Tag: 21e eeuw

Kader Abdolah in Amsterdam

Door Peter van Zonneveld

Vrijdagmiddag om vijf uur vond de presentatie plaats van Het pad van de gele slippers. Dit nieuwe boek van Kader Abdolah is een roman over een filmmaker ‘in een tijdperk van revolutie en verraad’ zo lezen we op de achterflap. De auteur was in 2006 gastschrijver aan de Leidse universiteit. Het was daar mijn taak om de gastschrijvers te begeleiden. Als een amanuensis in een stofjas was ik op de achtergrond aanwezig om ervoor te zorgen dat alles goed verliep. Aan Kader heb ik de beste herinneringen. Sindsdien nodigt hij me altijd uit voor deze en dergelijke bijeenkomsten. Dan ben ik blij hem weer te zien. Soms zijn er onverwachte ontmoetingen. Toen Harry Mulisch in 2010 op Zorgvlied begraven werd, liepen we samen achter de baar.

Twaalf jaar geleden was net zijn roman Het huis van de moskee’(2005) verschenen. Dat vond ik een prachtig boek, dat goed laat zien hoe Iran de laatste decennia veranderd is. De traditionele cultuur en een milde vorm van islam hebben plaats gemaakt voor religieus en politiek fanatisme zoals we dat nu op vele plaatsen in de wereld aantreffen. Hij ging bij ons college geven over Mohammed en de koran. Die lessen heb ik allemaal bijgewoond. Ik had besloten me los te maken van al mijn vooroordelen over de islam en gewoon te luisteren naar wat hij te vertellen had. Dat was buitengewoon boeiend en het leidde tot leuke discussies. Lees verder >>

Gedicht: Ingmar Heytze • Gemist worden

Uit Ik wilde je iets moois vertellen, de nieuwe bundel van Ingmar Heytze.

Gemist worden

Als je morgen weg moet kun je net zo goed ineens,
wanneer er even niemand oplet, zijn verdwenen.
Het is lente, je bent gastvrouw op een feest met wijn
en bitterballen, iemand kletst tegen je aan,

wordt onderbroken – je ziet je kans schoon, loopt
de tuin in om te kijken hoe de man die met je stond
te praten zich terugdraait naar de leegt waar jij
net nog was, iets zegt als: ‘Nou, en daarna… O.’ Lees verder >>

Gedicht: Marlene van Niekerk • Die uitlê van ’n dooie vleer

Gedicht van vandaag komt uit In de stille achterkamer. Gedichten bij schilderijen van Adriaen Coorte en Jan Mankes van Marlene van Niekerk (vertaling Henda Strydom). Het schilderij ‘Het vleermuisje’ van Jan Mankes, waar dit gedicht bij geschreven is, is hier te bekijken.

Die uitlê van ’n dooie vleer is ’n soort
heiligskennis, die hande kan nie oor die bors
gevou, maar moet met uitgestrekte vingerspeke
die sambrele vlug onthou. Onvroom is die gespreide
stand van agterbene en met die kennebak so uitgeklop
na bo gerig is die ganse byt- en suiedele van die bek volledig
buite die gesig. Koddig, die klein muiselyf so op sy rug
met duime van die dwarsbalk losgehaak en oopgetrek
van punt tot punt – ’n studie wat klein oormoed
eggo? Iets van die spektakel en die val
van Ikarus? Is dáárvoor nog die ore
so ootmoediglik gespits?

Lees verder >>

Gedicht: Piet Gerbrandy • Nuttig en zoet zijn de nieuwe naturen

Uit Vloedlijnen, de nieuwe bundel van Piet Gerbrandy.

Nuttig en zoet zijn de nieuwe naturen.
Dieren en planten komen er veel voor.
Het regent er niet vaker of juist minder.
Alles is inheems.
De mensen die er lopen zijn meest blij
of bloot of ongekapt of verongelijkt.

