Tag: 19e eeuw

Sinterklaas en de negentiende eeuw: hallootjes!

Door Marc van Oostendorp

Het is mij onduidelijk of het Sinterklaasjournaal van de NTR wel bestemd is voor kinderen. Het is natuurlijk een bekend aspect van het genre kindertelevisie dat er af en toe een knipoog naar de volwassen meekijker wordt gemaakt, maar zeker in de eerste afleveringen van dit jaar zag je door de knipogen het gezicht niet meer. Ik ken in ieder geval een vijfjarige die al dat gepraat door volwassenen vooral heel saai vond.

Lees verder >>

‘De appelen jood’ (1830)

Jeugdverhalen over joden (64)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend

In 1830 gaf de Amsterdamse boekhandelaar Hendrik Moolenijzer een reeks van vier kleine boekjes uit onder de titel Prentenkamer voor de jeugd, waarin het nuttige met het aangename is vereenigd. Het eerste deeltje bevat, naast een handgekleurde gravure van ‘De appelen jood’, een korte tekst die begint met een rekenvoorbeeld en eindigt met een voedingsadvies. Het rekenvoorbeeld heeft de vorm van een gesprek:

Lees verder >>

‘De koopman met kersen’ (1822)

Jeugdverhalen over joden (63)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend

‘Kersen heb ik bruin en zoet,
Groot en frisch, ook zwart en goed,
Regte zomerkrieken!
’k Geef een goed gewigt daarbij,
Holla, kindren! koop bij mij
Zwarte zomerkrieken.’

Dus roept mousje langs de straat,
Waar de jeugd naar school toe gaat,
Vent zijn zomervruchten.
Ieder koopt, wie koopen kan;
Want men heeft van dezen man
Geene schâ te duchten!

Het gedicht ‘De koopman met kersen’ is opgenomen in de bundel Bloemkorfje voor de Nederlandsche jeugd. Het is niet bekend wie dit boekje, dat naast gedichten ook verhalen bevat, heeft samengesteld. In een ‘Opdragt aan mijne jeugdige lezers en lezeressen’ maakt de samensteller zijn bedoeling duidelijk:

Lees verder >>

Zulk een nieuwtje op den 1en April!

De Multatulileescursus (57)

Door Marc van Oostendorp

Johannes van Vloten

– We zouden deze week nog eens terugkomen op stukken uit 1875, en met name de recensies van Vorstenschool die hier zijn afgedrukt.

– Ja, zoals er indertijd kennelijk in de krant ook allerlei artikels verschenen over dat Multatuli mogelijk de repetities zou bijwonen, en dat hij indertijd de repetities had bijgewoond, en dat de eerste voorstelling misschien in Utrecht zou plaatsvinden, maar misschien ook niet, enzovoort.

Lees verder >>

Symposium Hendrik Tollens en Nova Zembla

In Museum Rijswijk is van 9 november 2019 tot en met 12 januari 2020 de tentoonstelling De overwintering der Hollanders op Nova Zembla en het gedicht van Hendrik Tollens te zien. Ter gelegenheid van deze tentoonstelling organiseert het museum op zondagmiddag 17 november een symposium over dit onderwerp. Drie sprekers laten hun licht schijnen op Hendrik Tollens en/of De overwintering.

Lees verder >>

De barnsteendief (1871)

Jeugdverhalen over joden (61)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Eduard Gerdes (1821-1898)
Oorspronkelijk Nederlands

Herkomst en drukgeschiedenis

Eduard Gerdes, de auteur van De barnsteendief, behoort tot de productiefste en meest gelezen jeugdboekenschrijvers uit de tweede helft van de 19de eeuw. Hij publiceerde ruim 250 jeugdboeken. Daarnaast schreef hij verschillende liederen. Zijn beroemdste lied, ‘Daar ruischt langs de wolken’ (1858), is nog steeds populair en wordt wel de ‘Christelijke Internationale’ genoemd.

