Tag: 21e eeuw

Videogedicht: ‘Ik hou van Icarus’ (Tjitske Jansen)

Voor het project ‘Bewogen Verzen’ vroegen Ons Erfdeel vzw en Poëziecentrum aan negen jongeren uit de Lage Landen om poëziefilms te maken van hun favoriete Nederlandstalige gedicht. Justine Cappelle (Roeselare, 1995) maakte een videogedicht van ‘Ik hou van Icarus’ van Tjitske Jansen uit de bundel Het moest maar eens gaan sneeuwen (Uitgeverij Podium, 2003). ‘Bewogen Verzen’ kwam tot stand met steun van het Nederlands Letterenfonds.

(Bekijk de video op YouTube)

(Lees het bericht op de lage landen)

Ilja Leonard Pfeijffer in kamer 17

Door Susanne Onel

Onderaan op bladzijde 16 van Ilja Pfeijffers roman Grand Hotel Europa wijst de majordomus Montebello aan het ik-personage Ilja Pfeijffer zijn kamer: nummer 17!

Waarom dit nummer? Een luguber grapje van de auteur? Het getal 17 is namelijk in Italië een ongeluksgetal, zoals 13 dat in Nederland is. Is het personage Ilja zo ongelukkig dat de schrijver hem in kamer nr 17 plaatst? Ik kan me namelijk niet voorstellen dat auteur Pfeijffer dit kamernummer toevallig heeft gekozen.

Waarom is 17 voor Italianen een ongeluksgetal? In romeinse cijfers wordt zeventien geschreven als XVII. Dit kan gelezen worden als een anagram van VIXI (= ik heb geleefd; ik ben derhalve dood), dat zeer vaak op graftombes e.d. werd geschreven. Het getal 17 werd dus met de dood geassocieerd. 

Daarom waren – en zijn? – er in Italiaanse hotels geen kamers met nummer 17. Niettemin zet schrijver Pfeijffer zijn hoofdpersoon onverdroten in kamer 17.

Als dat maar goed gaat…

Ironie is niet het omgekeerde zeggen van wat je denkt

Ilja Leonard Pfeijffer als ironicus

Door Marc van Oostendorp

Het is een geleerd essay, dat Ilja Leonard Pfeijffer schreef over de ironie. Hij lardeert zijn betoog, Ondraaglijke lichtheid, – dat ongeveer tot strekking heeft dat de ironie een mooi stijlmiddel is maar dat het tot nihilisme voert wanneer je je hele leven ironisch gaat leven – met verwijzingen naar tal van geleerden uit binnen- en buitenland, uit vroeger tijd en uit het heden.

Pfeijffer presenteert die opvatting als een inzicht dat hij tot zijn eigen verrassing verworven zou hebben tijdens het schrijven van zijn essay. Oorspronkelijk was zijn bedoeling om voor de ironie te pleiten, maar uiteindelijk herzag hij zijn mening.

Dat kun je alleen maar interpreteren als een teken dat de schrijver zijn eigen oeuvre niet goed kent. Daar zitten weliswaar een paar door en door ironische boeken in – de gedachten gaan onwillekeurig uit naar Het ware leven. Een roman – maar toch ook vrijwel vanaf het begin oproepen om serieus te zijn. Bovendien is inmiddels misschien wel zijn bekendste gedicht Idylle 7. Dat gedicht richt zich weliswaar niet zozeer tegen de ironie, maar wel tegen moedwillige duisterheid – het probleem is in essentie hetzelfde: dichters verschuilen zich achter de ontworteling zoals essayisten achter de ironie. Het gedicht eindigt dan ook met de regels:

Lees verder >>

De vloeibare neerlandistiek komt eraan!

Door Marc van Oostendorp

De ambities spatten van het artikel dat Bram Ieven en Esther Op de Beek deze week publiceerden in het Journal of Dutch Literature. Waar anderen klagen over de crisis waar de neerlandistiek in verzeild is geraakt, stellen zij een ambitieus programma voor het vak voor. (Of althans, voor de moderne letterkunde, want in het taalgebruik van modern letterkundigen is dat het hele vak.)

