Tag: columns Jan Stroop

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart ‘etensvork’

door Jan Stroop

Met een vork eten, dat doet de mensheid nog niet zo lang. Eerst was er alleen een mes of iets wat daarop leek, daarna de lepel. Er waren wel vorken, al in de Romeinse tijd. Maar die werden in de landbouw gebruikt, onder andere om hooi en stro te verplaatsen.  Zie mijn vorige blog.

De oudste vermeldingen van de etensvork zijn uit de vroege Middeleeuwen. De vorken zijn dan nog van goud of zilver en worden alleen gebruikt door de adel en andere hooggeplaatsten. De Byzantijnse prinses Maria Agyropoulaina baarde in 1004/5 opzien door in Venetië een kleine gouden vork te gebruiken. Dat was ze thuis in ’t ouderlijk paleis gewend!  Jacob van Maerlant kende ’t verhaal en hij schrijft er in zijn Spiegel Historiael(1301-1325) met verbazing over: 

Lees verder >>

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaarten ‘hooivork’ en ‘houten vork’

door Jan Stroop
Een van de aardigste bezigheden die ik op ’t Meertens instituut te doen had, was ’t tekenen van proefkaarten voor de Taalatlas. Je voelde je een beetje ambachtsman en bij dat tekenen kon je ook regelmatig verrast worden. Geen twee taalkaarten zijn namelijk ’tzelfde en terwijl je doende bent de symbooltjes een voor een op de invulkaart in te tekenen, nemen de verschillende woordgebieden hun unieke vorm aan. Lijkt een beetje op ’t ontwikkelen van een foto, waarbij de afbeelding ook langzaam tevoorschijn komt.

Lees verder >>

“ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit” (Vincent van Gogh)

 door Jan Stroop

De bijzin zonder ‘dat’, anno 2016

<!–Bij mijn lectuur van de brieven van Vincent van Gogh waren me twee grammaticale eigenaardigheden opgevallen. De eerste is ’t overvloedige gebruik van ’t wederkerend voornaamwoord bij begrijpen: ik begrijp me dat heel goed. Daar ging mijn vorige stukje over.

Het tweede verschijnsel dat me opviel is de gewoonte van Van Gogh om ’t onderschikkende voegwoord dat weg te laten in zinnen als:  ik hoop het hem goed zal gaan (7 augustus 1873);  ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit (22 september 1884)

 

Zinnen die beginnen met de frase ik hoop, ik denk, ik geloof of ik ben blij die gevolgd wordt door een bijzin zonder dat zijn in Van Goghs brieven frequent aanwezig. Een kleine selectie:
Ik hoop zoo wij elkaar voor dien tijd nog eens zien zullen, 17 maart 1873
Ik hoop het hem goed zal gaan, 7 augustus 1873
Ik ben blij het jelui zoo goed gaat, 16 oktober 1873
Ik geloof hij een beste kerel is, januari 1873
Ik ben blij je in Amsterdam geweest bent, 20 februari 1874
Ik denk wel gij het goed zult vinden ik meteen er op doorging om iets vasts te bewerken, 18 december 1883 (in deze zin zelfs twee keer een ontbrekend dat)

Maar ook in zinnen met een andere inleiding wordt dat weggelaten:
’t Is een jaar geleden ik ziek werd, 23 december 1889
het is maar goed ik niet in Parijs ben gebleven, idem

Leuk onderwerp voor een volgend stukje, dacht ik dus. Ik was al volop bezig met verzamelen, toen ik bij ’t uitbreiden van m’n horizon dit artikel van Joop van der Horst tegenkwam: ‘Is weglating van het voegwoord dat typisch voor 19de-eeuwse vrouwen?’ ’t Is uit 1990. ’t Antwoord op zijn vraag kon ik met mijn hand op Van Gogh al geven, maar wat verder in dat artikel stond, maaide alle gras voor m’n voeten weg. Daar gaat mijn stukje, dacht ik.

Want ’t is niet niks wat Van der Horst gevonden heeft. Dat de constructie al in ’t Middelnederlands voorkomt, dat je ’m in de erop volgende eeuwen ook aantreft, zij ’t spaarzaam, en dat ’t gebruik in de 19e eeuw sterk toeneemt. ’t Idee dat ’t vooral vrouwen zijn die ’t deden, blijkt, ook volgens Van der Horst, geen stand te houden. Verder is ’t een verschijnsel van de schrijftaal, maar wel zijn ’t in meerderheid ‘minder geoefende schrijvers’ die dat weglaten, als hoedanig ik Van Gogh trouwens niet zou willen kwalificeren.

Hiermee was alles wel gezegd, dacht ik, totdat ik las: “Voor zover mij bekend komt ze [de constructie zonder dat] tegenwoordig niet meer voor”, wat Van der Horst later nog eens herhaalt: “In de tweede helft van de 20e eeuw verdween de dat-loze constructie”. Voorgoed, lijkt dat te suggereren. Maar dat is toch anders gelopen. In de jaren vanaf 2000 is een opvallende ontwikkeling te zien en daar wil ik nog wel wat over te zeggen.

In de 21e eeuw zijn de dat-loze constructies namelijk volop aanwezig en dat in toenemende mate. Met wat vernuft zijn ze ook goed te vinden. Bedenk wel, ik moest zoeken naar iets wat er niet is! Hoe doe je dat? Ik besloot uit te gaan van de frases die bij Van Gogh veel voorkomen: ik hoop.., ik ben blij.., ik denk.., en dergelijke.

Dit zijn de resultaten van Google, waarin ik, net als bij de overige resultaten, het weggelaten dat weergeef met ø.
Vóór 2000: geen gevallen
Oudste voorbeeld: ik ben blij ø ik op de pinto ben, 24 februari 2002.
Daarna t/m februari 2016 101 gevallen van:
Ik denk ø ..
Ik dacht ø ..
Ik ben blij ø ..
Ik geloof ø ..
Ik wou ø

Bij Delpher vond ik deze zinnen uit de tweede helft van de 20e eeuw:
Ik dacht ø hij allang dood was, 1952
We zijn blij ø we geen les meer hebben, 1966
Ik dacht ø hij je dochter gekrabd had, 1983
Ik dacht ø hij ziek was, 1987
Ik dacht ø hij mijn droomprins was, 1994
Helemaal afwezig is de constructie in deze periode dus niet. Gegevens uit de 21e eeuw heeft Delpher op dit moment nog niet.

Dan de krantenbank LexisNexis, die de complete tekst van alle Nederlandstalige dag- en weekbladen vanaf de jaren 1990 bevat. ’t Oudste citaat daar is uit 1992: Ik denk ø hij gelijk heeft als men de invloed van de kerken in Nederland bestudeert. Vóór 2000 zijn er dan nog zeven gevallen. Vanaf dat jaar tot nu toe heb ik er 63 geteld.

De meeste LexisNexis-citaten zijn van sportjournalisten en het betreft dan vaak aangehaalde woorden van spelers en trainers:
“Ik denk ø hij zijn comeback nu echt heeft aangekondigd”, 2012
“Ik denk ø hij het nu al waarmaakt door gewoon te zijn wie hij is”, 2013
“Ik denk ø hij hier snel een hecht team van zal weten te smeden”, 2013
“Ik denk ø hij in een man-tot-man-gevecht de snelste is”, 2014
“Man, ik ben blij ø ik even met jullie kan praten”, 2014
“Ik ben blij ø ik toch belangrijk kon zijn”, 2014

Opvallend frequent is in de moderne krant de ø-zin die met ik dacht begint:
Ik dacht ø hij boos was, 2012
Ik dacht ø hij in Duitsland was, 2013
Ik dacht ø hij misschien bijkluste, 2013
Ik dacht ø hij zichzelf zou redden, 2015
Ik dacht ø hij heel arm was, 2015
Ik dacht ø ze zou schieten, 2016 (door de verleden tijd zou is dit een bijzin)

Minder frequent zijn die met een ander onderwerp als:
Hij dacht ø hij in mekaar geslagen zou worden’, 2012
Ze dacht ø ze zwanger was van één baby, 2012

Ook in ’t Corpus Gesproken Nederlands heb ik enkele (4) ø-zinnen gevonden:
Ik denk ø we veilig kunnen zeggen dat meer onderzoek gewenst is.
ik denk ø ’t toch een soort evenwichtsstoornis is.

Mijn verzameling is zeker niet volledig, maar omvat, schat ik, toch wel 90% van de ø-zinnen uit drie data-verzamelingen, Delpher, Google en LexisNexis. Ik veroorloof me daarom de volgende constateringen.

De nieuwe zinnen-zonder-dat zijn geen voortzetting van die uit de eerste fase.  Er is een tussenfase, van ongeveer 1950 tot ca 2000, waarin de ø-zin sporadisch voorkomt. Na 2000 neemt ’t gebruik ervan ‘explosief’ toe.

Het verschijnsel doet zich voor bij alle (?) verba dicendi en sentiendi. Verreweg de meeste bijzinnen zijn objectszinnen. Na ik ben blij volgt een oorzakelijk voorwerpszin. Bij Van Gogh kom je ook subjectszinnen tegen. Die zullen er ook in de corpora wel zijn. Gericht zoeken is vrijwel onmogelijk. Daarom daarvan maar één voorbeeld: Tis al langer dan een jaar geleden ø we in de Revue hebben gespeeld. Google 2015.

Was de zin zonder dat tot circa 1950 alleen in de schrijftaal aanwezig (voor zover we weten), tegenwoordig hoort ie juist specifiek tot de spreektaal of de informele schrijftaal van Google. En dat is meestal ook spreektaal, bijvoorbeeld als in dit geval: “Ik denk ø hij foto’s maakt voor de krant”, antwoordde ik (was in 2001 gezegd en geschreven door Ewoud Sanders). Belangrijk is wel dat de citaten gevonden zijn via frasen als ik denk, die meestal spreektaal genereren.

