Tag: Addenda EWN

Etymologie: kwijten

Door Michiel de Vaan

kwijten ww. ‘afhandelen’

Vmnl. quiten ‘vrijlaten, vrijwaren, afkopen’, hem quiten ‘zich vrijpleiten, zich kwijten van’ (1237). Meestal zwak maar ook eenmaal sterk (dat mise af quete ‘dat men ze af zou kwijten’, 1248–1271). Ook diverse afleidingen, zoals avequiten, quitenesse en quitinge. Vanaf de zestiende eeuw worden verleden tijd en voltooid deelwoord bijna uitsluitend sterk gevormd.

Uiteraard verwant aan kwijt ‘verlost van’. Bij beide is de vraag of ze direct aan de Oudfranse woorden quit(t)e ‘verlost’ en quit(t)er ‘vrijmaken van een verplichting’ zijn ontleend, of aan middeleeuws Latijn quītus ‘onbetwist, onbelast, vrij van een juridische of financiële verplichting’, een nevenvorm van klassiek Latijn quiētus ‘rustig’. Vanwege de bewaring van de w, die in het Oud-Frans al weg was gevallen (behalve in Waalse dialecten), maar die in alle Germaanse talen aanwezig is, is de tweede hypothese waarschijnlijker. Een tussenoplossing is aan te nemen dat kwijt en kwijten weliswaar aan het Frans werden ontleend, maar dat kw- werd ingevoerd in het bewustzijn van de technische Latijnse termen.

Vgl. Middelnederduits quīten, Mhd. quīten, Mohd. quitten ‘voldoen’, Middelengels quiten, cwiten ‘schuld inlossen’, MoE quit ‘verlaten’.

Etymologie: kiezel

Door Michiel de Vaan

kiezel zn. ‘grind; kiezelsteentje’

Vroegmiddelnederlands kesel, mv. kesele ‘kiezelsteen’, keselkin ‘kiezelsteentje’, keselstene ‘kiezelstenen’ (1287; WVla.), keyselen ‘kiezels’ (1420, Vlaanderen). Met –ing-: kieselinghe steyne ‘kiezelstenen’ (ca. 1470, ZO-Nl.), kieselinghe (1475, ZO-Nl.), keselincktonnen ‘tonnen voor het bergen van kiezelstenen’ (Zutphen, 1457).

Lees verder >>

Etymologie: haar

Door Michiel de Vaan

haar bn. ‘scherp’, dial. ‘droog, schraal’; zn. ‘snede van een zeis’
haren ww. ‘scherp maken’

Mnl. haren ‘scherpen’ (1343-1346), Nnl. aanharen (1811), haren ‘scherpen, uitkloppen van de snede van de zeis’ (1869). In overdrachtelijke zin Mnl. haeren ‘guur weer zijn’ (ca. 1410), Nnl. haeren ‘verdorrend of verzengend waaien’ (1588), verhaeren ‘door kou of hitte verzengd worden, door schraalheid openspringen (van de huid of lippen)’ (1534), hairen ‘branden (in de keel)’ (1805), afl. haring (1573) ‘rijp, rijm’.

Lees verder >>

Etymologie: zwendel

Door Michiel de Vaan

zwendel zn. ‘bedrog, oplichterij’
zwindelen ww. ‘duizelig zijn’

Vroegmiddelnederlands swindelen (1240), zwyndelen (1480) ‘duizelig zijn’, swindelinge (1240), swendelinge (1351) ‘duizeligheid’, versundeld ‘duizelig’ (ca. 1340), Nieuwnl. zwindelen ‘duizelen’ (1582), ook ‘twijfelen, kibbelen; ronddraaien; kriskrassen, dwarrelen’, Nnl. swindelgeest (1580), zwendelgeest (1780) ‘verwarde geest’. Afleidingen: Nnl. swindel (1546), zwindel (1766) ‘duizeligheid’, swindelinghe (1514) ‘duizeligheid’, swindeligh ‘duizelig’ (1676).