         Gerdes werkte geruime tijd als onderwijzer in Amsterdam. Daar bezocht hij de zogenoemde zondagavondbijeenkomsten van de bekeerde jood Isaac da Costa (1798-1860). Ook gaf hij Nederlandse les aan dominee Carl Schwartz (1817-1870), een Duitse bekeerde jood die halverwege de 19de eeuw in Amsterdam werkzaam was als jodenzendeling.

         De barnsteendief verscheen in 1871 bij uitgeverij A.W. Sijthoff in Leiden als zelfstandige druk en in Nieuwe Zondagsvertellingen, een bundel met vier verhalen, alle van Gerdes. In 1912 werden de rechten van De barnsteendief – samen met alle andere werken van Gerdes uit het fonds van Sijthoff – aangekocht door uitgeverij Callenbach in Nijkerk. In tegenstelling tot veel andere titels werd De barnsteendief echter niet opnieuw door Callenbach uitgegeven.

Lees verder >>

Fuif: een woord van onbekende herkomst?

Door Renaat Gaspar

Woorden waarvan men de afkomst niet kent, kunnen je aandacht blijven trekken, ook al zijn ze inmiddels – in Noord-Nederland althans – betrekkelijk obsoleet geworden. Zo een woord is ‘fuif’: een niet-openbaar, besloten feest.

Het onderzoek tot nu toe

‘Fuif’ zou volgens Knuttel in het WNT s.v. ‘Fuif’ óf een Nederlands-Indisch óf een studentenwoord zijn. Het zou ontstaan zijn ca. 1850 of nog later. Raadpleging van de Etymologiebank.nl/trefwoord/fuif levert voorts op: alle etymologische woordenboeken zeggen kortweg: herkomst onbekend. Op twee na. De eerste is Vercoullie (1925); hij voegt eraan toe: ‘misschien wel uit het studentenduitsch Pfeiffe’. Dat is dus een blote veronderstelling, zonder enige nadere toelichting. De tweede is De Coster (1992); hij geeft een veel uitgebreidere verklaring. In M. Philippa e.a., Etymologisch Woordenboek van het Nederlands staat zijn betoog als volgt samengevat:

Lees verder >>

Multatuli en de historische taalkunde: ‘alles gaat over in alles’

Door Freek Van de Velde

Op de laatste dag van het jaar 1872 begint Eduard Douwes Dekker (Multatuli), die op dat ogenblik in Wiesbaden is, aan een brief aan Sicco E.W. Roorda van Eysinga, een koloniaal bestuurder in Nederlands-Indië, die (net als Multatuli) in vlammende geschriften tekeer ging tegen de Europese uitbuiting van de lokale bevolking.

De brief gaat over heel andere dingen. Multatuli, zelfverklaard expert op allerlei gebieden, heeft het in de eerste paragrafen terloops over onder andere de onbetrouwbaarheid van kranten, de stelling dat vrouwen beter pijn kunnen verdragen dan mannen, de observatie dat we meer bevreesd zijn voor een ingescheurde nagel en voor diepte dan voor een grote wonde, om dan plots over te springen op historische fonologie, wellicht iets waarover hij het met Roorda van Eysinga eerder gehad heeft. Multatuli schrijft:

Lees verder >>

‘De roovers in het bosch’ (1852)

Jeugdverhalen over joden (60)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend

Halverwege de 19de eeuw kwamen miniatuurpoppenspelen in de mode die gebruikmaakten van schaduw- of lichteffecten. We kennen dergelijke spelen nu onder de naam Wajang, maar toen werden ze schaduwbeelden of Chinese schimmen genoemd. Bij deze voorstellingen verschenen ook tekstboekjes, met kluchten, kleine vertellingen, sprookjes en versjes.


Chinese schimmen of schaduwbeelden. Bron: Europeana Collections.

         De vertelling ‘De roovers in het bosch’ is opgenomen in Kluchtspelen voor de Chinesche schimmen, geschikt voor kinderen, een uitgave uit 1852 van de Amsterdamse uitgeverij G. Theod. Bom. De papieren voorstellingen die bij dit boekje horen zijn helaas niet bewaard gebleven. Het verhaal gaat over rovers die in een bos op de loer liggen om reizigers te overvallen die op weg zijn naar de jaarmarkt in een dorp.

