Tag: 19e eeuw

Geene meening is zoo ongerijmd, dat ze niet hare aanhangers heeft

De Multatulileescursus (30)

Door Marc van Oostendorp

– Dat 1870 was wel een wonderlijk jaar!

– Ja, de Frans-Duitse oorlog!

– Nee, ik bedoel in het leven van Multatuli. Vreemd genoeg schrijft hij in zijn brieven zelfs nooit over die oorlog.

– En dan vind jij het desbetreffende jaar wonderlijk?

– Dat bedoelde ik niet. Ik had er eerlijk gezegd niet eens bij stil gestaan dat die oorlog ontbrak.

– Hoewel Multatuli in zijn brochure over Pruisen en Nederland die oorlog wel had aangekondigd.

– Ja, maar hij was in deze jaren duidelijk met heel andere dingen bezig. Aan de ene kant barstten zijn creatieve aderen weer open Hij begon aan allerlei boeken tegelijkertijd: het derde deel van de Ideeën, de Miljoenen-Studiën, Nog eens: vrye arbeid in Nederlandsch Indië en Specialiteiten.

Lees verder >>

Call for papers – Congres Werkgroep ‘De Moderne Tijd’ – Doelenzaal (UBA) Amsterdam, 20 december 2019

Rampzalig Nederland
De omgang met rampen in Nederland, 1780-1940

(Let op: gewijzigde datum: 20 december 2019)

Door de opwarming van de aarde en de toenemende dreiging van klimaatrampen heeft het historisch onderzoek naar rampen en rampverwerking een hoge vlucht genomen. Het besef is doorgedrongen dat overstromingen, aardbevingen, hittegolven, droogtes, en de gevolgen daarvan (hongersnoden, epidemieën, insectenplagen etc.) een grote en vaak blijvende invloed hebben gehad op de ontwikkeling van lokale en nationale gemeenschappen.

Pieter Gerardus van Os, De buskruitramp te Leiden, 12 januari 1807, ca. 1807. Rijksmuseum

  Lees verder >>

De Geschiedenis van een Joodsch jongetje (1851)

Jeugdverhalen over Joden (36)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

‘De Geschiedenis van een Joodsch jongetje’ is in 1851 gepubliceerd in Het zendelingsblad voor de jeugd. Het is vertaald uit het Duits en wordt gepresenteerd als een waargebeurd verhaal dat door een ‘handswerkman in Berlijn’ aan een ‘zendeling onder de joden’ is verteld. Het gaat om een terugblik: de hoofdpersoon, Mozes, is inmiddels overleden. De titel van de oorspronkelijke uitgave is niet bekend. Lees verder >>

Nathan de kajuitsjongen, of De reis naar Jeruzalem (1849)

Jeugdverhalen over Joden (35)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Schoenpoetser Nathan krijgt in Amsterdam van een kapitein een baan aangeboden als kajuitsjongen. Dit is het begin van een avontuur dat Nathan tot Jezus zal brengen. Illustratie uit de eerste editie, uit 1849. De naam van de illustrator is niet bekend.

Nathan de kajuitsjongen, of De reis naar Jeruzalem (1849) is geschreven door Jan de Liefde (1814-1869). Halverwege de 19de eeuw was De Liefde een bekende en invloedrijke predikant.

Vanaf 1848, na een studie aan het Seminarie voor Christelijke onderwijzers, leefde De Liefde van het schrijven van schoolboekjes, geestelijke liederen en christelijke jeugdverhalen. In 1852 maakte hij een vertaling van Zadoc, the outcast of Israel, een verhaal over jodenbekering door Charlotte Elisabeth. Het jaar daarop begon hij een evangelistenschool. De Liefde leidde onder meer Eduard Gerdes en Albertus Hardenberg op, die eveneens jeugdverhalen over jodenbekering zouden schrijven.