Lees verder >>

Etymologie: velen

Door Michiel de Vaan

velen ww. ‘verdragen, uitstaan’

Mnl. velen ‘verdragen’ (ca. 1440). Nnl. velen, veelen ‘verdragen, uitstaan, verkroppen’ (vanaf 1613). Het komt bijna altijd in de infinitief velen voor, tegenwoordig bovendien bij voorkeur met een ontkenning (ik kan het niet velen dat/als). Opvallend is het ontbreken van het woord in literatuur uit de 16e eeuw, wat misschien aan het (in westelijke dialecten) als spreektalige aangevoelde karakter van het woord kan liggen.

Lees verder >>

Etymologie: pissebed

Door Michiel de Vaan

pissebed zn. ‘bedwateraar; insect; paardenbloem’

Vroennieuwnl. pissebedde (1555), pissebet (1617) ‘bedwateraar’; pissebedde (1567), pisbedde, pisbloeme ‘paardenbloem; insect’ (1599).

Enkele typische Vnnl. uitdrukkingen zijn: ‘zien als een pisbed’, dat is ‘beschaamd kijken’: Laet elc water in zijnen wijn doen, laet elc pissebedde up zijnen nuese zien (van Vaernewyck, 1566); en ‘zwijgen als een pisbed’, dat is ‘er het zwijgen toe doen’: swygen als een pissebedde (Cats, 1627). In moderne dialecten komt voor het insect een naam met ‘pissen’ vooral in Holland voor: pissebed, beddepisser, beddezeiker, piszeug, piszogge (TNZN, kaart 44). Voor ‘paardebloem’ komen samenstellingen met pis- vooral in het zuiden voor: pissebed, bedpisser en bedzeiker in Frans-Vlaanderen, West-Vlaanderen en Zeeland, pisbloem in Oost-Vlaanderen, Brabant en Limburg (PLAND).

Lees verder >>

Etymologie: kruisbes

kruisbesDoor Michiel de Vaan

kruisbes zn. ‘ribes uva-crispa’

Vroegmiddelnederlands croselbusg ‘doornstruik, ramnus’ (1240, Limburg), croesel haghe ‘haag van doornstruiken’ (1281, Limburg), Mnl. crosle (1300-1400), crocel (ca. 1440) ‘doornstruik’, stekebeyeren (1350-1400), krakebesiën ‘kruisbessen’ (1407-08); Vnnl. cnoessele ‘kruisbes’, cnoesselboom (1552), knoeselen ‘kruisbessen’ (1608), croesbesien (1608), Kroes-besie, kroesel-besi(e), kroes-baeye, kruys-besie (1599), cruijsbesseboomtjes (1654).

Lees verder >>

Etymologie: vervelen

Door Michiel de Vaan

vervelen ww. ‘teveel zijn’

Middelnederlands vervelen ‘vermenigvuldigen; lastig, onaangenaam zijn’ (verveilde ‘stoorde, was onaangenaam’ ca. 1350, vervelen ‘vermenigvuldigen’ ca. 1465), Vroegnieuwnl. vervelen ‘meer worden; doen vermeerderen’ (tot ca. 1700), ‘genoeg krijgen van; vermoeien, teveel zijn; tot last zijn, hinderen; door eentonigheid oninteressant of saai worden, vervelen’ (vanaf 1500), met klinkerronding ook verveulen (1642); sonder vervelen ‘overvloedig’ (1583). Oorspronkelijk overgankelijk, daarnaast wederkerig zich vervelen vanaf ca. 1760. Versterkende bijwoorden bij het laatste zijn bijv. dodelijk (1833) en razend (1839). Afleidingen: vervelich ‘te zwaar, vervelend; verveeld’ (1509), verveelend ‘belastend’ (1703), verveeling (1764). De uitdrukking tot verveelens toe ‘uitentreuren’ vanaf 1767.

Verwante vormen: Middelnederduits vorvelen vermeerderen; vervelen’, Mhd. verviln ‘te veel worden’. Afleiding van veel.

De hypothese dat vervelen, waar het naast veul ‘veel’ voorkomt, op een Germaans ww. met suffix *-jan- teruggaat (zo Wobbe de Vries, TNTL 43, 1924, p. 131) is te verwerpen, aangezien de kleuring tot eu te recent en te onregelmatig van aard is om een dergelijke conclusie op te baseren. Bovendien  is verveulen al in de 17e eeuw geattesteerd.

