Tag: 21e eeuw

Vlogboek Wetenschap: Afgrond zonder vangnet

Het is nogal een opgave om een oeuvre van een schrijver volledig door te lichten, zeker als dat een veelschrijver is als Arnon Grunberg. Yra van Dijk, hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit Leiden zat ooit op dezelfde school als Grunberg en heeft haar fascinatie voor het werk van de schrijver, of dat nu zijn romans, lezingen, voetnoten of ooggetuigenverslagen zijn, in het boek Afgrond zonder vangnet gestopt.

Deze video werd mede mogelijk gemaakt door Leiden University Centre for the Arts in Society.

Bekijk deze video op YouTube

Danslessen

Foute boeken? Uit de kast (14)

Door Nico Keuning

Kort na verschijnen van de roman Danslessen in het voorjaar van 1998 ging in het Moskouse appartement van de schrijver Pieter Waterdrinker (ps. van Pieter van der Sloot, Haarlem 1961) de telefoon. Hij bleek bij verstek veroordeeld tot een geldboete of gevangenisstraf wegens antisemitisme en belediging. ‘De teneur was duidelijk: ik was een schoft, een provocateur; ik had me de facto bezondigd aan het allerergste waaraan een mens zich in het naoorlogse Nederland – ik zal u de bijzonderheden besparen waarom – kon bezondigen: antisemitisme.’ Ondanks jurisprudentie in roemruchte rechtszaken van onder anderen W.F. Hermans (Ik heb altijd gelijk) en Gerard Kornelis van het Reve (Nader Tot U) werd Waterdrinker pas na een slopende rechtsgang van drie jaar en hoge proceskosten uiteindelijk vrijgesproken. Na de affaire Wiener (Uit de kast 9) opnieuw een rechtszaak over een scène die zich afspeelt in Zandvoort. Ditmaal was het een burgemeester die een klacht tegen een schrijver indiende. Lees verder >>

Namen en kwantoren

Dichter des vaderlands (7)

Door Marc van Oostendorp

Een van de lastige taken van een Dichter des Vaderlands, of van een stadsdichter of een dichter van een middelbare school is dat je betekenis moet geven aan volkomen betekenisloze gebeurtenissen: rampen, de dood van een beroemdheid, oorlog.

Het allermoeilijkst is dan misschien als je gevraagd wordt om te proberen betekenis te geven aan de holocaust.

Lees verder >>

De porseleinkast

Foute boeken? Uit de kast (7)

Door Nico Keuning

De grenzen tussen fictie en werkelijkheid zijn niet altijd duidelijk. Het wordt nog complexer als het gaat om gepubliceerde faxen van schrijfster Nicolien Mizee: ‘Faxen aan Ger’, die inmiddels in drie delen zijn verschenen, telkens onder een andere titel. ‘Faxen aan Ger 2’ zijn gebundeld in De porseleinkast (2018). De moeder, Clara Mizee-Andriessen (81), spande een kort geding aan tegen haar dochter Nicolien. De moeder voelde zich ‘diep gekwetst’ door het boek en wilde dat het boek uit de handel werd genomen. Haar eis werd afgewezen. Een van de argumenten van de voorzieningenrechter betrof de schrijfstijl van de auteur: ‘Gezien het literaire karakter van het boek en gezien de schrijfstijl van de auteur zal de gemiddelde hedendaagse lezer begrijpen dat niet ieder in het boek gepresenteerd feit ook daadwerkelijk zo hoeft te zijn gebeurd.’ De feiten zijn ‘op een literaire wijze (…) ingekleurd met haar verbeelding en emoties,’ aldus de rechter. Het werk ‘bevat dus niet de waarheid, maar haar waarheid.’ Lees verder >>

7 december 2019, Nijmegen: Presentatie Jaarboek Numaga 2019

Nijmegen in/en de literatuur
Schrijvers en de stad in de afgelopen 50 jaar

Bomans, Van der Heijden, Kellendonk, Ter Balkt: Nijmegen is in naam verbonden met een behoorlijk aantal naoorlogse schrijvers en dichters, maar betekent dat ook dat er zoiets bestaat als karakteristieke ‘Nijmeegse’ romans en verhalen? Is Nijmegen een literaire stad? Wat kenmerkt de Nijmeegse schrijver en wat de lokale lezer? Welke ontwikkeling hebben zij in de afgelopen vijftig jaar doorgemaakt? 