Anders dan in de 19e eeuw blijkt het weglaten van dat onderdeel te zijn van een algemenere tendens. Je kunt nu ook zinnen vinden waarbij of weggelaten is:
Google:
Ik vroeg ø hij me wilde helpen om de plug er eventjes uit te halen
, 2010
Ze vroeg ø wij meegingen naar een café hier op de markt, 2010
Hij vroeg ø ik hem wilde starten, 2010
Toen ik vroeg ø hij hierbij kwam, vertelde de man mij het volgende, 2013
Als ik vroeg ø hij vreemd ging, zei hij van niet, 2014

Van der Horst heeft in 1990 ook een verklaring voorgesteld voor de bijzinnen zonder dat. Na de Middelnederlandse periode waarin voegwoorden vaak gecombineerd werden met dat (doe dat, want dat, wat dat, enz. ), verdween dat daar als ongewenst. Dat had tot gevolg dat onzekere schrijvers dat ook weglieten waar het ‘al bijna verplicht geworden is’: hypercorrectie dus.

Hypercorrect kun je ’t weglaten van dat tegenwoordig natuurlijk niet meer noemen. Vraag is wat dan wel de oorzaak is van deze (nieuwe) ontwikkeling. Je kunt ø beschouwen als een een lege complementeerder, zoals die voorkomt in ’t Engels: He asked ø she said yes, I knew ø you knew ø he knew. Die laatste frase is ook de titel van een artikel van Jaap de Rooy uit 1965 (Taal en Tongval). De Rooy doet daarin verslag van een onderzoek naar ’t gebruik van zinnen zonder dat in de Nederlandse dialecten.

Bij hem gaat ’t om objectszinnen met hoofdzinsvolgorde: de meid zei hij had gelijk; de brouwer zegt het is te duur…. .  Maar terwijl in ’t Engels daar een voegwoord wel mogelijk is, I knew that you knew him, het betreft daar bijzinnen, is dat in ’t Nederlands onmogelijk of, voorzichtiger gezegd, ongebruikelijk: *de meid zei dat hij had gelijk. 

Ook de hierboven genoemde werkwoorden kunnen zonder voegwoord gevolgd word door een bijzin in hoofdzinsvolgorde:
Ik denk hij heeft gelijk; ik geloof ze heeft gelijk  (Google)
Maar ik hoop hij zal wel wat soetter worden (scheepsbrief uit 1777)
Ik meen hij is accountant of zo iets  (uit Awater, Nijhoff)

Maar ook in deze zinnen kun je geen voegwoord dat invoegen, vanwege die hoofdzinsvolgorde. Ik heb in de corpora geen zinnen aangetroffen als *Ik geloof dat ze heeft gelijk; *de meid zei dat hij had gelijk. Ik kan ze zelf ook niet zeggen. Dus is daar ook geen lege complementeerder aanwezig.

Over de echte zinnen-zonder-dat zegt  Reichling (Het woord 1935, 280): “Dat ‘woord’ [dat] is volstrekt niet noodzakelik om de betrekking te ‘denken’. [….]. Ook wíj kunnen zeggen: Ik geloof, dat-ie komt en: Ik geloof, hij komt. Maar in het eerste geval hebben we de afhankelikheid van het tweede zinslid ten opzichte van Ik geloof, uitdrukkelik verwoord, in het tweede geval niet.”  Voor de duidelijkheid, Reichling bedoelt met zijn tweede voorbeeld natuurlijk ook een bijzin, al kun je dat niet zien.

Tegenwoordig zeggen we dat in zinnen als ik geloof dat ze gelijk heeft en Ik vroeg of hij me wilde helpen de complementeerder dat resp. of aanwezig is. Is ie afwezig dan zou je kunnen spreken van een lege conplementeerder. Waarom die complementeerder tegenwoordig weggelaten kan worden en, zoals we gezien hebben ook steeds vaker weggelaten wordt, blijft nog de vraag.

Misschien leiden de volgende constateringen naar een antwoord. In mijn West-Brabants komen zinnen voor met de complementeerder at. Dat at verschijnt in verschillende gedaantes en verschijnt soms ook niet.
Ik denk ad Annie thuis is
Ik denk a Willem thuis is
Ik denk Willem thuis is

In bepaalde gevallen is alleen ’t assimilerende effect zichtbaar, een nagelaten spoor:
Ik wou fader meeging, waar de v van vader f geworden is door assimilatie aan de t van at, dat zelf onwaarneembaar blijft. Aan die f hoort de luisteraar dat er een bijzin volgt. Is er geen at dan blijft die v een vIk wou vaders verrassen.

In de Reeks Nederlandse Dialectatlassen, deel Noord-Brabant, vond ik deze zinnen:
Ik wou ’t (h)ondje een brief aar (aar is ‘had’)
Ik wou te post een brief brocht   (lidwoord te uit: at + deatte  > te)

Misschien moeten we gewoon maar constateren dat die complementeerder weggelaten kan worden omdat je aan de zinsvolgorde al ziet dat ’t een bijzin is en door het voorafgaande werkwoord zelfs ook wat voor een bijzin ’t is:
Ik vroeg hij met ons meeging
Ik twijfel hij nog komt
Ik verwacht hij nog komt
Ik denk ik kom morgen

“ik geloof ’t ± zoo in elkaar zit”

Kerst of Kerstmis

door Jan Stroop

Als mijn indruk juist is dan zeggen de meeste katholieken kerstmis, de overige  Nederlanders kerst. Dat zou dan ook geografisch enigszins zichtbaar moeten zijn: meer kerstmis-zeggers in ’t zuiden van Nederland, meer kerst-zeggers in ’t noorden. Maar daarover bestaan geen gegevens. Waar wel gegevens over zijn is de verandering in de verhouding tussen die twee in de loop van de tijd.

Lees verder >>

Hinderrijk

door Jan Stroop
Blijkbaar is ’t aan de aandacht van de lexicofielen ontsnapt, ’t woord waarmee ProRail zijn beleid voor ’t komende jaar typeerde: hinderrijk. ’t Stond in een kop in de Volkskrant van 15 oktober j.l.: “ProRail voorziet ‘hinderrijk’ jaar voor reizigers”. In ’t artikel werd de hinder gespecificeerd: “De ingrijpende werkzaamheden bij het belangrijkste spoorknooppunt van Nederland, Utrecht Centraal, leiden voor de treinreiziger tot een ‘hinderrijk’ 2016. De gevolgen van het werk in Utrecht, in combinatie met dat aan andere trajecten en stations, zijn zo verreikend dat spoorbeheerder ProRail nu al een waarschuwing afgeeft.” ’t Is geen alledaags woord. Waarschijnlijk hebt u ’t nog nooit ergens gelezen en zeker nooit gehoord.

Lees verder >>

Nogmaals Klaas Woudt (1923-2012)

door Jan Stroop
Op 6 november schreef Bart FM Droog in zijn blog over de legendarische Zaanse drukker, uitgever, publicist en dichter Klaas Woudt (1923-2012). Een  belangrijk aspect bleef daar onvermeld, diens belangstelling voor dialect. Klaas Woudt publiceerde jarenlang over ’t Zaans dialect, o.a. verzameld in Zaans voor beginners, en hij schreef verhalen in dialect. 
Woudt betoont zich in die stukken en verhalen een scherp waarnemer en een bekwaam beschrijver van de kenmerken van ’t Zaans. Hij is een van de eerste geweest die de befaamde overgang van Zaans oi in eu gesignaleerd heeft. Van het koike loopt in de keukenaar het keuke loopt in de keuke. Zijn stukken over dialect zijn, samen met een aantal verhalen, gebundeld in Deer hoor ik je. Gedachten over de Zaanse streektaal, 1984. De titel betekent: dat ben ik met je eens.  
In 1971 verzorgde Woudt ook een prachtige heruitgave van Boekenoogens De Zaansche Volkstaal, met een voorwoord van de dialectologe Jo Daan. Woudt heeft aan ’t idioticon een groot aantal nieuwe lemmata toegevoegd, o.a. dat van doeg, de van oorsprong Zaanse afscheidsgroet, die inmiddels, vooral in de gedaante doei, overal in Nederland en Suriname ingang gevonden heeft. ’t Boek werd, met weer nieuwe aanvullingen, nogmaals herdrukt in 2004.
Woudt heeft honderden lezingen gehouden over ’t Zaans, de Zaanse (streek)cultuur en de Zaanse molens. In 1991 maakte hij deel uit van de eindredactie van de Encyclopedie van de Zaanstreek. In 1984 is Klaas Woudt onderscheiden met de Cultuurprijs van de Gemeente Zaanstad.
Nog een paar titels:
De Zaanse Schans en recepten uit de keuken van De Hoop op d’Swarte Walvis, (met Anneke Ammerlaan en Jan Kuiper, 1993.
Molens: Een eerste kennismaking met een boeiend fenomeen, 1981.
Een stad aan de Zaan (Zaanstad), 1996.
Meer over de ‘andere’ Klaas Woudt:

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart ‘etter’

door Jan Stroop
 
 
 
’t Vakgebied dat mijn werkterrein werd toen ik in 1966 aangesteld werd bij ’t Dialectbureau, ’t latere Meertens Instituut, was de taalgeografie, meer in ‘t bijzonder de woordgeografie. Dat is   een vakgebied dat zich bezighoudt met de
verspreiding van heteroniemen en de verklaring van hun verspreidingspatronen op de landkaart. De woordgeograaf verzamelt de verschillende benamingen (heteroniemen) voor een bepaald begrip of een voorwerp, meestal door middel van vragenlijsten.
De vragenlijsten die ’t Dialectbureau jaarlijks naar zijn correspondenten rondstuurde waren ook met dat doel opgesteld. De binnengekomen vragenlijsten werden dan doorgenomen om te zien of de antwoorden op een bepaalde vraag voldoende variatie vertoonden. Was dat ’t geval dan werden de antwoorden een voor een op fiches genoteerd die vervolgens naar naamtype geordend werden.