Lees verder >>

De natuur heeft zich met Eduard vergist, hy had ’n meisje moeten zyn

De Multatulileescursus (54)

Door Marc van Oostendorp

G. Stuiveling. Bron: Wikipedia.

– We hebben vandaag de brieven en documenten uit het najaar van 1874 gelezen. Het is fijn dat de DBNL de editie van Stuiveling online heeft gezet, maar hij doet toch vooral ook voelen hoe fijn het zou zijn als er een nieuwe digitale editie kwam.

– Want?

– Die Stuiveling liet zich wel voelen, zeg. Altijd maar, in iedere twist, partij kiezen voor de grote held. Iedereen die kritiek had op de grote Multatuli had het natuurlijk bij het verkeerde eind.

– Dat bedoel ik nog niet eens. Ik bedoel meer dat hij van alles en nog wat niet afdrukte. In deze tijd wordt Multatuli duidelijk een onderwerp van heftig publiek debat. Maar het meeste daarvan krijgen we niet te lezen. Eigenlijk zou de Zaaier, de brochure die Vosmaer ter verdediging van de schrijver er in moeten staan, maar zeker ook alle kritiek. Dat wilde Stuiveling niet:

Lees verder >>

De moordzuchtige klerenjood (1844)

Jeugdverhalen over joden (59)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Gijsbertus van Sandwijk (1794-1871)

Herkomst en drukgeschiedenis

Het verhaaltje over de moordzuchtige ‘klerenjood’ is in 1844 gepubliceerd in het Prenten-magazijn voor de jeugd. Dat tijdschrift verscheen tussen 1841 en 1852 en stond onder leiding van Gijsbertus van Sandwijk, een hoofdonderwijzer uit Purmerend. Van Sandwijk schreef alle kopij zelf.

         De joodse ‘oude-kleeren-koop’ figureert in een vertelling in de rubriek ‘Spreekwoorden’ bij het inmiddels vergeten spreekwoord het moest uitkomen, al zouden de kraaien het uitbrengen (betekenis: ‘kwaad komt altijd uit’, of: ‘al is de leugen nog zo snel…’).

         In 1852 bracht Van Sandwijk een selectie van de belangrijkste toelichtingen bij spreekwoorden bijeen in Spreekwoorden aanschouwelijk voorgesteld en verklaard, een Lees- en Prentenboek. Het verhaal over de moordzuchtige joodse klerenopkoper is ook in deze bundel opgenomen. De tekst bleef ongewijzigd.

Lees verder >>

De samenleving maakt de schrijver, de schrijver maakt de samenleving

Door Marc van Oostendorp

Waaruit bestaat de literatuurgeschiedenis? Uit meesterwerken? Uit elkaar almaar bestrijdende generaties met steeds weer nieuwe ideeën over wat een goed boek is? Uit genieën die af en toe opstaan en iedereen anders laten kijken? Uit een economie van uitgeverijen, geleerde genootschappen en krantenredacties?

Rick Honings en Lotte Jensen zien het anders. De bouwstenen van hun geschiedenis van de Nederlandse literatuur in de 18e en 19e eeuw, Romantici en revolutionairen, zijn schrijverstypen: de dominee-dichter, natuurlijk, maar ook de criticus, de (vroege) romanschrijver, de Spectator, enzovoort.

Zo’n schrijverstype valt niet precies samen met een stroming, maar is breder. Sommige stromingen zijn bij Honings en Jensen ook terug te vinden als type – de romanticus, bijvoorbeeld, of de Tachtiger –, maar zelfs dat is al een andere interpretatie. Een stroming heeft een programma, een ideaalbeeld van hoe de literatuur eruit zou moeten zien; een schrijverstype is duidelijker een sociologisch fenomeen, je wordt een bepaald soort schrijver omdat er behoefte aan is in de samenleving, omdat jij die behoefte voelt. En omdat jij en je collega’s bepaalde teksten schrijven, duw je de samenleving een bepaalde kant op, al is het maar een klein beetje.

