Tag: Addenda EWN

Middelnederlands -erse

Door Michiel de Vaan

Middelnederlands –erse

Middelnederlands -se is een suffix voor vrouwelijke personen. Niet te verwarren met het Noordnl. se uit –sche, zoals in Nieuwnl. kosterse ‘vrouw van de koster’ (1693).

In het Middelnederlands van de 13e en 14e eeuw komt het bijna alleen voor toegevoegd aan mannelijke zn. op –er, bijv. bescermersse ‘beschermvrouw’ (1276-1300), clusenersse (1265-70) ‘kluizenares’, cremerse (1280) ‘kramersvrouw’, dorperse ‘boerin’ (1240), meesterse ‘meesteres’, meyerse ‘vrouw van de meier’ (1283), springerse ‘danseres’ (1240), enz., en zelfs pieterse ‘vrouw van Pieter’ (1286) volgt dit patroon. Licht afwijkend (want zonder mannelijk pendant op –er) maar geheel begrijpelijk zijn patronerse ‘patrones’ (1276-1300), propheterse ‘vrouwelijke profeet’ (14e e.) en princersse ‘prinses’ (15e e.) Lees verder >>

Etymologie: zwalpen

Door Michiel de Vaan

zwalpen ww. ‘zich golvend verheffen, klotsen’

Middelnederlands swalpen ‘heen en weer gaan (van een vloeistof)ʼ (1351), Nnl. swalpen ‘heen en weer gaan, geslingerd worden (van personen)’, ‘golven, klotsen’ (van vloeistoffen)’ (voor 1568), swalp-ey (1562) ‘bebroed maar onbevrucht ei, rot ei; drinkebroer’. In dialecten vooral in het Vlaams en Brabants bekend, als zwalpen en zwolpen.

Verwante vormen: Modern Westerlauwers Fries swalpje; Deens skvalpe, Noors en Zweeds skvalpa ‘bewegen (van golven), in kabbelende beweging brengenʼ; Noors dial. skvelpa ‘plonzen’ Lees verder >>

Etymologie: penantie

Door Michiel de Vaan

penantie zn. ‘strafschop’

Variant van het aan het Engels ontleende penalty (in het Engels het eerst in 1889 als penalty kick). Terwijl standaardtalig penalty, evenals in het Engels, beginklemtoon heeft, is in penantie, pinantie de tweede lettergreep beklemtoond. De redenen voor de accentverschuiving en de vervanging van l door n zijn nog niet geheel duidelijk. Zonneveld 2013: 78 verklaart de klemtoon uit het feit dat -al- een gesloten lettergreep vormt, waar in het Nederlands, althans bij spellingsuitspraak, de klemtoon op moet vallen. Verder signaleert Zonneveld in een voetnoot het probleem van de nt maar heeft geen oplossing. Het bestaan van nt geeft voor mij al aan dat het hier niet enkel om spellingsuitspraak kan gaan. Van Oostendorp (2013) merkt terecht op dat penantie niet ontstaan kan zijn in navolging van andere Nederlandse woorden op –antie (vakantie, garantie), omdat die als –ansie worden uitgesproken. Verder wijst hij nog op royalty ‘aandeel in de opbrengst’, dat zijn beginklemtoon behouden heeft en ook begin 20e eeuw aan het Engels is ontleend. Zijn eigen verklaring is dat in alt- de ‘dikke’ (velare) l voor de t moeilijk te horen was en verdween, waarna de voorafgaande n de korte a nasaliseerde en men penãtie hoorde dat men als penantie opvatte. Het nadeel van die verklaring is dat die vier fonetische stappen binnen 10 tot 15 jaar zouden moeten hebben plaatsgevonden (zie beneden). Bovendien hebben niet alle dialecten die penantie zeggen ook een ‘dikke’ l, en bleef de l in andere leenwoorden, zoals halte, wel overal bewaard. Lees verder >>

Etymologie: zeiken

Door Michiel de Vaan

zeiken ww. ‘plassen; zeuren’

Vroegmiddelnederlands seiken ‘urineren’ (1240, Limburg), Mnl. beseiken (1351, Vla.), seyct ‘pist’ (1415–1435, Holland), Nieuwnl. seycken (1537), seecken (1580). De betekenis ‘zeuren’ wordt pas vanaf de 19e eeuw aangetroffen. Dial. Zeeuws zêêken, Vlaams zeeken, elders zeiken.