De Liefde schreef Nathan de kajuitsjongen, zo verduidelijkte hij in een kort voorwoord, om jonge lieden ‘op te wekken tot ernstige belangstelling in de bekeering Israels en der Heidenen’. Lees verder >>

Nonni, ieder lezer die zich respecteert behoort haar te kennen

De Multatulileescursus (28)

Door Marc van Oostendorp

Manuscript van de Causerieën. Geheugen van Nederland

– Wat gek, dat die Causerieën zo populair zijn?

– Populair?

– Nou ja, dat is misschien inderdaad niet het beste woord voor een werk dat nooit apart is uitgegeven. Maar ze zijn een soort Geheimtip. Stuiveling noemt ze geniaal, en op de website van het Geheugen van Nederland wordt gezegd dat ze pareltjes van essayistiek zijn. Lees verder >>

Rebecca, of de leidingen Gods met een Joodsch Meisje (1843)

Jeugdverhalen over Joden (34)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

De Britse schrijfster Amelia Bristow (1783-ca. 1851) publiceerde dit bekeringsverhaal, dat duidelijk autobiografische elementen bevat, in 1828 in Londen onder de titel Emma de Lissau. De Nederlandse vertaling, die is gemaakt door Esther Capadose (1830-1896), is gebaseerd op de Duitse uitgave, die van 1829 dateert.

Esther was de dochter van Abraham Capadose (1795-1874), halverwege de 19de eeuw een van de leidende figuren in de zending onder de joden. Opmerkelijk genoeg was Esther pas dertien toen zij deze vertaling maakte.

Van Rebecca, of de leidingen Gods met een Joodsch Meisje zijn drie boekuitgaven bekend: uit 1843, 1864 en 1872. De derde druk verscheen onder de titel Rebecca, of de leidingen Gods met een Israëlitisch meisje. In 1876 werden de laatste 104 exemplaren van deze druk geveild. In 1938 verscheen Rebecca’s bekeringsverhaal in tien afleveringen als feuilleton in De Banier: staatkundig gereformeerd dagblad. Aangezien alle Nederlandse boekuitgaven verloren zijn gegaan, is mijn samenvatting op dit krantenfeuilleton gebaseerd. Lees verder >>

Je dois toujours lutter, avec les circonstances et avec moi même

De Multatulileescursus (27)

Door Marc van Oostendorp

– Deze week leverde voor het eerst een wel wat tegenvallende leeservaring op. Ik ben door alle stukken en brieven uit deel 12 en deel 13 van de Volledige Werken heengegaan, maar er was echt niet veel aan.

– Het kwam natuurlijk ook doordat er zo weinig brieven van Multatuli zelf instaan.

– Het zijn van zijn hand vooral die nogal droge stukjes Van den Rijn die hij voor de krant schreef en waarin hij navertelde wat de Duitse kranten aan Duits nieuws brachten. Je moet echt wel heel veel belangstelling hebben voor het reilen en zeilen van Duitsland in die dagen om dat geboeid te lezen.

– Nou, lekker, daar zitten we dan. Zullen we dan vandaag maar eens alleen port drinken? En keuvelen?

– Iemand The Passion gezien?

– Wacht, er is toch wel iets. Een reden waarom er zo weinig brieven zijn is natuurlijk omdat het in 1869 allemaal even goed leek te gaan: Multatuli woonde met zijn twee vrouwen, met Tine én Mimi, in Den Haag.

– Je bedoelt dat hij daarom geen brieven aan hen schreef.

– Precies. Wel schreef hij de CauserieënLees verder >>

Maria, of de bekeerde Jodin (1844)

Jeugdverhalen over Joden (33)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Omslag van de editie uit 1892.