Etymologie: unster

Door Michiel de Vaan

unster zn. ‘weegtoestel, handweegschaal’unster

Vroegmiddelnederlands einser (Brugge, 1281/82) ‘unster’ (hier als synoniem voor ponder), enser makra ‘unstermaker’ (1281; vgl. ook pondelmakere); Nnl. uuser (1566), unster (1588), uyster (1581), onser (1639), enster (1573); uussel (1562), huysel (1582), onsel (1616), eussel (1573), enssel (1640), einsel (1640), aeyssel (1562). Vlaams enser vertoont ontronding van oudere *ü, waarbij in Vmnl. einser de e tot ei is geworden voor ns (vgl. peinzen). Vormen met -t- zijn ontstaan uit naamvallen waarin unsere werd tot unsre en er een t als overgansklank tussen s en r kwam.

Lees verder >>

Etymologie: tweern, twijn

Door Michiel de Vaan

tweern zn. ‘gedubbeld garen’
twijn zn. ‘gedubbeld garen’

Middelnederlands twern (1477), twaern (1491–1500), Nnl. twern (1566), tweern (1588). Werkwoord: Mnl. twaernen ‘garen dubbelen’ (1423), tweerenen (ca. 1400), Nnl. tweernen (1526), twernen.

Vroegmiddelnl. twijn m. (1286, Dordrecht: van roeden tuine ‘van rode twijn’, een half pont wijt tuijns ‘een half pond witte twijn’), Nnl. twijn (1500), tweyn (1599). Afleidingen: Vmnl. tvinre (1281), Nnl. twijnder ‘iemand die als beroep garen twijnt’; twijndraet (1301-1325), twinen bn. ‘getwijnde’ (1351); Mnl. twinen ww.(1401-1500), Nnl. twijnen (1546) ‘draad dubbelen, draden stevig ineendraaien tot een draad’.

In dialecten: Zeeuws twien ‘garen’, Vlaams twiene ‘garen ineendraaien’, Ravensteins twer ‘twijn’, Zuidutrechts tweerne ‘voortmodderen’, Gronings tweeren ‘zeuren’, tweiern ‘twijnen’. Het Brabants heeft voor het ww. alleen het type twijnen, het Duitse Rijnland voor het zn. alleen het type tweern. In combinatie met het oudere Nederlands kunnen we dus zeggen dat twijn vooral in Holland, Zeeland, Vlaanderen en Brabant thuis is, en tweern in het oostelijk Nederlands en aangrenzende gebieden van Duitsland.

Lees verder >>

Etymologie: toorn

Door Michiel de Vaan

toorn zn. ‘woede’

Vroegmiddelnederlands torn (1200), toren (1240) ‘woede, heftige opwinding; verdriet, ellende’, Vroegnieuwnl. toren ‘hevige woede; verdriet’ (ca. 1516), na 1600 meestal in de spelling toorn. De betekenis ‘verdriet’ verdwijnt na de 17e eeuw maar komt nog in enkele dialecten voor: Zeeuws torn ‘tegenslag, klap’, Antwerps toorn, toren ‘verdriet, hartezeer’. Vergelijk voor de rekking van *u voor rn in de standaardtaal ook hoorn en doorn. Afleidingen: Vmnl. tornen zwak ww. ‘boos maken; boos zijn’ (1240), vertoernen (1276-1300) ‘boos maken’; toernich ‘verdrietig’ (1220-1240), tornech ‘boos, kwaad’ (1265-1270); torninge ‘het boos maken’ (1240).

Verwante vormen: Oudsaksisch torn o./m. ‘woede’, bn. torn ‘woedend’, Middelnederduits torn, tarn m. ‘woede’, bn. torn ‘woedend’, ww. tornen ‘toornen’, Oudhoogduits zorn, ww. zornōn en zurnēn, bn. zorn, Nhd. Zorn m., Oudengels torn ‘woede; verdriet’, bn. torn ‘verontrustend, bitter’.