Verder het zn. Mnl. zeec ‘urine’ (1277, Brugge), seike (1400-1420, Brabant), seyck (1477), Nieuwl. seyck (1551, Antwerpen), seeke (1562), seeck (1569). In moderne dialecten komt zeik ook voor als woord voor ‘gier, mest’, vooral in het Zuidnederlands, en is daarom in de Taalatlas van Noord- en Zuid-Nederland afgebeeld (afl. 1, kaart 7).

Lees verder >>

Etymologie: wulk

Door Michiel de Vaan

wulk zn. ‘eetbare zeeslak, kinkhoren (Buccinum undatum)’

Middelnederlands wilken mv. (1429, Vlaanderen), wilcken (1485), daarnaast willox mv.? (1351-1400, Vlaanderen), willoxen mv. (1401-1434, Holland). Of de plaatsnaam Mnl. wulkebroec (1287, West-Vlaanderen) ook ‘wulk’ bevat, is onzeker. Nieuwnl. willocxen mv. (1510), wulk (1758), ulk (1885). Komt in moderne kustdialecten voor van Frans-Vlaanderen tot Texel: FVla. weuluk, wulok, WVla. willok, wullok, wullek, Oostende wuloek, Zeeuws-Vlaanderen en Zeeland ulk(e), ullek(e), Schouwen-Duiveland wilke, Noord-Holland wulk, ulk, Texel ulek. Lees verder >>

Etymologie: wroeten

Door Michiel de Vaan

wroeten ww. ‘woelen, graven’

Middelnederlands vroeten (1285), wroeten (1350–1420), wruedt ‘wroet’ (ca. 1400). Nieuwnl. wroeten (1540), wrooten (1573), vroeyen (Brussel, 1693). Centrale en oostelijke dialecten hebben een klinker eu of uu die op umlaut van de (pendant van) oe teruggaat, bijv. vruten, vreuten in Antwerpen, Noord-Brabant, Noord-Limburg, Utrecht, Gelderland, Overijssel; daarentegen vroete(n) in Vlaanderen, Zeeland en Holland. Afleidingen: wroetelen ‘voortdurend wroeten, uitsloven’ (1617); wroet v. ‘snuit, smoel; soort ploeg; mol’, Oost-Nederlands vreute, vruut.

Lees verder >>

Etymologie: wegge, wig

Door Michiel de Vaan

wegge zn. ‘brood’

Middelnederlands wegge ‘wigvormig tarwebrood’ (1477), boterwegghe ‘met boter gebakken tarwebrood’ (1450-1470), weggenbacker ‘bakker van wigvormig brood’ (1369). Nieuwnl. wegge ‘wigvormig tarwebrood’ (1532-1536), wegh (1613), wek  (1709); vandaar wegge voor ‘koek’ (1576) en ‘los brood(je)’ (1836) in het algemeen en in samenstellingen als kerstwegge en krentenwegge.

wig zn. ‘keil’

Mnl. wegge ‘wig’ (1390-1410), opwigghen ‘met een wig openbreken (1491-1500), Nnl. wegghe ‘wig, spie, spits voorwerp’ (1521), wigghe (1567), wickge (1658), wig (1842). Bij Kiliaan (1599) gelden wegghe en wigghe als gelijkwaardige varianten, maar de e-vormen worden in de schrijftaal na 1600 opgegeven ten gunste van wig.

Lees verder >>

Etymologie: Moffrika

Door Michiel de Vaan

Moffrika zn. ‘Duitsland’

Scheldwoord voor ‘Duitsland’, opgekomen in de 19e eeuw, door kruising van mof ‘Duitser’ met Afrika. De oudste vindplaats is bij Bilderdijk (1820, Hekeldichten):

“Ik zal in Moffrika nog wel een Vetter vinden
(My aangewaaid hoe ’t wil) om ’t boêltjen saam te binden
Zoo groot of klein het zij; en daarmeê, Goede nacht!
‘Een Duitsche Vetter, hee! en buiten uw geslacht?'”

