Tag: 196 sonnetten

Grappen, wijn, volgehouden mensenhaat en poëzie

Deze week verschijnt Grappen, wijn, volgehouden mensenhaat en poëzie, een bundel van 14 sonnetten die in de zomer van 2018 verschenen op Neerlandistiek. Ze werden geschreven als afsluiting van de reeks Geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten door Lieke Marsman, Delphine Lecompte, Mieke van Zonneveld, Hester Knibbe, Elly de Waard, Sasja Janssen, Ana Roelofs, Dewi de Nijs Bik, Maria Barnas, Astrid Lampe, Ester Naomi Perquin, Eva Gerlach, Charlotte Van den Broeck en Radna Fabias.

Het bundeltje heeft een voorwoord van Marc van Oostendorp en is een eerste papieren uitgave van het Project Laurens Jz. Coster. Bestellen had ik nog niet over nagedacht, maar kan door een mail te sturen naar eon@planet.nl met uw adresgegevens.

 

we zijn briesende paarden in de stal des levens

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (196)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

(Radna Fabias; klik op het gedicht om in te zoomen)

Hoe lang zullen er nog sonnetten geschreven worden? Waarom heeft precies deze vorm het 450 jaar volgehouden, ongeveer even lang als het standaard-Nederlands?  Lees verder >>

drieëntwintig zijn en leren blijven

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (195)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Bladerrot

weer wring ik me in de versperde tijd
een beukentak klampt zich vast aan dood blad
een oude belofte die waanwijs zwijgt
en ik hoor hoe de hond schijnzwanger jankt

het kan niet de vruchten weer vol bijten
de dagen zonder je domweg ontslapen
drieëntwintig zijn en leren blijven
in dat toen nog veel te lange later

dat aanbreekt nu en mij vergeten lijkt
in die nacht die rond je middel beefde
en in beddengoed en zavel brak

sindsdien probeer ik een bloem te wekken
uit bladerrot gevederde orchidee
de stengel reikt omhoog, de knop blijft leeg

(Charlotte Van den Broeck)

Taal is tijd. Aan het eind van elke zin die je zegt is iedereen een beetje ouder dan aan het begin. Zonder tijd zou de mens ook geen taal hebben: wie weet is er een manier om al je gedachten allemaal tegelijkertijd met iemand anders te delen, maar die ander kan daarna dan toch niets doen, want er is geen daarna. Lees verder >>

In elk vel dat ooit op je zat

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (194)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Blijf

Iemand hoest in het andere huis
en tegelijk met zijn hoest is onder mijn raam
de merel begonnen over het raadsel van anders
te zijn en dezelfde te zijn

Iemand spuugt dood uit, staat op, laat een kraan lopen, hoest
en ik zie je bukken nu je je oksel voor oksel
voet voor voet wast, in elk vel dat ooit op je zat
voorhuid terugduwt, tenen spreidt, oorschelpen omklapt

Hoe zijn niet gaat over iets
dan er zijn, je adem een hoest lang een lied
lang bewaren zoals ik je vasthou hier bij de wasbak

met alles wat in me zoals ik de wereld en alles
wat daarin is door elkaar als het haar op je hoofd
in mijn handen zolang je zolang ik hart je bewaar

(Eva Gerlach)

De mens: tot hij onmiskenbaar dood is, is hij nog aan het veranderen. Ja, je hoest nog, maar dat is niet alleen maar een teken dat je ongezond bent, het is ook het uitspugen van de dood. Zelfs de merel zingt ervan: het raadsel van anders zijn en dezelfde te zijn. Lees verder >>

Na alle grappen, wijn, volgehouden mensenhaat en poëzie

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (193)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Testament

Somber waren we. Somber, oud en vrolijk. Een laatste
bloedeloze zomer, alleen op afstand te verdragen.
Je was zo bleek geworden, mager. Bij daglicht
minder op je plaats dan ooit.

Afijn, zei ik, de laatste levensdagen. Je kuste mijn wang.
We rookten, beschaamd, om wat er over was.
Na alle grappen, wijn, volgehouden mensenhaat
en poëzie  – we wisten niets.

Dit, zei je, moet het dan maar zijn. Schrijf jij maar
dat ik slordig was. Slordig. Gretig. Bang en
goed gekleed. Zes woordenboeken oud.