Het vak moet gaan over de tijd waarin we leven, moet ons helpen die tijd beter te begrijpen: het verkruimelen van de politiek, ecologische rampspoed, wereldwijde migratiestromen, enzovoort. (Ieven en Op de Beek noemen dat de ‘laatmoderne tijd’.) De literatuur biedt daarbij nog altijd een uniek inkijkje in hoe mensen zulke gebeurtenissen beleven, en kritische analyse van en reflectie op die literatuur kan dat weer naar een algemener niveau trekken van de analyse van onze tijd.

Lees verder >>

Bewogen verzen: Bij de gemeentekist van mevrouw P, Menno Wigman

Voor het project ‘Bewogen Verzen’ vroegen Ons Erfdeel vzw en Poëziecentrum aan negen jongeren uit de Lage Landen om poëziefilms te maken van hun favoriete Nederlandstalige gedicht. Kobe Fleerackers (Antwerpen, 1993) maakte een videogedicht van ‘Bij de gemeentekist van mevrouw P.’ van Menno Wigman uit de bundel Dit is mijn dag (Prometheus, 2014). ‘Bewogen Verzen‘ kwam tot stand met steun van het Nederlands Letterenfonds.

(Bekijk deze video op YouTube)

Oek de Jong, beeldende kunst en Zeeuwse meisjes

Door Nico Keuning

Matthias Grünewald (1470-1528), altaarstuk voor het Antonietenklooster te Isenheim.

In het literaire oeuvre van Oek de Jong komt zijn belangstelling voor beeldende kunst duidelijk naar voren. De kennis van zijn studie kunstgeschiedenis heeft hij onder andere verwerkt in essays over Caravaggio, Johannes Vermeer en Caspar David Friedrich, die zijn opgenomen in Een man die in de toekomst springt (1997). ‘Ik leef en ik schrijf, ik verzamel beelden en ideeën, en tezamen vormen die mijn zinrijk, dat aan gestage verandering onderhevig is,’ zegt hij in het essay ‘Monnik aan zee’, dat verwijst naar het gelijknamige schilderij van Caspar David Friedrich.

In Zwarte schuur, zijn jongste roman is de hoofdpersoon Maris Coppoolse een succesvol kunstschilder. Maar de roman is vooral geïnspireerd op het altaarstuk dat Matthias Grünewald (1470-1528) schilderde in opdracht van het Antonietenklooster in Isenheim en dat te zien is in Musée d’Unterlinden in Colmar.

In deel III van de roman bevindt Maris Coppoolse zich na een daverende debuutperiode in een impasse (vergelijkbaar met de terugslag van Oek de Jong na zijn succesvolle entree in de Nederlandse literatuur) in de donkere jaren tachtig. Hij reist naar Colmar om het altaarstuk, dat als gesloten drieluik met voetstuk de Kruisiging van Jezus laat zien. Bij het openen van de panelen worden de geboorte en de kruisiging zichtbaar, evenals een houtsculptuur van Niclaus Hagenauer.

Lees verder >>

Een kil literair klimaat

Door Marc van Oostendorp

Terwijl de ijskappen smelten en de Amazone in brand staat, lijkt het literaire klimaat in Nederland het afgelopen decennium alleen maar verkild. Die conclusie zou je kunnen trekken uit de inleiding van het septembernummer van DW B, dat helemaal over dat klimaat van de afgelopen 10 jaar gaat.

Het lijkt een decennium van strijd om centen. “Nu voelen de kunstenaars” schrijven de redacteuren Laurens Ham en Sven Vitse in hun inleiding, “de wind van de markt en het beleid zó hard waaien at ze terug naar hun vroegere status gaan verlangen.” Het eerste stuk, door Laurens Ham, gaat bovendien over het – achteraf vrij zinloze – protest dat er in Nederland in 2010 klonk tegen de drastische cultuurbezuinigingen – de ‘Schreeuw om Cultuur’.