Lees verder >>

Etymologie: hader

Door Michiel de Vaan


hader
zn. ‘twist’

Vroegnieuwnl. hader ‘twist’ m. (1546), haer (1588). Het woord verdwijnt in de zeventiende eeuw weer snel uit de taal, mogelijk vanwege homonymie met de verschillende andere woorden haar. Afleidingen: haderich ‘twistziek’ (1573), haderen, haeren (1588), hadderen (ca. 1620) ‘twisten’, haderman, haerman (1573) ‘onruststoker’.

 Verwante vormen: Middelnederduits hader m., Middelhoogduits hader m., Vnhd. Hader ‘twist’, Mohd. hadern ‘twisten’.

De Westgermaanse uitgangsvorm is onzeker, het meest waarschijnlijk zijn *haϸra-, *haϸru- of *haϸura-. Het staat waarschijnlijk in verband met PGm. *haϸu- ‘gevecht’, dat in het Westgermaans vooral als eerste lid van persoonsnamen voorkomt: Oudsaksisch Hathu-, Ohd. Hadu-, OE heaðo-, Vroegmiddelnl. Hadebert, Haderic, enzovoort. Verwanten van *haϸu- buiten het Germaans zijn onder andere Oudiers cath, Middelwelsh cad ‘strijd’ (Proto-Keltisch *katu-), Oudkerkslavisch kotora ‘gevecht’, Grieks kótos ‘wrok, haat’, Sanskrit śátru- ‘vijand’, en Hett. kattu- n. ‘vijandschap, twist’. Mogelijk gaan deze terug op een nominale stam *kh2-et- ‘vijandschap’, afgeleid van de PIE wortel *ḱeh2‘begeren, om iets geven’, vgl. voor de betekenis ook PIE *ḱeh2-d- ‘haten, houden van’ (waarvan Ned. haat) in de analyse van Pronk (2013: 300–301). De reconstructie *kh2-et- zou verklaren waarom we zowel gepalataliseerde (in Skt.) en niet-gepalataliseerde (in OKS) reflexen van de PIE *ḱ vinden.

Hader zou als afleiding *haϸu-ra- van *haϸu- ‘gevecht’ ontstaan kunnen zijn, of als mannelijk substrantief met suffix –ra- of –ru– (zoals in het Sanskrit) bij de stam *haϸ- ‘vijandig gezind zijn’. Lees verder >>

Etymologie: stern

Door Michiel de Vaan

stern zn. ‘zeezwaluw, sternida

Nnl. starmeeutje (1714), starre (1860), sterre-meeuw (1622 [non inveni]). Dial. starreling, stikstar (Noord-Holland), steern (Groningen). De term stern wordt pas sinds 1900 in de schrijftaal als Nederlandse benaming gebruikt. Hij is ontleend aan wetenschappelijk Latijn sterna, dat door Linnaeus in 1758 (Systema Naturae, 10e ed., p. 137) werd overgenomen uit Turner’s Avium praecipuarum historia (1544), die met sterna de Engelse dialectbenamingen stern, starn latiniseerde.

Hetzelfde woord werd ook gebruikt voor ‘spreeuw’: Vroegnnl. sterre, starre ‘spreeuw’ (1599, “verouderd”), Nnl. staar (1770; ontleend aan Duits?). De verwante vormen vallen dan ook in twee betekenissen uiteen:

  1. ‘spreeuw’: Oudsaksisch stara f., Oudhoogduits star(o) m., Mhd. star, Mohd. Star, Oudnoors stari m., MoIJslands star(r)i, Oudengels stær m., stærn, stærlinc, MoE starling, dial. starn (Shetland), starnel (Northants.)
  2. ‘stern’: b1. met *st-: MoWFri. stirns, sterns, ook stjirring, stjerring, stjarring; stark; Noordfries, o.a. Sylt hudenstiar, Föhr-Amrum sternk; Oudengels stearn ‘stern’, stern ‘meeuw’, MoE dial. starn (Norfolk) ‘stern’. MoE tern ‘stern’ is ontleend aan het Oudnoors.

b2. zonder *s-: Oudnoors ϸerna v., Zweeds tärna ‘stern’.