Aufwiedersehen,Schwesterlein. Lijdend aan liefde,
de greep van het café – de zon zakt straks
weer richting hel. Alle idioten vieren feest.

(Ester Naomi Perquin)

Misschien rest ons, oog in oog met de dood, niets meer dan de taal, de juiste formulering, het goed gekozen woord. Dit gedicht gaat over een gesprek met iemand die dood zou gaan en is tegelijkertijd een gesprek met een dode, die met je wordt aangesproken, en daardoor in de veertien regels van het sonnet weer heel even komt praten.

Het is een sonnet van opsommingen, van tegenstrijdigheden. Somber, oud en vrolijk. Grappen, wijn en volgehouden mensenhaat. Slordig, gretig, bang en goed gekleed. Juist doordat het niet bij elkaar past, lukt het daardoor om letterlijk met een handjevol goed gekozen woorden de bloedelozezomermiddag op te roepen. En de allermooiste woordgroep is ‘volgehouden mensenhaat’, waar een heel karakter in verborgen zit.

Wie de Nederlandse dichtkunst van de afgelopen jaren een beetje heeft gevolgd, herkent de dichter erin: Menno Wigman, en in het bijzonder diens gedicht ‘Rien ne va plus’ uit de bundel Slordig geluk, waarin hij zelf een andere dode dichter aanspreekt en tot leven wekt: Slauerhoff.

Maar waar Wigman Slauerhoff heel pessimistisch liet zijn over het schrijven (zijn gedicht eindigt met de regel ‘Had je maar nooit een gedicht gezien’), daar laar Perquin Wigman toch nog een beetje aan de poëzie vasthouden. Althans, hij geeft haar toestemming om te schrijven dat hij ‘slordig’ was. En dat doet ze dan ook meteen, in een sonnet, toch eigenlijk meer zijn genre dan het hare. Een sonnet dat begint met het woord somber en eindigt met het woord feest, en dat alleen al daardoor steeds treuriger wordt.

Ik maak keihard reclame voor de volta en Trump is lyrisch

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (192)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Dit repair-cafe neemt rijmwoorden in hergebruik
Rijmwoorden zijn net als de inkt in cartridges het vloeibare goud
De veroudering in onze Senseo-apparaten is ingebouwd
Een beetje oorlogsindustrie draait op Magenta
Twitter staat van oudsher bekend om zijn berichten van 140 tekens
Wij schrapten belangrijke woorden
Of wij besloten de boodschap maar helemaal niet te plaatsen Vandaar dat een modern sonnet fiks langer is dan een moderne tweet
Offline online bij alle diensten wordt gesjoemeld tegenwoordig
Ik maak keihard reclame voor de volta en Trump is lyrisch
De kruiskop is gefotoshopt
Het haar van Kim Jong-un is wel echt
Coupe vorkheftruck zo werkt framing
Wie het beste polariseren kan wint een pallet volle cartridges

(Astrid Lampe)

Je kunt dit sonnet op allerlei manieren lezen, maar ik lees het als grappig. De 14 sonnetten die we deze weken publiceren en die deze serie van 196 (=14×14) afsluiten, zijn behalve sonnetten natuurlijk ook antwoorden van dichters op de vraag: wil je een sonnet schrijven voor Neerlandistiek? Lees verder >>

Bij het verlaten van de trein te denken aan onze eigendommen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (191)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Bij het verlaten van de trein

Een stem gonst door de trein en voorspelt
een eensluidende toekomst voor passagiers
van wie ik de naam niet ken. Waar komen ze
vandaan? Met hindernissen buiten onze schuld

zullen we aankomen op onze bestemming.
Wiegend in de wij-vorm delen wij een landschap
met ijle en ijlere torens richting Sloterdijk.
Tassen op schoot en rolkoffers zwenken mee.

In deze toekomst valt iemand op mijn schoot.
Hij blijft even zitten en kijkt in een verte. Ons
wordt geraden bij het verlaten van de trein

te denken aan onze eigendommen. Een holte
grijnst op de bodem van mijn tas nu ik uitstap
en ons in een zekere richting geborgen verlaat.

(Maria Barnas)

Zonder taal bestaan er geen groepen mensen, alleen bij elkaar gegooide individuen. Je zit in de trein, je bent er alleen ingegaan, net als al je reisgenoten, want het is het begin van een werkdag en voor dag en dauw zijn er geen mensen die voor de gezelligheid gaan. De treincoupé is een collectie eenlingen.

