Tag: Ceneton

Hetgeen geen vers en is, dat moet nootsaeklick proos zijn

Door Ton Harmsen

Een toneelstuk lezen stimuleert de verbeelding. De lezer is zijn eigen regisseur: hij moet zich de situatie voorstellen, en de mimiek en intonatie waarmee een personage zijn woorden uitspreekt. Een goed geregisseerde toneelvoorstelling of een verfilming daarvan kan een uitstekende leeshulp zijn. In Nederland bestaat geen doorlopende traditie van opvoeringen van zeventiende-eeuws toneel maar in Frankrijk wel. Molière regisseerde zijn komedies zelf en speelde er vaak de hoofdrol in: zijn spelen werden opgevoerd voor Lodewijk XIV en zijn toneelgezelschap had een vaste positie aan het hof. Kort na Molière’s dood ontstond daaruit de Comédie Française die de succesvolle fakkel tot op de dag van vandaag doorgeeft. En die werd weer overgenomen, gevarieerd en aangevuld door andere gezelschappen.

Een van de geestigste stukken die in de zeventiende eeuw geproduceerd zijn is Le bourgeois gentilhomme (1670) van Molière, in samenwerking met zijn vriend de componist Jean-Baptiste Lully, een van de grondleggers van de opera. Het stuk zit vol met muzieklessen: het publiek krijgt allerlei soorten zang en dans voorgeschoteld. Als je alleen de gedrukte tekst leest, mis je met de gezongen en gespeelde muziek de helft van deze ‘comédie-ballet’.

Dat spel is ook in Nederland populair geweest, getuige de zes uitgaves die er zijn van de vertaling door Adriaan Peys. Twee daarvan zijn bij Ceneton te lezen, en die tekst is op eigen kracht vermakelijk genoeg. Monsieur Jourdain, de burger die zich in zijn hoofd haalt dat hij edelman moet worden, leeft in het stuk voortdurend in een waanwereld. Dat maakt hem niet alleen belachelijk, maar ook gevaarlijk voor zijn directe omgeving.

Lees verder >>

Cats vergeet de moraal van het verhaal

Door Ton Harmsen

Den Haag in rep en roer

Een merkwaardig verhaal in de Trou-ringh van Jacob Cats is ‘Liefdes vosse-vel’. Het is pas in of na 1657, dus minstens twintig jaar na de eerste druk, toegevoegd en dan ook nog op een apart katern – mogelijk zelfs na de dood van Cats in 1660. De Trouwring (zoals de uitgever Jan Jacobz Schipper het dan spelt) verscheen als onderdeel van de Alle de wercken van 1658, en een los katern kan gemakkelijk achtergehouden worden; als Cats het niet gewenst heeft kan Schipper het na diens dood toch publiceren. Het is de vraag of Cats er zo blij mee was, en het is zeker dat hij goede redenen had om het verhaal achter te houden: het beschrijft een werkelijke gebeurtenis, kort geleden in Den Haag voorgevallen. De uitgever leidt het voorzichtig in:

Dit volgende Trou-geval is uyt den voorgaenden Druck gelaten om redenen, den Schrijver daer toe bewegende; maer nu by sekere gelegentheydt my ter handen zijnde gekomen, hebbe van ’t selve onse lants-luyden mede goet gevonden deelachtigh te maken. Datter goet in is mach nagevolght worden, het andere dient daer gelaten. Siet vorder de bedenckingen daer in steeckende, die achter het voorsz. Trou-geval zijn te vinden.