Door wie Maria, of de bekeerde Jodin is geschreven, is niet met zekerheid bekend. Het gaat om een Brits bekeringverhaal, hoogstwaarschijnlijk gepubliceerd in 1841. In 1842 verscheen de eerste Duitse vertaling. In het Nederlands is Maria’s bekeringsverhaal zeker drie maal uitgegeven: in 1844, in 1858 en in 1892. Die laatste uitgave, die verscheen onder de titel Korte levensbeschrijving van Maria ***, een Joodsch meisje dat haren Messias vondt, is voorzien van een beknopte inleiding van dr. Abraham Capadose (1795-1874). Halverwege de 19de eeuw was Capadose een van de leidende figuren in de jodenzending. Lees verder >>

Een knal gelijk klinkt het ruwe vloekwoord van den matroos door ’s heeren Bosscha’s welgemeubelde vertrekken

De Multatulileescursus (26)

Door Marc van Oostendorp

– Ik heb ontdekt dat één reden waarom ik van het werk van Multatuli houd is dat ik dol ben op commentaar.

– Zoals het werk dat we deze week gelezen hebben, Een en ander over Pruisen en Nederland, commentaar is op een brochure van J. Bosscha over … de relatie tussen Pruisen en Nederland.

– Hadden jullie gezien dat die brochure ook op internet staat? Bij Het Geheugen van Nederland?

– Net als het commentaar dat Busken Huet dan weer schreef op Multatuli’s stuk.

– Nooit eerder was het zo makkelijk om al die stukken te lezen. Zelfs in Multatuli’s eigen tijd had je ze niet zo gemakkelijk bij elkaar.

– Maar luister nu, het zijn niet alleen deze verschillende brochures. Multatuli voegde ook graag later nog voetnoten in, ook in deze brochure heeft hij dat gedaan, met commentaar op zijn eigen werk. Zoals hij ook voortdurend verwijst naar zijn eigen eerdere werk, en al zijn geschriften dus commentaar zijn op al zijn eerdere geschriften. Lees verder >>

Inwijding Haags leven van Marcellus Emants (ii de taal)

Door Siemon Reker

De vader van Tonia spreekt een volkse variant (getuige “as twee droppele water”) die Emants ontegenzeggelijk nauwkeurig in de notatie probeerde te vangen. Als de oude man aan Theo de boodschap brengt dat z’n dochter is overleden, begrijpt Theo dat ze zelfmoord gepleegd heeft. De oude man legt vervolgens uit dat het in de buurt kwam, maar zelfmoord? “Nou…. da’ za’k nie zegge; maar u weet toch wel, asda’ de dokter gezeid had: vooral nie veul lope. Niewaar?…. Nou…. z’ ontzag d’r helemaal niet. Tot an ‘t strand toe heit ze gelope…. in huis was ‘t maar trap op, trap af en as ‘k d’r wa’ van zee, dan…. dan gaf ze me ‘n grote mond. ‘k Verrek nog liever van daag dan morrege. Da’ zee ze…. da’ zee ze…. alle dag.”

Dit is dus andere taal dan wat er eerder klonk uit de mond van oom Huizingen en dat is tegen het einde niet veranderd. Als de relatie tussen Theodoor en Tonia verbroken is en daarna zelfs definitief geworden door haar dood, vergeeft de familie hem zijn langdurige misstappen. Dán wil oom aarzelend wel een hand uitsteken om Theo’s loopbaan te helpen bevorderen: “Je aanleg, zie je… daarmee moeten we toch rekening houwen. Wat? – Meestal openbaart zich die aanleg wel in iemands wensen…. iemands liefhebberij. Wat je graag doet, doe je in den regel ook goed. Wat? – Heb jij liefhebberij in het ambtenaarswerk?”