Slechts een hoogst enkele keer ontstaat er een groep uit zulke bijeengeraapte types, maar dat gebeurt nooit zonder taal. Iemand zegt ineens ‘het is warm, hè’, en dan beseffen alle reisgenoten dat het inderdaad warm is, en dat iedereen dat weet. Ze worden een groep, beginnen met elkaar te praten en pepermuntjes uit te delen. Er is onderlinge verbondenheid omdat nu niet alleen weet dat het, inderdaad, warm  is, maar ook omdat iedereen dat gevoel deelt met de anderen. Zonder zo’n zin is dat ondenkbaar. Lees verder >>

Als een leeg melkpak gleed ik weg in de spleet

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (190)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Avondrituelen

Mijn moeder knipte mijn teennagels
tot op de randen af, soms eroverheen.
Dat je pas na de seks je lichaam gebruikt
ondervond ik als puber: ik vouwde me

om mijn vriendjes gemotiveerd te houden
zo plat mogelijk. Als een leeg melkpak
gleed ik weg in de spleet tussen bed en muur
en dacht: als ik mijn nagels zelf kan knippen

zonder te huilen, ben ik volwassen.
Ik merk dat ik ouder word aan mijn verlangens
ze worden niet langer door mijn lichaam
maar hoofd aangestuurd, zo ook mijn angsten.

Mannen laat ik op jacht gaan naar melanomen,
sarcomen. Opgezette kliertjes, als ik verkouden ben.

(Dewi de Nijs Bik)

Liefde is weg willen zijn, voor degene die in dit gedicht aan het woord is. Ja, er is seks, maar daarna begint het pas: zo snel mogelijk weg zijn. Ja, er is een moeder, maar die knipt de nagels veel te ver af. Alleen in de laatste twee regels is er een mogelijkheid dat de vrouw groeit: door kankercellen, of eventueel door opgezette kliertjes. Lees verder >>

Haal eerst die mayonaise van mijn naam

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (188)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij m.m.v. Sven Zoeteman

Sonnet voor een Mayonaisevogel

Bij een ingekleurde tekening van een goudhaantje, boek en maker onbekend.

Als ik niet slaap dan sust hij mijn verdriet
die kleine vogel in zijn tafereel.
In passe partout met vel van dun grafiet
en op zijn kop een vieze klodder geel.

Hoe ik me in mijn lege bed ook keer,
steeds zie ik hem gevangen achter glas.
Nooit schiet zijn oog of fladdert er een veer,
verlangt hij net als ik naar groener gras?

Ik weet dat ik geen recht van spreken heb,
alleen het vers als vrije vogel ambieer
waarin ik over vluchten fantaseer.

In veertien regels dwang laat ik hem gaan
maar zachtjes piept hij uit zijn vette klep,
haal eerst die mayonaise van mijn naam.

(Sasja Janssen)

Wie heeft de mayonaisevogel zijn naam gegeven? Het is volkomen duidelijk dat het beestje zo moet heten, in ieder geval zoals hij op dit plaatje is afgebeeld: met die ‘vette klep’ en de ‘vieze klodder geel’ op zijn hoofd.

Maar wie gaat googelen op mayonaisevogel vindt eigenlijk alleen een vlogster die vooral berichten de wereld inslingert over de vele manieren waarop en kleuren waarin ze haar haren verft. Misschien voelt ook de vlogster zich gevangen achter het glas van haar vlog, maar zij heeft toch vermoedelijk zelf gekozen voor die naam. Lees verder >>

Twee volle pagina’s gevuld met sneeuw

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (187)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Sneeuw en inkt

Het zijn deze winters die ik terug wil
halen, twee volle pagina’s gevuld met
sneeuw en lange dunne regels in inkt
geschreven als horizon, een enkele

verre vogel stippelt zijn punten op
de i’s er in. Ik zal mijn hoofd met
berenvel stofferen en ga er wonen
in een knusse hut, kijkend naar

hoe tussen de rotsen en de schrale
bomen een rest van licht zich naar het poolijs
bukt, de lange nacht zich buigt – één

die elk uitzicht in zich opzuigt.
‘O dan verschaft de met het duister
samenvloeiende inkt een zee van licht!’