Lees verder >>

Etymologie: zier

Door Michiel de Vaan

zier zn. ‘kleinigheid’

Mnl. sieren ‘mijten’ mv. (1287, West-Vlaanderen), zieren (1401–1450); ziere ‘kleinigheid’, bijv. in Daer ne sal niet ane gebreken alse groot alse ene ziere ‘daar zal niets aan ontbreken, zelfs niet zo klein als een mijt’ (van Velthem, Spiegel Historiaal). Nnl. ziere (1528), siere (1538) ‘mijt, luis’, bijv. om de luysen ende sierkens te dooden (1608); zierken ‘heel klein deeltje’ (1569). De uitdrukkingen ‘geen zier’ en ‘niet een zier’ zijn vanaf de zestiende eeuw geattesteerd: hy seede ten heeft mich nyet een zier geholpen ‘hij zei: “het heeft me geen zier geholpen”’ (1535, dagboek van  kapelaan Munters uit Kuringen bij Hasselt (Lb.)), haar rechterhand … dooch niet een sier ‘haar rechterhand deugt voor geen zier’ (Souterliedekens, 1540).

Verwante vormen: Oudhoogduits siura f., siuro m., Middelhoogduits siure v. ‘mijt’, Vroegnieuwhd. Seure ‘puistje veroorzaakt door mijten of vlooien’, Zwitserduits ̄re ‘schurftmijt’, Ripuarisch en Moezelfrankisch zier, zieër ‘mijt; puistje; kleinigheid’; Oudsaksisch siura (nom.sg.), surin (nom.pl.) ‘schurftmijt’, Middelnederduits sure, suer ‘hittepuistje, puist’. De meeste Duitse vormen veronderstellen Westgermaans *seurjōn– f., maar sier(e) in het Brabants, Limburgs en het Rijnlands moet op *seuran- of *seurōn- teruggaan, zonder -j-, anders zou het woord een geronde klinker van het type uu hebben gehad, met i-umlaut van *eu. Oudfrans ciron, sueron, Oudpikardisch suiron ’meelworm, mijt’ is uit Westfrankisch *seur(j)ōn– ontleend.

Andere woorden voor ‘mijt’ zijn afgeleid van ‘snijden’ (Ned. mijt) of ‘malen’ (Dui. Milbe), maar voor de etymologie van *seur- in *seurjōn– bestaat geen enkel evident aanknopingspunt.

 

Etymologie: hauw

Door Michiel de Vaan

hauw zn. ‘type vrucht’

Vroegmiddelnederlands awe ‘zaadhuisje’ (van de nardus) (1287), Nnl. hawkens (1543), haeuwe (1559), hauwe (1573), ook gespeld als houwe (1599), haeuwe (1608), hauw (1668), haauw (1686) ‘zaadhuisje, peul, huls’. Dialectisch nog houw, verkleinwoord mv. hâwkes, in Antwerpen, Noord-Brabant en Belgisch Limburg.

Verwante vorm: Oud-IJslands ‘huid, vacht’. Uit PGm. *hawō- f. (Kroonen 2013: 218). De dichtst verwante vorm is PGm. *hūdi- ‘huid’, waaruit Ned. huid. Die wordt afgeleid van een PIE wortel *kuH-, van verder onbekende herkomst, waarvan een variant *kouH-eh2– het woord PGm. *hawō- zou opleveren. Maar aangezien woorden voor ‘huid’ vaak van woorden voor ‘afsnijden’, ‘in stukken snijden’ worden afgeleid, bestaat er nog een andere mogelijkheid. Zoals PGm. *hau-ja- hooi’ als ‘wat afgemaaid is’ of ‘wat afgemaaid moet worden’ hoort bij PGm. *hawwan- houwen, hakken’, zou ook *hawō- ‘huid’ van datzelfde werkwoord kunnen zijn afgeleid.

Etymologie: kwansuis

Door Michiel de Vaan

kwansuis bw. ‘als het ware’

Mnl. quansijs (ca. 1300) ‘als het ware, als om te zeggen’, quijs quans (van Boendale, Der leken spieghel, ca. 1325), quanchuys (Jan de Weert, 1350), quansuus (ca. 1400, Gruuthuuse hs.), quantsijs (ca. 1410), quans (1350); Vnnl. quansuys (1524), quansuus (1561), quantsuys (1566), quansijs (einde 16e e.), quamsuys (1627), quanswijs (1629), kwansuys (1670), kwansuis (1682), kwanswys (1700) ‘als het ware, voor de schijn, terloops’. Dial. kwansys (Limburg, 1840), konsuus, ke(r)suus (Zeeland), kesjuus (Oostende), konsjuus (Antwerpen).

