Tag: 17e eeuw

Stokske

Door Wiel Kusters

Vermoedelijke stok van Johan van Oldenbarnevelt, Collectie RIjksmuseum

Veel aandacht van historici dit jaar voor Johan van Oldenbarnevelt, raadpensionaris van de Staten van Holland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Na een politiek proces door onthoofding ter dood gebracht op het Haagse Binnenhof, 13 mei 1619.

Vondel eerde hem met een gedicht, dat in latere tijd door generaties middelbare scholieren verplicht gelezen werd.

Er is in dit ‘Stokske van Joan van Oldenbarnevelt, Vader des Vaderlands’ (1657) sprake van een wonderlijk verbond: ‘Mijn wens behoede u onverrot,’ zegt de dichter tegen de stok van de ter dood gebrachte staatsman, aan het begin van zijn gedicht. En de laatste regel luidt: ‘Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.’ Het gedicht behoedt de stok en die stok houdt het gedicht overeind.

Mijn wens behoede u onverrot,
O Stok en stut, die, geen verrader,
Maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
Gestut hebt, op dat wreed schavot;
Toen hij voor ’t bloedig zwaard most knielen,
Veroordeeld, als een Seneka,
Door Nero’s haat en ongenâ,
Tot droefenis der braafste zielen.
Gij zult nog, jaren achter-een,
Den uitgangk van dien held getuigen,
En hoe Geweld het Recht dorf buigen,
Tot smaad der onderdrukte Steên.
Hoe dikwijl strekt gij, onder ’t stappen
Naar ’t hof der Staten, stadig aan,
Hem voor een derden voet, in ’t gaan
En klimmen, op de hoge trappen;
Als hij, belast van ouderdom,
Papier en schriften, overleende,
En onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!
Gij rustte van uw trouwe plichten
Na ’t rusten van dien ouden stok,
Geknot door ’s bloedraads bittren wrok:
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

Vondel was zeventig toen hij deze regels schreef, bijna net zo oud als Oldenbarnevelt in 1619, het jaar van zijn dood. Het kan haast niet anders of Vondel heeft zich bij het schrijven van zijn ‘Stokske’ tot op zekere hoogte met Oldenbarnevelt geïdentificeerd. Nog sterker dan toen hij zijn ‘Geuze-vesper’ schreef, rond 1631, zal hij zich bewust zijn geweest van de grimmigheid van Oldenbarnevelts executie, de onthoofding van een oude man, wiens bloed toch al ‘in d’aders schier verstorven’ was. Lees verder >>

Constantijntje (en Rembrandts Ganymedes)

Door Wiel Kusters

Onlangs viel mijn oog weer eens op Vondels bekende ‘Kinder-lijk’ uit 1632, een gedicht zo vertrouwd dat men het, gedreven door een verlangen naar herkenning, in minder dan geen tijd doorleest, zonder daarbij nog te proberen het als nieuw te ervaren.

Constantijntje, ’t zalig kijndtje,
Cherubijntje, van omhoog,
d’IJdelheden, hier beneden,
Uitlacht met een lodderoog.
Moeder, zeit hij, waarom schreit gij?
Waarom greit gij, op mijn lijk?
Boven leef ik, boven zweef ik,
Engeltje van ’t hemelrijk:
En ik blink er, en ik drink er,
’t Geen de Schinker alles goeds
Schenkt de zielen, die daar krielen,
Dertel van veel overvloeds.
Leer dan reizen met gepeizen
Naar palaizen, uit het slik
Dezer werreld, die zo dwerrelt.
Eeuwig gaat voor ogenblik.

Waarschijnlijk stond mijn hoofd niet erg naar klanken: ik hoorde de ‘muziek’ van de vele rijmen niet meer en zag om te beginnen vooral de naam Constantijntje in zijn oorspronkelijke betekenis: de Standvastige. Vondels ‘zalig kijndtje’ vertegenwoordigt de standvastigheid met name in de laatste regels van het gedicht, waar hemelse paleizen tegenover de bedrieglijkheid en vergankelijkheid van de wereld worden geplaatst. De ‘werreld, die zo dwerrelt’ lijkt, wanneer Vondel het aldus formuleert, een wereld waarop het sneeuwt of een wereld van aanhoudend vallende bladeren. Verval en schone schijn. ‘IJdelheden’ inderdaad. Lees verder >>

Liefde in het gekkenhuis

Door Elly Groenenboom-Draai

Onlangs, op 28 januari, werd in Neerlandistiek de verschijning gemeld van een nieuwe editie met moderne prozahertaling van Willem van Focquenbrochs blijspel Min in ’t Lazarus-huys.

Enthousiast ging Marc van Oostendorp ermee aan de slag; in een videofilmpje kunnen we het resultaat daarvan bewonderen: na een korte bespreking van het thema van het stuk volgt een voordracht van een scène uit het derde bedrijf, waarbij hij beurtelings de oorspronkelijke zeventiende-eeuwse tekst en de moderne vertaling declameert. De video is te zien op YouTube.