(Elly de Waard)

Wat is een sonnet? Een van de dingen die opvalt als je de 14 nieuwe sonnetten bestudeert die dichters maakten voor deze serie is dat ze bijna allemaal een titel hebben: een paar woorden die buiten het gedicht vallen (de titel is nooit een van de veertien regels). Lees verder >>

runen spijkerschrift morse, heiligentekens

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (186)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Babylonisch

Horen en zien vergaat je steeds vaker
je skyline met torens weerspiegeld in water
stort in bij een windvlaag – witte
zwanen zwarte zwanen. Het rammelt

runen spijkerschrift morse, heiligentekens
je hoeksteen. Wij vreemden maken
gebaren hinten en wijzen, lezen vragend
je wezen omgonsd met gebrabbel. Spreekt

men ons aan wij glimlachen schouderophalend
beleefd. Wat wij hooguit begrijpen is
goede bedoeling verloren geraakt in

een wirwar van wenken. Wat we verstaan is blind
moeten gaan, oren wijd open voor het te
vele niet te vatten dat ons omringt.

(Hester Knibbe)

Babylonisch is een gedicht over verwarring dat tegelijkertijd een spel is met leestekens. In het eerste kwatrijn is er sprake van een je die een skyline heeft en, ook al vanwege de titel, denk je dan als argeloze lezer natuurlijk al snel aan een stad. Daarna gaat het over even over het dat rammelt en tot slot is sprake van een wij (vreemden) en een men die ons ‘aanspreekt’.  Lees verder >>

Kust andere borsten en denkt aan de mijne

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (185)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Queeste

Valencia lokt hem naar haar kathedraal
ontbloot voor zijn ogen het hart van de stad
haar gotische poort en haar heilige graal
die eenmaal gevonden geen waarde meer had.

Hij hangt de toerist uit en kuiert langs pleinen
die aangenaam stralen in laatwinterlicht
kust andere borsten en denkt aan de mijne
die wit zijn en heilig en altijd uit zicht.

En ik die al veertien jaar woon in gezangen
mijn liefdesverklaringen schreef in de wind
vanwaar raak ik plots in de ban van dit wrange

besef dat ik mij op een tweesprong bevind?
En hoe kom ik af van dit bange verlangen
naar rijtjeshuis, echtgenoot, kind?

(Mieke van Zonneveld)

Wie sommige hedendaagse dichters flink bang wil maken, moet ze vragen om een sonnet te schrijven. Mijn plan om het aan veertien van hen ook echt te vragen, bleek menige virtuele angstige blik op te leveren: moesten ze nu per se aan het rijmen gaan? Zou ik niet boos worden als het metrum niet helemaal lekker liep? Soms stuurde iemand me een paar weken voor de deadline nog een noodkreet: zo’n strakke vorm, dat ging echt niet lukken.

Steeds liet ik de bedrukten weten dat mijn vraag alleen maar was om een “sonnet” en dat ik ervan uitging dat niemand beter weet wat dat precies voor een ding is, aan het begin van de eenentwintigste eeuw, dan de dichters. Het einde van deze lange, lange reeks is vooral een onderzoek naar wat dichters nu nog denken bij het gedicht. En zoals jullie de komende weken zullen merken: met rijm of metrum heeft dat weinig te maken. Het enige vaste aan de vaste vorm zijn, zo lijkt het wel, de veertien regels. Lees verder >>

Een grote vriendelijke diepvrieskreeft in mijn vulva introduceren

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (184)
De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters.

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Vreemde vogelsonnet

‘Kirrende makelaar gedraag je!’ Zeg ik streng in een cinemazaal
Er zit helaas niemand naast me, zelfs mijn moeder is blozend weggegaan
Ik geeuw en vraag me af of ik ooit een okapi zal aanraken
De film gaat over een Noorse scheephersteller en een tragische koorddanseres.

Op een brug wordt de koorddanseres gered, maar dan zit ik al op een terras
‘Frunnikende imker, beheers je!’ Sis ik ongeremd en luid
Een pelsjager met een bochel lacht me uit, zijn wreedheid deert me
Nog te vaak laat ik me ontmoedigen door boertige ploerten.

Ik zal dan maar verslagen zijn en huiswaarts keren
Daar kan ik tenminste boterhammen voor onbestaande narren smeren
En een grote vriendelijke diepvrieskreeft in mijn vulva introduceren.

Gelukkig kom ik de oude kruisboogschutter tegen, gelukkig heeft hij een paleis
Gelukkig stopt hij makrelen in mijn mond, gelukkig stopt hij als ik stop zeg
Gelukkig ben ik dapper genoeg om hem zijn Blauwbaardverleden te vergeven.