Lees verder >>

Een auteur die de taal redt door erin te snijden

Door Marc van Oostendorp

Een taal is een fictie die waarheid wordt door de mensen die in haar geloven. Als niemand zou accepteren dat het Nederlands bestond, had het Nederlands ook niet bestaan. De mensen zouden nog allemaal praten en ze zouden hun buren kunnen verstaan, en met enige moeite zouden Mechelaars ook nog wel kunnen communiceren met Meppelaars, maar er zou geen reden zijn om te zeggen dat dit kwam doordat ze ‘dezelfde’ taal spraken.

Lees verder >>

In de grond geen slechte jongen

Analyse van een analyse van Arthur van Amerongen

Door Jos Joosten

In de nieuwe aflevering van Nederlandse letterkunde, een themanummer ‘mannelijkheid in de Nederlandse literatuur’, is het onderwerp van het slotartikel zonder twijfel het opmerkelijkst. Na bijdragen over – inderdaad Nederlandse, literaire – auteurs als Menno Ter Braak, Lucebert en Hafid Bouazza, duikt plots Arthur van Amerongen op als onderzoeksobject. Hij staat centraal in Emma Gosses’ beschouwing ‘Een man in het nauw maakt rare sprongen. Mannelijkheid in het postuur van Arthur van Amerongen’. Een keuze die beslist verfrissend en verrassend had kunnen zijn, hoewel het ook dan toch minstens een paar zinnetjes uitleg had gevergd waarom Van Amerongen, publicist, journalist en vooral balorige columnist, plots ook een canonieke Nederlandse literaire schrijver zou zijn. Die uitleg krijgen we niet, en heel verfrissend, laat staan verrassend, is het onderzoek eigenlijk ook niet.

Lees verder >>

Van harte gefeliciteerd, meneer ’t Hart!

Door Marc van Oostendorp

Vandaag viert Maarten ’t Hart zijn 75e verjaardag, een van de intrigerendste schrijvers die er momenteel in Nederland zijn; intrigerend bijvoorbeeld vanwege een neiging om vooral de minder sympathieke kanten van zijn karakter helemaal niet te verbloemen – niet in zijn werk en niet in zijn interviews. En dan gaat het niet over zogenaamd ‘minder sympathieke’ kanten die feitelijk iemand toch nog sympathiek maken, maar over bijvoorbeeld betweterigheid of bekrompenheid.

Neem mij zoals ik ben, zegt ’t Hart.

Lees verder >>

List en leed

Foute boeken? Uit de kast (5)

Door Nico Keuning

Op de flaptekst van List en leed, de nieuwe roman van Arie Storm, is te lezen dat protagonist August Voois het manuscript van zijn roman bij zijn redacteur heeft ingeleverd en daarna beseft ‘dat hij de namen van zijn personages niet heeft veranderd’. Een freudiaanse vergissing, zou je kunnen zeggen. Typisch voor Voois, het literair alter ego van Storm, de auteur die de werkelijkheid gebruikt om fictie te creëren. Toch zijn in de personages in het werk van Storm bestaande personen vaak duidelijk te herkennen, soms onder hun werkelijke naam. Dat hoeft geen probleem te zijn. Maar door wat August Voois over hen beweert, brengt hij de schrijver Storm voortdurend in de problemen. Lees verder >>

Videogedicht: ‘Ik hou van Icarus’ (Tjitske Jansen)

Voor het project ‘Bewogen Verzen’ vroegen Ons Erfdeel vzw en Poëziecentrum aan negen jongeren uit de Lage Landen om poëziefilms te maken van hun favoriete Nederlandstalige gedicht. Justine Cappelle (Roeselare, 1995) maakte een videogedicht van ‘Ik hou van Icarus’ van Tjitske Jansen uit de bundel Het moest maar eens gaan sneeuwen (Uitgeverij Podium, 2003). ‘Bewogen Verzen’ kwam tot stand met steun van het Nederlands Letterenfonds.

(Bekijk de video op YouTube)

(Lees het bericht op de lage landen)

Ilja Leonard Pfeijffer in kamer 17

Door Susanne Onel

Onderaan op bladzijde 16 van Ilja Pfeijffers roman Grand Hotel Europa wijst de majordomus Montebello aan het ik-personage Ilja Pfeijffer zijn kamer: nummer 17!