Vergelijk ook “iedere vernederduitschte en naar den rook smakende moffrikaansche braadworst” (1822; Bilderdijk, Vaderlandsche Letteroefeningen). Ook andere auteurs in Vaderlandsche Letteroefeningen bezigen de term, vgl. “Eene recensie van een Moffrikaansch boek” (1833), en “Moffricana” (1835), “een moffrikaantje” (1838) als titels van negatieve recensies van Duitse boeken. Vanaf de tweede helft van de 19e eeuw komt Moffrika in heel Nederland als term voor ‘Duitsland’ voor.

Lees verder >>

Etymologie: vermouth, weermoed

Door Michiel de Vaan

vermout zn. ‘alcoholische drank’

Nnl. vermouth (1853, Surinaamse courant), zelden gespeld als vermout (1909). Ontleend aan Frans vermouth (1798), dat zelf in de 18e eeuw als dranknaam aan Duits Wermut ‘weermoed; weermoedwijn’ ontleend is, hetzelfde woord als Nl. weermoed. De vermouth is dus een terugontlening van een Germaans woord via het Frans.

 

weermoed zn. ‘absintplant (artemisia absinthium); bitter kruid’

Mnl. wermoede (1435–1500), wermoide (1477), wermoet (1401-1500). Nnl. wermode (1515), weermoet (1543), wermoedt (1546), wormte (1599), wormmoet ofte wermoet (1648). De plantnaam is in de Nederlandse dialecten door alsem vervangen en nu niet meer terug te vinden.

Lees verder >>

Addenda EWN: stechelen

Door Michiel de Vaan

stechelen ww. ‘redetwisten, kijven’

In de moderne schrijftaal komen de spellingen stechelen en steggelen voor ‘redetwisten, vitten, kijven’ beide voor. De meeste oude attestaties noemen het woord expliciet een dialectwoord c.q. staan in dialectteksten, en vertonen een breed betekenisspectrum, o.a. ‘twisten; valsspelen, spieken; knoeien; mokken’. Zo vinden we stechelen, stachelen, steggelen (Kempen, 1850), gesteggel ‘geruzie’ (Noord-Brabant, 1878), gestecheld ‘valsgespeeld’ (Achterhoek, 1884), stechelen, steggelen ‘wringen, wrokken, dwars zijn’ (Antwerpen, 1899–1906), stechelen, stichelen ‘tegenspreken, krakeelen’ (Bree, B.-Limburg, 1914), gestachel ‘geruzie’ (Suriname, 1884; Roosendaal, 1923), en nu meestal stechele(n) in Noord-Brabant en Limburg. Afleiding: steggel (1871), stechel ‘kladpapiertje’ (1882). Lees verder >>

Etymologie: spinde, spint

Door Michiel de Vaan

spinde zn. ‘provisiekast’

Vroegmiddelnederlands spinde ‘provisiekast’ (1293, Oost-Vlaanderen). Mnl. spinde, spijnde, spende v. ‘provisiekast, voorraadkamer’. Nnl. spynde (1518), spende (1548) ‘uitdeling’, spende, spinde ‘provisiekast, -kamer’ (1599), spijnthiens ‘spindjes’ (1535), spint (1773). In dialecten: Vlaams spinde, Denderstreek spinne, spenne, Brabants en Limburgs spin, spen, etc., Overijssel spinde, spiende, spaen etc., Noordhollands spijn en etersspoin ‘etenskast’, Gronings spin(ne), spie ‘provisiekamertje, voorraadkast’.

Verwante vormen: Mnd. spinde v. o., spint o. ‘spinde’, Nhd. Spinde ‘kast’; MoWFri. spyn, spine ‘kast, etenskast’.

spint zn. ‘mand’

Oudnederlands spinde (ca. 1135), spent (1101–1200), spind (1187) ‘inhoudsmaat voor graan, kwartschepel’; Vmnl. spinthalster ‘inhoudsmaat voor graan’ (1272), spentachtelinc ‘een achtste van een spent’ (1276–1300), vierspint ‘een schepel’ (1297). Mnl. spint, spijnt, spent o. ‘inhoudsmaat voor graan’, Nnl. spint (1544) ‘inhoudsmaat’, spinte (1599) ‘mandje’.