Wie de bundel verder leest, merkt wel dat het niet alleen maar guur was. Er zijn wel degelijk ook positieve ontwikkelingen te melden. zoals de definitieve doorbraak van een groep jonge, vrouwelijke schrijvers, waarvan Griet Op de Beeck door Sander Bax, Niña Weijers en Nina Polak door Esther Op de Beek en Yra van Dijk en Hannah van Binsbergen door Jeroen Dera wordt besproken. Saskia Pieterse heeft bovendien een essay dat helemaal gaat over het feminisme in de jaren 2010.

Lees verder >>

In dienst van de literatuur

In memoriam Tom van Deel (1945-2019)

Door Nico Keuning

Op maandag 12 augustus, is Tom van Deel, oud-literatuurcriticus en oud-docent Moderne Letterkunde aan de UvA, overleden. Hij publiceerde gedichten als T. van Deel. Twee maanden geleden, op 13 juni, de geboortedag van de schrijver Willem Brakman, was ik nog in Amsterdam bij Van Deel op bezoek. Die datum was toeval. Ik realiseerde me het pas toen de afspraak was gemaakt. Maar dat Brakman bij onze laatste ontmoeting een rol speelde, was alles behalve toevallig.

 Aanvankelijk kende ik ‘Van Deel’ op afstand als docent aan de UvA, waar ik tussen 1976 en 1982 Nederlands studeerde. Later liep ik hem eens tegen het lijf bij een Querido-borrel. De uitgeverij, waar zijn gedichten werden uitgegeven. Tevens de uitgever van het gerenommeerde literaire tijdschrift De Revisor, waarvan Van Deel mede oprichter was. We spraken tijdens die borrel over Gerrit Krol, een van zijn favoriete auteurs, naast Willem Brakman, Jeroen Brouwers en de dichter Rutger Kopland. Auteurs voor wie hij als docent Moderne Letterkunde, als recensent van dagblad Trouw, redacteur van De Revisor en lid van menige jury, een lans brak. Brakman noemde hem ‘apostel en propagandist’. Tussen beiden ontstond na hun eerste ontmoeting in 1964 een warme vriendschap. ‘Ik ben vanaf mijn 19de met hem in intensief contact geweest,’ schreef ‘Tom’ mij in een mail van 20 september 2016 als reactie op het nieuws dat ik de biografie van Brakman ging schrijven. Van Deel stelde ruimhartig zijn Brakman-collectie ter beschikking die ik in delen kon lenen. ‘Dat archief is betrekkelijk ongeordend, maar beschikbaar, de honderden brieven eveneens. En alle documenten.’

Lees verder >>

Uit mijn hoofd: Tomas Lieske, De kindertijd van Robespierre

Door Marc van Oostendorp

Wie is er aan het woord in de bundel Keto Stiefcommando van Tomas Lieske? In de meeste gedichten zijn dat minstens drie verschillende stemmen tegelijk. De bundel is namelijk een verhaal over een groep vuilnismannen, meest van Afrikaanse afkomst, in de Parijse buurt die besluiten een aantal dode (of verzonnen) helden uit de westerse cultuur te adopteren en gedichten te schrijven over de kindertijd van die helden.

Omdat in die gedichten de held – in dit gedicht Robespierre – in de ik-vorm aan het woord is, klinkt de stem van, in dit geval, Robespierre. Omdat het gedicht geschreven heet te zijn door een Parijse vuilnismannen, klinkt de stem van die vuilnismannen. Omdat er op de omslag van de bundel Tomas Lieske staat, klinkt ook de stem van Tomas Lieske. En dat allemaal tegelijkertijd.

Kun je nagaan wat er gebeurt als nog weer iemand anders zo’n gedicht voordraagt. En het dan door een stuk software haalt die die voordracht automatisch omzet van een rap: komen er ineens nog twee lagen bij. (Waardoor het geheel misschien af en toe onbegrijpelijk of minstens onvertaalbaar wordt, maar dat hoort erbij.)

Waarom ik graag Kader Abdolah in de klas lees

Door Michelle van Dijk

De verhalenbundel Rode wijn en andere verhalen van Kader Abdolah opent met het verhaal ‘Een onbekende trekvogel’. Ik ken het verhaal al jaren, want het is een moderne klassieker in lessen verhaalanalyse. Het is kort en leerlingen ontdekken er snel thema en motieven in, misschien ook een moraal, een boodschap, zelfs als ik daar helemaal niet om vraag. Dat is mooi.