Lees verder >>

De Leeuwendalers: Vondel imiteert Vergilius

Door Ton Harmsen

In 1646, een jaar voor het pastorale toneelstuk Leeuwendalers, publiceert Vondel zijn vertaling in proza van de verzamelde werken van Vergilius. De Herdersdichten voorop, dan de Lantgedichten en tenslotte de Aeneis. Die volgorde is de gebruikelijke, en Vondel zal hem gewaardeerd hebben: zijn interesse gaat in die periode uit naar de irenische en idyllische poëzie. Het frontispice van Jan Matham toont bovenaan keizer Augustus tronend op zijn adelaar, daaronder het portret van Vergilius, links de personificatie van het boerenbedrijf met vee, vruchten en bijen, rechts Calliope, de muze van het heldendicht met leeuw, klaroen en penaten, en onderaan de Mantuaanse zwaan als personificatie van Vergilius. Vondel draagt het werk op aan Constantijn Huygens, die hij aanspreekt als secretaris, rechterhand van Frederik Hendrik. Niet om geld te krijgen van de dichter of van de prins, zo naïef is Vondel niet. Met zijn herhaalde afwijzing van de bellicose politiek van de stadhouder heeft hij alle sympathie in Den Haag verloren.
Lees verder >>

De klucht van Olef Brom, het plezier van de ambiguïteit

Door Ton Harmsen

Ik ken geen mooiere bezigheid dan annoteren, maar ik houd niet van geannoteerde uitgaven. Ooit heb ik zelf met Ben Beenen twee uit Plautus’ Menaechmi vertaalde toneelstukken van verklarende aantekeningen voorzien. Toen dat meer haken en ogen bleek te hebben dan wij op onze schouders konden nemen riepen we de professionele steun in van de Leidse hoogleraar B.C. (Kees) Damsteegt. In zijn studeerkamer nam hij de complete teksten met me door, hij trok uit zijn boekenkast naslagwerken waarvan ik het bestaan niet vermoed had. We kregen nooit ruzie maar we werden het ook niet altijd eens. Ik leerde toen dat niet alle woorden één vaststaande betekenis hebben, en dat die Mehrdeutigkeit juist de charme van de lectuur vormt. Lezen is de aangename taak van de lezer, en juist daarom is het mateloos irritant als iemand je voorschrijft hoe je de woorden moet interpreteren en appreciëren

De lezer wil zijn eigen eruditie meebrengen en niet schoolmeesterlijk toegesproken worden. Bij de annotatie ‘Aristoteles: Grieks filosoof 384-322 v.Chr.’ vraag je je af wat je daar wijzer van wordt. Er bestaat een moderne editie van een toneelstuk waarin ‘leer-suchtige’ wordt verklaard als ‘leergierige’; ik hoopte vergeefs dat ‘leergierig’ verderop in de tekst zou voorkomen om daar als ‘leerzuchtig’ te worden geannoteerd.

Lees verder >>

Vondels gevecht met de zetduivel

Door Ton Harmsen

Een boek zonder fouten bestaat niet – en aan gedrukte fouten valt ook niets meer te verhelpen. Wie op het internet publiceert kan zijn fouten verbeteren en nieuwe informatie toevoegen. Zo verdwijnen de gênante spel- en grammaticafouten die het plezier voor de welopgevoede lezer vergallen. Als auteur van een gedrukt boek heb je het productieproces niet altijd goed onder controle, het zetduiveltje kan dan ongestoord zijn gang gaan. Vondel zal geregeld gemopperd hebben op zatte zetters en dronken drukkers, en het is dan ook niet verwonderlijk dat hij zelf een oogje in het zeil hield als het om spannend drukwerk ging. Bij zijn tragedie Maria Stuart, waarin de protestante Elisabeth van Engeland de katholieke Maria van Schotland laat onthoofden, realiseerde hij zich heel goed dat hij de grenzen van de religieuze tolerantie ruimschoots overschreed. Omdat hij kon voorzien dat de calvinisten spinnijdig zouden zijn is het niet verbazingwekkend dat hij persoonlijk naar de drukkerij van Dominicus van der Stichel ging om de drukproef te corrigeren. Maar we zullen zien dat dat niet was om de calvinisten naar de mond te praten. Lees verder >>

Een toneelstuk van Erasmus

095Rabus1684Door Ton Harmsen

Het indelen van de letterkundige werken is niet altijd even gemakkelijk. Bij het opstellen van mijn Census Nederlands Toneel, indertijd opgezet zonder andere pretentie dan een lijst te maken van alle oude Nederlandse toneelstukken in openbare bibliotheken, heb ik soms gordiaanse knopen doorgehakt. Niet uit iedere titel is duidelijk of het om een toneelstuk gaat, en vaak heb ik teleurgesteld een prachtig boek van mijn lijst gehaald toen ik het eenmaal in handen kreeg. Maar ernstiger is dat de definitie van een toneelstuk niet zo eenvoudig te geven is. Waar ligt de grens met de dialoog?