Uit de archieven van ’t Meertens Instituut: de proefkaart kaft

(met twee kaarten)
Door Jan Stroop
Van augustus 1966 tot augustus 1974 was ik medewerker van het Dialectbureau van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam. Mijn werk was o.a. ’t ontwerpen en uitgeven van kaarten voor de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland. Aflevering 9 van die Atlas is zodoende onder mijn supervisie tot stand gekomen. Ook de Toelichting met commentaren bij de tien taalkaarten. Vier van die commentaren zijn van mij.
Na de voltooiing van de 9e aflevering ben ik doorgegaan met het maken van proefkaarten als voorbereiding voor aflevering 10. De bedoeling van proefkaarten was na te gaan of een onderwerp taalgeografisch interessant genoeg was voor publicatie in de Taalatlas. Het materiaal voor de proefkaarten werd voornamelijk geleverd door de korrespondenten van het Dialectbureau die de jaarlijkse vragenlijsten beantwoordden.
Aflevering 10 van de Taalatlasis door collega’s voltooid, toen ik al weg was bij ’t Dialectbureau. Voor een aantal van de gepubliceerde kaarten heb ik nog wel ’t voorwerk verricht, o.a. in de vorm van zulke proefkaarten. Dankzij de pas gelanceerde Kaartenbank van Nicoline van der Sijs, heb ik ze na bijna 50 jaar weer onder ogen gekregen. En ik was verrast. Misschien aardig om er voor Neder-L wat over te vertellen.
De proefkaart ‘kaft’ (25 september 1970)

“Hoe heet het papieren omslag dat door de gebruiker om een boek gedaan wordt om het boek zelf goed zindelijk te houden?” luidde vraag 16 van  Vragenlijst 34, die ’t Dialectbureau in ’t najaar van 1962 naar zijn korrespondenten verstuurde. De antwoorden op die vraag heb ik in 1970 gebruikt om er bijgaande proefkaart mee te tekenen.
Ik heb op de kaart een tweedeling gemaakt. In rood geef ik alle benamingen weer die te herleiden zijn tot een Latijns leenwoord. Kaft hoort daar strikt genomen niet bij. Dat woord is een verkorting van kaffetorie,dat daarvoor koffertorie luidde, dat weer een ontlening is van het Middelfranse covertoire. Dat Middelfranse woord is zelf wel weer uit het middeleeuws Latijnse coopertorium ‘boekomslag’. Vanwege deze indirecte relatie met ’t Latijn heb ik kaftbuiten de rode groep gehouden, maar ook al omdat ’t in ’t Standaardnederlands terecht gekomen is en vandaar zowat overal in ons taalgebied bekend is.  Zo’n woord hoeft op een kaart niet op te vallen.
Een groot aantal benamingen die in ons taalgebied voorkomen, zijn ontstaan uit twee Middeleeuws Latijnse benamingen, coopertorium en cooperculum, die zelf alle twee afgeleid zijn van het werkwoord cooperire dat ‘bedekken’ betekent. Coopertorium en cooperculumwerden, zo deelt Constant Lem (medewerker van de Koninklijke Bibliotheek) me mee, sinds de late middeleeuwen gebruikt voor dat wat een boek bedekt, een omslag, in elk geval een omhulsel dat niet een boekband is maar dat al in de buurt komt van een moderne papieren kaft. Zo’n coopertorium was vrijwel altijd van perkament (materiaal dat van zich zelf al een zekere stevigheid bezit).
Van ’t oorspronkelijke coopertoriumzijn de volgende  dialectbenamingen  afgeleid: Kapitorie, kapitoris, kappetoris, kappestorie, kappestolie, kapitalie, en kappetunie. Waarschijnlijk zijn ’t er nog wel meer. Dialecten staan voor niets als ’t om woordverbasteringen gaat. Toch zit er in deze grillige verzameling kaftbenamingen wel degelijk systeem.
Om te beginnen hebben alle namen die rechtstreeks uit ’t Latijn overgenomen zijn, de medeklinkers van ’t originele woord bewaard:  k..p..t.De vierde medeklinker die in ’t Latijn een ris, is in sommige dialecten behouden, in andere is ie veranderd in een l. Dat is niet zomaar een andere medeklinker. R en l vormen de klasse van de liquidae, de vloeiklanken. Hun verwantschap doordat ze een aantal articulatie eigenschappen gemeen hebben, blijkt uit hun universele verwisselbaarheid. Denk aan Spaans blanco (wit) en Portugees branco. Het Surinaams kent die verwisseling in beide richtingen. Presieis van ’t Engelse place. Arrozza ‘rijst’ wordt er alesie.
Ook van een verwisseling van r door n zijn voorbeelden en een s invoegen vóór een t gebeurt hier ook niet voor ’t eerst: veelsteveel. Van de klinkers zijn die van de eerste lettergrepen, tweemaal de korte o, veelal veranderd in de verwante korte a , die van de beklemtoonde derde lettergreep heeft meestal standgehouden.
Ook ’t andere Middeleeuws-Latijnse leenwoord, cooperculum, heeft in onze dialecten een veelheid aan sporen nagelaten. Uit een artikel van professor Grootaers uit 1943 over de benamingen in Vlaanderen neem ik de volgende vormen over: koperkel, komperkel, kopelder, kompelger,  komplekker, kopelderik, kepel, kapel en kapelleken. Keperkel heb ik zelf in Limburg gevonden.
Terwijl de klemtoon bij coopertorium op de vierde lettergreep ligt (co-operTOrium), ligt ie bij cooperculum op de derde (co-oPERculum). De klinker is nog altijd de oorspronkelijke [ε]. Ook bij deze groep blijken de medeklinkers grotendeels bewaard te zijn, k-p-k-l, met een paar uitzonderingen weer en weer is daar de verandering  r > l. De invoeging van de d  die her en der plaatsgevonden heeft is volgens een bekend procedé; denk aan muller > mulder. De combinatie mp is ook niet zeldzaam: neempt, kompt.
De twee oorspronkelijke Latijnse namen stammen natuurlijk uit de wereld van het boeken maken; ze dateren waarschijnlijk van vóór de uitvinding van boekdrukkunst. Zeker is dat bij coopertorium ’t geval; van dit woord verschijnt al in 1484 een Nederlandse variant: “Van een ruwe zwert copertory, dair ons legger in gebonden is” (Utrecht).  Het moederwoord moet dus nog ouder zijn.
Het ontstaan en de verspreiding van de naam van een zaak van vakmanschap wat een boekomslag toch is, moet verband houden met centra waar handschriften en codices vervaardigd werden en waar Latijn de vaktaal was. Vanuit die centra hebben die namen zich, wellicht via onderwijsinstellingen, verder verspreid.
Maar waar de verspreiding van coopertorium en zijn nakomelingen begonnen is, dat is nog een vraag. Het kaartbeeld suggereert een zuidelijke herkomst. Een verbreiding vanuit Zeeland of Noord-Holland is in deze periode, de 15e eeuw of eerder, niet aannemelijk. Coopertorium is dus wellicht in het Limburgse ontstaan en vandaar al dan niet in vernederlandste vorm begonnen aan een opmars, waardoor ook de westelijke Nederlanden en  Friesland veroverd werden, getuige deze attestaties:
1484 Van een ruwe zwert copertory, dair ons legger in gebonden is, Utrecht
1550 ca. Dye principael was ges. in pappier, gebonden in capitorie,  Leeuwarden
1599  coopertorium, Antwerpen (Kiliaan)
1610 kapitorye, Amsterdam (Bredero)
1622 W.D. Hoofts Jan Saly (Amsterdam): ‘Ja wel, jij hebt het schickboeckjen op egeten, ’t kapetory hanghtje uyt jou naers’.
1710 kappetorie,  Amsterdam
1792 het capitorie,  Leiden
1803 kappetoris, Noord-Holland, Weiland
1805 goud capitorie, Den Haag
1822 “Men noemde oudtijds ook den omslag om een boek copertorium , ’t geen in mijn kindschen tijd op de kinderscholen in capitorie verbasterd was”, Leiden (Bilderdijk)
1862 kapestorium, Dordrecht
1866 “Het kapitorie kwam haar bekend voor”,  Amsterdam (Van Lennep)
Van deze situatie is tegenwoordig niet veel meer terug te vinden. Alleen Tessel en Noord-Holland hebben het oude kapitoriebewaard, althans op het moment dat de enquête gehouden werd, nu bijna 50 jaar geleden.  De drie rode gebieden van de groep kapitorie en varianten, Tessel plus Noord-Holland, Zeeland en in het zuidoosten, Brabant en Limburg, hebben vroeger aan elkaar gezeten; zie bijvoorbeeld de westelijke citaten hierboven. De bres die er later in geslagen is, komt grotendeels voor rekening van kaft, waarvan de oudste attestatie pas van 1861 is.
Vergelijken we dat met de situatie van dat tweede Latijnse woord, cooperculum en zijn nakomelingen. De verspreiding van deze groep is veel kleinschaliger en is beperkt gebleven tot het gebied ten zuiden van de grote rivieren, een enkele uitzondering daargelaten. Dat alleen al doet veronderstellen dat deze namen jonger zijn dan coopertorium c.s..
Dit zijn de oudste attestaties:
1566 een horne caperkel,  Breda
1567 coperckel,  Nomenclator
1578 kaperkel, coperckel, Leiden
1599 koperckel, Kiliaan
1610 kopérkel, Loon op Zand
1611 cooperculen, Hasselt
1614 copercule, Antwerpen
1619 coperkel, Utrecht
1621 caperkel, Weert
1622 caperkel, Someren
1640 comperckel, Antwerpen
Twee Latijnse benamingen, allebei afgeleid van cooperire,is op zich al merkwaardig zeker gezien ook de tweede benaming, cooperculum, in ’t zuiden  ontstaan is, misschien wel in hetzelfde gebied als coopertorium. Misschien in twee rivaliserende (kloosterlijke) scriptoria?!