(Delphine Lecompte)

Over sommige dingen blijkt nog steeds nauwelijks geschreven te zijn. Delphine Lecomptes Vreemde vogelsonnet kun je lezen als een gedicht over een thema waarover nog maar weinig gedichten geschreven zijn: angst voor mannen. Het moet toch minstens even reëel zijn als de angst voor vrouwen, en je zou als je willekeurig welke cijfers over seksueel geweld bekijkt zelfs zeggen: reëler. Lees verder >>

We verdampen tot we condenseren

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (183)

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De laatste 14 afleveringen van deze reeks zijn gewijd aan 14 gloednieuwe, speciaal voor deze reeks geschreven sonnetten door hedendaagse Nederlandse en Vlaamse dichters. Dank aan alle mensen die dit met crowdfunding mogelijk hebben gemaakt!

We verdampen

Het zijn rare tijden, jaargetijden
veranderen en vermijden een confrontatie
met vakantie.

Je pruttelt wat mee met lichamen
die druipen, ijlen, kwijlen, schijten.
Een koor in mineur, dat zachtjes brult:

Je lijf is ziek, maar je wordt beter, het zal slijten.
Je zult stiller in het gras liggen en slanker,
uitgemergeld chique bezoek ontvangen. Maar kanker
heeft geen kalender, dus heb geduld.

We verdampen tot we condenseren
en ook rampen zijn gemaakt van feiten.
Je hoeft ze er alleen maar uit te destilleren.
Je wordt beter. Het zal slijten.

(Lieke Marsman)

Dit is een sonnet dat zichzelf bezweert om orde uit de chaos te scheppen. Het staat om te beginnen al op zijn kop: er zijn niet eerst twee kwatrijnen en dan twee terzinen, nee, de terzinen gaan vooraf aan de kwatrijnen. En dan wordt het qua vorm ook steeds regelmatiger. De eerste drie regels zijn nog vol onrust, regels van ongelijke lengte, enorm dreunend middenrijm van allerlei woorden die rijmen op lijden zonder dat dit woord zélf genoemd wordt. De laatste regels vormen een bijna volomen regelmatig kwatrijn, met een rijmschema en de allerlaatste regel kun je lezen als vier trocheeën. Lees verder >>

En keek ik weer wat grand old Google bracht

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (182)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Bij de uitvaart van het boek

De schrijver met zijn ongeschoren woede,
de dichter van drie doodgeboren boeken:
daar staan ze met hun doos vol slome woorden.
Sterk spul of niet: de uitvaart van het boek,
we naderen de uitvaart van het boek.

Vannacht, ik was nog op, stond de literatuur
dronken aan mijn deur. Rot op, riep ik, rot op,
je hebt je kans gehad. Toen droop ze af
en keek ik weer wat grand old Google bracht.

We lezen om te leren hoe te leven.
En ik, mijn boeken moe, ging stil naar bed.
Wat ging er mis? Wat moet ik schrijven? Schrijf,

schrijf het, schrijf het op, smeer je wijsheid uit,
kom brallen op mijn stoep. Ik ga naar bed.

(Menno Wigman, Mijn naam is legioen)

Zoals de aartsvader Jakob vocht met God, zo vocht Menno Wigman met de poëzie. Probeer maar eens uit te schrijven of de ik in dit gedicht nu blij is dat ‘de uitvaart van het boek’ nabij is.  Een van de sterkste formuleringen ooit van een cliché-gedachte over het nut van boeken – we lezen om te leren hoe te leven – wordt gevolgd door de mededeling dat de auteur zijn boeken moe is en naar bed gaat. Waarna hij toch, toch weer, gaat schrijven als een bezetene, en de literatuur oproept om op zijn stoepje te komen brallen. En dan alsnog gaat slapen. Lees verder >>

Language freezes to a single wry remark / taal vriest vast in de koppen

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (181)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

The stained sonnet

on my way from Seattle to Tokyo
Nov 14/15 1996

My Love is in your name, the one and only
love through which I travel to a distant shore.
I gain my first glimpse of the horizon, more
smoothness, of an ocean’s rim, and the stony

awareness of steep hills. So far, so lonely
without your love, I am climbing in a sky
wherein language freezes to a single wry
remark, a breaking sound in both my bony

hands that hold a fountain pen, leaking its black
markings on my skin, staining me so deeply
that no detergent can remove this tattoo

of dark and salt depths, this line that moves with me
around the world, and is horizon’s thin track
around me – where I am, I know you are too