Oom (alleen voor Theo’s moeder heet hij George, voor anderen niet, vrouwen hebben in deze tijd bij uitstek voornamen, mannen veel minder) uit zich weliswaar hoorbaar in spreektaal (getuige houwen ‘houden’) maar dat is van een andere orde dan bijvoorbeeld Theodoor. Hoe klinkt hij? Theo heeft na zijn afstuderen inmiddels z’n leerschool gehad en oom kan nu begrijpen dat hij eindelijk bereid is naar hem te luisteren, zo kan hij horen: “‘Ja, oom, ja, ja, dat ben ik…. Als u de goedheid wil hebbe me ‘n raad te geve, dan zal ik die raad opvolge…. Zeker…. zeker.’” Oom spreekt woorden uit met –en, Theo meestal op –e.
Tussen de sociaal hoogste taalvariant van professor Huizingen en de laagste die in het boek voorkomt, die van Tonia’s vader, bevinden zich diverse lagen zoals die dus van Theo (en zijn collega’s) en verschillende meer of minder volkse vormen uit de mond van vrouwen. Het sterkst is dat het geval bij Tonia waardoor Emants haar geringe sociale status maximaal onderstreept. Als zij op haar eigen ziekbed ook nog de dood van haar kat Dirkie (een kat met een naam, 1900!) te verwerken krijgt, vertelt ze Theo: “Och, ik hieuw zo veel van me beessie en hij hieuw zoveel van mijn. Acht jare lang heb ik ‘m gehad. Wat kon ie me koppies geve, as ik lang uit was geweest en weer t’huis kwam…. Al z’n kleintjes heb ie me gebrocht…. Hij heb d’r zoveel gehad…. zóveel…. o, wel meer dan vijftig. En nou bennen al de kindertjes weg en Dirkie zelf is dood…. As ik wat liefs heb, dan mag ‘k ‘t nooit houwe…. nooit…. nooit. Altoos wordt ‘t m’ afgenome.” Ze kanne en ze zalle zijn verder opvallende persoonsvormen die Tonia gebruikt. Als ze iets van Theo gedaan wil krijgen, kiest ze zelfs helemaal aparte taal in de vorm van “grappige, gemaaktnaïeve woordjes: ‘O, ja, o, ja! Schien weet mannetje ‘t zelf niet; maar hij heb me zo bang gemaakt, zo vreselik bang! O, chom! Ik leefde al haast nie meer.’” Lees verder >>

Inwijding Haags leven van Marcellus Emants (i de inhoud)

Door Siemon Reker

Inwijding Haags leven begint met het moment dat iemand als jurist afstudeert en zijn voogd-oom hem met een aantal levenslessen de wijde wereld in stuurt. De oom van de net beëdigde advocaat is hoogleraar in het Staats- en administratiefrecht. De roman eindigt (in mijn editie 430 bladzijden later) met een epiloog waarin duidelijk wordt wat de volgende maatschappelijke stap van Theodoor van Onderwaarden is geworden. Daarin speelde die oom, Baron Huizingen, een doorslaggevende rol maar in het grootste deel van het boek is hij verder bijna helemaal afwezig. Wat Theodoor op die 430 pagina’s meemaakt is zijn inwijding in het leven van Den Haag rond 1900

Het boek had daarom ook Leerschool kunnen heten, in de tegenwoordige tijd wellicht Postdoctoraal, of een andere term die iets vergelijkbaar initiërends uitdrukt. Nu moest Marcellus Emants in Een woord vooraf melden dat hij besefte dat Carel Vosmaer niet eens zo lang voordien óok een boek met de titel Inwijding had geschreven: plagiaat opgeheven. Lees verder >>

Thirza, of de aantrekkingskracht van het Kruis (1841)

Jeugdverhalen over Joden (32)

Door Ewoud Sanders

Omslag van de tiende druk van Thirza, uit 1912, met een illustratie van J.G. Gerstenhauer (1858-1931).

Herkomst en drukgeschiedenis

De oorspronkelijke, Duitse versie van Thirza is volgens WorldCat geschreven door Hermann Ball uit Elberfeld. Waarschijnlijk is dit een pseudoniem, want over Ball is verder niets te vinden. Thirza, oder die Anziehungskraft des Kreuzes verscheen in 1840 in Berlijn en was meteen een internationale bestseller:

  Lees verder >>

Ik voel dit aan myzelf, hoeveel trotscher, flinker ik gestemd ben wanneer ik werk, dan als ik mymerend ronddool.

