maar alleen als er spreektaal weergegeven wordt.
Google levert bij kissie maar twee hits op, alle twee gezongen. ‘t Stijfselkissie van Zwarte Riek (‘M’n wiegie was een stijfselkissie’) en een ander speciaal kissie van Nico Haak: ‘Honkie tonkie pianisie met je sinasappel kissie’ (spelling voor zijn rekening). Bij kassie als verkleinwoord van kas of kast is de Google-oogst al even klein: de combinatie kassie kijken, voor tv kijken, en als naam voor een dobbelspel: kassie-zes.

Lees verder >>

Tropisch Nederlands

Wie draait d’r tong?

door Jan Stroop

Surinamers spreken geen Poldernederlands. Dat constateer ik na de drie weken dat ik in Paramaribo geluisterd heb naar radio, tv, op straat en in de collegezaal (met alleen maar vrouwen!). Ik geef toe, ’t is maar een indruk, maar ik durf zo langzamerhand wel op m’n gehoor te vertrouwen.  
Door die afwezigheid van dat Poldernederlands lijkt Suriname wel wat op Vlaanderen, waar ook geen Poldernederlands gesproken wordt. Maar terwijl er in Vlaanderen ook nooit meer recente Nederlandse taalveranderingen overgenomen worden omdat de wil daartoe ontbreekt, gebeurt dat in Suriname aan de lopende band. Groetwoorden als doei doei, inclusief ’t eraan voorafgaande stadium doei, zijn niet van de lucht. Net als andere  woorden en uitdrukking in ’t alledaagse taalgebruik: fijne dag (verder of nog), klopt, plek, en zeg maar.  Maar ook meer verheven termen als naschoolse opvang kom je er tegen. Een taalverschijnsel  hoeft in Nederland maar even zijn kop op te steken of ’t duikt al op in Suriname.

Lees verder >>

In ’t zuiden wordt niet meer ALS gezegd dan elders.

door Jan Stroop

  
 

Met de conclusie die Hubers en De Hoop trekken kan ik ’t eens zijn. Ze presenteren die aan ’t eind van hun artikel “The effect of prescriptivism on comparative markers in spoken Dutch”, waar Marc van Oostendorp onlangs de aandacht op gevestigd heeft. H&H; hebben ’t Corpus Gesproken Nederlands onderzocht op ’t gebruik van als en dan bij vergelijkingen. Hun conclusie luidt, vrij vertaald:  Zonder de strenge normatieve regel (na een comparatief volgt DAN) zou dat danallang door als vervangen zijn. En dat gaat gebeuren want als is veel geschikter voor de functie van markeerder van de comparatief dan dan. Maar zover is ’t niet. Het Nederlands heeft twee voegwoorden bij een vergrotende trap, die allebei gebruikt worden.

Wat doet die k in winterkoninkje en koninkrijk?



  door Jan Stroop

Onze taal kent een aantal woorden die een k bevatten die je daar niet zou verwachten:  koninkrijk, koninklijk, oorspronkelijk,  jonkvrouw, (on)afhankelijk, aanvankelijk, aanhankelijk, vergankelijk, toegankelijk, ontvankelijk, gevankelijk en nog een paar.  Ik bedoel de k’s midden in die woorden. Dat zou toch in al deze gevallen een gmoeten zijn want koninkrijk hangt immers samen met koningoorspronkelijkmet oorsprong, aanvankelijk met aanvang, enzovoorts. Hoe dat komt, laat de geschiedenis van deze woorden zien.
Lees verder >>

Driewerf natuurlijk

door Jan Stroop 
                                                                          over een verminkt katholiek gezang

In de periode dat de katholieke kerk aan vernieuwing deed, is ook ’t smeekgebed  aan ’t begin van de mis, ’t Kyrie eleison, onder handen genomen. Dat Gregoriaanse gezang bestond vanaf de 8e eeuw uit drie maal drie Griekse tekst- annex muziekregels: 

Kyrie eleison  (‘Heer ontferm u onzer’
Kyrie eleison
Kyrie eleison
Christe eleison
Christe eleison
Christe eleison
Kyrie eleison
Kyrie eleison
Kyrie eleison
Er bestaan op die tekst verschillende melodieën, genoteerd zoals op dit voorbeeld uit Vierde mis. Achter elke regel is met [iij] aangegeven hoe vaak die gezongen wordt. De allerlaatste (9e) regel heeft een extra versiering.