Het Leger-praetjen tusschen ses persoonen uit 1672 is een leerzame tekst voor wie wil onderzoeken hoe het rampjaar door de Nederlandse bevolking ervaren werd. Je zou het kunnen opvoeren,  net zoals het Oost-Indisch-praetjen van 1663, een gesprek over geldstromen en corruptie in Batavia. Niet alles met personages is een toneelstuk. Nog lastiger is de Opkomst der Oostindische Compagnie, met de voornaamste land- en zeegevegten (1711) door de Rotterdamse stadsbeschrijver Gerrit van Spaan. Volgens de titelpagina is dit opgevoerd in Batavia, maar de personages hebben geen eigen karakter: zij vertellen beurtelings een episode uit de geschiedenis van de VOC. Zo een stuk staat met één been in Ceneton.
Lees verder >>

De harteloze Kackadoris en het argeloze dove wijf

Door Ton Harmsen

Harde kritiek op de maatschappij is de rederijkers niet vreemd. Vooral in hun toneel keren zij zich tegen misdaad en bedrog door politieke intriganten, religieuze fanatici, niets-ontziende speculanten en roekeloze militairen. Zij doen onthullingen die vaak verrassend actueel zijn, en dat geldt zeker voor het toneelstuk waarin een dokter zonder diploma net zo hard wordt aangepakt als zijn patiënt zonder verstand: Een tafel spel van Meester Kackadoris, ende een doof-wijf met ayeren. Dit tafelspel is gemaakt door rederijkers van Voorne, althans zij duiden zichzelf aan als ‘de gheesten uyten Lande van Voren’. Het verscheen in 1596 in een eenvoudig, mooi vormgegeven boekje in Amsterdam voor de uitgever ‘Jacob Pieter Paedts, woonende in de Warmoes-straet, int vergulden A, B, C.’ Lees verder >>

Een nieuw stukje in de puzzel van Bredero’s ridder Rodderick

Door Ton Harmsen

Er is nog altijd veel te doen over Bredero’s Rodd’rick ende Alphonsus. De stof van dit treurspel is ontleend aan een hoofdstuk van de ridderroman Palmerijn van Olijve. Willem Kuiper deed de verrassende ontdekking dat deze passage in de Nederlandse roman niet voorkomt in de Franse Palmerin d’Olive, en ook niet in de Spaanse Palmerín de Oliva. Het is dus een inlassing van de Nederlandse vertaler. Onlangs heeft Annemieke Houben de bron ervan heeft gevonden: deze interpolatie is ontleend aan Le quatriesme Livre des Bergeries de Iuliette (1595) van Nicolas de Montreux. Dat was nog eens een speld in een hooiberg.

Lees verder >>

Frick in ’t Veurhuys: een kluchtpersonage bestelt een bruiloftslied

Door Ton Harmsen

Geeft Mattheus Gansneb Tengnagel echt de werkelijkheid weer, of maakt hij zo maar wat reclame voor zijn eigen winkel en die van zijn collega’s? In elk geval gaat de titelheld in zijn klucht Frick in ’t Veurhuys bij een zekere Meester Jan een huwelijksgedicht bestellen, en hij beweert dat dat voor hem een onmisbaar onderdeel van een bruiloft is. Hij bereidt zijn trouwdag voor, en dan ga je nu eenmaal naar een gerenommeerde dichter. In de zeventiende eeuw werden inderdaad massaal epithalamia gedrukt, in kleine oplagen, als herinnering voor de bruiloftsgasten aan het voorgedragen vers en ook om de tekst met het hele gezelschap te zingen.