Verwante vormen: Mnd. quantwise, quantswise ‘voor de schijn’, Nhd. quantsweise (in de 17e e. volksetymologisch hermaakt tot gewandsweise), MoWFri. quansquijz (1681, Japicx), kwânskwiis.

Er bestaan twee concurrerende etymologieën, die m.i. geen van beide geheel bevredigend zijn. Lees verder >>

Etymologie: weelde

Door Michiel de Vaan

weelde zn. ‘overvloed’

Vroegmiddelnederlands welde, weelde v. ‘overvloed; genot, blijdschap’ (1240), Laatmiddelnederlands weelde, Nnl. weelde (1518), welde (1582), wilde (1583) ‘voorspoed, geluk, genot, rijkdom’. Moderne dialecten: Zeeuws wilde, Zuidbrabants wélle, Antwerps welde, Kempisch weld, weeld, wilde, Limburgs wèèld, wèèlj.

Afleidingen: Vmnl. weldech ‘heerlijk, overdadig’ (1240), weeldech (1285), bn. weldeleke ‘overvloedig’ (1240), ww. weelden ‘genieten’ (1240).

Vanaf de dertiende eeuw vinden we zowel welde als weelde, laatstgenoemde vorm met rekking van de eerste e in ouder *welede. Mogelijk trad de rekking vooral op in de op -e eindigende vormen (nominatief en accusatief enkelvoud *welede), terwijl *weleden (meervoud, genitief en datief ev.) eerder welden werd en zodoende de eerste klinker niet gerekt werd. Ook kunnen sprekers zich in de Mnl. period nog bewust zijn geweest van het verband met wel ‘goed’. Niettemin zal een deel van de vormen met korte klinker, zeker die in de moderne dialecten, door verkorting van ee voor ld zijn ontstaan, bijvoorbeeld wild uit wèèld. Lees verder >>

Etymologie: wieler

Door Michiel de Vaan

wieler zn. ‘fiets’

Nnl. wieler ‘vélocipède’ (1867), tweewieler (1870), driewieler (1870), snelwieler (1884). Kort voor 1870 bewust gevormd bij het ww. Mnl. Nnl. wielen ‘wentelen, ronddraaien’, naar voorbeeld van draaier bij draaien.

wieleren ww. ‘fietsen’

Nnl. wieleren ‘met den wieler rijden’ (1867).

wieler- ‘fiets-’

Nnl. wielermanie (1869), wieler-clubs (1887), wielertocht (1892).

wielrijder zn. ‘fietser’

wielrijders (1877), wielrijdersgezelschap (1882); wielrijden ‘fietsen’ (1888). Het zn. is eerder opgekomen dan het ww. Waarschijnlijk gevormd naar analogie van paard-rijden.

wielrennen ww. ‘om het hardst met de fiets rijden’

wielrenner (1889), wielrennen (1894). Waarschijnlijk naar analogie van paardenrennen (19e eeuw), paerderennen (Vondel).

Etymologie: zwelgen

Door Michiel de Vaan

zwelgen ww. ‘zich te buiten gaan’

zwelgenOudnederlands farsuuelgit ‘verzwelgt’, farsuelge ‘verzwelge’ (Wachtendonckse Psalmen, 901–1000), Middelnederlands swelgen (swalch, geswolgen) ‘doorslikken, verslinden’ (1240), gesuelgen ‘doorslikken’ (1265–1270), ghesuelch ‘keel’ (1276–1300), verswelghen ‘doorslikken, opslokken’ (1265–1270), Suelghemast toenaam ‘die voedsel verbrast’ (1270).

Vnnl. swelghen ‘gulzig opeten of -drinken; doorslikken’ (1516), variant swilghen (1582); afgeleiden betekenissen ‘brassen, losbandig leven’ (1573), zwelgen in ‘baden in, opgaan in’ (1814). Dialectvarianten zwalgen (WVla.), zwilgen (OVla., WBrab.).