Zoom van het goor: duet van koekoek en vleesram.
Loofhoutwal: palet van anemoon en lijsterbessen.
Lees verder >>

1 november 2018, Amsterdam: Trauma als verhaal. Een avond over het oeuvre van Arnon Grunberg

De roman als redding: dat was de inzet van de jonge Arnon Grunberg toen hij begon met schrijven. Maar waarvan moest hij gered worden? En kan dat eigenlijk wel: jezelf of een ander redden met literatuur? Dit zijn de vragen in Afgrond zonder vangnet. Liefde en geweld in de romans van Arnon Grunberg, het langverwachte boek over het oeuvre van Arnon Grunberg geschreven door literatuurwetenschapper Yra van Dijk. Via het werk van Grunberg blijkt wat literatuur vermag in het licht van een geschiedenis die zich niet laat vertellen.

Op 1 november grijpen SLAA en Nijgh & Van Ditmar de verschijning van het boek aan om een van de belangrijkste thema’s uit het boek nader te belichten: trauma als verhaal. Dit doen we met o.a. Yra van Dijk, Arnon Grunberg en filosoof Marc De Kesel.

Moderatie is in de handen van Shula Tas. Lees verder >>

Gedicht: Sasja Janssen • Happy

Door Marc van Oostendorp

Stil even, als onze taal happy is, dan ook onze daden
of is het juist andersom? Ja, als onze daden happy
zijn, dan onze kauwen, onze bomen, onze doden
jij en ik, geen ons is ons te veel. Natuurlijk hebben we
genoeg mankop voor vergetelheid, zo ken ik je weer.
Wat trillen mijn handen?

(Sasja Janssen, fragment uit ‘Happy’ – lees hier het hele gedicht)

De gedichten in de bundel Happy (2017) van Sasja Janssen gaan eigenlijk allemaal over taal: er wordt voortdurend verwezen naar woorden, en ook komt, als een grapje, in ieder gedicht wel ergens een Engels woord voor.
Lees verder >>

Gedicht: Menno Wigman • Kaspar Hauser

Kaspar Hauser

Hier geen Natureingang.
Geen beek van zilver, gouden zonlicht, zeikgedicht.
Hij gaf niet om de zon.

Maar hoorde hij een klank, zag hij een vlam, dan greep
hij witheet met zijn hand.
Soms stond hij heilig met een schilderij te praten

of plantte hij bezorgd
een snijbloem in de aarde. Een kind van zeventien
met kelders in zijn ogen.

Afkomst verduisterd. Mensen die hem willen doden.
Zijn onbemande mond
die hulpeloos herhaalt wat hem was ingesproken:

‘Ik wil een ruiter worden.’
Meer wist hij niet. En wij, wij leerden Kaspar kijken,
wilden zijn hoofd met Duits

verrijken, steenhard Duits dat al zijn schrik verdreef.
Maar het verklaarde niets.
En bastaardprins of niet, gelukkig werd hij nooit.

En nu is Kaspar dood.
En wij, wij leefden hem, beschreven hem in gloedvol
Duits dat niets doorzag.

– Breek alle pennen stuk. Tuig elke letter af.
Er is geen taal die troost,
geen woord dat bloost bij Kaspar en zijn hondendood.

Menno Wigman (1966-2018)

Lees verder >>

we zijn briesende paarden in de stal des levens

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (196)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

(Radna Fabias; klik op het gedicht om in te zoomen)

Hoe lang zullen er nog sonnetten geschreven worden? Waarom heeft precies deze vorm het 450 jaar volgehouden, ongeveer even lang als het standaard-Nederlands?  Lees verder >>

Gedicht: Maria Barnas • Toekomst

Uit Nachtboot, de nieuwe bundel van Maria Barnas.

Toekomst

Een bureaustoel rolt stommelend weg.

Ik zou tegen de spiegel kunnen zeggen: jij bent die vis.
En daarbij: je zult me beminnen o teerbeminde
wat smak je nou is dat soms snakken aan het oppervlak?