Lees verder >>

‘De diamanten ring’ (1842)

Jeugdverhalen over joden (58)

Door Ewoud Sanders

Auteur: Mary Howitt (1799-1888)
Vertaald uit het Engels, waarschijnlijk door J.H. Laarman

Herkomst en drukgeschiedenis

Het verhaal ‘De diamanten ring’ is in 1842 gepubliceerd in Philarete, tijdschrift voor de jeugd. Dit weekblad werd uitgegeven door J.H. Laarman in Amsterdam. Het gaat om een vertaling van ‘The Little Jew Merchant’ van Mary Howitt, in 1830 gepubliceerd in The New Year’s Gift and Juvenile Souvenir.Mary Howitt was in haar tijd een geliefde Britse auteur en dichteres. Zij publiceerde tientallen boeken en gedichten. Haar gedicht ‘The Spider and the Fly’ (1828) wordt nog altijd gelezen. ‘The Little Jew Merchant’ behoort tot haar vroegste verhalen.

In Philarete (wat ‘liefde door deugd’ betekent) wordt Howitt niet als auteur genoemd. De vertaling is ondertekend met ‘L’; hoogstwaarschijnlijk de initiaal van Laarman. In 1843 publiceerde hij ‘De diamanten ring’ nogmaals in de bundel Viooltjes, verhalen en mengelingen voor de jeugd.

Lees verder >>

20 december 2019, Amsterdam: Rampzalig Nederland. De omgang met rampen in Nederland en Vlaanderen, 1780-1940

Universiteitsbibliotheek (Singel 425), Doelenzaal, Amsterdam

In de periode 1780-1940 deden zich in Nederland en Vlaanderen tal van rampen voor die een ontwrichtende invloed hadden op de samenleving. Denk bijvoorbeeld aan de Leidse buskruitramp van 1807 en de grootschalige rivieroverstromingen van 1809, 1820, 1855 en 1861. Ook in de koloniën waren rampen als vulkaanuitbarstingen en watersnoden terugkerende fenomenen. Door de opwarming van de aarde en de toenemende dreiging van klimaatrampen heeft het historisch onderzoek naar rampen en rampverwerking een hoge vlucht genomen. Het besef is doorgedrongen dat rampen een grote en vaak blijvende invloed hebben gehad op de ontwikkeling van lokale en nationale gemeenschappen.

Lees verder >>

Gefopt door een jood en een aap (1838)

Jeugdverhalen over joden (57)

Door Ewoud Sanders

Auteur: George markies de Thouars (1807-1850)

Herkomst en drukgeschiedenis

Het gedicht ‘Brief van Leonard aan zijn zusje’ staat in het Dichtbundeltje voor de jeugd. Hoewel de titelpagina geen auteursnaam vermeldt, onthulde E.J. Potgieter in een bespreking in De Gids (zie hieronder) al snel wie de auteur was: George markies de Thouars.

          George de Thouars kwam uit een aanzienlijk adellijk geslacht, maar groeide in armoede op in een klein dorp in Twente. Hij was korte tijd page aan het hof van koning Willem I, klerk van het kantongerecht en officier in het leger. Wegens drankmisbruik werd hij uit het leger ontslagen.

          Vanaf 1830 publiceerde De Thouars zo’n twintig dichtbundels. In veel van zijn gedichten bezingt hij het koningshuis. Ook schreef hij gedichten in het Twents.

          De Thouars, die zich liet voorstaan op de titel markies, eindigde zijn leven als bedelaar. In necrologieën werd vermeld dat hij kort voor zijn dood langs een landweg was gesignaleerd, ‘in lompen gehuld (…) zich vergastende aan een stuk brood, hem door de weldadigheid uitgereikt’.

          Dichtbundeltje voor de jeugd beleefde vier drukken: in 1838 en 1840 bij de gebroeders Vermande in Hoorn, in 1851 en 1853 bij D. Noothoven van Goor in Leiden.