In elk geval waren ’t twee rivaliserende woorden, want koperkelheeft in Limburg kapitorie gedeeltelijk verdrongen. Dat is goed te zien op de kaart die Jan Berns in de Taalatlas (1980) gepubliceerd heeft en die hieronder staat.  Deze kaart bevat veel meer gegevens dan mijn proefkaart; ook is hier Vlaanderen meegenomen. Berns heeft op zijn kaart bij coopertoriumen cooperculum deze Latijnse basiswoorden gedocumenteerd, niet de dialectnamen die eruit ontstaan zijn.

De concurrentiestrijd tussen de twee is goed zichtbaar in Belgisch Limburg. De rode driehoekjes staan voor de nakomelingen van coopertorium, de rode bolletjes voor die van cooperculum. Bij die laatste reken ik ook de rode cirkels met stip erin, zoiets ʘ, die in West-Vlaanderen en hier en daar in ’t Antwerpse voorkomen. De eerder genoemde professor Grootaers meent dat de afstammelingen van cooperculum ouder zijn dan die van coopertorium. Ik denk dat ’t andersom is.
De verbreiding van koperkel c.s. is om te beginnen veel geringer dan die van de groep kapitorie c.s., die eenmaal bijna ons hele taalgebied bestreken heeft. In zuidelijk deel resteren nog maar enkele driehoekjes. Dominant zijn daar de koperkel-opgaven naast ’t nieuwere  koffetuur.
Nog een interessant gegeven is de aanwezigheid van kaperkelin ‘t Land van Hulst. De scheidslijn die in Zeeuws Vlaanderen loopt tussen Hulst en Axel dateert van ongeveer 1585,  toen ’t tussenliggende gebied geïnundeerd werd. De scheiding verdiepte zich in loop der tijd door de ontstane godsdienstige tegenstelling. Alle taalveranderingen die zich vanuit Antwerpen verbreidden, als de diftongering van ii en uu, (bijv. tiid werd teid; bruun werd bruin) liepen spaak op deze scheidsmuur. Dat ook overkwam ook kaperkel. Dat woord heeft Hulst dus pas ná 1585 bereikt en ’t kwam niet verder. Axel behield zodoende zijn klaffesienwaaraan ’t oude coopertorium ten grondslag ligt.
Niet zonder betekenis in dit verband is dat ’t Duitse taalgebied van de twee alleen coopertorium kent:  kopert, een woord dat bij de Nederlandse boekhistoricus nog zeer gebruikelijk is. In ’t Hoogduits is ‘t woord aangetroffen in de vorm: chuparturi. Deze vorm wijst op de hoge ouderdom van coopertorium, want de Hoogduitse Klankverschuiving, waardoor o.a. een k  een ch werd en waardoor chuparturiontstaan is, heeft zich afgespeeld vóór ’t jaar 1000.
De overige van ’t Latijn afstammende namen zijn hier via ’t Frans in omloop geraakt. Coopertorium werd in Oudfrans covertoire, dat hier werd tot  koffertorie, kaffetorie e.d.. Uit het Middeleeuws Latijnse coopertura  ontstond in ’t Oudfrans coverture, dat vernederlandste tot koffetuur e.d. Dat ’t Frans intermediair geweest is, zien we aan de f in plaats van de p aan ’t begin van de tweede lettergreep. In ’t Oudfrans veranderde de p in Latijnse woorden in een f. Voorbeeld:  ouvriruit aperire.
Tot die groep moeten we ook ’t Zeeuwse klaffesienrekenen, al is de grilligheid van deze variant, door mij althans, niet te verklaren. Vormen met een ingevoegde lkomen trouwens ook elders voor.  Van nog weer later datum is couvert dat in Antwerpen en Oost-Vlaanderen gebruikt wordt en dat ook uit ’t Frans overgenomen is.
Van nog recenter datum is ’t leenwoord couvertdat we aantreffen in Zeeuws-Vlaanderen en in  Oost- en West-Vlaanderen.

Al deze besproken namen drukken de functie van ons voorwerp uit, namelijk ’t bedekken van een stapel bladzijden, een codex of, later, een boek. Dat doet ook ’t West-Vlaamse deksel. Latijnse benamingen zijn in dat gebied niet aangetroffen, ook geen relicten. Deksel is dus waarschijnlijk een authentieke en ook oude benaming, ontstaan in een West-Vlaams boekcentrum. Wonderlijk dat een gebied dat zo sterk onder Franse invloed gestaan desondanks een Nederlandse benaming geschapen heeft.
Een ander Nederlands woord dat in Vlaanderen, Zuid-Limburg  en oostelijk Nederland voorkomt, omslag, lijkt me van jonger datum. Oudere attestaties dan uit de 19e eeuw zijn niet bekend. Omslag heeft een zo algemene betekenis dat een specificatie in verschillende gebieden niet hoeft te verbazen.
Een beperkte geografie heeft spacium, dat in de Belgische provincie Brabant algemeen maar in allerlei gedaantes in gebruik is: spaassem, spaassel, spaansel, spons. Spacium stamt waarschijnlijk uit een lokale Latijnse koker en heeft zich gaandeweg aangepast aan de lokale dialecten.  ’t Woord betekende eerst ‘ruimte’, maar heeft een niet helemaal verklaarbare betekenisovergang doorgemaakt. Misschien via spacie ‘marge’, ’t onbedrukte gedeelte van een bladzijde.  Kiliaan (1599) kent een werkwoord, ”Spacemen een boecksken.“, wat ie omschrijft met “Libellum consuere, leuiter compingere”, een boekje innaaien.
Er zijn ook enkele benamingen die verwijzen naar ’t materiaal waarvan de oude omslagen gemaakt werden. Perkament dat gebruikt werd of wordt voornamelijk in Kampen en (wijde) omgeving, spreekt voor zich. Dat Kampen in de veertiende eeuw een van de machtigste en toonaangevende steden van Noordwest-Europa is voor het ontstaan van een eigen benaming voor ’t boekomslag  niet zonder betekenis.
Bloot of bleut, dat voorkomt in oostelijke Nederland betekent schapevel, soms ook een andere dierenhuid, waarvan de haren door een bepaalde bewerking, ’t ploten, verwijderd zijn. Bloot is dus vergelijkbaar met perkament.
Palmetoor is in enkele plaatsen in de omgeving van Amersfoort opgegeven. Weijnen noemt ’t in zijn Etymologisch Dialectwoordenboek: “Mogelijk kruising van kappetorie T met mnl. palmaet ‘bepaald soort zijde’, genoemd naar Palma op de Balearen.”

Boog komt sporadisch voor in Zuid-Limburg. Dat is nu eens een Duits leenwoord: Bogen [m] (der ~), Papierbogen [m] (der ~) {zn.} ‘vel papier’.  Ongetwijfeld komt ’t over de grens ook voor, en dan zeker ook in de betekenis ‘kaft’, maar gegevens daarover heb ik niet kunnen vinden.
Zoals de  uiterlijke  vorm van ’t bedeksel in de loop der tijd versimpeld is doordat ’t materiaal minder kostbaar werd, van perkament en zijde naar kaftpapier, zo blijken de benamingen van ’t geleerden-Latijn afgedaald te zijn naar de volkstaal maar met een grote verzameling kleurrijke verbasteringen als resultaat. Vergelijk dat eens met dat saaie kaftpapier.
Literatuur:
J.B. Berns,  Cooperculum en deksel een “calque linguistique”, In: Taal en Tongval 34 (1983)
 L.Grootaers, De lotgevallen van een paar Latijnsche leenwoorden in onze dialecten, In: Verslagen en mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde 1943 (1943)

De nummer één

door Jan Stroop

Kortgeleden zag ik op de website Taalmeldpunt.nl de volgende melding: “Flexa, het nummer één verfmerk voor doe-het-zelvers.” De melder vond kennelijk dat het nummer één een vreemde formulering is en inderdaad je leest en hoort in dit soort combinaties steeds de nummer één met ’t lidwoord de.  Paar voorbeelden uit Google:  De nummer één uien leverancier van Europa. Waarom is Engels de nummer één wereldtaal?  
Meestal gaat ’t bij de nummer één om sportverslaggeving, zoals hier:
Novak Djokovic is weer de nummer één op de wereldranglijst.
In mijn ogen is Barça nog altijd de nummer één van Europa.
De Oranje Dames zijn nog steeds de nummer één van de wereld.
Agassi de nummer een, maar Becker is er ook nog.
om zodoende de nummer één spits te worden in Amsterdam.

Nogmaals OOM en NONKEL

Oorspronkelijk verschenen in de Dialectatlas van het Nederlands (red. Nicoline van der Sijs, Amsterdam 2011)
(met een verbeterde kaart)

door Jan Stroop

Dit is een hoofdstukje uit de Dialectatlas van het Nederlands. Ik publiceer ’t opnieuw omdat ik de tekst en ’t bijhorende kaartje op een belangrijk punt heb moeten verbeteren: ik ging er eerst ten onrechte van uit dat Zuid-Limburg bij het oom-gebied hoort. Dat is niet juist: in Zuid-Limburg wordt nonk gezegd net als in Belgisch-Limburg.

Lees verder >>

Hoe zeggen we ‘suiker’?

door Jan Stroop
(Dit is de uitwerking van de presentatie die ik op 15 december 2013 te Roosendaal gehouden heb, in ’t kader van de expositie ‘Suikergoed’.)

Van ’t woord suiker bestaan in de  Nederlandse dialecten minstens negen verschillende uitspraken:  suiker, suker, sökker, soiker, seuker, soeker, soker, sokker en sukker. En ze gaan allemaal terug op één oervorm.

De herkomst van ’t woord suiker is bekend. De oudste vorm is sakkharâ. Dat woord is uit India, waar ’t eerst riet verbouwd werd dat suiker opleverde. Vanuit India zijn de rietsuikercultuur en de benaming voor ‘suiker’ overgenomen door andere gebieden in ’t Midden-Oosten. Rond 600 leerden de Perzen die techniek van suiker winnen; de benaming kreeg een Perzische gedaante: šakar. Daarna maakten de Arabieren er kennis mee. Zij verbreidden de kunst van het telen van suikerriet naar Egypte, in de 8e eeuw naar Andalusië en vervolgens naar Sicilië.