Verwante vormen: Mnd. swelgen, Oudhoogduits swelgan, swalh, -swolgan, Mohd. schwelgen, MoWFri. swolgje, Oudengels swelgan, MoE swallow ‘doorslikken’, Oudijslands svelga (sterk ww.), svelgja (zwak ww.) ‘inslikken, verslindenʼ.

Lees verder >>

Etymologie: tierelier

Door Michiel de Vaan

tierelier tw. de klank tierelier; zn. gekwinkeleer; speeldoos

Klanknabootsend woord voor gezang en muziekklanken: Vnnl. zoe moet ic …. singhen: tiere liere (Anna Bijns, ca. 1540), tierelier ‘gekwinkeleer’ (1622), tierelier tw. (1654); tierelier ‘speeldoos’ (1902, Algemeen Handelsblad).

tierelieren ww. ‘het geluid tierelier maken, kwinkeleren’

Gezegd van zingende vogels en mensen: tiere-lieren (1620, van vogeltjes), tierelieren (1623, van mensen), tire-liere-lieren (1653, van de leeuwerik), overdrachtelijk ook ‘aan de zwier gaan’ (tierelieren 1645). Af en toe komt het genominaliseerd voor, bijv. stommelde den trap …. op onder zulk een tierelier ‘onder zulk een kabaal’ (1927).

Lees verder >>

Etymologie: wulp

Door Michiel de Vaan

wulpwulp zn. vogelnaam ‘numenius, steltloper, snipachtige met naar beneden gebogen snavel’

Nnl. wulp (1595), regen wulpen (1598). Uitzonderlijk is de spelling woulp (1724).

Verwante vormen: Nederduits wilp, wolp, wölp ‘wulp, snip’ (Twents tuut-welp ‘wulp’), Nieuwfries wylp ‘wulp’, heawylp ‘grutto’ (lett. ‘hooi-wulp’), OE hwilpe m./v. ‘soort vogel’, Schots quhap (1538), quhaip (1553), whap (1683) ‘wulp’, Engels yerwhelp (1577), yarwhelpe (1577) ‘grutto’, let. ‘schreeuw-wulp’. Lees verder >>

Etymologie: zwichten

Door Michiel de Vaan

zwichten ww. ‘wijken’

Vroegmiddelnederlands *suichtelinghe (geschreven is snichtelinghe, met verschrijving van u als n) ‘touw om het zeil van een molen te minderen’ (1286); Middelnl. swichten ‘tot rust brengen, bedaren, intomen; inbinden, reven’ (1326–1350), daarnaast ook ‘kalm worden, wijken’ (1460–1480), ‘inwikkelen’ (ca. 1400); ongeswicht ‘ongereefd’ (ca. 1400). Nieuwnl. swichten ‘afnemen; inbinden, bezwijken; (doen) ophouden’, ‘zich wachten voor’ (1510), ‘(de zeilen van een schip of van molenwieken) reven’ (1520). Oudere samenstellingen zijn inswichten ‘inreven; beperken’ (1618), verswichten ‘verdwijnen’ (1621).

Verwante vormen: Oudhoogduits swift ‘zwijgzaam’, giswiftēn ‘verstommen, stil wordenʼ, Middelhoogduits swifte bn. ‘rustigʼ, swifte zn. ‘rust’, swiften ‘tot zwijgen brengenʼ (Nieuwhd. beschwichtigen ‘tot zwijgen brengen’, sedert de 17e eeuw, komt uit het Nederduits); Gotisch unsweibands ‘onophoudelijk’, swaif ‘hield op’. Lees verder >>

Etymologie: warempel

Door Michiel de Vaan

warempel bw. ‘waarlijk, voorwaar’
Nieuwnederlands warempel (oudste attestatie uit een klucht uit 1720: Warempel, t is om long en leever uit te braaken). Waarschijnlijk een vervorming van waratje of warendig, waarvoor zie hieronder. De bron van het element -empel is onduidelijk, aangezien er geen suffix van die vorm bestaat. Een suggestie: warempel komt het eerst in Noordhollandse bronnen voor. Mogelijk bestaat er een verband met Noordhollands remp ‘visafval’ (1661), rempen ‘vis afkeuren’ (1585, Enkhuizen), en/of rempeling ‘er slecht uitziend’ (van gewas) (1791, een dialectvariant van rimpelig).

