Tag: Ceneton

Pieter Langendijk op weg naar de égalité

Door Ton Harmsen

Kan een klucht ook een ernstig onderwerp behandelen? De zwetser van Pieter Langendijk (1712) bewijst het. Het spel is vermakelijk genoeg om een klucht te heten, en bovendien kort, zonder ingewikkelde intrige, niet in een verheven stijl en zonder veel ontwikkeling in de karakters. Toch gaat deze klucht over een zaak van maatschappelijk belang, een ernstig onderwerp dat in de vroege achttiende eeuw heel actueel was. Toen moest de burgerij zijn plaats naast of zelfs boven de adel legitimeren, en daarvoor is de eenvoudige intrige van Langendijk heel geschikt.

Op het eerste gezicht is De zwetser een kluchtje over de liefde, een vader koppelt zijn dochter aan een vreselijke man en hij schuift haar charmante geliefde terzijde; geholpen door zijn knecht zet deze de situatie naar zijn hand. Izabelle, een jongedame uit een adellijke familie, wil trouwen met Karel, een burgerjongen. Ernst, haar vader, is daar faliekant tegen: het adellijk geslacht moet in stand gehouden worden. Die vader is niet dom, maar hij zit vastgebakken aan een oud vooroordeel. Karel, de geliefde van Izabelle, wil bewijzen dat hij ondanks zijn burgerlijke afkomst een goede schoonzoon zal zijn. Een schijnbaar onmogelijke taak, maar als blessing in disguise komt er nu een afzichtelijke Duitser op het toneel, kapitein Hans, die naar de hand van Izabelle dingt. Ernst steunt deze snoevende militair ten volle. Lees verder >>

Bloedwraak leidt tot ellende in het schooltoneel

Door Ton Harmsen

Na al die voorspellingen voor 2042 toch maar weer iets over een toneelstuk uit 1742: koning Baasa roeit de familie van zijn voorganger uit. De Nederlandse literatuur is rijk aan Latijnse toneelstukken. Behalve tweehonderd complete, gedrukte teksten zijn er ook zo’n tweeduizend programmaboekjes met een synopsis van een toneelstuk bewaard. Een klein deel van die spelen is geschreven door humanistische literatoren: Daniel Heinsius en Hugo de Groot zijn daarvan de bekendste voorbeelden. Het overgrote deel van het Latijnstalige toneel is van de hand van schoolmeesters. Op de Latijnse scholen van de zestiende tot de achttiende eeuw was toneel een populair didactisch middel om de leerlingen vertrouwd te maken met conversatie in het Latijn. Er waren Latijnse toneelstukken genoeg om op te voeren: de antieke spelen van Plautus waren niet zo stichtelijk, maar die van Terentius waren, met enige aanpassing, bruikbaar. Wie de kinderziel niet wilde confronteren met bedrog en overspel moest echter zelf aan de slag om een spel te schrijven.
Lees verder >>

Arlekyn Hulla: een oosters huwelijksritueel in een westerse klucht

Door Ton Harmsen

De rijke cultuur van het oosten inspireerde tal van toneelschrijvers in de zeventiende en de achttiende eeuw. Sultans en imams waren bekende verschijningen op het toneel. Aan de universiteiten werd arabistiek beoefend, en ook bij het grote publiek bestond veel belangstelling voor de landen van de tulpen en de tulbanden. In 1657 verscheen een vertaling van de Koran door Jan Hendrik Glazemaker, naar de Franse vertaling van André du Ryer. Deze tekst is verschillende malen herdrukt. Kennis van de Koran was dus voorhanden, maar niemand  nam het een kluchtschrijver kwalijk als hij hier en daar een loopje nam met de mohammedaanse leer. In het spel Arlekyn Hulla is de leer van de sharia ondergeschikt gemaakt aan de vaart van de komische intrige. In de Koran staat het volgende over echtscheiding gevolgd door een nieuw huwelijk tussen dezelfde man en vrouw:

.        Degeen, die sijn gemalin driemaal verstoten heeft, mach haar niet weerneemen, tot dat zy aan een ander gehuwt heeft geweest, van de welk zy ook verstoten is; dan mogen zy weer te samen keren, en sonder sonden weer trouwen, zo zy achten dat zy in de palen, van God voorgeschreven, die hy aan de wysen en voorsichtigen openbaart, konnen blyven. (Mahomets Alkoran, naar de vertaling van J.H. Glazemaker, Leiden 1721, p. 27)