Lees verder >>

Vondels Maria Stuart (1646) en de vrijheid van meningsuiting

Door Ton Harmsen

Geloof is niet rationeel, en dat geldt zeker voor het katholieke geloof. Gerard Kornelis van het Reve brengt dat onder woorden in Een eigen huis (1979):

.            Apologie

.            Toen ik rooms-katholiek werd,
.            werd mijn haar, dat grijs begon te worden,
.            opeens weer donkerblond.
.            Mijn bloeddruk daalde,
.            terwijl mijn jaarinkomen van die dag af fors bleef stijgen.
.            Er blijven wel bezwaren,
.            maar bij zoveel genade moet ik wel erkennen:
.            de Kerk van Rome is de Ware Kerk.

Dat dalen en stijgen van bloeddruk en jaarinkomen leidt, via de verder ongenoemde bezwaren, tot een niet echt onderbouwde rotsvaste conclusie. Dit motief is al oud, er is nog wel een krasser voorbeeld: het tweede verhaal van de Decamerone, over een jood die naar Rome reist. De decadentie, de corruptie en de blasfemie die hij daar aantreft dwingt hem wel te erkennen: de Kerk van Rome is de Ware Kerk.
Als Vondel een tragedie schrijft over Maria Stuart, in zijn ogen martelares voor het katholieke geloof, kunnen we maar beter meevaren op Vondels kompas en alle bedenkingen van logica en historische juistheid thuislaten. Lees verder >>

Slimme slaven en knullige knechten

Door Ton Harmsen

De Romeinse komedie (waarvan Plautus en Terentius de belangrijkste auteurs zijn) beschikt over een vast arsenaal aan personages. De oude man (senex) is vaak  knorrig, vermogend en gierig. Zijn zoon is meestal onbezonnen, onstuimig en verliefd. Het arme meisje, de geliefde van de zoon, blijkt later een uitstekende schoondochter te zijn. De oude dokter stelt vaak een verkeerde diagnose, en de klaploper praat iedereen naar de mond die hem mee wil laten eten. De meest bijzondere rol is weggelegd voor de slaaf: in zijn optreden toont hij niet de minste serviliteit. Hij is intelligent en ad rem. In komedies over gedwarsboomde liefdes staat hij aan de kant van de zoon en lost hij diens moeilijkheden op door zijn brutale, sluwe en doortastende optreden.

Lees verder >>

Laarzen op het toneel

Door Ton Harmsen

‘Het vers sta wacker op zijne voeten’, schrijft Vondel in de Aenleidinge – een prachtige personificatie die leidt tot overwegingen over het schoeisel van het vers, de dichter en de toneelspeler. Vorige week schreef Roland de Bonth over de hooggekurkte laarzen, die naar toneelteksten verwijzen; hij wijst erop dat Balthasar Huydeoper dit woord gebruikt met de opmerking dat het vroeger een gunstige, maar nu in zijn ogen een ongunstige betekenis heeft. Voor Huydecoper duidt het niet meer de verhevenheid, maar juist de onnatuurlijkheid van het toneelspel in zijn dagen aan.

Lees verder >>

Paris en Helene: Pieter Bernagie imiteert Hooft

Door Ton Harmsen

De titel van het treurspel dat Pieter Bernagie in 1685 schreef is al bijzonder: Helena van Troje, eigenlijk Helena van Sparta en nog preciezer Helena de dochter van Zeus en Leda, de vrouw die ab ovo geboren is, heet hier Helene. Bernagie zal het wel op z’n Frans uitgesproken hebben. In ieder geval was hij trots op zijn Paris en Helene: in zijn voorrede weerlegt hij de bekende kritiek op Frans-klassiek toneel dat het niet oorspronkelijk is. Dat is geen eis die men aan de literatuur kan stellen, tenzij men grote werken uit de wereldliteratuur af wil keuren: Lees verder >>

Vondel op Goede Vrijdag

Door Ton Harmsen

Over Goede Vrijdag zijn beroemde gedichten geschreven. Huygens wijdt er één van zijn Heilighe Daghen aan, Revius een sonnet dat in elke bloemlezing staat. Beide calvinisten tonen zich schuldbewust. Huygens is bereid om zijn botten te laten breken voor zijn zondigheid. Hij plaatst zelfs een kanttekening bij Jezus’ woord consummatum est: ‘’Tvoldaen voldoet mij niet, ten zij ghij mij vermoort // En van mijn selven scheurt, en brieselt de gewrichten.’ Revius neemt de ‘schuld van de joden’ op zich: niet zij, maar hij als zondig mens heeft Christus vernederd en gekruisigd: ‘Ick ben den swaren boom die u had overlaen, // Ick ben de taeye streng daermee ghy ginct gebonden.’