Lees verder >>

Etymologie: worstelen

Door Michiel de Vaan

worstelen ww. ‘vechten’

Vroegmiddelnederlands worstelen (1240, Limburg, Vlaanderen), werstelen (1320–40, Vlaanderen/Holland/Brabant), warstelen (1348, Vla.), wrastelen (1469–80, Hol.), wraestelen (1481, Hol.), widerworstelen ‘tegenspartelen’, ontworstelen/ontwrastelen (1340–60), tegenwrasselen ‘tegenspartelen’ (1477). Nieuwnl. worstelen (1526), wurstelen (1566, Vlaanderen), wostelen (1568, Antwerpen).

Veel van de moderne dialecten zetten worstelen voort, waarbij de r kan wegvallen (wostelen), de t (worselen) of allebei (wosselen), en het woord ook met wr-, vr- of fr- kan beginnen (froeselen, frossele e.d.). De o kan tot u geworden zijn (wurstelen, frusseln, wrusselen, vrutsjele). Het Noordhollands kent wratselen, daarnaast ook de a-klinker in Zuid-Limburg (vrassele, vraa(t)sjele in Zuid-Limburg). Verder sporadisch westelen in Vlaams-Brabant en Oost-Vlaanderen.

Lees verder >>

Etymologie: wankel

Door Michiel de Vaan

wankel bn. ‘niet vast, zwenkend’

wankelen ww. ‘onvast gaan’

Oudnederlands uuankilheide ‘onstandvastigheid’ (901–1000); Middelnederlands wankel ‘onstandvastig’ (1285), ‘zwak, onbetrouwbaar, onzeker’ (1373), wankelen ww. ‘wankelen; onvast staan, twijfelen’ en ‘doen wankelen’ (1240), wankelheit zn. (1401–1410), wankelmoet ‘onstandvastigheid’ (ca. 1400); Nnl. wanckel (1551) ‘onvast staand of gaand; veranderlijk, onzeker’ (1551); wanckelen ww. (1516), wanckelmoedig (1564), wankelmoedigheit (1642), wankelmoed (1649).

Verwante vormen: Oudsaksisch wankul, Mnd. wankel bn., wankelen ww.; Oudhoogduits wankal bn., wankalōn ww.; Oudengels wancol ‘wankel’.

Lees verder >>

Etymologie: vierschaar

Door Michiel de Vaan

vierschaar zn. ‘rechtbank’

Oudnederlands in Latijnse context: virscarnam (1125, acc.), virscarnen (1153, nom.), virscarna (1193) ‘rechtbank’.

Vroegmiddelnederlands vierscharne (1254), vierscaerne (1294), vierscaren (1277), vierscarre (1278), vierscaer (1356) ‘rechtbank’, ‘gebied waarin een vierschaar jurisdictie heeft’. Het woord wordt in een groot deel van het Nederlandstalige gebied aangetroffen, al ligt het zwaartepunt in Vlaanderen, Zeeland en Holland. Uit Limburg ontbreken attestaties.

Nnl. vierscare (1516), vierscarre (1517), vierschair (1519) ‘rechtbank in eerste aanleg, schepenbank; rechtszaal; zitting’, ook ‘rechtbank’ in het algemeen. Door dissimilatie van r_r daarnaast Mnl. vierscael (NO-Nl., 1481–1483), Nnl. vierschale (Vlaanderen, 1510), vierschael (1528, Vorstermanbijbel). Verwante vormen: Middelnederduits rschāre.

Lees verder >>

Etymologie: vroed

vroedmeesterpad
De vroedmeesterpad heet niet voor niets zo.

Door Michiel de Vaan

vroed bn. ‘verstandig’

Vroegmiddelnl. vroet, vroede (1212–1223, als toenaam), vrut (1240) ‘wijs, verstandig’, Nieuwnl. vroet (1503), vroede. Tot de afleidingen behoren o.a. Mnl. vroeden (1240) ‘verstand hebben; tot inzicht brengen’; Mnl. bevroeden ‘meedelen; begrijpen’ (1265-1270), Nnl. bevroeden ‘inlichten; begrijpen’ (bevroeden 1509, bevroeyen 1555, bevroen 1539); Mnl. ghevroeden (1285) ‘inzien, weten’; Mnl. froschep (1236), vroescap (1285), vrutscap (1240) ‘wijsheid, verstand’, Nnl. vroedschap ‘wijsheid’ (1517 vroetscap, 1562 vroeschap), ‘bestuurscollege’ (1500 vroescip, 1501 vroetscap). De vorm vroeschap, waarin t door assimilatie aan s verdwenen is, stamt vooral uit westelijke dialecten. Voorts betekent vroed- ‘verloskundig’ in samenstellingen als Mnl. en Nnl. vroedmoeder (1434–1436 vroemoeder, 1450–1470 vroemoer, 1485 vroetmoeder), vroedvrouw (zie onder dat lemma), en Nnl. vroedmeester ‘mannelijke verloskundige’ (1699).