De Multatulileescursus (25)

Door Marc van Oostendorp

– Wat mij ineens opviel: hoe aardig Multatuli ook kon zijn. Als hij niks van de mensen moest, kon hij ze buitengewoon hoffelijk bejegenen.

– Zeker, de ellende begon als hij ze nodig had, dan werd hij een lastpak.

– Ja, de brieven uit 1867! Het moet een naar jaar voor hem zijn geweest, hij zat daar in Duitsland in een soort ballingschap omdat hij niet naar Nederland kon vawege die kleine gevangenschap die hem boven het hoofd hing. Ondertussen zaten Tine en de kinderen in Milaan. En voor het geld moest hij die saaie stukjes schrijven over wat er allemaal in de Duitse kranten had gestaan.

– En toch bleef hij dus aardig.

– De brief aan die molenaarsknecht met de onsterfelijke naam Klaas Ris: Lees verder >>

Sophia Claymore, of Liefde en vertrouwen (1895)

Jeugdverhalen over Joden (31)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Omslag van Sophia Claymore.
Omslag van Sophia Claymore.

Sophia Claymore bevat de vertaling van het hoofdstuk uit Sheer off, a Tale, een boek dat Charlotte Maria Tucker (1821-1893) schreef onder het pseudoniem A.L.O.E. (‘A Lady Of England’). Het gaat om het hoofdstuk ‘The Blind Maiden’. De eerste editie van Sheer off verscheen in 1868.

Tucker was een bekende en zeer productieve auteur: zij schreef ruim 150 jeugdboeken en talloze bijdragen aan jeugdbladen. Zij groeide in weelde op in Londen – haar vader zat in het bestuur van de British East India Company. Tucker kreeg een seculiere opvoeding maar leefde als volwassene als een toegewijde christen. Tijdgenoten bekritiseerden het sterk moraliserende karakter van haar geschriften, maar onder zendelingen waren ze geliefd. Tucker deed zelf ook aan zendingswerk: eerst in Londen (onder meer in Marylebone, een achterbuurt in Londen) en later in India. Zij was financieel onafhankelijk; alle opbrengsten van haar boeken schonk zij aan goede doelen en aan zendingswerk. Lees verder >>

Willem, Karel en Betje (1825)

Jeugdverhalen over Joden (30)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Portret van Anna Barbara van Meerten-Schilperoort, de auteur van Willem, Karel en Betje.
Portret van Anna Barbara van Meerten-Schilperoort, de auteur van Willem, Karel en Betje.

Anna Barbara van Meerten-Schilperoort (1778-1853), die op haar zestiende trouwde met een predikant, vond dat zij ‘oppervlakkig en zeer gebrekkig’ onderwijs had genoten. Gestimuleerd door haar man compenseerde ze dit met zelfstudie. Vervolgens ontwikkelde zij zich tot een vooraanstaand pleitbezorgster voor goed meisjesonderwijs. Hierdoor wordt zij gezien als een pionier van de Nederlandse vrouwenbeweging.

Van Meerten-Schilperoort schreef zo’n negentig boeken, in uiteenlopende genres: boeken en almanakken voor kinderen, schoolboeken, romans, zedelijke en godsdienstige verhandelingen voor adolescenten en adviesboeken voor meisjes en jonge vrouwen. Daarnaast was ze tussen 1821 en 1835 eindredactrice van Penélopé, het eerste Nederlandse vrouwentijdschrift.

Zij was diep gelovig, maar verwachtte meer heil van opvoeden dan van bekeren. Haar levensmotto luidde: ‘Mensch, help u zelf en God zal u helpen.’ Lees verder >>

Wat men zeker weet, kan op een klein blaadje

De Multatulileescursus (22)

Door Marc van Oostendorp

– Dat was wel een heftige brief, vorige week.