Lees verder >>

3 oktober 2019, Amsterdam: Tiende Jacob van Lenneplezing ‘Politieke typen’

Over de omgang met politiek in de negentiende eeuw

De Amsterdamse notabel en schrijver Jacob van Lennep was van 1853-1856 Kamerlid voor het district Steenwijk. Hij zat tegelijk in de Kamer met Johan Rudolf Thorbecke, die net door de Aprilbeweging van 1853 was afgetreden als minister. Achter de regeringstafel zat nu Floris Adriaan van Hall. Drie tijdgenoten, maar tegelijk drie persoonlijkheden die een heel verschillende opvatting van politiek representeerden. 

Politiek is zelf een door en door historisch fenomeen, aldus Remieg Aerts. Hij bedoelt hiermee niet de gebeurtenissen, maar het fenomeen als zodanig. In deze lezing gaat hij na wat men zich in de negentiende eeuw voorstelde bij politiek en welke plaats politiek had in het leven en de waardering van burgers. In de negentiende-eeuwse letterkunde waren ‘typen’ populair. In die geest toont Aerts de opvattingen over politiek aan de hand van figuren als Van Lennep, Thorbecke, Van Hall en Multatuli. 

Lees verder >>

‘Het vragend Koosje’ (1810)

Jeugdverhalen over joden (56)

Door Ewoud Sanders

‘Het vragend Koosje’ (1810)

Auteur: Petronella Cornelia van Alphen (1763-1833)

’t Knaapje met dat zwart gezigt,
’t Welk mij niet verstaat;
Vader! Zou het zonde zijn
Als ik ’t Moortje haat?

’t Is zoo lelijk in mijn oog
Met een apensnoet:
Is dat Joodje ook al een mensch
Met dat schoenengoed?

De vader:
Gij stelt zeker, lieve kind!
Al mijn zorg te leur
Zoo ge uw evenmensch veracht
Enkel om de kleur.

God schiep zwart, en bruin, en wit,
Uit hetzelfde bloed,
Gaf aan allen ’t zelfde hart,
Doen aan allen goed.

’t Joodje is uw broeder ook,
Heb hem lief, mijn kind!
Vader Abram was een Jood
En God was zijn vrind.

Zijt dan vriend van elken mensch
Doe aan allen wel;
Denk: in ’t land, waar negers zijn,
Lacht m’ om ’t blanke vel.


Advertentie voor de eerste druk van Gedichtjes voor de jeugd (‘Op goed Schryfpapier gedrukt’) in de Rotterdamse Courant van 11-8-1810.
Lees verder >>

‘Mooi’ vinden beteekent niets

De Multatulileescursus (50)

Door Marc van Oostendorp

– Als ik een overkoepelend thema zou moeten geven voor de de brieven en documenten van 1873 in deel 16 van de Volledige Werken, zou ik zeggen: Multatuli en de kritiek.

– Hè, wat heerlijk, we krijgen college!

– Om te beginnen is er de wonderlijke correspondentie met eerst J.W.T. Cohen Stuart, en even later ook diens vader, A.B. Die J.W.T. is een student en bewonderaar van Multatuli en uit die bewondering door vrij onomwonden allerlei kritische vragen te stellen. Bijvoorbeeld stelt hij de netelige kwestie aan de orde dat Multatuli aan het eind van Max Havelaar wel allerlei grote woorden gebruikte, maar daar in de 13 jaar die er sinds publicatie waren voorbij geschreden, maar weinig van had waargemaakt:

Ik houd, tot nader order, de laatste strofe van uw verschrikkelijk boek voor onwaar.
Heeft U uw boek vertaald in de weinige talen die U kendet? Heeft U nieuwe talen aangeleerd, om daarin dat boek over te brengen? Heeft U uw boek vertaald in d’Oostersche Talen? Kendet Ge die wel?
Heeft U ‘Klewang-wettende krijgsliederen geslingerd in de gemoederen van hen, wien Ge hulpe hebt toegezegd, gij Multatuli’?
Heeft U den wettigen weg van geweld betreden?
Neen, neen, duizendmaal neen! Dat alles deed U nooit!