We kunnen zeggen: de toekomst is een geblakerde spiegel.
Of: er is een toekomst die we vormgeven.
Er komen vissen in voor

onder te dompelen in zwaar water en op te rapen
als donkere robijnen te bewaren bij de bank
of bij de woorden onder je matras.
Lees verder >>

Gedicht: Charlotte Van den Broeck • VIII

VIII

niet overhellen, nu de avond het licht en ons de adem afknelt
stootblauw het vel, aangeslagen oorlogstrommel van wat faalt in ons
het huis laat zich verdelen in bananendozen en bezittelijke voornaamwoorden
de boekenkast in links en rechts
van jou de landkaarten, de Russen en het oeuvre van Márquez
ik krijg woordenboeken in alle talen, de biografieën van dictators
en ja, de poëzie, die juist nu hardnekkig staat te zwijgen, je vraag nog:
welke vogel stak alweer de snavel in zijn eigen borst?
ik kan niet op de pelikaan komen
weet nu dat rouw begint bij het stoten van de ellenboog
een doortrekt tot in de vingertoppen
om nieuwe aanrakingen vooraf al te verdoven

Charlotte Van den Broeck (1991)

———————————–

Gedicht: Lans Stroeve • De zon ligt wit op de bladeren

De zon ligt wit op de bladeren. Nooit
eerder zinderde zomer
zo tot onder het asfalt en tot
in de voegen van de straat. Er hangen
stenen in de lucht. Ik toets je nummer.
Licht rolt in een schicht door vezels
van glas, en licht voor een tel
de ondergrondse torren bij. Geluid
slaat in golven zwiepstaartend
onder de wolken door, laat de duiven
vliegen en de huid van het paard
sidderen. Neem op.
Terwijl je voetstap over de stoep
klopt glinsteren ontboezemingen
op de kozijnen en blijf ik thuis en
schrijf recepten voor wat borrelen
gaat en heel lang broeien moet.

Lans Stroeve (1961)
uit: Leerling in de tijd (2007)

———————————–

Gedicht: Onno Kosters • Aphrodite

Uit Waarvan akte, de vierde bundel van Onno Kosters.

Aphrodite

Het is oorlog, liefde
Bijna alles mag

Wees naakt en ontvang de genadeslag

Mobiliseer
een falanx van hoplieten en vaardige peltasten

Balts
hun aanvallen ontkrachtend
met zich vals voordoende legioenen

Lach
om de testudo, het schildpad
pak de loopgraaf haar wapening af
dring drang- en planloos aan
tot de stadswal valt Lees verder >>

Gedicht: Eva Gerlach • Vier van je handdoeken

Uit de speciale uitgave Alledaagse ergernissen, waarin Eva Gerlach en Sasja Janssen gedichten schreven bij 50 foto’s van alledaagse ergernissen als hagelslag in de boter en een verkeerd opgehangen wc-rol, gemaakt door Bianca Sistermans.

Vier van je handdoeken

Handdoek over de deur in de tijd die klappert
als ik opsta uit je holte in het matras,
warmte in mijn schouders, heupen, zomaar.

Handdoek over de badkamerdeur, ik loop er
zo tegenaan, lucht van je, vouw
om vouw, ik snuif heel rustig, tijd genoeg.

Handdoek over de deur van de keuken van het
hart, ik kraak de kamers
allemaal tegelijk zodat ik weer zie

hoe je hier rondloopt daar
stilstaat een hap neemt uit brood
dat nooit oud wordt een overhemd aantrekt

eeuwig wit en kreukvrij en je scheert
als een steen over het water
been over je zadel de straat uit.

Handdoek losjes over de deur van nog even

Ben je nu weg of.

Eva Gerlach (1948)

———————————–

Literatuur leven

Mirjam van Hengel portretteert Remco Campert

Door Wiel Kusters

Het bijna 600 bladzijden tellende boek dat Mirjam van Hengel over de nu negenentachtigjarige Remco Campert schreef, Een knipperend ogenblik, heet in de ondertitel een ‘portret’ en wordt dus niet gepresenteerd als biografie. Dat wordt in het korte voorwoord verantwoord als de keuze voor het vertellen van een ‘verhaal’ waarvan de maker zich ‘zij het niet aan de waarheid dan toch aan de werkelijkheid’ van Camperts leven en werk verplicht voelt. Met die instelling begeeft de schrijfster zich naar eigen zeggen noch op het terrein van de feiten noch op dat van de fictie, maar wijst zij het ‘interpreteren’ aan als haar benaderingswijze. Daarmee spreekt ze zich dan meteen ook uit tegen ‘de Nederlandse schrijversbiografie’, die ‘die over het algemeen de kant kiest van het graniet’, de onweerlegbare feiten, en geeft ze aan, ook recht te willen doen aan de ‘gevoelens’ van haar personage. Ze motiveert dit mede met behulp van een citaat van de dichter zelf, uit de bundel Verloop van jaren (2015): ‘liever geen biografie / waarin al deze gevoelens worden gemist’.