– Ja, ik zag het al een tijdje aankomen. Het is misschien ook wel waar dat je enige sympathie voor Eduard Douwes Dekker moet kunnen opbrengen om dit werk te kunnen lezen.

– Ja, en dat wordt je met die brieven uit 1866 ook niet gemakkelijk gemaakt. Dekker verkeert weer eens in grote armoede, maar gaat wel met zijn vriendin in Duitsland wonen terwijl zijn vrouw en kinderen het maar zelf moeten uitzoeken.

– En als dan een groepje van zijn vrienden hem wil helpen door middels een ‘circulaire’ geld in te zamelen door die vrouw en kinderen is hij daar geïrriteerd over, omdat het ’t beeld geeft dat hij een verspiller is die niet goed voor vrouw en kinderen zorgt. Lees verder >>

Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd (omstreeks 1830)

Jeugdverhalen over Joden (28)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd
Van deze editie van Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd bestaat alleen een exemplaar met waterschade.

Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd: behelzende voorstellingen uit het dagelijksche leven verscheen bij uitgeverij Mensing en Van Westreenen in Rotterdam. In welk jaar is niet met zekerheid bekend. Het wordt genoemd in de Alphabetische naamlijst van boeken 1790-1832, maar zonder jaartal. De uitgever was werkzaam van 1801 tot 1849; waarschijnlijk verscheen dit prentenboekje omstreeks 1830.

Uitgeverij Mensing en Van Westreenen gaf verschillende prentenboekjes uit getiteld Prentgeschenk voor de Nederlandsche jeugd, behelzende voorstellingen uit het dagelijksche leven, maar per editie worden er andere beroepen in beschreven en afgebeeld. ‘De Jodin’ komt alleen voor in het exemplaar van de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag [Signatuur KW 32 E 38]. Lees verder >>

Mathilde, het kleine Joodsche meisje (1850)

Jeugdverhalen over Joden (27)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

‘Mathilde, het kleine Joodsche meisje’ werd in 1850 gepubliceerd in Het zendelingsblad voor de jeugd. Volgens Marjoke Rietveld-van Wingerden, die in 1995 een bibliografie samenstelde van jeugdtijdschriften in Nederland en Vlaanderen, werd dit verhaal al in 1845 in De gids der jeugd gepubliceerd. Later zou het in verschillende andere orthodox-protestantse jeugdbladen opduiken. Lees verder >>

Gy weet, freule, ik hoor het niet gaarne dat ge my mama noemt.

De Multatulileescursus (20)

Door Marc van Oostendorp

– Het viel me niet mee, deze week. Wiens idee was het, om De bruid daarboven te lezen?

– Wat een draak van een stuk, inderdaad!

– Het idee van deze leescursus is om zo’n beetje alles van Multatuli, en een heleboel over hem te lezen dat we kunnen vinden.

– Maar tot nu toe waren de brokken uit het Volledig Werk groot genoeg dat je af en toe iets kon overslaan zonder dat iemand het merkte.

– Ja, en nu moeten we ons door proza heenworstelen als

Er rust een vloek op myn bestaan, freule! Laat my gaan… laat my gaan… en als later uw schoon hart niet geheel door nieuwe indrukken beheerst wordt, zal het my tot troost strekken te weten dat gy u soms de heerlyke ogenblikken herinnert, die ik in uw byzyn heb mogen doorbrengen.

Lees verder >>

‘Dan deed ze het werk van een man’

Moraal, politiek en emancipatie bij Haitskemoei

Door Abe de Vries

Een niet-geïnterpreteerde tekst uit het verleden is als een onuitgepakt cadeau.
Marita Mathijsen

Buste van Waling Dijkstra in Holwerd. Keunstwurk

Tussen de memorabele vrouwenfiguren in de literatuur in Nederland zou ook makkelijk de Friese Haitskemoei van Waling Dijkstra kunnen staan. Als voorbeeld van emancipatie verschijnt in de Friese literatuur al in het midden van de negentiende eeuw, twintig jaar voor het begin van de Eerste Feministische Golf, een maatschappelijk onafhankelijke en zelf denkende en handelende vrouwenfiguur op het toneel. Dat is Haitskemoei, Haitske Klaversma zoals ze voluit heet.