Waarom dit nummer? Een luguber grapje van de auteur? Het getal 17 is namelijk in Italië een ongeluksgetal, zoals 13 dat in Nederland is. Is het personage Ilja zo ongelukkig dat de schrijver hem in kamer nr 17 plaatst? Ik kan me namelijk niet voorstellen dat auteur Pfeijffer dit kamernummer toevallig heeft gekozen.

Waarom is 17 voor Italianen een ongeluksgetal? In romeinse cijfers wordt zeventien geschreven als XVII. Dit kan gelezen worden als een anagram van VIXI (= ik heb geleefd; ik ben derhalve dood), dat zeer vaak op graftombes e.d. werd geschreven. Het getal 17 werd dus met de dood geassocieerd. 

Daarom waren – en zijn? – er in Italiaanse hotels geen kamers met nummer 17. Niettemin zet schrijver Pfeijffer zijn hoofdpersoon onverdroten in kamer 17.

Als dat maar goed gaat…

Ironie is niet het omgekeerde zeggen van wat je denkt

Ilja Leonard Pfeijffer als ironicus

Door Marc van Oostendorp

Het is een geleerd essay, dat Ilja Leonard Pfeijffer schreef over de ironie. Hij lardeert zijn betoog, Ondraaglijke lichtheid, – dat ongeveer tot strekking heeft dat de ironie een mooi stijlmiddel is maar dat het tot nihilisme voert wanneer je je hele leven ironisch gaat leven – met verwijzingen naar tal van geleerden uit binnen- en buitenland, uit vroeger tijd en uit het heden.

Pfeijffer presenteert die opvatting als een inzicht dat hij tot zijn eigen verrassing verworven zou hebben tijdens het schrijven van zijn essay. Oorspronkelijk was zijn bedoeling om voor de ironie te pleiten, maar uiteindelijk herzag hij zijn mening.

Dat kun je alleen maar interpreteren als een teken dat de schrijver zijn eigen oeuvre niet goed kent. Daar zitten weliswaar een paar door en door ironische boeken in – de gedachten gaan onwillekeurig uit naar Het ware leven. Een roman – maar toch ook vrijwel vanaf het begin oproepen om serieus te zijn. Bovendien is inmiddels misschien wel zijn bekendste gedicht Idylle 7. Dat gedicht richt zich weliswaar niet zozeer tegen de ironie, maar wel tegen moedwillige duisterheid – het probleem is in essentie hetzelfde: dichters verschuilen zich achter de ontworteling zoals essayisten achter de ironie. Het gedicht eindigt dan ook met de regels:

Lees verder >>

De vloeibare neerlandistiek komt eraan!

Door Marc van Oostendorp

De ambities spatten van het artikel dat Bram Ieven en Esther Op de Beek deze week publiceerden in het Journal of Dutch Literature. Waar anderen klagen over de crisis waar de neerlandistiek in verzeild is geraakt, stellen zij een ambitieus programma voor het vak voor. (Of althans, voor de moderne letterkunde, want in het taalgebruik van modern letterkundigen is dat het hele vak.)

Het vak moet gaan over de tijd waarin we leven, moet ons helpen die tijd beter te begrijpen: het verkruimelen van de politiek, ecologische rampspoed, wereldwijde migratiestromen, enzovoort. (Ieven en Op de Beek noemen dat de ‘laatmoderne tijd’.) De literatuur biedt daarbij nog altijd een uniek inkijkje in hoe mensen zulke gebeurtenissen beleven, en kritische analyse van en reflectie op die literatuur kan dat weer naar een algemener niveau trekken van de analyse van onze tijd.

Lees verder >>

Bewogen verzen: Bij de gemeentekist van mevrouw P, Menno Wigman

Voor het project ‘Bewogen Verzen’ vroegen Ons Erfdeel vzw en Poëziecentrum aan negen jongeren uit de Lage Landen om poëziefilms te maken van hun favoriete Nederlandstalige gedicht. Kobe Fleerackers (Antwerpen, 1993) maakte een videogedicht van ‘Bij de gemeentekist van mevrouw P.’ van Menno Wigman uit de bundel Dit is mijn dag (Prometheus, 2014). ‘Bewogen Verzen‘ kwam tot stand met steun van het Nederlands Letterenfonds.

(Bekijk deze video op YouTube)

Oek de Jong, beeldende kunst en Zeeuwse meisjes

Door Nico Keuning

Matthias Grünewald (1470-1528), altaarstuk voor het Antonietenklooster te Isenheim.