Er is een grandioos verschil tussen wiskunde uitleggen en een verhaal uitleggen. In beide gevallen is een leraar blij of op z’n minst tevreden als de leerling het antwoord heeft gevonden. Bij wiskunde of bijvoorbeeld zinsontleding is dat voor alle leerlingen hetzelfde antwoord. Bij literatuur niet en dat is zo mooi: dat een leerling iets ontdekt en ook kan beseffen dat het een uniek inzicht is. Je kunt anderen overtuigen van jouw ideeën of overtuigd raken van hoe de ander het ziet, maar je zult hoe dan ook verrast zijn door de vele mogelijkheden. (Poëzie-analyse: NOG VEEL LEUKER!)

Lees verder >>

Bert van Raemdonck: De vrije verzen

Door Marc van Oostendorp

De gedichten in de debuutbundel Hier raken we mij kwijt van Bert van Raemdonck zijn gemakkelijk uit het hoofd te leren. Ze hebben een eigen toon en een dwingend ritme.

‘De vrije verzen’ vind ik een goed voorbeeld. In dit gedicht zet Van Raemdonck impliciet de hoge verwachtingen die er honderd jaar geleden bestonden over het vrije vers als het begin van een nieuwe, vrijere mens, af tegen wat er nu van geworden is: mensen die zich bijzonder voelen omdat ze gin drinken ‘die geurt naar kamperfoelie’ of die in het weekeinde op een terras commentaar geven op de keuzes van andere mensen.

Je kunt het op allerlei manieren lezen, maar ik lees het vooral als een satirisch gedicht, een satire op de moderne tijd.

Een knap detail: nadat het gedicht – in lijn met wat men ooit vond van het vrije vers – de bedreiging van het rijm en het nazisme van het ritme bezingt, wordt het zelf metrisch en eindigt het met een, onnadrukkelijk, rijm.

(Bekijk deze video op YouTube)

Jan Willem Anker, De Nederlander zegt nee

Uit mijn hoofd

Door Marc van Oostendorp

‘De Nederlander zegt nee’ komt uit de nieuwe bundel van Jan-Willem Anker, Ware aard. Het is een atypisch gedicht, maar bijna alle gedichten in Ware aard zijn atypisch. Er staan gedichten in over het leven van een vader van twee jonge kinderen in Weesp – nooit eerder werd Weesp zo uitvoerig bezongen in de wereldgeschiedenis van de dichtkunst – maar soms ontpopt de dichter zich als een klimaatdichter, of als iemand die herinneringen ophaalt aan reizen naar Europese steden in verschillende jaren in de 21e eeuw.

‘De Nederlander zegt nee’ komt uit een cyclus die, in ieder geval in vergelijking met de rest van de bundel, enorm klankrijk is. De klank is de ee, met gespreide lippen; een paar keer onderbroken door de ronde o van mond. (De andere twee gedichten gaan over de a van Mark in wie we een premier herkennen want hij lacht, en de i van Wil.)

Lees verder >>

Willy Roggeman wordt 85: archief van 65 jaar schrijverschap.

Door Jürgen Pieters

Willy Roggeman in zijn werkkamer in Ninove, 2018.
Foto: Jürgen Pieters

Vandaag, 9 juni, wordt de Vlaamse auteur Willy Roggeman 85. Hij werd in 1934 geboren in het Oost-Vlaamse Ninove, waar hij nog steeds woont. Roggeman is intussen ook al 65 jaar schrijver. Twee redenen om te vieren dus. 

In 1954 – hij was toen derdejaarsstudent Germaanse Filologie aan de Universiteit Gent – maakte Willy Roggeman zijn officiële intrede in de Vlaamse literatuur met de publicatie van de gedichtencyclus ‘Nuages’ in Tijd en Mens. Dat blad was op dat moment het belangrijkste literaire tijdschrift in het Zuiden van het Nederlandse taalgebied, met in de redactie letterkundige giganten als Louis-Paul Boon, Hugo Claus en Jan Walravens. Boon nodigde Roggeman uit op de redactievergaderingen en liet hem ook stukken schrijven voor de boekenpagina van de Vooruit. 