Het sonnet dat afgaf

tussen Groningen en Schiermonnikoog, 7 nov 1999

Godsend is in je naam, de ene, enig
hart dat ik zelfs in de verte voel kloppen.
Ik zie hoe de horizon ombuigt, je stopt
er zomaar een oceaan in, en stenige

hoge sluizen. Als ik mij niet zo alleen
zou voelen, houd van me, ik vaar naar de top
van de hemel, taal vriest vast in de koppen,
er breekt iets, dat is tussen mijn lenige

vingers, de vulpen, er lekt zwarte inkt, zij
schrijft herkenbaar op mijn huid dat ik deze
tekens niet meer kan verwijderen, zo echt

als hun donkere/zoute context, rechte
lijn en kim die met mij mee beweegt, lezen
en reizen, luister je? waar ik ben, ben jij.

(Maria van Daalen, 13 sonnets for a lost lover & 13 sonnetten voor een verloren geliefde)

Met 13 sonnets for a lost lover kwam het Engels de Nederlandse poëzie inwandelen. Natuurlijk hadden andere Nederlandse dichters al in het Engels gepubliceerd – de in Nederland wonende Amerikaan Lloyd Haft, de in Amerika wonende Leo Vroman –, maar wat Maria van Daalen presteerde had nog niemand gepresteerd: een sonnettenkrans schrijven van 13 samenhangende sonnetten in het Engels én 13 in het Nederlands, waarbij de laatste heel losse vertalingen lijken van de eerste. Lees verder >>

Hoera, ze kennen Wrongman, een sadist

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (180)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Poly-interpretabel

In smakzoen hangen rode etenswaren
En zware honden (koest man!) en sigaren
Na Mao’s knarsen zweeg een hedonist
We zoeken dorstig manna, hè, en snaren

Een ranke non had zwanenroes gemist
Haar Weense kannen zoemen… ’n Drogist
Zwemt in Arosa, Dongen, Sneek en Haren
Hoera, ze kennen Wrongman, een sadist

Shoarma, snoer, Nanking, een zedenwet –
Zo werken grind en thee om ananassen
Ga! Wens een nazihemd en tsarenkroon
(Weer hazendrek, gans, tennis, anemoon!)
Haemorroïden wenken: zang en tassen?
Een heidens werk, zo’n anagramsonnet.

(Drs. P [H.H. Polzer], Het rijmschap)

De jaren zeventig en tachtig van de twintigste eeuw: de tijd dat in onze streken alom werd gespot met de wetten van de betekenis. In de taalwetenschap vierde het werk van Noam ‘Colorless green ideas sleep furiously‘ Chomsky hoogtij, volgens wie het overdragen van betekenis slechts een min of meer toevallige toepassing is van taal: het was hem om de pure vorm van zinnen te doen. Ook de computertaalkunde op – de pogingen om de computer te leren omgaan met taal, wat altijd is blijven betekenen: het manipuleren van tekens zonder te begrijpen wat ze betekenen, want dat kan de computer nog steeds niet. Tegelijkertijd bloeide het Opperlands van Battus én het plezierdicht van onder andere H.H. Polzer (wiens bekendste pseudoniem Drs. P was). Lees verder >>

De wind, de hitte en regen hieuwen zijn stam

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (179)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Grote beuk

Hij is het zwijgen rechtop de hemel in;
de wind, de hitte en regen hieuwen zijn stam
en takken, zijn wortels als houten fonteinen
wellend uit de bronnen. Alle seizoenen

krijgen kwartier, hij is het opgetaste
korte en lange jaar, in de zomer fluistert
nog de witte sneeuwjacht in zijn blad en bronzen
herfst omarmt stormend zijn schors in de meimaand.

Toen de bleke, felle bliksems kwamen die hun
harpoenen plantten in jouw hart en vier takken
woedend versplinterden, sapstromen dempten

die opstijgen wilden na de winter, wachtte,
grote beuk, achter je de kuil (doodkalm kraken
slaapt in het veld) slechts voor jou daar gegraven.