Haitskemoei is zonder twijfel een van de interessantste karakters in het werk van schrijver, dichter en voordrager Waling Dijkstra (1821-1914). Tussen 1855 en 1878 heeft hij aan haar belevenissen en overdenkingen vier lange, al dan niet ingeleide en in boekvorm gepubliceerde gedichten gewijd, plus een publicatie met samenspraken van haar kinderen, en dan nog twee ‘brieven’ in de tweemaandelijkse periodiek De Fryske Húsfreon [De Friese Huisvriend] en een in het weekblad De Fryske Nysbode. Hij heeft van haar zelfs de centrale figuur van een literaire familie gemaakt. Haitskemoei is weduwe, haar man is rond 1835 overleden, en ze krijgt vaak bezoek. Boer Seakeleboer, met wie ze correspondeert, moet tante tegen haar zeggen. Schrijver Japik Japiks, die ook in de Húsfreon publiceert, wordt gepresenteerd als een halfbroer van Haitskemoei. En Eabele Trochnoasker [doorneuzer], die in 1854 Twa tekeningen út it Fryske folkslibben publiceert, is haar volle neef. Onnodig te zeggen dat dat allemaal alter ego’s van Dijkstra zijn. Lees verder >>

De jood Ismael (1822)

Jeugdverhalen over Joden (26)

Door Ewoud Sanders

Portret van Jakob Glatz van omstreeks 1800.
Portret van Jakob Glatz van omstreeks 1800.

Herkomst en drukgeschiedenis

‘De jood Ismael’ is geschreven door Jakob Glatz (1776-1831). Glatz groeide op in Hongarije, dat toen tot het Habsburgse rijk behoorde. Tijdens zijn studie theologie schreef hij zijn eerste verhalen, gedichten en toneelstukken. Ook zette hij zich in voor de hervorming van het Hongaarse onderwijs. Vanaf 1804 woonde hij in Wenen, waar hij als Lutherse predikant in hoog aanzien stond. Zo was hij geliefd bij onder anderen de vorsten van Pruisen, Beieren en Württemberg.

Glatz schreef het verhaal ‘Der Jude Ismael’ onder het pseudoniem Heinrich Karl Gutmann. Het werd in 1808 en 1817 gepubliceerd in het Magazin von Moralischen Erzählungen für Alle Fälle der Sittenlehre. Lees verder >>

De zwarte slaverny was inderdaad een gruwel, maar… ze was openlyk, oprecht, frank

De Multatulileescursus (19)

Door Marc van Oostendorp

– Als je de brieven leest die Multatuli schreef tijdens het werken aan de tweede bundel Ideën, krijg je het idee dat het allemaal maakwerk was. Hij moest nu eenmaal gedachten uit zich persen om geld te verdienen. Maar als je die bundel zélf leest, vind je de ene briljante zin na de andere.

– Je zou bijna spreken van schrijfplezier!

– Nou, maar er staan ook wel hele stukken in die hij voor elders had bedoeld. Zoals die brief van Max Havelaar aan Multatuli, of dat lange antikapitalistische manifest.

– Maar sommige van die ideeën zijn aforismen, en als zodanig veel sterker dan die in deel 1.

– Ja, dat vond ik nou ook. ‘Misschien is niets waar en zelfs dat niet.’ Duh! Lees verder >>

’t Was maar een Jood (1848)

Jeugdverhalen over Joden (25)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Het verhaal ‘’t Was maar een Jood’ verscheen eind 1848 in twee publicaties: in de Almanak voor de jeugd, voor 1849 en in Uren van vreugde. Beide werden samengesteld door de Amsterdamse predikant, dichter en schrijver Cornelis van Schaick (1808-1874).