Lees verder >>

Arme rijkdom bij Jacques Japin en Jean François Cammaert

Door Ton Harmsen

Cammaert
Volgende week speelt Theater Kwast Arlekyn Hulla (1747), een klucht over de mazen in het Turkse huwelijksrecht door Jacques Japin. Er zijn nog twee spelen aan hem toegeschreven: De lastigheid der rykdommen van 1739 en De woekeraar edelman uit 1740. Japins naam staat bij geen van de drie op de titelpagina, maar aan het eind van de achttiende eeuw verschenen catalogi die het mogelijk maken anoniem drukwerk aan bepaalde auteurs toe te schrijven. Deze drie stukken zijn vertaald uit het Frans; Arlequin Hulla en L’embarras des richesses worden toegeschreven aan l’Abbé Leonor Jean Christine Soulas d’Allainval. Diens toneelwerk werd zowel in Noord- als in Zuid-Nederland  vertaald: Joannes Franciscus Cammaert bewerkte zijn komedie L’embarras des richesses in Brussel, onder de titel De onrust door den ryckdom (1754).

Lees verder >>

Nieuwjaar met Thomasvaer

065gysbreghtschmidt1951Door Ton Harmsen

Kerstmis heeft iets pastoraals. Het Weihnachtsoratorium van Johann Sebastian Bach bevat Hirtenmusik, Nederlanders zingen ‘De herdertjes lagen bij nachte’ en tijdens het kerstoffensief in de Gysbreght, de massamoord in de kerstnacht, spreekt de ‘Rey van Edelingen’ over de aanbidding door de herders:

.            De doecken daer dit kint in leit
.            Is ’t purper van zijn majesteit,
.            Waer in de harders hem aenschouwen,
.            Dien God de zielen komt vertrouwen;
.            Gelijck van ouds was toegezeit.
.            Dat God zijn kudde weiden zal,
.            En hoên voor ramp en ongeval,
.            En na’et verdwaelde schaepken vraegen,
.            En dat op zijne schouders draegen
.            Met vreughd by ’t overigh getal.
.                                    (vs. 725-734)

Het zal niemand verbazen dat het publiek na dit gewelddadige stuk behoefte had aan een suikerzoet dessert, en toen iemand bedacht in aansluiting op de voorstelling van de Gysbreght een idyllisch tafereeltje te vertonen ontstond een opvoeringstraditie die ruim tweeëneenhalve eeuw stand zou houden. Dat gebeurde in het begin van de achttiende eeuw, toen Het boere-operaatje, of de bruyloft Kloris en Roosje (1706) als naspel gebruikt werd; de combinatie van Gysbreght en Kloris en Roosje was van meet af aan een succes. Lees verder >>

Mithridate van Racine: psychologisch raffinement en coups de théâtre

Door Ton Harmsen

064mithridates
Racine’s Mithridate is onweerstaanbaar, niet alleen door de welluidende stijl maar vooral door de vele hartstochten die haarfijn tegen elkaar uitgespeeld worden. De structuur van een toneelstuk is voor de smaak van het classicisme pas goed als alle handelingen regelrecht uit elkaar voortvloeien, als er een logisch verband bestaat tussen alle scènes. Dat betekent niet dat er geen verrassingen op het toneel mogelijk zijn. Als die verrassingen maar achteraf verklaard kunnen worden, dan zijn de critici van de zeventiende eeuw tevreden. Een toneelstuk vol verrassingen is Mithridate, roi de Ponte (1673) door Jean Racine, een intrige die nu goeddeels vergeten is maar die in de zeventiende eeuw, althans dat zegt Racine in zijn voorwoord, bij het schouwburgpubliek alom bekend was. Het spel heeft vier hoofdpersonen, een vrouw en drie mannen (de koning en twee zonen); zij is uitgehuwelijkt aan de vader, maar alle drie zijn ze verliefd op haar, natuurlijk slechts één met succes. Lees verder >>

Het toppunt van retorica: Sophocles’ Philoctetes

Door Ton Harmsen

063philoctetesHoe meesterlijk de Griekse tragedieschrijver Sophocles ook is, in de Nederlandse renaissance is hij een ondergeschoven kindje. Cornelis van Ghistele, die ook Ovidius en Terentius vertaalde, zette Sophocles’ Antigone over uit een Latijnse versie (1556). Verder bracht de zestiende eeuw niets voort, behalve de vertaling van Ajax in het Latijn door Josephus Justus Scaliger (1574). In de zeventiende eeuw had Sophocles minder te klagen. Vondel vertaalde drie van zijn zeven tragedies: Elektra (1639), Koning Edipus (1660) en Herkules in Trachin (1668). Pas negentig jaar later volgde Philoctetes, vertaald uit het Frans door Jacobus Stamhorst. Die Franse bewerking door Chateaubrun had van het originele stuk van de Griek geen spaan heel gelaten. Het Franse classicisme met zijn galante gesprekken, zijn strijd tussen liefde en eer en zijn afkeer van onwaarschijnlijke, en vooral van bovennatuurlijke zaken heeft geen enkel begrip voor de rauwe werkelijkheid die Sophocles in zijn treurspelen schildert. En de Nederlandse pendant, het Frans-klassicisme, was in dit opzicht nog erger.