Lees verder >>

Cornelis de Bie overtreft Cervantes… in absurdisme

Cervantes Los habladores

Door Ton Harmsen

Cervantes was populair in het Nederland van de zeventiende eeuw. Zijn Don Quichot en drie van zijn Novelas exemplares zijn herhaaldelijk voor het toneel bewerkt. Slechts één van zijn vele toneelstukken vond zijn weg naar de Nederlanden: Los habladores, een ‘entremés’ (een tussenspel, dat werd opgevoerd tussen de bedrijven van een ernstig spel). Het werd bewerkt door Cornelis de Bie in zijn klucht Roelandt de Clapper. De Bie, notaris te Lier, imiteerde wel vaker Spaans toneel, hij werkte naar stukken van Lope de Vega en van Don Agustín Moreto. Misschien was dat in de zuidelijke Nederlanden ook makkelijker dan boven de rivieren: in Brabant had je meer last van de Spanjaarden, maar ook meer contact. De Bie is vooral bekend als auteur van een schilderboek, Het gulden cabinet van de edel vry schilderconst (1662). Hij is een productief toneelschrijver, met 32 titels die bijna allemaal herdrukt zijn. Treurspelen, martelaarsspelen, blijspelen en kluchten. Lees verder >>

De vrijheydt op zijn plaats

Door Ton Harmsen

Ik hoor dat het niet gemakkelijk is oude boeken aan een bibliotheek te verkopen, of zelfs te schenken: een verzamelaar die een vroeg-achttiende-eeuwse Utrechtse druk (en nog wel iets heel bijzonders, een druk voor de Leidse en Haagse Schouwburgen, die normaal in Den Haag of in Leiden hun boeken uitgeven) aanbood aan de UB van Utrecht kreeg te horen dat men daar geen belangstelling voor had. Des te gelukkiger kunnen we zijn dat de bibliotheek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, ondergebracht in de Universiteitsbibliotheek van Leiden, wel bereid is te bieden voor bijzondere boeken. Met giften van particulieren, legaten, en als het moet met acties van publieksfinanciering kunnen boeken die echt in een bibliotheek thuishoren door de Leidse conservatoren worden verworven. Een van de mooie aanwinsten van de laatste tijd is het handschrift (76 pagina’s, ca. 1786) van de opera De vrijheydt, die in Leiden speelt. Waar wordt dit document meer gekoesterd en bestudeerd dan aan de Witte Singel in Leiden!? Haec libertatis ergo!

Lees verder >>

Het beste geneesmiddel is een goede klucht

Door Ton Harmsen

Pieter Bernagie, professor in de medicijnen aan het Athenaeum Illustre in Amsterdam, had onder literatoren een ruime vriendenkring. Zelf schreef hij vijftien toneelstukken; hij zat jarenlang in het bestuur van de Amsterdamse Schouwburg. Zijn toneelstukken lopen uiteen van ernstige tragedies tot vermakelijke kluchten. Het enige dat in de twintigste eeuw herdrukt is, is de klucht Het huwelyk sluyten (1685), door A. Thenaar in 1954 voor Noorduijns Schoolbibliotheek. Het is een gekuiste uitgave… Niet dat het origineel zo schunnig was, maar iedere toespeling op de slaapkamer is er zorgvuldig uit weggepoetst, en daarmee is heel wat van de aardigheid verdwenen. Gelukkig is de complete tekst nu bij Ceneton te lezen.