Lees verder >>

Weg met de ouders! Roep mee, papa!

De Multatulileescursus (49)

Door Marc van Oostendorp

– Vorige week zijn we niet erg ver gekomen met onze discussie van bundel V van de Ideën. Eigenlijk hebben we alleen Multatuli’s kritiek op Floris V van Bilderdijk echt behandeld.

– Dat is dan ook een onderschat deel van het Volledig Werk.

– Juist, daar hebben we het vorige week dus over gehad. Ik geloof echter dat er nog wel meer te bespreken is in deze bundel.

– Ik zou zeggen, brand los.

– De Wouter-geschiedenis! Die passage waarin Wouter bij de zogenaamd zo keurige juffrouw Laps moet komen die hem over de catechesatie zou overhoren, maar hem koekjes geeft en wil zoenen!

Lees verder >>

Een feestdag voor de Nederlandse literatuur

Door Peter van Zonneveld

Van links naar rechts: Lotte Jensen, Marita Mathijsen, Rick Honings, Peter van Zonneveld

Gisteren verscheen Romantici en revolutionairen, een nieuwe literatuurgeschiedenis van de 18e en de 19e eeuw. De auteurs, Lotte Jensen en Rick Honings, richten zich hierin vooral op de verschillende schrijverstypen die de periode 1750 tot 1900 heeft voortgebracht. Het boek werd tijdens een feestelijke bijeenkomst gepresenteerd in het Amsterdamse Trippenhuis, de zetel van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen. Marita Mathijsen en ik ontvingen het eerste exemplaar. Daar ging een sprankelende middag aan vooraf, met vijf korte, maar boeiende lezingen en toepasselijke muziek.

Uitgever Mai Spijkers van Prometheus noemde zijn twee auteurs ‘helden van de geest’. Marleen de Vries richtte zich op actuele discussies over seks-scenes in de literatuur, en demonstreerde dat men daar in de achttiende eeuw geen probleem mee had, aan de hand van verrassende voorbeelden. Zo had Betje Wolff het onbekommerd over ‘van datte’. Marita Mathijsen brak een lans voor de herwaardering van de Romantiek, en benadrukte dat ook ons land wel degelijk een Romantiek had gekend die aan de Tachtigers voorafging. Ze dacht daarbij aan Bilderdijk en vele anderen. Maarten Doorman filosofeerde over het autobiografische in teksten, van Ik Jan Cremer tot Tonio. Het muzikale intermezzo werd verzorgd door Eveline de Bruin, die gedichten van Gorter, Multatuli en anderen, door haar op muziek gezet, met een prachtige stem ten gehore bracht. Zij deed ook Nederlands in Leiden, studeerde af op Bilderdijk in ballingschap en heeft ook een tekst van hem in haar repertoire opgenomen.

Lees verder >>

Wie niet meer weet dan uit ’n kroniekschryver te leren valt, deed beter te zwygen.

De Multatulileescursus (48)

Door Marc van Oostendorp

Willem Bilderdijk op zijn ziekbed

– Wat heerlijk dat Multatuli hier weer aan zijn Woutertje Pieterse begint! Dat is werkelijk mijn favoriete boek van hem.

– Je blijkt niet de enige te zijn. Aan het eind van deze vijfde bundel Ideën zegt hij dat heel veel lezers hem verzochten om met Wouter door te gaan.

– Ja, en om de soms tientallen pagina’s lange uitwijdingen af en toe wat in te korten.

– Of weg te laten. Ik vind dat ook vreselijk lastig lezen, dat zo’n verhaal voortdurend onderbroken wordt door bijvoorbeeld een omvangrijke kritiek op Floris V van Bilderdijk.

– Gelukkig voor jullie zijn er ook uitgaven van alléén het Wouter-verhaal.

– Maar menen jullie dat nu? Ik vind juist dat in dit deel heel duidelijk wordt hoe het verhaal een uitwerking is van de ideeën, maar omgekeerd de ideeën ook een uitwerking zijn van het verhaal.