(H.H. ter Balkt, Laaglandse hymnen)

H.H. ter Balkt kon sonnetten schrijven alsof ze zo vertaald waren uit Horatius: geen rijm – dat vonden de klassieken ook al ordinair –, maar subtiele klankeffecten (fonteinen – seizoenen, takken – krakengraven), formuleringen die iets betrekkelijk eenvoudigs ineens in al zijn complexiteit schilderen, juist door de eenvoudige woorden die gekozen zijn (‘hij is het opgetaste korte en lange jaar’: wie ziet niet ineens in wat de jaarringen eigenlijk betekenen?).

Het gebruikt woorden die nét niet uit het Nederlands verdwenen zijn – je kunt ervan uitgaan dat een lezer ze kent, al gebruikt hij ze niet iedere dag meer. Hieuwen bijvoorbeeld, dat bovendien dubbelzinnig is. Qua betekenis ligt het meest voor de hand om het te zien als de verleden tijd van houwen. Maar de andere werkwoorden in het octaaf staan allemaal in de tegenwoordige tijd, en daarom wordt hier misschien ook wel het werkwoord dat volgens het WNT ‘omhoogwinden’ betekent.

Lees verder >>

Ze is na zessen vrij

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (178)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Lopende band

Ze zegt: ‘Ik laat mijn haar knippen vanavond.’
(Ze is na zessen vrij.) In de cadans
van mijn verslaafde handen, in de dans
van bitterkoek en band, knik ik beamend.

Ik vraag: ‘Door iemand die je kent?’ Ze ademt
ja aan mijn oor en pakt gelijk haar kans:
‘Mijn zus heeft een vriendin die kappen kan.’
Ze pakt zes koekjes in en lacht, verradend,

‘Mijn zusje is niet goed.’ (Ik denk: je zusje?
Je vage ogen die op staren staan!)
‘Van de verkeerde kant. Dus lesbisch. Dus je

houdt meer van vrouwen dan.’ Ik kijk haar aan.
En voor mijn ogen wordt haar mond een kusje,
terwijl de koekjes spoorloos verder gaan.

Petra Kottman

De lopende band is geloof ik zolang hij bestaat al symbool voor de onmenselijkheid. De arbeider aan die band heeft geen lichaam meer en geen geest, is zelf eigenlijk een soort machine geworden. Lees verder >>

Hoe zij een steentje uit haar schoenen haalt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (177)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Mei

Een avond waarop oude mensen wandelen gaan,
een heimwee achterna: hoe alles nu jong lijkt-
terwijl hij naar zijn grote voeten kijkt,
ziet zij een wolk boven de bomen staan

en overweegt dat zij gelukkig was
toch wel, maar voelt ook een gemis
als zij de berken ruikt, manlijk en fris –
hij loopt behoedzaam rond een regenplas.

Zij zijn zo eenzaam in hun vreemd geluk,
zij breken elk systeem van vrede stuk.

hoe zij een steentje uit haar schoen haalt,
hoe hij doorloopt, zij hem weer inhaalt;

en in de bocht tesaam een grijze pop,
God berg hen in de hemel op.

C.O. Jellema

Ergens in de Platonische hemel hangt het ideale gedicht en het is eenvoudig van taal en toon. Het zegt met volkomen alledaagse woorden in een onuitzonderlijke zinsbouw iets dat je nog nooit hebt gehoord en waardoor je alles anders ziet. Lees verder >>

Dat ‘k tot op heden door blijf otteren.

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (176)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Zo zwalkt

Nog steeds ben ‘k er op ’t kantje af doorgerold.
Oorlog. Tb. Darmabces. Longontsteking.
Als ‘k maar tien jaar eerder geboren was
lag ik al lang onder de groene zoden.

Maar nee: penicilline, sulfa, PAS,
werden voor mij net op tijd uitgevonden.
Soms denk ik zelfs, dat er Iets moet bestaan,
dat wil dat ‘k tot op heden door blijf otteren.

Maar als ik mij afvragen ga waarom
ben ik onmiddellijk weer één brok scepsis:
nee, het moet allemaal louter toeval zijn.

Zo zwalkt de ene schildpad meer dan ’n eeuw
door de oceanen rond, terwijl zijn broertje
al opgeslokt wordt tussen ei en zee.