Lees verder >>

Ruimte in het hoofd

Door Marc Kregting

Toen onlangs het literaire tijdschrift G. een nummer plande over Patricia de Martelaere die tien jaar geleden overleed, bleek van deze begenadigde en bewierookte essayiste-romanschrijfster, wier oeuvre decennia omspant, geen enkel boek voorradig. Jongere auteurs waren geïnteresseerd om aan het nummer mee te doen, en moesten zich behelpen met fotokopieën en niet-afgeschreven bibliotheekexemplaren. Prachtig dus dat Nina Polak en Joost de Vries eind 2018 met de bloemlezing De wereld in jezelf. De Nederlandse en Vlaamse literatuur van de 21e eeuw in 60 essays materiaal hebben verzameld dat, hoe recent ook, amper beschikbaar blijkt. Bovendien heeft deze gebonden editie een leeslint, hintend dat het genre trage consumptie eist – die de voorbarige datering in de ondertitel kan verklaren.

De twee samenstellers nemen in hun voorwoord uitdagend afstand van het essay als beschouwende tekst (hun cursivering), die een afstandelijk betoog zou afsteken. Polak en De Vries hebben voorkeur voor onderzoek dat meandert en een persoonlijke toets toelaat. Meteen is dan de vraag of het een het ander uitsluit. Hoe zouden ze bijvoorbeeld Montaigne percipiëren, verklaard grondlegger van het essay? De samenstellers omzeilen die kwestie pragmatisch, doordat de eisen van de tijd volgens hen zijn veranderd. Voor hen is het tekenend dat er recent een heruitgave verscheen van Marja Pruis’ De Nijhoffs en ik. Dit debuut was in 1999 ‘ongenadig hard afgefakkeld’ omdat de auteur zich voor haar onderwerp drong. Nu wordt zo’n prominent ik, constateren Polak en De Vries, ‘unaniem geprezen’. Lees verder >>

Een drol met een strik erom

Door Jos Joosten

Ooit was ik getuige van de reactie van H.H. ter Balkt op een gedicht dat een collega ter ere van hem had geschreven. Ter Balkts reactie was niet mals, en zijn immer relativerende echtgenote Willemien zei op een gegeven moment: ‘Maar Harry, het is toch een cadeautje?’
Ter Balkt baste: ‘Moet ik dan blij zijn als iemand gratis een drol met een strik erom door mijn brievenbus schuift?’

De dialoog schoot me te binnen, al lezende in het Boekenweekgeschenk 2019, Jas van belofte, van oudgediende Jan Siebelink. Gegeven boek niet in de bek zien, and all that, maakten desondanks niet dat ik er veel genoegen aan beleefde. Lees verder >>

B-kantje van Bruinja

Door Marc van Oostendorp

Twee gedichten schreef Tsead Bruinja naar aanleiding van de gebeurtenissen in Christchurch en Utrecht: een Dichter des Vaderlands-gedicht dat in NRC verscheen, en een gedicht dat hij zelf een ‘B-kantje’ noemde (weten mensen van jonger dan 20 wat dat is?) en alleen op zijn Facebook-pagina plaatste, Ik vind het B-kantje geloof ik beter dan het A-kantje:

En dat kan maar de wereld is veranderd

je zwaait je vrouw uit
je zwaait je man uit

je stuurt je kind naar school
en je verwacht het heelhuids terug

dan komt het bericht
lockdown zwart op straat
niemand meer naar buiten
niemand meer naar binnen
deuren dicht Lees verder >>

Verwijdertgate en het daarop volgende maakproces

Door Marc van Oostendorp

Wie over honderd jaar iets over taal en literatuur in Nederland anno 2019 wil begrijpen, zal de volgende serie tweets aandachtig moeten bestuderen:

Lees verder >>

Menno Wigman: Tot zichzelf

Door Wiel Kusters

Buste van Marcus Aurelius

‘Alleen mijn nagels en mijn haren, / dat is alles’, schrijft Menno Wigman in het gedicht ‘Tot zichzelf’, dat deel uitmaakt van zijn ‘officiële’ debuut, ’s Zomers stinken alle steden (1997). Hij loopt tegen de dertig, de ‘gevreesde’ verjaardag waarvan sprake is in ‘Media vita’, verderop in de bundel. Het dertigste jaar opgevat als het midden van de levensweg: dat is een omineus gegeven, zeker wanneer we weten dat de dichter, die op 1 februari 2018 overleed, niet ouder dan eenenvijftig jaar is geworden.

Alleen mijn nagels en mijn haren,
dat is alles. En wat dan nog?

Het zijn raadselachtige regels, die niettemin onmiddelijk duidelijk maken dat wie hier spreekt zichzelf, althans zijn lichamelijkheid, behoorlijk relativeert. Er lijkt sprake van een uiterste reductie, die blijkens de woorden ‘En wat dan nog?’ met een zekere onverschilligheid gepaard gaat.

Toch is er voor wie goed luistert nog iets meer aan de hand dan zeer sterke relativering of (gespeelde) nonchalance. ‘En wat dan nog?’ kan ook licht hoopvol klinken als: En wat dan nog meer? Lees verder >>

Revanche van de podiumpoëzie

Tom Lanoye als poëzieperformer

Door Marieke Winkler

‘Weet ik veel hoe poëzie eruit / moet zien’, aldus de opening van het gedicht ‘Programma’ uit Hanestaart (1990), Lanoye’s tweede poëziebundel die verschijnt bij een reguliere uitgever. ‘Niet dat statische, / dat uniforme. Daar hou ik niet / zo van. Dezelfde toon herhaald / tot in den treure, en dat dan / ‘vormvastheid’ noemen, of ‘een / eigen stem’, dat soort gelul. / Nee, daar hou ik niet zo van.’ Zeker wanneer op deze manier achter elkaar geplaatst, valt in deze strofe de spreektalige stijl op. Lanoye schreef zijn poëzie dan ook primair voor het podium en met de bedoeling effect teweeg te brengen bij zijn publiek. De communicatieve functie en de verstaanbaarheid waren voor de jonge dichter daarom van essentieel belang. In Van oor tot oor (1981), uitgegeven in eigen beheer, zegt hij hierover:

‘Mijn publiek moest niet alleen uit lezers bestaan, maar mijn teksten moesten ook ten gehore worden gebracht. Een nieuwe orale literatuur diende te ontstaan, die zich van mond tot mond, van oor tot oor zou verspreiden.’ Lees verder >>

Ilja Leonard Pfeijffer als lezer van Judith Herzberg

Door Marc van Oostendorp

In zijn nieuwe roman Grand Hotel Europa probeert Ilja Leonard Pfeijffer misschien een domme fout van een paar jaar geleden goed te maken. In zijn bloemlezing De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten nam hij toen geen enkel gedicht op van Judith Herzberg. Nu waren er meer bekende dichters die hij niet noemde, maar bij Herzberg gaf hij er ook een verklaring bij:

Bij Herzberg heb ik niets kunnen vinden wat ik goed genoeg vond.

Dat is natuurlijk onzin. Het is duidelijk dat Herzberg een heel ander register hanteert dan Pfeijffer: meer parlando bijvoorbeeld, en subtieler. Maar dat is iets anders dan “niet goed genoeg”, vooral omdat er im de bloemlezing wel andere subtiele parlando-gedichten staan. Lees verder >>

Sheffield University students translate Johan Fretz’ novel ‘Onder de Paramariboom’

How does history, our presentation and perception of the past, influence our views today? And what if the representation of our past excludes members of our communities in the present? Sheffield students of Dutch have been examining these difficult and relevant questions as part of the Dutch Project Module 2018. They worked with Johan Fretz, a Dutch author, stand up comedian and musician, to translate the first two chapters of Fretz’ second novel Onder de paramariboom.

(Bekijk deze video op YouTube)