Lees verder >>

Maar gij verwacht toch niet, dat de domste kerel alle vraagstukken onderzoeken zal?

De Multatulileescursus (47)

Door Marc van Oostendorp

Mimi Hamminck-Schepel

– We zouden het, nu we bij deel 15 zijn aanbeland, toch ook eens over die Volledige Werken kunnen hebben. Wat een clubblad was dat toch!

– Een clubblad?

– Ja, dat wonderlijke in memoriam van Henri A. Ett (1908-1982) waarmee het besluit, heb je dat gelezen?

– Ik wist niet dat het ook tot de stof behoorde.

– Garmt Stuiveling (‘voorzitter Multatuli-Genootschap’) en toevallig ook hoofdredacteur van de Werken, neemt de vrijheid om een overleden medewerker te herdenken, en dat in een stijve stijl vol ‘frasen’ waar Multatuli wel raad mee had geweten:

Ofschoon hij zich de laatste tijd, teruggekeerd naar de geliefde stad van zijn jeugd, aan de meeste werkzaamheden onttrok, is zijn dood een gevoelig verlies. Zijn nagedachtenis zal in onze kring in ere worden gehouden.

– ‘Onze kring’! Die van de Multatulianen!

– Mensen, mag ik eraan herinneren dat we ook nog tientallen brieven hebben gelezen van en aan Multatuli? Uit het voorjaar van 1873?

Lees verder >>

‘De Citroen- en Appelen China’s Jood’ (1825)

Jeugdverhalen over joden (52)

Door Ewoud Sanders

Auteur: onbekend

Herkomst en drukgeschiedenis

Verscheidenheden voor kinderen, een boekje dat in 1825 werd uitgegeven door J. de Lange in Deventer, bevat een zedenles die is gekoppeld aan de afbeelding van een jood die citroenen en ‘appelen-China’s’ verkoopt – een oude benaming voor sinaasappel, een vrucht die oorspronkelijk uit China komt. In het voorwoord waarschuwt de anonieme schrijver de ‘lieve kinderen’ om zich niet alleen te ‘vergenoegen’ met het lezen van zijn boekje. ‘Behartigt tevens de lessen die in hetzelve voorkomen, want dan voldoet gij eigenlijk aan het oogmerk waartoe uwe ouders u hetzelve gegeven hebben, en gij zult voor u zelve er veel voordeel uit plukken, doordien gij dan als gehoorzame kinderen zult handelen, en door alle weldenkende menschen bemind worden.’


Illustratie uit Verscheidenheden voor kinderen (1825).
Lees verder >>

Karel de Waele nummer 2: een rectificatie

Door Renaat Gaspar

Een paar weken geleden (op 9 juli) is op Neerlandistiek een kort artikel verschenen over Karel de Waele, de Vlaamse dichter die in 1869 op 30-jarige leeftijd moest uitwijken naar de VS en daar in 1914 als Charles L. de Waele overleed. Een belangrijk onderdeel van dat artikel was gewijd aan een afwijzende brief van Willem Kloos (de redactiesecretaris van De Nieuwe Gids) aan Karel de Waele op diens ingezonden gedichten alsook aan de vraag welke gedichten dat zouden zijn geweest.

Toen dit artikel verschenen was, kreeg ik deze vondst op Google onder ogen:

Titel: [Karel De Waele] aan [Guido Gezelle ?]
BB nummer: 15855
 
Bibliotheek / plaats 1 Guido Gezellearchief Nr. 3322, V FICHE 101

Uitgeleend tot Niet uitleenbaar

Aantal reserveringen 0

Exemplaar GG15855

Moest dat betekenen, dat Karel de Waele niet alleen met Willem Kloos, maar ook met Guido Gezelle contact had opgenomen? Digitaal het Guido Gezellearchief bezocht (na de vakantie). Het antwoord was: onder de duizenden brieven die Gezelle in zijn leven had ontvangen van bewonderaars, taalminnaars en leveranciers van allerlei taaleigenaardigheden, waren er vijfentwintig afkomstig van Karel de Waele.

Lees verder >>