Tag: C.O. Jellema

Het geluk is voor de domme

C.O. Jellema herleest J.C. Bloem

Door Louisa van der Pol

Het woord ‘Domweg’ in de laatste regel van J.C. Bloems gedicht ‘De Dapperstraat’ is voor Wiel Kusters dé vondst van het gedicht (Neerlandistiek, 27 februari 2019). Kusters schrijft dit, nadat hij eerst nogal wat vragen stelt bij dit overbekende gedicht.

Juist die zorgvuldige, aftastende benadering blijft je als lezer bezig houden. Het bewaart je voor de kort-door-de bocht uitspraak van Janita Monna in: ‘Lief in de sloot en op het bord’, Trouw, 10 maart 2018. Dit artikel naar aanleiding van ‘Natuur’ – het boekenweekthema van 2018 – begint Monna als volgt: ‘Dat natuur voor tevredenen of legen zou zijn, zoals de dichter J.C. Bloem ooit beweerde, is kul.’ Pats. Geen ruimte voor vragen zoals Kusters die stelt. Zijn ‘tevredenen’ of ‘legen’ tegengestelden of vallen ze samen? Is er, bij het schijnbaar stoïcijns gemopper, toch nog wel iets van een geluksgevoel? Verwacht Bloem, al is het niet veel, toch nog wel iets van het leven dat zijn wonderen verbergt, maar soms, opeens, toont? Monna kent veel dichters die, in tegenstelling tot Bloem, juist heel positief over de natuur schreven of schrijven. Zij komt dan ook tot de conclusie dat natuur niet alleen voor tevredenen of legen is, maar dat ze overal in poëzie is. Ze eindigt haar artikel met het advies ‘Luister maar naar C.O. Jellema’, waarna ze diens gedicht ‘Zomernacht’ citeert. Lees verder >>

Uitzicht op de grond

C.O. Jellema’s herinnering aan de Nationale synode van Dordrecht (1618-1619)

Door Louisa van der Pol

Aanstaande zaterdag, 10 november 2018, is in de Augustijnenkerk te Dordrecht de officiële opening en start van ‘Ode aan de Synode’: de herdenking van de “eerste en enige internationale protestantse kerkvergadering in de vroegmoderne tijd”, die op 13 november 1618 begon. Mr. J. P. H. Donner houdt een “verzoeningsrede” en koning Willem-Alexander zal een “bij de gelegenheid passende passage” voorlezen uit de Statenbijbel, als “eerbetoon aan dit belangrijke erfgoed”. De herdenking zal net zo lang duren als de synode toen, 180 dagen. Aan het eind van die periode zal een verbond tussen de kerken gesloten worden in de Grote Kerk van Dordrecht (op 29 mei 2019), waarmee gestreefd wordt naar eenheid in alle verscheidenheid.

Te veronderstellen dat de dichter C.O. Jellema (1936-2003) de Dordste synode herdacht heeft – zoals de titel van dit artikel suggereert – ligt niet voor de hand. Lees verder >>

Vreemd geluk in C.O.Jellema’s gedicht ‘Mei’

Door Louisa van der Pol

Illustratie: Susanne van der Kleij

In ‘Hoe zij een steentje uit haar schoenen haalt’ (Neerlandistiek, 26 mei 2018) maakt Marc van Oostendorp enkele boeiende opmerkingen bij het sonnet ‘Mei’ van C.O. Jellema. Treffend verwoordt hij de ambiguïteit die hij ervaart bij het lezen van een ogenschijnlijk simpele gebeurtenis: twee oude mensen, die een avondwandeling maken in de maand mei. Op zich niets bijzonders maar er moet, volgens hem, gelet worden op de details. Nadat hij daarvan enkele voorbeelden gegeven heeft, komt hij tot de conclusie dat Jellema erin geslaagd is iets te zeggen dat je nog nooit gehoord hebt en waardoor je alles anders ziet. Hij daagt daarmee uit je steeds meer in dit gedicht te verdiepen. Al lezend komen er steeds meer vragen boven. Waarom is het geluk dat beide mensen gekend hebben en waarnaar ze zo’n heimwee hebben, nu een vreemd geluk? Welk systeem van vrede breken zij stuk? Opvallend is dat Jellema het plechtige ‘tesaam’ koppelt aan het alledaagse, simpele woord ‘pop’. Overigens is het een merkwaardige pop, een ‘grijze’.