In ’t Arabisch heette suiker eerst sukkar, dat later sugarwerd. In ’t Siciliaans werd dat zúccaru, dat als zucchero in ’t Italiaans terecht kwam. ’t Frans heeft zijn benaming aan het Italiaans ontleend, waarbij de Italiaanse oe-uitspraak volgens een algemene Franse klanktendens een uu werd: sucre. Aan dat Frans heeft ’t Nederlands zijn naam ontleend: suker. De verspreiding van de suiker en zijn naam is dus via de Middellandse zee gegaan, ’t werk van Arabieren. Later namen handelsreizigers uit Venetië en Genua de verbreiding van hen over.

De oudste attestatie in de Nederlanden is van 1253: gespeld suker. Volgens deskundigen betekent dat dat onze contreien pas rond die tijd de suiker hebben leren kennen. Daarvoor gebruikte men vooral honing om ’t eten zoet te maken. Vanaf de dertiende eeuw nam de handel van West-Europa met ’t Oosten toe en daarmee ook de import van suiker. Opmerkelijk is dat Jacob van Maerlant (ca. 1235 – ca. 1300) al wist waar en hoe suiker gewonnen werd, bijvoorbeeld in de buurt van Tripoli (Libië):  Buten sloughen si haer ghetelt ende vonden sukers vele ant velt  (Spiegel Historiael IV,3, 19, 59): ‘buiten [de stad] sloegen ze hun kamp op en ze vonden veel rietsuiker(s) op ’t land.’

Omdat ’t Nederlands ’t woord suker ontleend heeft voordat ’t diftongeringsproces ontstond, kon de klinker van suker daaraan meedoen en die werdeen ui, zoals dat met alle uu’s gebeurde, dat wil zeggen in de gebieden waar die diftongering begon dan wel overgenomen werd. Op dit gekleurde kaartje van G.G. Kloeke, dat de situatie in 1927, weergeeft is dat ’t witte gebied *). Dat is dus ’t gebied waar huis, uit, bruin, muis, enzovoorts, gezegd wordt.

Op ’t andere kaartje toon ik verspreiding van de uitspraakvarianten van ’t woord suiker. Daarvoor heb ik ’t materiaal gebruikt van vragenlijst 22 (1952) van ’t Meertens Instituut en van de Woordenboeken van de Brabantse en Limburgse dialecten. Jacques van Keymeulen heeft me geïnformeerd over Vlaanderen.

(kaartje, getekend met programma CARTO van Jan van Bakel; om te vergroten: klik)

De antwoorden suiker en enkele (diftongische) varianten die daar weer uit ontstaan zijn, bijvoorbeeld soiker, heb ik weergegeven met horizontale streepjes. Monoftongische varianten die uit suikerontstaan zijn, sökker en seuker, kregen een horizontaal  ‘hamertje’.

De oorspronkelijke uitspraak suker is in gebruik in de plaatsen die ik met ’n stip aangegeven heb. Het gebied met de stippen op mijn kaartje komt grotendeels overeen met ’t rode gebied op ’t Kloeke-kaartje. Maar er zijn interessante verschillen.

Zo’n verschil is te zien in een aantal plaatsen in West-Brabant, Bergen op Zoom en een aantal plaatsen eromheen. Daar is de uitspraak suker, terwijl daar in alle andere gevallen (huis, uit, bruin, muis, enzovoorts) een uigesproken wordt. Die ui-uitspraak heeft ’t West-Brabants in de loop van de  16e en 17e eeuw overgenomen uit Antwerpen. Er zijn een paar gevallen van ui-woorden waarin die ui-spraak niet overgenomen is. Ruken  bijv. Dat dit woord  in West-Brabant zijn uu behouden heeft en er geen diftong voor in de plaats gekregen heeft, komt doordat ruken in deze vorm in Antwerpen niet voorkomt.  Het woord luidt daar rieken. De gediftongeerde uitspraak van ruken, te weten ruiken bestond en bestaat niet in ’t Antwerps en kon dus door het West-Brabants niet overgenomen worden.  ’t Bleef daar dus ruken.

Maar suiker is een ander geval, want ’t Antwerps heeft wel degelijk de gediftongeerde vorm suiker. Toch komt die vorm in dat gebied rond Bergen op Zoom nu juist niet voor. Of misschien beter, komt niet meer voor, want ’t is meer dan waarschijnlijk dat men ook daar ooit suikergezegd heeft. In Bergen op Zoom en omgeving is de diftongering vanuit Antwerpen immers in alle gevallen overgenomen, dus waarom zou dat niet bij suiker gebeurd zijn. Ik kan niets bedenken.

Maar hoe komen Bergen op Zoom en zijn omgeving dan aan die uitspraak suker? Ik vermoed dat dat verband houdt met een economische ontwikkeling van ongeveer twee eeuwen geleden. Tot dan was suiker ’t product van suikerriet. Die moest geïmporteerd worden. Dat kon niet meer sinds Napoleon in 1806 het Continentaal Stelsel ingevoerd had, waardoor het Europese vasteland werd afgesloten voor handel met Engeland, zodat er ook geen suiker ingevoerd kon worden. Napoleon begreep dat er een alternatief nodig was, want ook toen kon men al niet buiten suiker, en hij verplichtte de boeren om suikerbieten te telen. Dat die bieten suiker bevatten was omstreeks 1750 al ontdekt. Na de val van Napoleon nam de rietsuiker overigens meteen weer zijn oude plaats in en was het gedaan met de suikerbietenbouw. Tot omstreeks 1860. Toen begon de teelt van suikerbieten goed op gang te komen, ook al omdat de suikerbiet door veredeling als producent van suiker rendabel geworden was.

De suikerbiet gedijt niet op alle soorten grond. De klei is daar bij uitstek wel geschikt voor. Vandaar dat er in Zeeland op grote schaal suikerbieten geteeld werden en nog steeds. Voor de verwerking van de suikerbiet werden grote aantallen suikerfabrieken opgericht, maar vreemd genoeg maar twee in heel in Zeeland. De Zeeuwse suikerbieten werden voornamelijk en op grote schaal getransporteerd naar West-Brabant. Daar stonden in het begin van de 20e eeuw meer dan twintig suikerfabrieken, o.a. in Dinteloord, Roosendaal en Bergen op Zoom, die allemaal hun sukerpeejenuit Zeeland kregen. Niet voor niets was er een fabriek in Bergen op Zoom die ‘De Zeeland’ heette.

Deze uitzonderlijke relatie bracht mij op de uitzonderlijke gedachte dat de Zeeuwen tegelijk met hun suikerbieten ook de benaming sukerpeejen naar West-Brabant hebben overgebracht. En van dat sukerpeej werd dan weer suker gemaakt. Dat is zo klaar als een klontje.

Er zijn nog meer opmerkelijke uitspraakvormen van suiker. Zo zeggen de Friezen soeker. Dat lijkt op ’t eerste gezicht normaal, want ’t Fries en de Friese dialecten hebben voor de Nederlandse ui altijd een oe: hoes, moes. Zie ’t blauwe (-groene?) gebied op ’t kaartje. Maar dat laat tegelijk zien dat dat niet overal ’t geval is. In Gaasterland (in ’t zuid-westen van Friesland) bijvoorbeeld is de oe altijd uu geworden: huus, tuun en dergelijke. Behalve in soeker. Aan de uitspraakvarianten van suiker die we tot nu toe bekeken hebben, ligt ’t Franse sucre met een uu ten grondslag. Nu kan er veel in een taal, k’s worden h’s, ie’s worden ei’s,  maar een uudie oe wordt, dat bestaat niet. Dus moet er iets anders aan de hand zijn.

Ook in het oostelijk deel van ons taalgebied komen uitspraakvormen voor die niet teruggaan op ’t Franse sucre. Het zijn soker, sokker en sukker, die ik op mijn kaartje weergegeven heb met een vierkantje. Ze komen voor in een strook die loopt van Oost-Groningen naar Zuid-Limburg. In Zuid-Limburg komen we ook de vorm soeker weer tegen, alsook de variant tsoeker. Dat brengt ons gemakkelijk op ’t goede spoor: al die oostelijke vormen zijn ontleningen uit ’t Duits, van de vorm Zucker, fonetisch genoteerd: [tsukәr]. ’t Duits heeft die vorm uit ’t Italiaans, dat de oorspronkelijke oe [u] bewaard heeft.  De kaart laat zien dat wij de suiker en zijn benaming dus langs twee trajecten ontvangen hebben, een Frans en een Duits.

Dat er in Groningen, Drente, Twente en de Achterhoek, net als in Limburg uit dat soeker varianten als sokker en sukker ontstaan zijn, is niet vreemd, want deze klinkerverandering komt daar meer voor. Dat soeker in ’t aan de periferie gelegen Friesland bewaard is, is niet vreemd. Maar wel vreemd is dat in die oostelijke gebieden tussen sukker en sokker, de vierkantjes,ook sukers, stippen, opduiken. Nog merkwaardiger is dat die sukers daar van recente datum zijn. Dat blijkt uit opmerkingen op enkele enquêteformulieren als: tegenwoordig (1952) zeggen we suker, maar vroeger was ’t sukker of sokker.

Nu is ’t een feit dat dialecten volop veranderen en voortdurend vormen uit ’t ABN nemen ter vervanging van een dialectwoord, maar dat dialecten in de 20e eeuw ’t ene dialectwoord vervangen door een ander dialectwoord is toch zeldzaam, misschien zelfs uniek. Dat vervangen is niet alleen gebeurd in plaatsen waarvoor dat expliciet gemeld is, maar blijkens ’t kaartje in alle plaatsen op het kaartje waar suker-vormen verschijnen in een gebied waar men oorspronkelijk alleen sukker of sokker zei. Niet zonder belang is dat er een sokker-sukker-gebied ligt tussen ’t grote centrale suker-gebied en de suker-gevallen in Oost-Groningen en Drente, waardoor een ontlening in taalgeografische zin, gewoon over grondgebied, niet waarschijnlijk is.