Lees verder >>

Etymologie: vlijt

Door Michiel de Vaan

vlijt zn. ‘ijver’

Oudnederlands fliz ‘aandrang, vlijt’, flizech bn. ‘ijverig’, flizlicher bw. ‘ijveriger’, flizan ww. ‘ijveren’, pret. fleiz (ca. 1100; de tekst waarin deze vormen voorkomen bevat Hoogduitse kenmerken, zoals hier de z).
Middelnl. flit m. (1200, Servaasfr.), vliit (1270–1290) ‘ijver, inzet’, ook ‘spoed, haast’; vliteleke bw. (1284, Dordrecht) ‘ijverig’; vlitech (1240, Limburg), vlitich (1340–1360) ‘toegewijd’. Ww. vliten ‘zich beijveren’ (ca. 1300, Limburgse Sermoenen); ook vervlijten met deelwoord vervleten.
Nnl. vlijt v., in Brabant en Limburg m. ‘ijver, zorg, moeite, passie’ (1540), Gelders vliet (1567); vlijtelijk bw., bn. ‘ijverig, toegewijd, nauwkeurig’ (1525), na de 17e eeuw vervangen door vlijtig ‘wakker, toegewijd, vlug, ijverig’ (ca. 1540; vlietigh 1562); bevlijten ww. ‘werk van iets maken; zich oefenen’ (1597), vervlijten ‘vlijtig worden’ (1588; sporadisch), waarvan het deelwoord vervleten in de 16e en 17e eeuw frequent voorkomt als ‘zeer gesteld op, geoefend, toegewijd’ (1528).

Lees verder >>

Etymologie: verguizen

Door Michiel de Vaan

verguizen ww. ‘beschimpen’

Middelnederlands vergusen (1440–1460) ‘te schande maken’, Nnl. verguysen ‘bespotten; met hoon overladen’ (1572), guyse (zetten) ‘spottend gebaar naar iemand maken’ (1588).

Verwante vormen: Middelnederduits gusen ‘schrik aanjagen, tot zwijgen brengen’, Westfaals dial. vergüset ‘gestoord’, Ripuarisch verguuzen, verjuuzen ‘bang maken’.

Lees verder >>

Etymologie: vergetel

Door Michiel de Vaan

vergetel bn. ‘vergeetachtig’

Middelnederlands vergetel ‘vergeetachtig’ (1284), Nnl. verghetel ‘vergeetachtig’, ook ‘vergetend’ (1588). In de schrijftaal nog maar zelden na 1700. Afleiding: onverghetel ‘niet te vergeten’ (1350-1450). Het bn. -getel komt met een ander voorvoegsel al voor in het Oudnederlandse zn. afgetali v. ‘vergeetachtigheid’ (Wachtendonckse Psalmen, 901–1000).

vergetelheid zn. ‘het vergeten zijn, het vergeten’

Mnl. vergetelheit ‘vergeetachtigheid’ (1351), Nnl. verghetelheijt (1510–1519) ‘vergeetachtigheid; het vergeten zijn/hebben/worden’.

Verwante vormen: Middelnederduits vorgetel ‘vergeetachtig’, Oudhoogduits abgezzal ‘vergeten’, āgezzal ‘vergeetachtig’, Oudengels forgytel ‘vergeetachtig’, andgetul, andgyttol ‘verstandig’, ofergitol, ofergeotol ‘vergeetachtig’; Oudnoors Sann-getall bijnaam van Odin, lett. ‘de waarheid vermoedend’.

Het Proto-Germaans bn. *getula- ‘pakkend, vattend’ is afgeleid van het ww. *getan ‘pakken’. De afleiding *fra-getula- ‘vergeetachtig’ veronderstelt het bestaan van het ww. *fra-getan waaruit vergeten stamt. Andere Nederlandse bn. op –el bij werkwoorden zijn bijv. schamel, kregel, vermetel, wankel.