Lees verder >>

Tomas Morus als verjaardagsgeschenk voor Jacob Cats

Door Ton Harmsen

62morusVan Leuven tot Bredevoort, overal in Nederland en België zijn lezingen, congressen, tentoonstellingen, snapshots en boekpresentaties rond de Utopia van Thomas Morus, die precies vijfhonderd jaar geleden in Leuven voor het eerst gedrukt werd. Morus was een rijk en vooraanstaand jurist, humanist en raadsman van Hendrik VIII. Zoals Erasmus zijn Lof der Zotheid aan hem opdroeg, droeg Morus zijn maatschappijkritische fantasie in 1516 op aan Pieter Gillis, de Antwerpse drukker en stadssecretaris met wie hij, net als Erasmus, zeer goed bevriend was. Gillis heeft aan het bedenken van Utopia meegewerkt en speelt een rol in het boek. In Utopia beschrijft een reiziger de wetten en de taal van de ideale staat die hij bezocht heeft, en levert daarmee impliciet forse kritiek op de actuele maatschappij waarin willekeur en winstbejag het leven voor veel mensen tot een hel maken.

Lees verder >>

Een slaef wil my verkrachten: Josef in Egypte

Door Ton Harmsen

060rembrandtjosefBij de held breekt inzicht door, en daarmee kantelt de toestand op het toneel. De agnitio en de peripetie vormen de kern van de aristotelische toneeltheorie. De kunst is die ommekeer niet te presenteren als weer een nieuw hoofdstuk in het verhaal, maar als een dramatische psychologische climax. Een tragedie over Josef en de vrouw van Potifar moet dus niet eindigen met het knarsen van de kerkerdeur, maar met de hysterische reactie van de afgewezen dame. Joseph in Egypten is het middendeel van de Joseftrilogie, die Vondel begon met het derde deel, Sophompaneas (Josef als vergevingsgezinde onderkoning van Egypte) en had voortgezet met Joseph in Dothan (de jonge Josef door zijn jaloerse broers verkocht). Tevens is het een verchristelijkte imitatie van de Phaedra van Seneca, door Vondel in 1628 vertaald onder de titel Hippolytus of rampsalige kuyscheyd. In zijn opdracht aan Johan Vechters benadrukt Vondel vooral de verschillen: Hippolytus was afkerig van vrouwenliefde, dus de afwijzing van zijn stiefmoeder was voor hem geen offer; Josef, ‘stock nochte block’ en later vader van twee zoons, had wel degelijk te vechten tegen de verleiding door Jempsar, zoals Vondel Potifars vrouw noemt. Het gevecht van Josef wordt door Vondel verder nauwelijks uitgewerkt: van meet af aan is hij vastbesloten niet te zwichten voor de avances van de vrouw van zijn heer. Lees verder >>

Een berooide student en een zingende molenaar

Door Ton Harmsen

059noosemanstudent164601

Het leven van een filoloog is met het internet in korte tijd wel een stuk gemakkelijker geworden. Natuurlijk was het twaalf jaar geleden veel avontuurlijker: als je iets wilde weten bracht je uren door in studiezalen en je was dolgelukkig als je vond wat je zocht, of iets wat erop leek. Nu tik je bij google drie woorden in en daar is het resultaat. De romantiek is eraf, maar het is wel praktisch.

Ineke Grootegoed, Arjan van Leuvensteijn en Marielle Rebel, die in 2004 De beroyde student (1646) van Jelis Noozeman uitgaven (inmiddels met hun inleiding en broodnodige annotaties zowel bij de DBNL als bij Ceneton te vinden) moesten het nog doen zonder de elektronische Nederlandse liederenbank. In vers 212 zingt Volckert de molenaar het lied van ‘Moy Niesje, en Rosbaertje’. Zij wisten dit te koppelen aan het lied ‘Van Plompaard en zen Wijvetje’, maar die tekst komt niet helemaal overeen met wat de molenaar in de klucht zingt. De ‘Liederenbank’ toont nu meteen de oplossing: het lied van Rosbeyertje en Mooy Niesje. Lees verder >>