Er zou voor ’t opmerkelijke verschijnen van suker in dat Noord-Oosten een externe oorzaak kunnen zijn. Een nieuw soort suiker? Nooit van gehoord. Een campagne van een dialectvereniging om suker te promoten: haalt nooit iets uit. De enige verandering in verband met suiker die ik in dit gebied kan ontdekken is een heel andere, een landbouwkundige.

Tot voor 1900 werden er in Groningen weinig suikerbieten verbouwd. Dat veranderde in ’t begin van de 20e eeuw. Door de komst van de meststof chilisalpeter steeg de opbrengst van de suikerbietenteelt enorm. Gevolg was dat er een suikerfabriek moest komen. Om de plannen uit te voeren werd J.J. van Doormaal aangetrokken, die voordien directeur was van de suikerfabriek van Standaardbuiten (West-Brabant).  In 1914 was de fabriek gereed.

“Toen de  eerste campagne van start ging draaide ‘de Friesch-Groningsche’ voor een belangrijk deel met Brabantse ‘gastarbeiders’. Directeur, J.J. van Doormaal had namelijk van zijn vorige fabriek personeel meegenomen. Een deel van hen werkte alleen in de campagne. Maar ook veel vaste banen werden bezet door de Brabanders. De groep, die zich verspreid over de stad vestigde, bestond inclusief gezinsleden uit ruim boven de honderd personen…   ” (Het verhaal van Groningen) . Bij ’t 40-jarig jubileum, in 1954, was meer dan de helft van de jubilarissen afkomstig uit Noord-Brabant.

Maar let wel, als hier over ‘Brabanders’ gesproken wordt dan worden daar West-Brabanders mee bedoeld, suker-zeggers dus. Ik vraag me nu voorzichtig af of we hier misschien te maken hebben met een bescheiden West-Brabantse expansie, die zich weerspiegelt in ’t dialect? Dus zo: de inheemse bevolking zegt sokker, dus ook de boeren. Maar die brengen hun suikerbieten naar de fabriek, waar ze de leidinggevenden uit West-Brabant suker horen zeggen en dat nemen ze vervolgens over. Zou ’t toeval zijn dat die suker-vormen juist voorkomen in ’t gedeelte van Groningen en Drente waar de suikerbiet geteeld wordt?

’t Is te mooi om waar te zijn en er is een belangrijk obstakel, de sukers in Twente en de Achterhoek. Daar wordt geen suikerbiet verbouwd en daar heb ik voor ’t recente verschijnen van suker geen verklaring, dus staat ook mijn expansieconstructie op losse schroeven.

Waardevolle opmerkingen kreeg ik van Henk Bloemhoff en Michiel de Vaan.

Zie ook:
Michiel de Vaan, ‘Suiker’ in de Limburgse dialecten en de ontwikkeling van Wgm. *u in gesloten syllabe’

*)  Dit kaartje ‘huis’ is uit G.G. Kloeke, Herkomst en groei van het Afrikaans, Leiden 1950. ’t Is een vereenvoudigde weergave van de beroemde Huis-Muis-kaart uit  zijn De Hollandsche expansie in de zestiende en zeventiende eeuw en haar weerspiegeling in de hedendaagsche Nederlandsche dialecten, ‘s-Gravenhage 1927.

Hoe zou De Ruyter echt gesproken hebben?

door Jan Stroop

In De Taalstaat (programma op radio 1, zaterdag van 11 tot 13 uur) van 31 januari ging ’t over de film Michiel de Ruyter. Wie verwacht had dat het dan in elk geval ook over de taal zou gaan die in de film gebruikt wordt, kwam bedrogen uit. ’t Ging vooral over hoe ’t scenario tot stand gekomen was en over ’t grappige feit dat zowat alles aan de film over de monumentale Zeeuw De Ruyter Brabants is: scenarioschrijver, regisseur en hoofdrolspeler.
Er is wel discussie geweest naar aanleiding van de film, onder andere over de vraag of de historische feiten wel recht gedaan is. Maar dat De Ruyter in de film spreekt met een sterk Brabants accent, daarover is geen woord gezegd. Blijkbaar is dat niemand opgevallen, terwijl ’t een vaststaand feit is dat de echte De Ruyter geen Brabants gesproken heeft.

’t Poldernederlands is toch echt iets aparts

door Jan Stroop
Op Wikipediavind je ook een hoofdstuk over het Poldernederlands. Dat gaat over mijn ontdekking en beschrijving van dit sub-ABN. Een intrigerende passage in die tekst is de volgende:   
“Critici van het concept Poldernederlands wijzen erop dat het verschijnsel van de lager aangezette diftong op zichzelf niet nieuw is. De verlaging van de diftongen in de Hollandse dialecten is reeds sinds de zestiende eeuw gaande, zowel in het Nederlands als in de andere West-Germaanse talen.”

Wie deze critici zijn weet ik niet, maar ’t zijn zeker geen dialectologen, want die zouden nooit gesuggereerd hebben dat de verlaging in de Hollandse dialecten te vergelijken is met de verlaging die de essentie is van het Poldernederlands. In mijn boek Poldernederlands (1998) wijs ik dat verband al met argumenten van de hand.

Lees verder >>

Een stukkie over kissies die gekaapt zijn

door Jan Stroop
In de titel boven deze tekst staan twee woorden die je in deze vorm niet vaak in geschreven taal zult tegenkomen. Stukkie dan nog wel een enkele keer, bijvoorbeeld als het gaat om een product van de tekstverwerker. Carmiggelt noemde z’n kronkels zo. In romans en verhalen die in volksbuurten spelen, van o.a. Brusse, Querido en Heijermans, kom je kissies tegen, maar alleen als er spreektaal weergegeven wordt.
Google levert bij kissie maar twee hits op, alle twee gezongen. ‘t Stijfselkissie van Zwarte Riek (‘M’n wiegie was een stijfselkissie’) en een ander speciaal kissie van Nico Haak: ‘Honkie tonkie pianisie met je sinasappel kissie’ (spelling voor zijn rekening). Bij kassie als verkleinwoord van kas of kast is de Google-oogst al even klein: de combinatie kassie kijken, voor tv kijken, en als naam voor een dobbelspel: kassie-zes.

Lees verder >>

Tropisch Nederlands

Wie draait d’r tong?

door Jan Stroop

Surinamers spreken geen Poldernederlands. Dat constateer ik na de drie weken dat ik in Paramaribo geluisterd heb naar radio, tv, op straat en in de collegezaal (met alleen maar vrouwen!). Ik geef toe, ’t is maar een indruk, maar ik durf zo langzamerhand wel op m’n gehoor te vertrouwen.  
Door die afwezigheid van dat Poldernederlands lijkt Suriname wel wat op Vlaanderen, waar ook geen Poldernederlands gesproken wordt. Maar terwijl er in Vlaanderen ook nooit meer recente Nederlandse taalveranderingen overgenomen worden omdat de wil daartoe ontbreekt, gebeurt dat in Suriname aan de lopende band. Groetwoorden als doei doei, inclusief ’t eraan voorafgaande stadium doei, zijn niet van de lucht. Net als andere  woorden en uitdrukking in ’t alledaagse taalgebruik: fijne dag (verder of nog), klopt, plek, en zeg maar.  Maar ook meer verheven termen als naschoolse opvang kom je er tegen. Een taalverschijnsel  hoeft in Nederland maar even zijn kop op te steken of ’t duikt al op in Suriname.

Lees verder >>

In ’t zuiden wordt niet meer ALS gezegd dan elders.

door Jan Stroop

  
 

Met de conclusie die Hubers en De Hoop trekken kan ik ’t eens zijn. Ze presenteren die aan ’t eind van hun artikel “The effect of prescriptivism on comparative markers in spoken Dutch”, waar Marc van Oostendorp onlangs de aandacht op gevestigd heeft. H&H; hebben ’t Corpus Gesproken Nederlands onderzocht op ’t gebruik van als en dan bij vergelijkingen. Hun conclusie luidt, vrij vertaald:  Zonder de strenge normatieve regel (na een comparatief volgt DAN) zou dat danallang door als vervangen zijn. En dat gaat gebeuren want als is veel geschikter voor de functie van markeerder van de comparatief dan dan. Maar zover is ’t niet. Het Nederlands heeft twee voegwoorden bij een vergrotende trap, die allebei gebruikt worden.

Wat doet die k in winterkoninkje en koninkrijk?



  door Jan Stroop

Onze taal kent een aantal woorden die een k bevatten die je daar niet zou verwachten:  koninkrijk, koninklijk, oorspronkelijk,  jonkvrouw, (on)afhankelijk, aanvankelijk, aanhankelijk, vergankelijk, toegankelijk, ontvankelijk, gevankelijk en nog een paar.  Ik bedoel de k’s midden in die woorden. Dat zou toch in al deze gevallen een gmoeten zijn want koninkrijk hangt immers samen met koningoorspronkelijkmet oorsprong, aanvankelijk met aanvang, enzovoorts. Hoe dat komt, laat de geschiedenis van deze woorden zien.
Lees verder >>

Driewerf natuurlijk

door Jan Stroop 
                                                                          over een verminkt katholiek gezang

In de periode dat de katholieke kerk aan vernieuwing deed, is ook ’t smeekgebed  aan ’t begin van de mis, ’t Kyrie eleison, onder handen genomen. Dat Gregoriaanse gezang bestond vanaf de 8e eeuw uit drie maal drie Griekse tekst- annex muziekregels: 

Kyrie eleison  (‘Heer ontferm u onzer’
Kyrie eleison
Kyrie eleison
Christe eleison
Christe eleison
Christe eleison
Kyrie eleison
Kyrie eleison
Kyrie eleison
Er bestaan op die tekst verschillende melodieën, genoteerd zoals op dit voorbeeld uit Vierde mis. Achter elke regel is met [iij] aangegeven hoe vaak die gezongen wordt. De allerlaatste (9e) regel heeft een extra versiering.