En dan de titel. Het beeld van de bloeimaand past, poëtisch gezien, niet zo bij oud-zijn en een naderend levenseind. In ‘Bladval’ bijvoorbeeld verbindt Jellema oud worden en sterven met de herfst: ‘Bladval, sermoen van herfst. En in verzet / tegen het sneller draaien van de jaren’ en ‘[…] tussen al die blaren / ziet men zijn hand, de rest ervan, ’t skelet’. Al deze details, die eigenlijk niet kloppen en daardoor vervreemding oproepen, wijzen erop het gedicht anders te lezen dan alleen als het verhaal van twee oude mensen die een avondwandeling maken, terugverlangen naar hun jeugd en binnenkort zullen sterven. Lees verder >>

Hoe zij een steentje uit haar schoenen haalt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (177)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Mei

Een avond waarop oude mensen wandelen gaan,
een heimwee achterna: hoe alles nu jong lijkt-
terwijl hij naar zijn grote voeten kijkt,
ziet zij een wolk boven de bomen staan

en overweegt dat zij gelukkig was
toch wel, maar voelt ook een gemis
als zij de berken ruikt, manlijk en fris –
hij loopt behoedzaam rond een regenplas.

Zij zijn zo eenzaam in hun vreemd geluk,
zij breken elk systeem van vrede stuk.

hoe zij een steentje uit haar schoen haalt,
hoe hij doorloopt, zij hem weer inhaalt;

en in de bocht tesaam een grijze pop,
God berg hen in de hemel op.

C.O. Jellema

Ergens in de Platonische hemel hangt het ideale gedicht en het is eenvoudig van taal en toon. Het zegt met volkomen alledaagse woorden in een onuitzonderlijke zinsbouw iets dat je nog nooit hebt gehoord en waardoor je alles anders ziet. Lees verder >>

‘Iets nieuws, iets nieuws’

C.O. Jellema’s verlangen naar oorspronkelijkheid in poëzie van Menno Wigman

Door Louisa van der Pol

“Had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen.” Met deze regel uit zijn gedicht ‘Tot besluit’, uit: Dit is mijn dag 2004, lijkt Menno Wigman een verlangen naar originaliteit uit te drukken. Een originaliteit die onbereikbaar lijkt want, zo begint en eindigt het gedicht, “Ik ken de droefenis van copyrettes,”. Zijn laatste bundel, Slordig met geluk 2016, die kort voor zijn overlijden genomineerd werd voor de Ida Gerhardt Poëzieprijs, lijkt een, zoals Maria Barnas de bundel typeert in de Volkskrant van 30 januari 2016, “relaas van een magistraal falen” te zijn.

Toch kan de zin, met de nadrukkelijke herhaling “iets nieuws, iets nieuws”, moeilijk opgevat worden alsof de dichter met tegenzin kopieert. Zijn kopiëren is een bewuste keuze. Zo memoreert Arjan Peters in de Volkskrant van 1 februari 2018 een uitspraak van de dichter dat hij gedichten schreef met “daarin haren en stukjes nagel van bewonderde voorgangers”, want “poëzie zien doet poëzie schrijven.” De vraag is dan wel hoe en waarom hij een bepaalde tekst of gedachte van een ander een plaats gaf in eigen poëzie. Of, met andere woorden, wat is de functie van de intertekstualiteit van andere teksten in zijn werk? Die vraag komt heel sterk op bij het lezen van zijn gedicht ‘Afscheid van mijn lichaam’ uit: Slordig met geluk, dat vrijwel geheel een kopie is van C.O. Jellema’s gedicht ‘Waarom niet, lichaam’ uit: Droomtijd 1999. Om de diepere betekenis van Wigmans werk te achterhalen is het zinvol beide gedichten met elkaar te vergelijken. Lees verder >>