(C.Buddingh’, De eerste zestig)

Het woordenboek in ons hoofd, dat grote archief van woorden dat je kent, bevat niet alleen maar zakelijke informatie: dit betekent dat woord ongeveer, zo spreek je het uit. Er lijkt ook informatie in te zetten over wie je het wanneer ongeveer hebt horen zeggen, en wat de omstandigheden waren. Het woordenboek zit niet voor niets in je hoofd, het is verknoopt met de rest van je geheugen. Lees verder >>

Met taal gaat hij naar bed

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (175)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

De taalsmid

De klinker en de medeklinker zijn
De weke onderbuik en het korset.
Dichter is hij die, schijnbaar zonder pijn,
Het vormeloze in de steigers zet.

Zijn woorden, corpulent of slank van lijn,
Verenigen zich vloeiend tot couplet.
De moeiteloosheid, niet het rookgordijn,
Is zijn geheim. Met taal gaat hij naar bed.

De taal, van A tot Z, is zijn fles wijn.
Halfdronken wordt er, zomaar voor de pret,
Een kind verwekt, een epos of kwatrijn,

Of iets daartussenin, zeg een sonnet,
Terwijl de lezer onbekend blijft met
Zijn worsteling met spekvet en balein.

(Gerrit Komrij)

In dit gedicht is iemand aan het opscheppen over hoe moeiteloos hij orde weet te scheppen – en dat terwijl het gedicht altijd vrij chaotisch is geweest.

Het gedicht gaat in reuzenstappen door de taal, van klein naar groot. Het begint met de fonologie, de betrekkelijk vormeloze klinkers die worden ingekaderd door de hardere medeklinkers. Lees verder >>

We krijgen dus een pop rondom een gat.

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (174)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

de tombe van jan van der noot

Armpjes massief, en welgemaakte schenen
zijn opgestapeld in ons arsenaal.
Albasten borsten, lippen van koraal,
citroenen haren van de zon doorschenen
waar ebben wenkbrauwen zich mee verenen
in wezen en in schijn-dat allemaal
staat schietklaar in het bushuis van de taal.
De kruisen zijn in nare nacht verdwenen,

we krijgen dus een pop rondom een gat.
Ik heb geen leven en geen elastiek.
Wat ook ontbreekt: het voorbeeld uit het Frans.
Mijn handwerpen bereikt een dode stad,
panopticum voor levend dood publiek.
Hier is mijn hand. Pak zelf de laatste kans.

Jan Kuijper, Tomben

In de jaren zeventig van de twintigste eeuw, ruim vierhonderd jaar oud was het genre inmiddels in zijn Laaglandse vorm, kwam het sonnet weer als een feniks uit zijn as herrijzen. Logischerwijs kregen de veertien regels nu ineens bij sommigen een ironische ondertoon. Het waren ironische tijden, het waren decadente tijden, misschien waren het wel gelukkige tijden, het waren in ieder geval geen tijden voor liefdesklachten of wijsgerige bespiegelingen. Men schreef geen sonnetten meer, men schreef ‘sonnetten’. Lees verder >>

Marc Verreckt

Een geschiedenis van het Nederlands in 196 sonnetten (173)
Het Nederlandse sonnet bestaat 453 jaar. Hoe is het de taal in die tijd vergaan?

Door Marc van Oostendorp

Illustratie: Susanne van der Kleij

Over Vlaamse reuzen (twintigste eeuw)

Fortissimi sunt Belgae

Car Flanders, Frans C. Ridwit, Hendrik Prijs,
Dirk Desmadryl, Irina van Goeree,
Bert Verm, Karel Vertommen, Georges Adé,
Maria Vlamijnck, Luc Deleu, Raf Seys.

Daisy Ver Boven, Hector J. Loreis,
Geert Grub, Marc Bruynseraede, Paul De Vree,
Ludwig Allene, Marc Verreckt, Roobjee,
Rik Lanckrock, Lode Conte, Ignaas Veys.

Eriek Verpale, René Swartenbroeckx,
Fernand Handtpoorter, Omar Robinon,
John Bultinck, Jozef Smet, Pierre Dyserinck.

Yves Slabbinck, Jozef Droogmans, Paula Loeckx,
Adriaan Magerman, Renaat Ramon,
Emiel Van Hemeldonck, Jaak Stervelynck.

(Jan Kal, Amsterdam, 12 november 1979)

Je kunt Vlaamse reuzen, een opsomming van 36 namen van Vlaamse letterkundigen die allemaal in 1979 actief waren, op verschillende manieren lezen.  Lees verder >>