Lees Renate Rubinstein!

door Jan Stroop

’t Zal Karel van het Reve wel weer geweest zijn (of W.F. Hermans) die zei dat de houdbaarheid van een schrijver niet afhangt van de inhoud van zijn verhaal maar van zijn stijl. Als iemand daar ’t  bewijs van is, is ’t wel Renate Rubinstein. 
Terwijl ik bezig ben aan een artikel over dan in combinaties als niets dan afgunst, niemand dan Marc, en ook ’t beruchte niet dan nadat, schiet me te binnen dat ik over dat laatste bij Renate Rubinstein wel eens ’n slimme opmerking gelezen heb. Ik wil die in dat artikel citeren want ’t wordt er beslist aardiger door.
Maar waar staat die passage?! Ik weet alleen: ergens op een linker bladzijde. De drie delen Verzameld Werk van RR, die na haar dood verschenen, dat zijn bij elkaar ruim 1200 linkerbladzijden! Dus maar bladeren, bladeren, bladeren. Gaandeweg werd dat bladeren lezen, want er is geen bladzijde in die gigantische stapel papier die niet minstens even, en vaak langer je aandacht vasthoudt. En eindelijk toch die passage gevonden, op ’n rechterbladzijde!  Hij volgt hier.

Lees verder >>

Vlinder en zijn heteroniemen

door Jan Stroop
Afgelopen weekend was er tuinvlindertelling, georganiseerd door de Vlinderstichting. Een gelukkig toeval was dat het weer de tellers bijzonder mee zat. Er werden meer dan 180.000 vlinders geteld. De winnaar was de dagpauwoog,  nummer twee de gamma-uil en drie ’t koolwitje. De complete lijst van alle getelde vlinders omvat 36 namen voor even zoveel soorten vlinders.  Of er voor bepaalde vlinders in bepaalde dialecten nog andere benamingen bestaan of bestonden, weet ik niet. ’t Zou kunnen, want voor de ‘vlinder-in-het algemeen’ waren die er wel. Dat is te zien op onderstaand dialectkaartje.

Veel van de benamingen op ’t kaartje worden waarschijnlijk niet meer gebruikt. De gegevens voor de kaart zijn namelijk (o.a. door de Universiteit van Gent en door ’t latere Meertens Instituut) verzameld gedurende een lange periode, die voor een deel ook al lang geleden is, namelijk tussen 1925 en 1982. De kaart geeft dus een beeld van een situatie uit ’n voorbije tijd. Tegenwoordig zegt bijna iedereen vlinder. Dat woord leren we op school en daardoor raken alle dialectwoorden op de achtergrond en vervolgens verdwijnen ze helemaal. Dankzij die dialectenquêtes zijn ze op papier bewaard gebleven. Gelukkig maar want ’t  zijn interessante woorden die ons over ’t verleden vertellen.

De oudst bekende naam is kapel, dat in 1367 opgetekend is. Uit de gegevens uit oude bronnen is op te maken dat kapelvroeger algemeen in gebruik geweest is, zeker in het tegenwoordige Nederland. Multatuli gebruikt ’t nog, omstreeks 1870:  “Eene kapel zweefde hoog, hoog, in de lucht”.  Trouwens ook ’t kaartbeeld wijst daar al op. Je ziet een echt kapel-gebied in de Randstad, maar ook overal elders in Nederland vinden we nog restanten van kapel, meer nog dan de kaart laat zien. Dat komt ook overeen met de informatie die Kiliaan in 1599 geeft van kappel en kapelleken: hij trof die namen aan in Holland en Friesland. Andere bronnen noemen ook nog Gelderland en Limburg .’t Woord kapel gaat terug op het Middellatijnse cappa‘mantel’; ’t  is daar een verkleinvorm van. ’t Nederlandse kapelleken is dus eigenlijk dubbelop. De naam kapel is natuurlijk ingegeven door de overeenkomst tussen een rijkversierde cappa en de kleuren van de vlinders.

t Woord kapel is sterk achteruit gegaan door de opkomst van vlinder dat ook nog eens de benaming van de standaardtaal werd. Vlinder komt tegenwoordig in heel Nederland voor, maar is op de kaart nog maar sporadisch te zien in Zeeland en vrijwel niet in Zuid-Limburg. Ook in Vlaanderen is vlindernagenoeg afwezig. Wel kent Vlaanderen een verbluffend groot aantal benamingen die allemaal op een of andere manier woord-evolutionair gezien verwant zijn met vlinder.  Een kleine selectie: fiefouter, flikflodder, vliegentier, vliewouter, fliefluiter, vliegenbouter en wijwouter. En er zijn er nog meer, die soms maar in een paar plaatsen gebruikt worden. Al deze namen komen voor in de gebieden die op de kaart met de hoofdtypes flieflouter en flikketeer weergegeven zijn.

Opvallend bij de meeste van deze benamingen, hoe grillig gevormd ze ook zijn, is dat ze toch vaak de medeklinkercombinatie fl– bewaard hebben. Ook snuffel hoort er uiteindelijk bij al heeft hier ‘t gedrag van de vlinder, die graag in bloemen snuffelt, de woordvervorming misschien mede gestuurd.  Die fl wijst erop dat de namen van dit type terug gaan op een Indo-europees werkwoord voor ‘fladderen’, waar trouwens ook fladderen zelf van af stamt. En ook ’t woord vlinder komt daar vandaan.

De groep namen met de grondbetekenis ‘fladderaar’ kan zelfs nog uitgebreid worden, want ook de benaming pepel en zijn varianten stammen van datzelfde Indo-europese werkwoord af dat oorspronkelijk met een pbegon. Zo’n p werd in de Germaanse talen doorgaans een f of v. Zie bijvoorbeeld pater naast vader. Het verschil tussen de pepel-groep en de fladder-groep is dat pepel niet verGermaanst is omdat het via het Frans,  papillon, van het Latijn vandaan komt, dat al die p’s behouden heeft. Het dichtst bij de oude vorm papillon staat de variant poppelontjedat rondom Brussel voorkomt. De varianten in het pepel-gebied zijn: pepel zelf, dat ’t meest gebruikt wordt, en verder peper, pemel, pimpel, enzovoorts.

In het zuidwesten komen namen voor waarvan boter–  het eerste deel is. Misschien houdt de naam verband met boter, denk aan het Engelse butterfly, of is ie het resultaat van een volksetymologische vervorming van bouter uit de  fladder-groep.

Kiliaan (1599) noemt ook nog penne-voghelen situeert die naam in Gelderland en Kleverland, waar dat woord ook in de vorm pannevogel volgens de kaart nog gezegd wordt. Vogel voor een vliegend insect komt meer voor. Bij penne-, waarvan Kiliaan ook nog de variant pelle– geeft, wordt wel gedacht aan een vervorming van kapellevogel tot pellevogel tot pennevogel tot pannevogel. De meest actuele naam is natuurlijk zomervogel vanwege ’t afgelopen zonovergoten weekend van begin augustus. Maar de naam bestaat minstens al sedert 1515:  ein somervogel of pellevoghel.

Uil moet eerst de naam voor de nachtvlinder geweest zijn. Die heet zo vanwege overeenkomst in gedrag met de uil door ook vooral snachts te opereren. De tweede-prijswinnaar uit de vlindertelling van afgelopen weekend, de gamma-uil, is eigenlijk ook een nachtvlinder. Blijkbaar verschijnen nachtvlinders ook wel eens overdag en zo kan hun naam overgedragen worden op de dagvlinders.

Wat dat roe in roevogel betekend heeft, is niet bekend. Sommigen veronderstellen dat ’t een oud woord voor ‘rups’ geweest is. Niet zo’n gekke gedachte. Een roevogel zou dan dus letterlijk een vogel zijn die uit een rups ontstaan is, wat bij vlinders gemeenlijk ’t geval is.

(Herziene tekst en kaart komen uit de Dialectatlas van het Nederlands (red. Nicoline van der Sijs), Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2011; de kaart is door Jan Stroop ontworpen en uitgevoerd door Geografiek)

 

Als De Schutter dat geweten had, of zou geweten hebben…

door Jan Stroop


Georges de Schutter betoogt in zijn artikel ‘De werkwoordelijke eindgroep en nog steeds geen einde?’ dat metrum en ritme belangrijke factoren zijn bij de keuze van de volgorde in de werkwoordsgroep. ’t Is een artikel dat zich niet leent voor lezing bij hoge temperaturen. Marc van Oostendorp geeft er in zijn blog de essentie van weer: we zeggen liever gelopen had dan had gelopen, omdat de eerste volgorde beter klinkt. Dat laatste vind ik ook, maar de vraag is of dat ‘klinken’ wel uit dit onderzoek geconcludeerd mag worden. De Schutter baseert zich namelijk op geschreven taal, een roman van Hella Haasse en teksten uit twee Vlaamse kranten (Knack en De Standaard) van journalisten die beide volgordes door elkaar gebruiken, de rode (had gelopen) en de groene (gelopen had) volgorde. Zo heten ze nu eenmaal, sinds ze met die kleuren door Anita Pauwels op haar dialectkaarten weergegeven werden.

KLOPT!

Door Jan Stroop

Als je mag afgaan op ’t Corpus Gesproken Nederlands (CGN) komt de uitdrukking dat klopt (of kortweg: klopt) in de spreektaal gemiddeld ongeveer twee keer per uur voor. Dat klopt scoort in ’t CGN 1671 keer, dat wil zeggen 311 keer in ’t Vlaamse deel, 1360 in ’t Nederlandse. De totale omvang van ’t CGN is ongeveer 900 uur, vandaar ‘ongeveer twee keer per uur’. In percentages haalt Vlaanderen 18,6 %, Nederland  81,4 %  en dat wil zeggen, gelet op de kwantitatieve verhouding tussen ’t Vlaamse en ’t Nederlandse deel (40%-60%), dat de Nederlandse sprekers veel vaker dat kloptzeggen dan de Vlaamse. Ook blijkt dat dat klopt in alle soorten gesproken Nederlands voorkomt, behalve in ’t subcorpus ‘ceremonious speeches/sermons’.