Tot de bronnen waarop Van Hengel zich baseert behoren de gesprekken die zij twee jaar lang op vrijdagmiddagen met Campert en zijn echtgenote Deborah Wolf heeft gevoerd en waaruit ze geregeld citeert. Een werkwijze die voor- en nadelen heeft en risico’s in zich draagt, maar die gelukkig niet heeft geleid tot een onkritische houding van de biografe (of zal ik toch maar zeggen portrettiste?) ten opzichte van haar held. Misschien dat deze houding haar vergemakkelijkt werd door het tijdens de ontmoetingen geconstateerde geringe schaamtegevoel van de dichter en door het feit dat mevrouw Wolf ‘gewend is in niets een blad voor de mond te nemen’ (416). Hoewel er kennelijk ook ontboezemingen zijn gedaan die het papier niet hebben gehaald, zoals Van Hengel in het al geciteerde voorwoord eveneens memoreert: ‘dit moet er maar niet in’; ‘nee, dat begrijp ik’. Lees verder >>

In elk vel dat ooit op je zat

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (194)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Blijf

Iemand hoest in het andere huis
en tegelijk met zijn hoest is onder mijn raam
de merel begonnen over het raadsel van anders
te zijn en dezelfde te zijn

Iemand spuugt dood uit, staat op, laat een kraan lopen, hoest
en ik zie je bukken nu je je oksel voor oksel
voet voor voet wast, in elk vel dat ooit op je zat
voorhuid terugduwt, tenen spreidt, oorschelpen omklapt

Hoe zijn niet gaat over iets
dan er zijn, je adem een hoest lang een lied
lang bewaren zoals ik je vasthou hier bij de wasbak

met alles wat in me zoals ik de wereld en alles
wat daarin is door elkaar als het haar op je hoofd
in mijn handen zolang je zolang ik hart je bewaar

(Eva Gerlach)

De mens: tot hij onmiskenbaar dood is, is hij nog aan het veranderen. Ja, je hoest nog, maar dat is niet alleen maar een teken dat je ongezond bent, het is ook het uitspugen van de dood. Zelfs de merel zingt ervan: het raadsel van anders zijn en dezelfde te zijn. Lees verder >>

Gedicht: Willem Thies • Leefden wij als de dieren

Uit: Na het paringsritueel, de nieuwe bundel van Willem Thies.

Leefden wij als de dieren

Kleurt de zon overdag potgronddonker – laat ons slapengaan.
’s Avonds het raspen der krekels, ’s nachts het klepperen van
de ooglidvleugels der motten tegen een lamp – kunstmaan.
Een hagedis gaat schuil achter een luik op het middaguur, schichtflitst
en glipt als watervuur. De zomer strekt zich lang en log uit, alles ligt
laag en deint, de winter is een stille, witzwarte pit, wijd en tijdeloos,
de adem vertraagd, het foerageren verdaagd. Leefden wij als de dieren,
wij hadden een doel en seizoen.

Willem Thies (1973)
uit: Na het paringsritueel (2018)

———————————–

Gedicht: Ester Naomi Perquin • Een huwelijksdicht

Een huwelijksdicht

Nu zal hij met een pak aan, bloemen erbij en zij in een jurk
als een droom, in een warme zaal wat dingen beloven.
Aardige dingen want aardige dingen wil iedereen
horen, aardige dingen zijn schaars.

Zult u altijd denken aan het meisje dat ze was voor ze u zag
en u, zult u onthouden hoe hij verloren leek, maar
aangenaam verloren? Bent u bereid nu
plaats te maken voor elkaar?
Lees verder >>

Na alle grappen, wijn, volgehouden mensenhaat en poëzie

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (193)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Testament

Somber waren we. Somber, oud en vrolijk. Een laatste
bloedeloze zomer, alleen op afstand te verdragen.
Je was zo bleek geworden, mager. Bij daglicht
minder op je plaats dan ooit.