Lees Renate Rubinstein!

door Jan Stroop

’t Zal Karel van het Reve wel weer geweest zijn (of W.F. Hermans) die zei dat de houdbaarheid van een schrijver niet afhangt van de inhoud van zijn verhaal maar van zijn stijl. Als iemand daar ’t  bewijs van is, is ’t wel Renate Rubinstein. 
Terwijl ik bezig ben aan een artikel over dan in combinaties als niets dan afgunst, niemand dan Marc, en ook ’t beruchte niet dan nadat, schiet me te binnen dat ik over dat laatste bij Renate Rubinstein wel eens ’n slimme opmerking gelezen heb. Ik wil die in dat artikel citeren want ’t wordt er beslist aardiger door.
Maar waar staat die passage?! Ik weet alleen: ergens op een linker bladzijde. De drie delen Verzameld Werk van RR, die na haar dood verschenen, dat zijn bij elkaar ruim 1200 linkerbladzijden! Dus maar bladeren, bladeren, bladeren. Gaandeweg werd dat bladeren lezen, want er is geen bladzijde in die gigantische stapel papier die niet minstens even, en vaak langer je aandacht vasthoudt. En eindelijk toch die passage gevonden, op ’n rechterbladzijde!  Hij volgt hier.

Lees verder >>

Vlinder en zijn heteroniemen

door Jan Stroop

Afgelopen weekend was er tuinvlindertelling, georganiseerd door de Vlinderstichting. Een gelukkig toeval was dat het weer de tellers bijzonder mee zat. Er werden meer dan 180.000 vlinders geteld. De winnaar was de dagpauwoog,  nummer twee de gamma-uil en drie ’t koolwitje. De complete lijst van alle getelde vlinders omvat 36 namen voor even zoveel soorten vlinders.  Of er voor bepaalde vlinders in bepaalde dialecten nog andere benamingen bestaan of bestonden, weet ik niet. ’t Zou kunnen, want voor de ‘vlinder-in-het algemeen’ waren die er wel. Dat is te zien op onderstaand dialectkaartje. 

Lees verder >>

Als De Schutter dat geweten had, of zou geweten hebben…

door Jan Stroop


Georges de Schutter betoogt in zijn artikel ‘De werkwoordelijke eindgroep en nog steeds geen einde?’ dat metrum en ritme belangrijke factoren zijn bij de keuze van de volgorde in de werkwoordsgroep. ’t Is een artikel dat zich niet leent voor lezing bij hoge temperaturen. Marc van Oostendorp geeft er in zijn blog de essentie van weer: we zeggen liever gelopen had dan had gelopen, omdat de eerste volgorde beter klinkt. Dat laatste vind ik ook, maar de vraag is of dat ‘klinken’ wel uit dit onderzoek geconcludeerd mag worden. De Schutter baseert zich namelijk op geschreven taal, een roman van Hella Haasse en teksten uit twee Vlaamse kranten (Knack en De Standaard) van journalisten die beide volgordes door elkaar gebruiken, de rode (had gelopen) en de groene (gelopen had) volgorde. Zo heten ze nu eenmaal, sinds ze met die kleuren door Anita Pauwels op haar dialectkaarten weergegeven werden.

KLOPT!

Door Jan Stroop

Als je mag afgaan op ’t Corpus Gesproken Nederlands (CGN) komt de uitdrukking dat klopt (of kortweg: klopt) in de spreektaal gemiddeld ongeveer twee keer per uur voor. Dat klopt scoort in ’t CGN 1671 keer, dat wil zeggen 311 keer in ’t Vlaamse deel, 1360 in ’t Nederlandse. De totale omvang van ’t CGN is ongeveer 900 uur, vandaar ‘ongeveer twee keer per uur’. In percentages haalt Vlaanderen 18,6 %, Nederland  81,4 %  en dat wil zeggen, gelet op de kwantitatieve verhouding tussen ’t Vlaamse en ’t Nederlandse deel (40%-60%), dat de Nederlandse sprekers veel vaker dat kloptzeggen dan de Vlaamse. Ook blijkt dat dat klopt in alle soorten gesproken Nederlands voorkomt, behalve in ’t subcorpus ‘ceremonious speeches/sermons’.

Lees verder >>

Rijksmuseum: Geschiedjuweel

door Jan Stroop

Kijk bij een bezoek aan ’s Rijks museum  in Atrium West ook eens langs de  linkermuur omhoog. Dan zie je een groot  paneel met een interessante tekst.  Er staat:




“Aen d’Amstel en aan ’t Y, daer doet sich heerlijck ope
Sy die, als Keyserin, de kroon draeght van Europe.”
’t Geschiedjuweel, dat blinkt aan dien doorluchten krans
Vindt in dit heiligdom zijn echten wederglans. 

Lees verder >>

Rijks museum

door Jan Stroop

In haar column van maandag 8 april (Volkskrant) uit Aaf Brandt Corstius haar ongenoegen over de spatie tussen Rijks en museum zoals die te zien is in ’t nieuwe logo van ’t museum. Ze is niet de eerste. Zelden heeft een lege ruimte zoveel beroering veroorzaakt, in kleine kring welteverstaan. Aaf stoort zich vooral aan de argumenten van ontwerpster Irma Boom. Twee ervan gaan over ontwerpaspecten, maar ’t tweede argument raakt de taalkunde en dus mij.  Ik citeer Aaf: “Voor haar ‘gevoel’ zijn het twee woorden, vanwege de koosnaam Rijks.”  Haar is dus Irma Boom.

Ik denk ook dat Rijks en museum twee woorden zijn, maar dan vanwege de historie.
Lees verder >>