Tag: alexandrijn

Wanneer het lichaam ginds hoog in een boom zal hangen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (154)
Het Nederlandse sonnet bestaat 452 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Toen ik mijn eenge zoon op Gods gebod ging slachten
liet hij het blinkend mes plots uit mijn handen slaan;
wat zal hij doen, mijn vriend, als zij U villen gaan
en krijgt gij wel den tijd die engel af te wachten?

Wanneer het lichaam ginds hoog in een boom zal hangen,
dan valt Uw veege ziel, ellendig tot den dood,
de diepte in, voorgoed, maar niet in mijnen schoot,
en barst de wereld los in psalm- en vreugdezangen.

Nu laat gij nog vandaag uw rijke tafels dekken,
en niemand van mijn volk wordt aan den disch genood;
er valt geen kruimel af voor Christen of voor Jood.

Maar eenmaal komt de tijd dat u de honden lekken,
dan zult gij, als de vrek, in vuur en dorst bezwijken,
en zal geen vinger u een druppel water reiken.

(Anoniem)

In de illegale pers circuleerde dit gedicht als een van Drie sonnetten op den 50en verjaardag van den Heer A. Mussert. Het is, voor zover ik heb kunnen nagaan, altijd anoniem gebleven. De doorgaans goed geïnformeerde website Het geheugen van Nederland classificeert het bijvoorbeeld als zodanig.  Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als Theocritus

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (37)

Door Marc van Oostendorp

Dat de bundel Idyllen van Ilja Leonard Pfeijffer krioelt van de verwijzingen naar het onomstotelijke feit dat de nacht komt en de winter evenzeer en dat het er ook anderszins allemaal weinig idyllisch aan toe gaat, dat moeten we, zeggen de geleerden, zien als een verwijzing naar de Griekse dichter Theocritus.

Maar hoezo doen die Idyllen dan denken aan het werk van Theocritus? In Brieven uit Genua zegt de schrijver zelf dat het een ‘hommage’ is aan die dichter, maar waarom is een hommage nodig? Hoewel Theocritus bekend staat als de uitvinder van het genre van de herderszang, komen in Pfeijffers Idyllen die herders slechts een keer voor, in de regel ‘Vertel me dat we liggen in het warme stro / en dat de wolken eenden dan wel herders zijn’. Dat lijkt me eerder een manier om degene die in de bundel op zoek gaat  naar herders in het gezicht uit te lachen (tenzij die persoon Nijhoff gelezen heeft).

We zijn nu op het punt in deze reeks aangekomen dat ik moet erkennen dat het eigenlijk geen doen is voor één man om alle aspecten van het werk Pfeijffer te bespreken. Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als jambicus

De taal van Ilja Leonard Pfeijffer (10)

Door Marc van Oostendorp

Alexandrijnen zijn de meest Nederlandse versvorm die er bestaat. ‘Het hemelsche gerecht heeft zich ten lange leste’ van Vondel (de eerste regel van diens toneelstuk Gijsbrecht van Aemstel) is een bekend voorbeeld.

Ze bestaan uit zes  eenheden van een onbeklemtoonde en dan een beklemtoonde lettergreep, ‘jamben’: taDAMtaDAMtaDAMtaDAMtaDAMtaDAM. Ze hebben een breekpunt, een cesuur, na de derde beklemtoonde lettergreep (hier: recht). Dat breekpunt betekent dat de volgende lettergreep nooit tot hetzelfde woord behoort en eigenlijk ook niet tot dezelfde woordgroep.

De alexandrijn is, zoals Friedrich Kossmann, de grootste geleerde op het gebied van de Nederlandse metriek, in 1963 liet zien, door Nederlandse dichters gecreëerd in de zeventiende eeuw. Andere tradities kennen hem niet, of hij is er in ieder geval niet zo populair. Lees verder >>