In het literaire oeuvre van Oek de Jong komt zijn belangstelling voor beeldende kunst duidelijk naar voren. De kennis van zijn studie kunstgeschiedenis heeft hij onder andere verwerkt in essays over Caravaggio, Johannes Vermeer en Caspar David Friedrich, die zijn opgenomen in Een man die in de toekomst springt (1997). ‘Ik leef en ik schrijf, ik verzamel beelden en ideeën, en tezamen vormen die mijn zinrijk, dat aan gestage verandering onderhevig is,’ zegt hij in het essay ‘Monnik aan zee’, dat verwijst naar het gelijknamige schilderij van Caspar David Friedrich.

In Zwarte schuur, zijn jongste roman is de hoofdpersoon Maris Coppoolse een succesvol kunstschilder. Maar de roman is vooral geïnspireerd op het altaarstuk dat Matthias Grünewald (1470-1528) schilderde in opdracht van het Antonietenklooster in Isenheim en dat te zien is in Musée d’Unterlinden in Colmar.

In deel III van de roman bevindt Maris Coppoolse zich na een daverende debuutperiode in een impasse (vergelijkbaar met de terugslag van Oek de Jong na zijn succesvolle entree in de Nederlandse literatuur) in de donkere jaren tachtig. Hij reist naar Colmar om het altaarstuk, dat als gesloten drieluik met voetstuk de Kruisiging van Jezus laat zien. Bij het openen van de panelen worden de geboorte en de kruisiging zichtbaar, evenals een houtsculptuur van Niclaus Hagenauer.

Lees verder >>

Een kil literair klimaat

Door Marc van Oostendorp

Terwijl de ijskappen smelten en de Amazone in brand staat, lijkt het literaire klimaat in Nederland het afgelopen decennium alleen maar verkild. Die conclusie zou je kunnen trekken uit de inleiding van het septembernummer van DW B, dat helemaal over dat klimaat van de afgelopen 10 jaar gaat.

Het lijkt een decennium van strijd om centen. “Nu voelen de kunstenaars” schrijven de redacteuren Laurens Ham en Sven Vitse in hun inleiding, “de wind van de markt en het beleid zó hard waaien at ze terug naar hun vroegere status gaan verlangen.” Het eerste stuk, door Laurens Ham, gaat bovendien over het – achteraf vrij zinloze – protest dat er in Nederland in 2010 klonk tegen de drastische cultuurbezuinigingen – de ‘Schreeuw om Cultuur’.

Wie de bundel verder leest, merkt wel dat het niet alleen maar guur was. Er zijn wel degelijk ook positieve ontwikkelingen te melden. zoals de definitieve doorbraak van een groep jonge, vrouwelijke schrijvers, waarvan Griet Op de Beeck door Sander Bax, Niña Weijers en Nina Polak door Esther Op de Beek en Yra van Dijk en Hannah van Binsbergen door Jeroen Dera wordt besproken. Saskia Pieterse heeft bovendien een essay dat helemaal gaat over het feminisme in de jaren 2010.

Lees verder >>

In dienst van de literatuur

In memoriam Tom van Deel (1945-2019)

Door Nico Keuning

Op maandag 12 augustus, is Tom van Deel, oud-literatuurcriticus en oud-docent Moderne Letterkunde aan de UvA, overleden. Hij publiceerde gedichten als T. van Deel. Twee maanden geleden, op 13 juni, de geboortedag van de schrijver Willem Brakman, was ik nog in Amsterdam bij Van Deel op bezoek. Die datum was toeval. Ik realiseerde me het pas toen de afspraak was gemaakt. Maar dat Brakman bij onze laatste ontmoeting een rol speelde, was alles behalve toevallig.

 Aanvankelijk kende ik ‘Van Deel’ op afstand als docent aan de UvA, waar ik tussen 1976 en 1982 Nederlands studeerde. Later liep ik hem eens tegen het lijf bij een Querido-borrel. De uitgeverij, waar zijn gedichten werden uitgegeven. Tevens de uitgever van het gerenommeerde literaire tijdschrift De Revisor, waarvan Van Deel mede oprichter was. We spraken tijdens die borrel over Gerrit Krol, een van zijn favoriete auteurs, naast Willem Brakman, Jeroen Brouwers en de dichter Rutger Kopland. Auteurs voor wie hij als docent Moderne Letterkunde, als recensent van dagblad Trouw, redacteur van De Revisor en lid van menige jury, een lans brak. Brakman noemde hem ‘apostel en propagandist’. Tussen beiden ontstond na hun eerste ontmoeting in 1964 een warme vriendschap. ‘Ik ben vanaf mijn 19de met hem in intensief contact geweest,’ schreef ‘Tom’ mij in een mail van 20 september 2016 als reactie op het nieuws dat ik de biografie van Brakman ging schrijven. Van Deel stelde ruimhartig zijn Brakman-collectie ter beschikking die ik in delen kon lenen. ‘Dat archief is betrekkelijk ongeordend, maar beschikbaar, de honderden brieven eveneens. En alle documenten.’