De dreigende drogreden

Door Ton Harmsen

048ZaleucusHoeveel nieuwe stukken er ook verschenen, voor het repertoire van de Amsterdamse Schouwburg greep men graag naar oude succesnummers. Op een bewaard gebleven affiche uit 1760 staat de klucht Broershart uit 1668 op het programma, als naspel bij De dood van Sultan Selim, een tragedie uit 1717 door Willem van der Hoeven. Hij was een gevierd acteur die meer dan tien toneelstukken publiceerde. Broershart is een wrede klucht vol onwaarschijnlijkheden, en deze tragedie is niet minder wreed en vol onwaarschijnlijkheden. Aan het Turkse hof is een mensenleven niets waard, zeker niet wanneer het gaat om het hooghouden van de eer van hovelingen. En Van der Hoeven bedeelt in de door hemzelf bedachte intrige het toeval wel een hele grote rol toe. Het verhaal is absurd, maar niet ingewikkeld:

Mustafa, de zoon van de Turkse sultan Selim, is verliefd op prinses Saide, die door de sultan aan zijn generaal is toebedacht. De verliefde prins beledigt de generaal en daarom veroordeelt zijn vader Selim hem ter dood. Iedereen noemt dit onmenselijk, maar de wrede sultan zet door en de kroonprins wordt onthoofd. Saide is ontroostbaar, haar slaaf Emanuel (een christen) biedt haar aan samen te vluchten en te trouwen. Dit voorstel vindt zij niet acceptabel gezien zijn lage status, maar die houding verandert als hij de hertog van Ferrara blijkt te zijn. Juist op deze cruciale dag is een delegatie uit Italië naar Istanboel gekomen om hem te zeggen dat zijn vader is overleden en dat hij zijn hertogdom op zich moet nemen. De twee vluchten, terwijl ze en passant de Turkse vloot (waarop de sultan zich heeft teruggetrokken om over de emotie van zijn kindermoord heen te komen) in brand steken. Voordat zij het paleis verlaat bevestigt de prinses een brief aan een pilaar, waarin zij haar vlucht naar Ferrara aankondigt. Sultan Selim, aan de dood in zijn brandende galjoen ontsnapt, vindt en leest de brief; de inhoud grijpt hem zo aan dat hij sterft.

Lees verder >>

De kluchten van Joan van Paffenrode

Door Ton Harmsen

035HopmanUlrich1663Gelukkig beschikt de mens over een flinke dosis leedvermaak, anders zouden we maar weinig plezier beleven aan het zien of lezen van een zeventiende-eeuwse klucht. In die kluchten leren we de mens van zijn slechtste en ongelukkigste kant kennen. In blijspelen wil de hoofdpersoon nog wel eens iets goeds doen, daar helpen de personages elkaar om uit de moeilijkheden of tot een bepaald doel te komen. Bedrog, gierigheid, zelfvoldaanheid en begeerte spelen daarbij een rol, maar aan het eind komt alles goed: het sympatieke stel trouwt met elkaar, de vrek wordt van zijn gierigheid genezen of de bedrieger wordt ontmaskerd en weggejaagd. In een klucht zegeviert juist vaak de ondeugd; de hoofdpersoon vindt geen sympathie bij het publiek, maar trapt voor hun lering en vermaak in een valkuil van ondeugd en domheid. In dat opzicht zijn kluchten vaak triest: de personages zijn de dupe van hun eigen slechtheid en zelfgenoegzaamheid.

Misschien is dit geen wet van Meden en Perzen, maar het gaat wel op voor de twee kluchten van kapitein Joan van Paffenrode. Lees verder >>

Kluchten van Jan Zoet en Jan Vos bij Ceneton

Door Ton Harmsen 

008ZoetJoolEen appel en een ei lopen door de Kalverstraat. Hoe is het nu, vraagt het ei gemeen, om geplukt te worden? Nou, zegt de appel, wacht jij maar tot je een kip bent. Net zo als de mop speelt de klucht een spelletje met aristotelische waarschijnlijkheid en logica. Het is een fictioneel genre, een gestileerde weergave van de realiteit, dus we moeten ons erbij neerleggen dat de werkelijkheid niet getrouw wordt weergegeven. Maar we moeten de klucht wel serieus nemen, en hoge eisen stellen aan opbouw en stijl. In de zeventiende eeuw verschenen er meer dan 200 kluchten in de Nederlanden, de achttiende eeuw produceerde er nog eens ruim 300. Twee kluchtspelen zijn onlangs bij Ceneton uitgegeven: de klucht van Jochem Jool (1637) door Jan Zoet en de eerste druk van de klucht van Oene door Jan Vos (1642). W.J.C. Buitendijk heeft verschillende latere edities uitgegeven – ook te vinden bij de DBNL.
Lees verder >>