waratje bw. ‘warempel’
Nnl. weratjen (1694: ’k Loov ’t weratjen ook‘Ik geloof het warempel ook’), waaratje (1721),  warattje (1776), waratje (1840), waaratjes (1865).
Een gereduceerde vorm van warentig of waarachtig als modaal bijwoord. Waratje zou van waarachtig kunnen zijn afgeleid met wegval van ch in –achtig, maar een dergelijke wegval is wel ongebruikelijk. De reductie in wer- lijkt eerder op een afleiding van weréntig (zie hieronder) te wijzen, waarbij de -n in de oudste attestatie kan aanduiden dat de schrijver weratjen als verkleinwoord zag. Dan is een reductie van –tig tot *-tie denkbaar, dat als schrijftalig –tje(n) werd opgevat.

warentig bw. ‘warempel’
Nnl. werentigh (1611), werrentich (1646), waerendich (1653), warendig (1714), warentig (1781). Boekenoogen 1897 vermeldt zowel de uitspraak wárentech (met beginklemtoon) als vrentech.

Lees verder >>

Etymologie: wauwelen

Door Michiel de Vaan
wauwelen ww. ‘kletsen’
Vroegnieuwnederlands wauwelen (1612), wauwlen (1614), waulen (1614), waauwelen (1623) ‘kauwen, knabbelen’; wauwelen(1701–1750), waawelen (1782) ‘zwetsen’, wauwelpinte ‘kletskous’ (Gent, 1672); zy verwaauwelen hun geld ‘verdoen’ (1789); waeuweling ‘schommeling, fluctuatie’ (1733). In moderne dialecten Noordhollands wauwelen ook ‘treuzelen, dralen’, Zeeuws wauwauwen ‘kletsen’. Die laatste variant, met verdubbeling van wau-, bestaat al in de 18e eeuw in een kleyn waauwaauwertje ‘een klein kindje’ (1731). Als variant op wauwauwen mag het Vlaams-Zeeuwse kawauwen mogen worden beschouwd, dat zijn k- van kauwen zal hebben.
Verwante vormen: Vroegmodernengels wawill (16e e.), wawle (1558), MoE waul ‘huilen van katten of baby’s’, Nieuwhoogduits waueln ‘blaffen’.

Lees verder >>

Etymologie: bleisteren, bluisteren

Door Michiel de Vaan
bleisteren, bluisteren ww.‘flikkeren’
Middelnederlands bleysteren ‘flikkeren’ (1400–1450, Holland), Vroegnnl. bleysteren (1500–1525);
Vroegnieuwnl. bluysteren ‘schroeien, blaken’ (1573), verbluysteren ‘verzengen, verschroeien’ (1528, Brabant), bluyster ‘blaar’ (1588); Nnl. verblaeysteren ‘verzengen, verschroeien’, blaeysteringhe ‘verschroeiing’ (1629, de Harduyn), verblaesteren (1663). Moderne dialecten: Zeeuws blaoistere ‘flikkeren van vuur’, Drents bluuster ‘winderig, opgeblazen, zwetsend’.
De Tollenaere 1970 geeft een uitgebreide bespreking van de vormen, maar komt niet tot een overtuigende of zelfs maar expliciete etymologie. Hij vergelijkt Mnd. bluse ‘vuurtoren’, blusen ‘signaalvuur aansteken’, Ndd. blüstern ‘heftig waaien’, bleustern‘flikkeren, hevig branden’. Maar uit Germaans *blust-, *bliust- of *blūst- (vormen die men met blozen zou  kunnen verbinden) kan alleen Nederlands bluisterenverklaard worden, maar niet bleist- of blaaist-. De Tollenaere vermoedt dat blaaist- een jonge, Brabantse variant van bleist- was, maar het feit dat blaeysteren als eerste in Oost-Vlaanderen gevonden wordt en nog in het modern Zeeuws bestaat, spreekt daartegen. 

Lees verder >>