De huwelyken staat, dat Bernagie een jaar eerder schreef, is veel genuanceerder. Dankzij een geslaagde actie van ‘crowd transcription’ is ook deze tekst sinds vandaag bij Ceneton beschikbaar. De grappen zijn subtieler en de personages minder vlak: de hoofdpersoon van Het huwelyk sluyten is een hebzuchtige oudeheer die zijn naam (Warnaar) ook al niet mee heeft. Maar Jeronimus, de vader in De huwelyken staat, heeft meer kanten. Voor de lezer is het nog een hele kunst om zijn ernst van zijn ironie te onderscheiden; en soms blijken zijn woorden alleen te dienen om te provoceren. Zo voelt hij zijn vrouw en kinderen aan de tand, en zo test hij de door zijn kinderen beoogde huwelijksparners.
Lees verder >>

Vijfmaal Vasthi

Door Ton Harmsen

Er is alom belangstelling voor het Spaanse toneel dat in de zeventiende eeuw in de Nederlanden werd opgevoerd. Uitgeverij Verloren kondigt een boek aan van Frans Blom en Olga van Marion over Spaans theater in de Republiek. En dat is nog maar het begin van hun project over dat spectaculaire toneel, in Leiden staat Tim Vergeer in de startblokken om de emoties in de Spaanse stukken te analyseren. Een grote groep vrijwilligers heeft toegezegd de vele teksten die daarvoor digitaal beschikbaar moeten komen te transciberen; wie wil bijdragen kan zich melden bij ceneton@me.com. En nog actueler: Theater Kwast speelt volgende week Serwouters’ bijbelse tragedie Hester, oft verlossing der Jooden (Amsterdam, 1659) een vrije bewerking van Lope de Vega’s La hermosa Ester (1610). In Amsterdam werden stukken van Lope de Vega, Calderón de la Barca en anderen in het Spaans opgevoerd; het is hoogst waarschijnlijk dat Serwouters door zo een voorstelling geïnspireerd is.

Lees verder >>

Een tragische jonkvrouw in het Muiderslot

Door Ton Harmsen

In marionettentheaters op Sicilië worden nog altijd scènes uit de Razende Roeland, de Orlando Furioso (1516) van Ludovico Ariosto gespeeld. Dit fantastische ridder-epos is in 1998 door Ike Cialona in Nederlandse verzen vertaald; in 1649 verscheen al een prozavertaling door Jan Jacobsz Schipper. En nog eerder werd de tekst gebruikt door P.C. Hooft: hij zette een toneelstuk op, Isabella, dat hij niet voltooide. Samuel Coster maakte het af zodat prins Maurits het in 1618 in het Muiderslot kon zien; het jaar daarop werd het gedrukt. Lees verder >>

Vondel tussen de schuifdeuren van Hooft

Door Ton Harmsen

In 1627 schrijft Vondel voor het tweede huwelijk van de dichtende drost zijn Bruyloftbed voor Pieter Cornelisz. Hoofd en Helionora Hellemans. Dat bruiloftsbed is geen slaapkamermeubel, maar een sofa zoals de Romeinen gebruikten om aan te liggen bij een banket. Het is een toneelstukje, geschreven voor Hoofts bruiloftsmaal. Vondel geeft geen nadere aanduiding van het genre waar zijn tekst toe behoort, de Census Nederlands toneel duidt het aan als een tafelspel.

Een tafelspel is een toneelstuk dat tijdens een maaltijd werd opgevoerd. Dat kan een bijeenkomst van rederijkers en hun gasten zijn, een andere feestelijke gelegenheid zoals driekoningen, vastenavond, of een officiële plechtigheid. In de zeventiende eeuw is het vaak een bruiloft: Bruylofts tafel-spel, of een Tafelspelletje, op het trouwfeest van de Twee die ’t Paartje zijn. Sommige tafelspelen bevatten toespelingen op de maaltijd: de gasten worden toegesproken in het spel, of de spelers kondigen nieuwe spijzen en dranken aan.