Afijn, zei ik, de laatste levensdagen. Je kuste mijn wang.
We rookten, beschaamd, om wat er over was.
Na alle grappen, wijn, volgehouden mensenhaat
en poëzie  – we wisten niets.

Dit, zei je, moet het dan maar zijn. Schrijf jij maar
dat ik slordig was. Slordig. Gretig. Bang en
goed gekleed. Zes woordenboeken oud.

Aufwiedersehen,Schwesterlein. Lijdend aan liefde,
de greep van het café – de zon zakt straks
weer richting hel. Alle idioten vieren feest.

(Ester Naomi Perquin)

Misschien rest ons, oog in oog met de dood, niets meer dan de taal, de juiste formulering, het goed gekozen woord. Dit gedicht gaat over een gesprek met iemand die dood zou gaan en is tegelijkertijd een gesprek met een dode, die met je wordt aangesproken, en daardoor in de veertien regels van het sonnet weer heel even komt praten.

Het is een sonnet van opsommingen, van tegenstrijdigheden. Somber, oud en vrolijk. Grappen, wijn en volgehouden mensenhaat. Slordig, gretig, bang en goed gekleed. Juist doordat het niet bij elkaar past, lukt het daardoor om letterlijk met een handjevol goed gekozen woorden de bloedelozezomermiddag op te roepen. En de allermooiste woordgroep is ‘volgehouden mensenhaat’, waar een heel karakter in verborgen zit.

Wie de Nederlandse dichtkunst van de afgelopen jaren een beetje heeft gevolgd, herkent de dichter erin: Menno Wigman, en in het bijzonder diens gedicht ‘Rien ne va plus’ uit de bundel Slordig geluk, waarin hij zelf een andere dode dichter aanspreekt en tot leven wekt: Slauerhoff.

Maar waar Wigman Slauerhoff heel pessimistisch liet zijn over het schrijven (zijn gedicht eindigt met de regel ‘Had je maar nooit een gedicht gezien’), daar laar Perquin Wigman toch nog een beetje aan de poëzie vasthouden. Althans, hij geeft haar toestemming om te schrijven dat hij ‘slordig’ was. En dat doet ze dan ook meteen, in een sonnet, toch eigenlijk meer zijn genre dan het hare. Een sonnet dat begint met het woord somber en eindigt met het woord feest, en dat alleen al daardoor steeds treuriger wordt.

Gedicht: Max Temmerman — Tuinfeest

Uit Huishoudkunde, de nieuwe bundel van Max Temmerman.

Tuinfeest

De zon is een klankschaal
van warmte. Een dahlia van verlangen,
stroperig als een droom.

Rijk willen we worden. Nog rijker
dan we al zijn. We bewegen ons voort
in slow motion. ons zelfvertrouwen

is onuitputtelijk. Dagenlang leven we
ruim boven onze stand. Loom. Lood. Geloof.
Een hittegolf houdt het land in de ban.
Lees verder >>

Gedicht: Hans Dekkers • Een zonbeschenen strogeelroze ksar in Tunesië

Uit: De bedwelmingsman verroert zich, de vierde bundel van Hans Dekkers.

Een zonbeschenen strogeelroze ksar in Tunesië

tijd, een asvlakte, in het brandpunt
van het tumult van jaren, midden
op dit plein, verrijst een fenix
van ongeldig, opnieuw beleven

hier is de geur van stof en munt
geen materie maar een rozig beeld
de zon die lui tegen een muur
van adobe is gaan leunen
Lees verder >>

Gedicht: Astrid Lampe • De taiga

De taiga

IV

ik sta zonder houvast
het huis is leeg
leeg en ruim
een ruim: ik sta
zo houd je vijanden

zwijg me dood
ik ben een maritieme grootmacht
de schotwond een as tattoo
genetische markers

Astrid Lampe (1955)
uit: De taiga zwijntjes (2015)

———————————–