Etymologie: Klaas Vaak

Klaas VaakDoor Michiel de Vaan

vaak zn. ‘slaap’

Oudnederlands Vak, gebruikt als bijnaam: Simon cognomento Vak (1130–1161). Middelnl. vaek m. ‘slaperigheid, slaap’ (1240), Nnl. vaeck (1540), vaak (1612). Tot ca. 1700 in de Noordnl. literatuur in gebruik voor ‘slaap’, bijv. in de vaak verdrijven, de vaak uit de ogen wrijven. In de standaardtaal nog in de uitdrukking praetjes voor de vaeck (1613, Bredero) ‘praatjes voor de vaak, verhaaltjes om iemand in slaap te krijgen’. Dialectisch vaok, vaak, vèèk(e) ‘slaap’ (Vlaams, Zeeuws, Brabants, Gelders, Overijssels). Verder is het woord bewaard in de naam van Claes-vaeck (1666, Bruno, Mengel-moes), Klaas Vaak (vanaf 1726) ‘het Zandmannetje’.

vaken ww. ‘slapen’

Lees verder >>

Etymologie: smaldeel

Door Michiel de Vaan

smaldeel zn. ‘onderdeel’

Nnl. smaldeel (1700). Afgeleid uit het werkwoord Mnl. smaldeelen ‘in kleine delen splitsen, onderverdelen’ (1301–25), smaeldelen (1362), Nnl. smaldeelen. Daarvan ook het bw. smaldeelich ‘betreffende wiskundige breuken’ (De Dene, 1561) en zn. Mnl. sma(e)ldelinge ‘splitsing, omslag’ (1409-1412), Nnl. smaldelinge (1511).

Samenstelling van smal en deel, gevormd in de tijd dat smal nog ‘klein’ betekende. Smal mag in smaldelen dus als een oorspronkelijk resultatief bn. opgevat worden: *smal *delen ‘verdelen zodat daaruit kleinere delen ontstaan’ > smaldelen. In het Vroegmiddelnederlands komen daarnaast ook enkele samenstellingen met zn. voor, zoals het toponiem Smalrac, lett. ‘klein rak, kleine strook’, en smaltiende ‘klein tiende’ (1280–87; vgl. Middelnederduits smalteghede ‘id.’), d.w.z. ‘tiende van klein vee, vruchten, groenten’, dat in contrast staat met het grote of grove tiende ofwel korentiende.

 

Etymologie: schreef

Door Michiel de Vaan

schreef zn. ‘streep’

Mnl. screve v./m. ‘spleet, snede, opening’ (1351), ook ‘streep, lijn’, vandaar ‘grenslijn’ en ‘maat voor vloeistoffen of hout’ (1345: 23 screven houts); Nnl. screve, schreve (1510), schreef (1620) ‘streep, grenslijn, perk; reet, kier; inhoudsmaat’. Vandaar overdrachtelijk in boven screven, buter screven ‘boven mate, uitermate’ (1510). Met ‘over’ zoals in het MoNl.: ouer de screue ‘bovenmatig’ (Biestkensbijbel, 1560), gaettet over die screve ‘gaat het over de schreef’ (Trou moet blijcken, ca. 1600, Boek A, stuk Die mane).

Lees verder >>

Etymologie: rul

Door Michiel de Vaan

rul bn.  ‘korrelig’

Nnl. rul ‘los, fijkorrelig’ bn. in de rulle aarde (1622, Bredero), het rulle zand (1814), ‘los’ in Laetst zagh ik een aerdigh baesje / Dorre blaedtjes rul op een / Houden ‘laatst zag ik een aardig baasje dorre blaadjes los op elkaar houden’ (J. Beets, 1668). MoWFri. rul maar ouder ook rol (1869).