Lees verder >>

Misdaad en straf bij Seneca en Spinoza

Door Ton Harmsen

Clytaemnestra op weg om Agamemnon te dodenRond 1640 ontdekte Vondel Sophocles, en daarmee was het afgelopen met zijn liefde voor Seneca. Maar dat betekende niet dat deze wijze woordkunstenaar verwaarloosd werd. Zijn briljante dialogen, zijn encyclopedische kennis van mythologie, zijn originele stijlfiguren en zeker de stoïcijnse levenslessen in zijn sententiae vonden alom bewondering en navolging. Bij auteurs die voor de schouwburg schreven was enig effectbejag daar niet vreemd aan: gruwelen op het toneel en luidruchtige donderpreken trekken meer publiek dan fijnzinnige redeneringen en uitingen van gevoelens. Maar de echte Seneca-liefhebber bekommerde zich niet om de uitvoering: Seneca werd een auteur van typische leesdrama’s, aangrijpend door de diepe wijsheid, de prachtige taal en de originele opbouw.

In de Nederlanden verschenen zijn Latijnse tragedies veelvuldig, maar slechts vier van de tien zijn in de zeventiende eeuw in het Nederlands vertaald. In 1661 publiceerde Gronovius de Tragoediae bij Elzevier in Leiden. Die geannoteerde editie bracht Lambert van den Bos in datzelfde jaar tot de vertaling van Agamemnon. Deze Dordtse conrector stelde een groot aantal historiewerken samen, en hij werkte enthousiast aan de verspreiding van klassieke literaire teksten. Hij sprak in zijn Wegh-wyser voor Italien over de kerken en de kastelen van Napels, en heeft nog bijna honderd andere boeken op zijn naam staan, waaronder veel vertalingen: Don Quichot van Cervantes, De volmaeckte hoveling van Castiglione, De Napelse beroerte van Giraffi, De Joodse historien van Flavius Josephus, enz.

Lees verder >>

Anthonius Hambroek en het verwaarloosd Formosa

Door Ton Harmsen

In zijn toneelstuk Trazil laat Antonides van der Goes de Chinese aartspriester kritiek uiten op het optreden van de Spaanse missionarissen in Perù. Daarmee laat hij zien dat de Europese expansie een mondiaal probleem was. De gruwelen in Zuid-Amerika waren alom bekend – vooral door de in 1542 geschreven bestseller van de dominicaan Bartolomé de las Casas, Brevísima relación de la destrucción de las Indias (Seer cort verhael vande destructie van d’Indien) – en in Nederland was die kennis koren op de molen van de anti-Spaanse propaganda. Vondel schreef in de Zegesang ter eere van Frederick Hendrick de Peruviaanse koning postuum leedvermaak toe toen hij ‘vernam’ dat de Spanjaarden ’s-Hertogenbosch hadden verloren (1629):

.                                                De schim van Attabaliba
.                            Vernamt, en huppelde om uw’ scha.
(Zegesang vs. 541-542; vergelijk Antonides’ uitvoerige bewerking in de Ystroom boek 2 vs. 242-308)

De Spaanse missie is een aantrekkelijker doelwit dan de Nederlandse zending, maar als hij het gewild had zou Antonides veel dichter bij Peking ook een voorbeeld hebben kunnen vinden: Lees verder >>

Met Vondel naar Peking

Door Ton Harmsen

Zoals in Neerlandistiek.nl eerder deze week is aangekondigd speelt Theater Kwast op 2 juli in het Frans Halsmuseum Vondels laatste tragedie, Zungchin. Doe geen moeite om kaarten te krijgen, de voorstelling is al lang uitverkocht. Alles wat hij in 80 jaar had verworven aan poëzie, epiek (Vergilius), lyriek (Horatius) en dramatiek (Sophocles) balt Vondel in een ultieme krachtsinspanning samen in dit duistere meesterwerk. Met zijn onheilspellende nachtelijke uitstraling is Zungchin een fascinerend kunstwerk. Vondel beziet de gebeurtenissen in Peking vanuit de ogen van de katholieke missionarissen. Hij had contact met jezuïeten die de gebeurtenissen rond de missie op de voet volgden, en in Amsterdam verscheen in die jaren een aantal belangrijke publicaties over de actuele toestand in China.