De frequentie van dat klopt moet in ’t alledaagse taalverkeer veel hoger liggen. Je hoeft maar vijf minuten naar twee mensen te luisteren of ’t is al minstens één keer over de tong gegaan. Ook vaak zonder expliciet onderwerp: klopt!  Ook in de krant zien we hoge frequenties. Afgelopen maand 2497 keer klopt; andere vormen van het werkwoord, kloppen, samen 1229 keer. Klopt zou wel eens de meest gebruikte een-woordige zin van ’t Nederlands kunnen zijn.

Dit (dat) klopt is niet oud. ’t Woordenboek der Nederlandsche taal geeft aan dat kloppen in de betekenis ‘overeenstemmen, juist zijn e.d.’ pas omstreeks 1880 in gebruik gekomen is. Maar dat klopt niet. De oudste attestatie is twintig jaar ouder. We vinden hem bij Multatuli (hij weer!), in zijn Minnebrieven (1861): “ ’t Komiekste is, dat ik tegelykertyd  belyden moet, dat ik altyd de waarheid zal zeggen. Dit klopt immers niet!”  (Volledig Werk  2, 156)

Multatuli gebruikt ’t woord van dan af regelmatig. Een paar voorbeelden:
1862, brief:“Hoe ze ’t hebben geleverd om na ’t sparen van slechts 14 regels, het heele boêltje dat ik er bijgaf te doen kloppen op ’t eind van pag. 130 begrijp ik niet, — maar ’t is mooi – ”. (VW 11, 37).
1863, brief:  “Een wegschuilende, zich verstoppende Jezus is een ondenkbaar iets, en klopt dan ook niet met zyn flink: ‘wien gy zoekt, is hier!’ ” (VW 11, 193).
1864, Idee 451:  De rapporten der beambten moeten kloppen met den geest van de clique die op ’t kussen zit.  (VW 3, 142)
1866, brief: ”(zulk volk en fatsoenlyk uitgever? Hoe klopt dit?)” (VW 11, 676).
1867, brief: “ En ook die beteekenis van ’t cursief gedrukte, klopt niet, want dan moest er meer cursief zyn.” . (VW 12, 438).

En hierna, tot 1880, nog 16 keer. Klopt meer dan kloppen, zoals de verhouding tot op heden toe gebleven is. Multatuli gebruikt ze alsof  ’t heel gewone woorden waren. Maar dat waren ze in die tijd nog niet voor iedereen. In 1871 laat Alberdingk Thijm ’t woord cursief zetten, omdat hij ’t blijkbaar een bijzonder woord vond:  “In de eerste plaats, het aanbrengen van twee loze deuren, die met werklijke doorgangen in twee andere der 4 zaalhoeken moeten kloppen.” (Herstelling en monumentale beschildering van de ‘Schepene-saele’ te Yperen,  door P.J.H. Cuypers en J.A. Alberdingk Thijm, in Dietsche Warande. Jaargang 9, Amsterdam 1871).

Ook bij andere Nederlandse auteurs wordt klopt op een of andere manier gemarkeerd. Soms gebeurt dat met zoveel woorden en zoveel jaren na Multatuli nóg:  “of als alles niet klopt, zooals tegenwoordig de geijkte term is”, Bosboom-Toussaint, in Gids1905, 32 (brief  uit 1886).
De volgende citaten zijn gevonden in de database Historische kranten van de KB. De oudste attestatie is daar van 1866, dat is vijf jaar na Multatuli!
“dat klopt niet,” zeggen ze in het leger (in:  Sumatra-courant : nieuws- en advertentieblad, 17-03-1866, Graaf d’Amuraij. Padangsche Bovenlanden).
“Dat reikhalzend uitzien klopt kwalijk met die rustige rust.” (Java-bode : nieuws, handels- en advertentieblad voor Nederlandsch-Indie, 28-11-1868)
“Zie, dat klopt, om het zoo eens uittedrukken, volstrekt niet, vooral niet wanneer men den feitelijken toestand in ’t oog houdt” (in: De locomotief: Samarangsch handels- en advertentie-blad, 10-03-1869).
“Bij eene installatie van pas benoemde luitenant recommandeerde die zelfde Chef hen aan de kameraadschap der officieren, ook aan die der Kapiteins!! Hoe klopt die handelwijze nu?”  (Sumatra-courant: nieuws- en advertentieblad: 09-10-1869).

De oudste vindplaatsen in kranten komen dus allemaal uit Nederlands-Indië. In Nederlandse kranten van vóór 1880 komt klopt niet voor. Er is één uitzondering, een attestatie uit 1865 in de Provinciale Drentsche en Asser courant : “In de leerboeken, die ook met en op elkaar moeten kloppen, is nu elk oogenblik eene totale revolutie.” (23-11-1865). Dit citaat is uit een jammer genoeg anonieme ingezonden brief over de noodzaak van een Latijnse school in Assen. Wisten we maar wie dat was en waar hij (of zij?) vandaan kwam.

Uit de Indische citaten blijkt dat klopt en kloppen in die periode in Indië ook nog niet echt ingeburgerd waren, althans in de geschreven taal; zie de toevoeging ‘om het zoo eens uittedrukken’ en de aanhalingstekens hierboven en ook hier: “Dat „klopt,” in zoover is de eer der algemeene secretarie gered.” (in: De locomotief: Samarangsch handels- en advertentie-blad : 15-03-1870).

In Nederlandse kranten dringt dat klopt pas door in de jaren 1880. Onder de literatoren is Busken Huet  de eerste en lange tijd, naast Multatuli, ook de enige gebruiker. Zijn oudste voorbeeld is uit Het Land van Rembrandt, 1882.
Een overzicht van wat ik gevonden heb:

Klopt/kloppen tot 1870:
Nederland (Assen):     1 keer    (1865)
Multatuli:                       8 keer    (vanaf 1861)
Indië:                               5 keer     (vanaf 1866)
Klopt/kloppen 1871-1880
Nederland                   5 keer  (meest uit De Gids)
Multatuli                     14 keer
Indië                            15 keer
Omdat ’t Volledig Werk (25 delen) van Multatuli niet digitaal beschikbaar is, is o.a. ’t journalistieke werk buiten beschouwing gebleven.

Het frequente en vanzelfsprekende gebruik van klopt bij Multatuli en de markerende kenmerken bij anderen en in de kranten suggereert dat dat klopt een woord uit de spreektaal is. Nog duidelijker blijkt dat uit ’t Indische citaat uit 1866: ““dat klopt niet,” zeggen ze in het leger.”

Dat klopt is dus in Indië veel eerder in gebruik gekomen en vroeger algemeen geworden dan in Nederland. Opvallend is ook dat de eerste Nederlandse auteurs die zich van de uitdrukking bedienen allemaal iets met Indië te maken hebben gehad. Multatuli, die de meeste gevallen op zijn conto heeft, voorop, maar ook Busken Huet heeft een tijdlang in Indië gewoond en gewerkt. Misschien is ’t citaat uit de Javabode van 1866 wel van hem, want hij was daar toen redacteur. Busken Huet kende de uitdrukking trouwens al eerder, want hij had hem gelezen in een paar brieven van Multatuli aan hem (uit 1866 en 1867).

De Indische herkomst van de uitdrukking lijkt wel min of meer vast te staan, maar voor de etymologie geldt dat niet. In een relatie met het kloppen van ’t hart die Onze Taalsuggereert, geloof ik niet. Geen van de gebruiksgevallen van dat klopt laat zich associëren met een kloppend hart, ook niet de oudste; zie boven.

Wat er allemaal met kloppen verbonden blijkt te kunnen worden:
een hart, ader, boezem of hoofd  klopt
op een aambeeld, op een deur kloppen  
eieren kloppen, dienst kloppen
geld uit de zak kloppen
een tegenstander kloppen
enzovoorts

Maar ik zie nergens enig verband met ons kloppen. Ik denk daarom maar in de richting van ’t oudste Indische citaat: “dat klopt niet,” zeggen ze in het leger. ’t Leger dus of misschien zelfs ’t Indische leger. Je vraagt je dan af wat er zoal klopt in ’n leger. Dienst kloppen, zal ’t niet zijn, dat is een overgankelijke constructie (met lijdend voorwerp). Misschien enig schietgetuig dat pas voor gebruik gereed was als er ergens iets in paste en dat dat passen gepaard ging met een geluid. Heeft de uitgebreide uitdrukking “kloppen als een bus” er iets mee te maken? Bus was ooit de naam van een bepaald soort schietgetuig; zie afbeelding.

Ik geef mijn suggestie graag voor betere!

Rijksmuseum: Geschiedjuweel

door Jan Stroop

Kijk bij een bezoek aan ’s Rijks museum  in Atrium West ook eens langs de  linkermuur omhoog. Dan zie je een groot  paneel met een interessante tekst.  Er staat:




“Aen d’Amstel en aan ’t Y, daer doet sich heerlijck ope
Sy die, als Keyserin, de kroon draeght van Europe.”
’t Geschiedjuweel, dat blinkt aan dien doorluchten krans
Vindt in dit heiligdom zijn echten wederglans. 

Lees verder >>

Rijks museum

door Jan Stroop

In haar column van maandag 8 april (Volkskrant) uit Aaf Brandt Corstius haar ongenoegen over de spatie tussen Rijks en museum zoals die te zien is in ’t nieuwe logo van ’t museum. Ze is niet de eerste. Zelden heeft een lege ruimte zoveel beroering veroorzaakt, in kleine kring welteverstaan. Aaf stoort zich vooral aan de argumenten van ontwerpster Irma Boom. Twee ervan gaan over ontwerpaspecten, maar ’t tweede argument raakt de taalkunde en dus mij.  Ik citeer Aaf: “Voor haar ‘gevoel’ zijn het twee woorden, vanwege de koosnaam Rijks.”  Haar is dus Irma Boom.

Ik denk ook dat Rijks en museum twee woorden zijn, maar dan vanwege de historie.
Lees verder >>