Niet buiten het (Noord-)Nederlands bekend. Gezien de betekenis ligt een verband met het ww. rollen voor de hand: ‘rul’ zand is zand waarvan de korrels over elkaar heen rollen (i.t.t. klei of veen, bijvoorbeeld). In het Westnederlands is de korte o vaak tot u geworden, onder andere naast l (vgl. krul uit krol), en als het Friese woord uit het Hollands komt, bevestigt het dat daar rol heeft bestaan. Ik deel daarom de mening van de Vries/de Tollenaere (Etym. Wb., 2010) dat rul waarschijnlijk recent ontstaan is (en wel uit rol), en niet op een oude Germaanse formatie *ruzla- of *ruzlja- teruggaat. Probleem is wel dat een bn. *rol of *rolle ‘rollend’ nergens voorkomt. Eén mogelijke verklaring is dat er in het Mnl. een samenstelling *rollezand ‘rollend zand’ heeft bestaan (zoals rolblok, rolsteen) die later als twee woorden bn.-zn. *rolle *zand is opgevat, waarna het bn. zich zelfstandig maakte. Maar dat is natuurlijk pure speculatie.

Etymologie: zigzag

Door Michiel de Vaan

Fig. 1: Schematische weergave van een beleg van een vesting door Vauban. Drie evenwijdige rijen loopgraven (parallèle) worden onderling verbonden door zigzag lopende loopgraven (tranchée de communication) die zodoende tegen repeterend geschut door de verdedigers beschermd zijn. Bron: www.wikiwand.com/fr/Siège_(militaire)

zigzag bw. zn. ‘schuin heen en weer; geknikte lijn’

Nnl. zn. ziegezage, mv. –n (1716, Oprechte Haerlemsche Courant), zigezag, mv. zigezagen (1732, Leydse Courant), ziguezagues mv. (1734), sic-sac (1749), ziczac (1767), zigzag (1844), zikzak (1861). Eerst ‘hoekige en schuin lopende loopgraaf’ bij belegeringen, allereerst bij het beleg van Maastricht in 1673 onder leiding van Vauban; later ook ‘lijn die beurtelings de ene en de andere kant opgaat’ en ‘op en neer gaande beweging, bijv. van een rups’ (1767). Vormen met een k-klank verdwijnen na 1900 bijna geheel.

Lees verder >>

Etymologie: tondel

tondel zn. ‘licht ontvlambare stof’

Middelnederlands tunder ‘stof om vuur mee te slaan’ (1477), Nnl. tonder o. ‘licht ontvlambaar materiaal, zoals dorre bladeren, niet geheel verkoold linnen of katoen, gedroogde zwammen’ (1617; na de 19e eeuw niet meer gebruikelijk), tondel (1705), tontel o. (1692), tuntel (1743); verder tondeldoos (1686), tonteldoos (1681). Met de klinker i of e: Middelnederlands tendelen ‘doen ontvlammen’ (ca. 1470, Zuidwest-Limburg), Nnl. tintel o. ‘tondel’ (1618; sinds de late 18de eeuw verouderd).

In dialecten: (a) tonder in Zuid- en Noord-Holland en Twente, tontel in Limburg en Noord-Holland, tuntel, tundel in de Achterhoek, tunder, tunner in Groningen, tonter in Drente; (b) tintel in West-Vlaanderen, Zeeland en Zuid-Holland, sporadisch ook tintel, tentel in Brabant, Limburg en West-Vlaanderen, tendel, tentel, tintel in het Nederrijns en noordelijk Ripuarisch. Lees verder >>

Etymologie: lijfkoek

Door Michiel de Vaan

lijfkoek zn. ‘kruidkoek, peperkoek’

Middelnederlands lijfcouck ‘zoete koek’ (1360, Gent), nog iets eerder is ‘lijfkoekbakker’ aangetroffen in de namen Simonis Lijfcoecbakers (genitief, 1281) en Gosyn Lyfcoecbakere (1302, Brugge). Nieuwnederlands liefcoecken ‘koek van honing, kruiden en meel’ (1514, Brussel), lijfcoucke ‘pain d’épice’ (1562, Lambrecht), lijfkoeck, liefkoeck ‘kruidkoek, zoet brood’ (1599, Kiliaan), lijfkoucken (1600, Brugge). Daarna uitgestorven in de schrijftaal. Dialectisch nog leverkook, lieverkoch in het zuidoosten van Zuid-Limburg, dat aansluit bij Ripuarische dialecten met eenzelfde vorm.lijfkoek

Het woord is, ietwat vervormd, ook bewaard in de uitdrukking lieverkoekjes worden niet gebakken en varianten daarvan (vanaf 1885), gebruikt tegenover kinderen die “liever” iets anders willen hebben (dat is althans de volksetymologische uitleg).

Lees verder >>