De catalogus van de tentoonstelling in het Frans Halsmuseum, Barbaren & wijsgeren; het beeld van China in de Gouden Eeuw, onder redactie van Thijs Wetsteijn en Menno Jonker, geeft weer hoe goed men in Amsterdam geïnformeerd was. In 1665 verscheen een grote informatiebron: Het gezandtschap der Neêrlandtsche Oost-Indische Compagnie, aan den grooten Tartarischen Cham. In dat boek beschrijft Joan Nieuhof de diplomatieke reis van VOC-ambtenaren naar Peking, tien jaar eerder. Nieuhof maakte deze reis mee, en onderweg noteerde hij alles wat hij kon vinden over de geschiedenis, de bevolking en het landschap. Hij maakte honderden tekeningen. De originele tekeningen, nu in Parijs, zijn in 1984 teruggevonden door Leonard Blussé. De 150 illustraties in het boek zijn aangepast aan de smaak van Amsterdam. Nieuhof tekende zonder veel artistieke pretentie bergen, pagodes, schepen en ambachtslieden; met geavanceerde graveertechniek werden die gecombineerd tot dramatische composities. Lees verder >>

Pieter Langendijk op weg naar de égalité

Door Ton Harmsen

Kan een klucht ook een ernstig onderwerp behandelen? De zwetser van Pieter Langendijk (1712) bewijst het. Het spel is vermakelijk genoeg om een klucht te heten, en bovendien kort, zonder ingewikkelde intrige, niet in een verheven stijl en zonder veel ontwikkeling in de karakters. Toch gaat deze klucht over een zaak van maatschappelijk belang, een ernstig onderwerp dat in de vroege achttiende eeuw heel actueel was. Toen moest de burgerij zijn plaats naast of zelfs boven de adel legitimeren, en daarvoor is de eenvoudige intrige van Langendijk heel geschikt.

Op het eerste gezicht is De zwetser een kluchtje over de liefde, een vader koppelt zijn dochter aan een vreselijke man en hij schuift haar charmante geliefde terzijde; geholpen door zijn knecht zet deze de situatie naar zijn hand. Izabelle, een jongedame uit een adellijke familie, wil trouwen met Karel, een burgerjongen. Ernst, haar vader, is daar faliekant tegen: het adellijk geslacht moet in stand gehouden worden. Die vader is niet dom, maar hij zit vastgebakken aan een oud vooroordeel. Karel, de geliefde van Izabelle, wil bewijzen dat hij ondanks zijn burgerlijke afkomst een goede schoonzoon zal zijn. Een schijnbaar onmogelijke taak, maar als blessing in disguise komt er nu een afzichtelijke Duitser op het toneel, kapitein Hans, die naar de hand van Izabelle dingt. Ernst steunt deze snoevende militair ten volle. Lees verder >>

Bloedwraak leidt tot ellende in het schooltoneel

Door Ton Harmsen

Na al die voorspellingen voor 2042 toch maar weer iets over een toneelstuk uit 1742: koning Baasa roeit de familie van zijn voorganger uit. De Nederlandse literatuur is rijk aan Latijnse toneelstukken. Behalve tweehonderd complete, gedrukte teksten zijn er ook zo’n tweeduizend programmaboekjes met een synopsis van een toneelstuk bewaard. Een klein deel van die spelen is geschreven door humanistische literatoren: Daniel Heinsius en Hugo de Groot zijn daarvan de bekendste voorbeelden. Het overgrote deel van het Latijnstalige toneel is van de hand van schoolmeesters. Op de Latijnse scholen van de zestiende tot de achttiende eeuw was toneel een populair didactisch middel om de leerlingen vertrouwd te maken met conversatie in het Latijn. Er waren Latijnse toneelstukken genoeg om op te voeren: de antieke spelen van Plautus waren niet zo stichtelijk, maar die van Terentius waren, met enige aanpassing, bruikbaar. Wie de kinderziel niet wilde confronteren met bedrog en overspel moest echter zelf aan de slag om een spel te schrijven.
Lees verder >>