Lees verder >>

Uit mijn hoofd: Tomas Lieske, De kindertijd van Robespierre

Door Marc van Oostendorp

Wie is er aan het woord in de bundel Keto Stiefcommando van Tomas Lieske? In de meeste gedichten zijn dat minstens drie verschillende stemmen tegelijk. De bundel is namelijk een verhaal over een groep vuilnismannen, meest van Afrikaanse afkomst, in de Parijse buurt die besluiten een aantal dode (of verzonnen) helden uit de westerse cultuur te adopteren en gedichten te schrijven over de kindertijd van die helden.

Omdat in die gedichten de held – in dit gedicht Robespierre – in de ik-vorm aan het woord is, klinkt de stem van, in dit geval, Robespierre. Omdat het gedicht geschreven heet te zijn door een Parijse vuilnismannen, klinkt de stem van die vuilnismannen. Omdat er op de omslag van de bundel Tomas Lieske staat, klinkt ook de stem van Tomas Lieske. En dat allemaal tegelijkertijd.

Kun je nagaan wat er gebeurt als nog weer iemand anders zo’n gedicht voordraagt. En het dan door een stuk software haalt die die voordracht automatisch omzet van een rap: komen er ineens nog twee lagen bij. (Waardoor het geheel misschien af en toe onbegrijpelijk of minstens onvertaalbaar wordt, maar dat hoort erbij.)

Waarom ik graag Kader Abdolah in de klas lees

Door Michelle van Dijk

De verhalenbundel Rode wijn en andere verhalen van Kader Abdolah opent met het verhaal ‘Een onbekende trekvogel’. Ik ken het verhaal al jaren, want het is een moderne klassieker in lessen verhaalanalyse. Het is kort en leerlingen ontdekken er snel thema en motieven in, misschien ook een moraal, een boodschap, zelfs als ik daar helemaal niet om vraag. Dat is mooi.

Er is een grandioos verschil tussen wiskunde uitleggen en een verhaal uitleggen. In beide gevallen is een leraar blij of op z’n minst tevreden als de leerling het antwoord heeft gevonden. Bij wiskunde of bijvoorbeeld zinsontleding is dat voor alle leerlingen hetzelfde antwoord. Bij literatuur niet en dat is zo mooi: dat een leerling iets ontdekt en ook kan beseffen dat het een uniek inzicht is. Je kunt anderen overtuigen van jouw ideeën of overtuigd raken van hoe de ander het ziet, maar je zult hoe dan ook verrast zijn door de vele mogelijkheden. (Poëzie-analyse: NOG VEEL LEUKER!)

Lees verder >>

Bert van Raemdonck: De vrije verzen

Door Marc van Oostendorp

De gedichten in de debuutbundel Hier raken we mij kwijt van Bert van Raemdonck zijn gemakkelijk uit het hoofd te leren. Ze hebben een eigen toon en een dwingend ritme.

‘De vrije verzen’ vind ik een goed voorbeeld. In dit gedicht zet Van Raemdonck impliciet de hoge verwachtingen die er honderd jaar geleden bestonden over het vrije vers als het begin van een nieuwe, vrijere mens, af tegen wat er nu van geworden is: mensen die zich bijzonder voelen omdat ze gin drinken ‘die geurt naar kamperfoelie’ of die in het weekeinde op een terras commentaar geven op de keuzes van andere mensen.

Je kunt het op allerlei manieren lezen, maar ik lees het vooral als een satirisch gedicht, een satire op de moderne tijd.

Een knap detail: nadat het gedicht – in lijn met wat men ooit vond van het vrije vers – de bedreiging van het rijm en het nazisme van het ritme bezingt, wordt het zelf metrisch en eindigt het met een, onnadrukkelijk, rijm.

(Bekijk deze video op YouTube)