Van Schaick besluit zijn lange, stichtelijke voorwoord in Uren van vreugde met de mededeling dat ‘bijdragen van de Redactie’ zonder ‘naamteekening’ zijn opgenomen. ‘’t Was maar een Jood’ is zo’n anonieme redactionele bijdrage.

Advertentie uit de Opregte Haarlemsche Courant van 14-11-1848
Advertentie uit de Opregte Haarlemsche Courant van 14-11-1848

Kerkelijk behoorde Van Schaick tot de vrijzinnige richting. Daarnaast was hij onder meer lid van de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen.

Het is/was maar een jood lijkt in de 19de eeuw een tamelijk bekende uitdrukking te zijn geweest, gebruikt in situaties waarin joden werden mishandeld of onrecht werd aangedaan. Tussen grofweg 1850 en 1950 is deze zegswijze ruim honderd maal te vinden in kranten en tijdschriften, van alle religieuze en politieke gezindten. De bekendheid ervan blijkt onder meer uit dit citaat uit het gereformeerde weekblad Het Wekkertje van 1891: ‘Maar al te dikwijls hoort men christenen (naamchristenen natuurlijk) zeggen: “Het is maar een Jood.” Dit is een gruwel voor God.’ Voor meer voorbeelden zie bit.ly/maareenjood Lees verder >>

“Nu eens op zijn kist / Gepist”

Bilderdijk en de officiële spelling

Door Marc van Oostendorp

Over de standaardspelling zijn er, geloof ik, in onze tijd nog maar twee opvattingen. Je bent er een al dan niet enthousiaste aanhanger van; je denkt bijvoorbeeld dat hij nu eenmaal nodig is om ‘verwarring’ te voorkomen. Of je trekt je er weinig van aan.

Wat bijna niet meer bestaat: dat je tegen die eenheidsspelling bent. Nu is dat toevallig mijn eigen standpunt (ik leg dat bijvoorbeeld hier uit), en het is een bron van schrijnende eenzaamheid. Ik geloof niet dat ik ooit iemand ben tegengekomen die het met me eens was. Op een bepaald moment meende ik enige tekenen van begrip te zien bij Hans Bennis, maar toen werd die ineens de baas van de Taalunie.

Het is wel anders geweest. Toen aan het begin van de negentiende eeuw het eerste ontwerp van eenheidsspelling werd voorgesteld, door de hoogleraar Matthijs Siegenbeek, keerden enkele belangrijke schrijvers zich tegen het hele idee dat er een eenheidsspelling moest komen.  Lees verder >>

Jy, Mimi, jy houdt den zakdoek voor den neus en roept: ‘Wat is ’t vuil hier!’

De Multatulileescursus (17)

Door Marc van Oostendorp

– Tjonge, mensen, wȧt een taai deel is dit, dat deel 11 van de Volledige Werken!

– Taai? Man, het vuur spat er vanaf! Ik heb rode koontjes gehad! Zelden zulk meeslepend proza gelezen, zelfs bij Multatuli.

– Echt?

– Ja, dit deel bevat toch wel enkele van de mooiste liefdesbrieven uit de Nederlandse geschiedenis.

– Ah, dan moet ik misschien bekennen dat ik het na 1862 heb opgegeven, al dat gecorrespondeer met de uitgever over allerlei details.

– Nou, voor mij begint de spanning al in het voorwoord, waarin de editeur G. Stuiveling uitlegt waarom hij 15 jaar heeft gedaan over het samenstellen van dit deel:

[I]n de jaren ’60 verloor het hoogleraarschap in een hoofdvak met vele honderden studenten het laatste marginale restje vrije tijd, mede doordat de sprongsgewijs toenemende universitaire verplichtingen en ontwrichtingen het onderwijs moeilijk maakten en het onderzoek vrijwel onmogelijk.

– Ja, het begon toen al, zou je kunnen zeggen… Lees verder >>