De Min in ’t Lazarus-huys is, ook voor de huidige lezer of toeschouwer, een levendig, geestig en humoristisch stuk, dat opvalt tussen veel ander zeventiende-eeuws toneelwerk dat zich nogal eens kenmerkt door een zekere mate van hoogdravendheid. Bij Focquenbroch ontbreekt die volledig, en dat komt de toegankelijkheid ten goede. Tot in de twintigste eeuw werd het stuk dan ook opgevoerd door grote toneelgezelschappen als de Haagse Comedie en het Rotterdams Toneel. Een voorstelling van dit laatste gezelschap, vanzelfsprekend in de oorspronkelijke taal, heb ik als scholier nog (met plezier) bijgewoond. Lees verder >>

De Leeuwendalers: Vondel imiteert Vergilius

Door Ton Harmsen

In 1646, een jaar voor het pastorale toneelstuk Leeuwendalers, publiceert Vondel zijn vertaling in proza van de verzamelde werken van Vergilius. De Herdersdichten voorop, dan de Lantgedichten en tenslotte de Aeneis. Die volgorde is de gebruikelijke, en Vondel zal hem gewaardeerd hebben: zijn interesse gaat in die periode uit naar de irenische en idyllische poëzie. Het frontispice van Jan Matham toont bovenaan keizer Augustus tronend op zijn adelaar, daaronder het portret van Vergilius, links de personificatie van het boerenbedrijf met vee, vruchten en bijen, rechts Calliope, de muze van het heldendicht met leeuw, klaroen en penaten, en onderaan de Mantuaanse zwaan als personificatie van Vergilius. Vondel draagt het werk op aan Constantijn Huygens, die hij aanspreekt als secretaris, rechterhand van Frederik Hendrik. Niet om geld te krijgen van de dichter of van de prins, zo naïef is Vondel niet. Met zijn herhaalde afwijzing van de bellicose politiek van de stadhouder heeft hij alle sympathie in Den Haag verloren.
Lees verder >>

Podcast over de oerpremière van Gijsbreght van Aemstel in de Amsterdamse Schouwburg

21 januari 1638. Het is alweer bijna drie weken geleden en het zoemt rond in Amsterdam: ben je al in die nieuwe Schouwburg geweest, heb je dat stuk van Vondel gezien? Het loopt storm! Na alle reuring vooraf over ongewenste roomse taferelen zijn er toch geen rellen uitgebroken. Integendeel: de reacties zijn enthousiast. Er wordt gezegd dat het stadsbestuur deze week eindelijk zal komen kijken, nu de kust veilig is. Ze kunnen moeilijk nog langer wegblijven!

In de podcast Gijsbreght van Aemstel – De Nieuwjaarsduik nemen Mathijs Deen, Imre Besanger, Frans Blom, Lia van Gemert en Sanne Hermans je in een half uur mee naar de opening van de Schouwburg aan de Keizersgracht op 3 januari 1638. Luister mee via Spotify of Podbean.

Vondel helpt de Oranje snoeren vlechten

Door Ton Harmsen

In 1647, een jaar na Maria Stuart verscheen Vondels vijftiende drama: Leeuwendalers. In allerlei opzichten een bijzonder spel: van de 32 toneelstukken die Vondel voltooide is dit het enige dat geen tragedie is. Op de titelpagina staat als genre-aanduiding ‘Lantspel’, een verwijzing naar de pastorale traditie. De personages zijn eerder Hollandse boeren dan Arcadische herders. Dat neemt niet weg dat dit spel met beide benen in de pastorale traditie staat. Vondel was door zijn vertaling van Torquato Tasso’s epos Gerusalemme liberata ook vertrouwd met diens pastorale spel Aminta, en de andere invloedrijke Italiaanse pastorale, Il pastor fido van Battista Guarini was al enkele malen in het Nederlands vertaald. Pastorale poëzie mag minder aanzien hebben dan epiek en ernstig toneel, de herdersspelen van Tasso en Guarini werden alom met bewondering gelezen en besproken. En nog meer was Vondels aandacht voor dit genre getrokken door Vergilius, van wiens complete werken hij in 1646 een vertaling in proza publiceerde: niet alleen van de Aeneïs, maar ook de Bucolica en de Georgica. De keuze voor een landspel was dus een uitvloeisel van zijn literaire bezigheden.

Lees verder >>

“Dat niemand vragen derf, waer immer Napels lag”: een vernietigende recensie uit 1649

Door Alan Moss

Portret van Matthijs van der Merwede door Jan van Bronckhorst, Rome, 1650.

Teleurstelling, frustratie, harenuittrekkende ergernis. Iedereen op vakantie heeft wel eens de neiging gehad om een vernietigende recensie te schrijven: het hotel zál afgestraft worden voor dat gore doucheputje, het restaurant móet boeten voor die schoenzool-steak. Op het magische internet vind je soms onbedoeld hilarische negatieve reviews (nummer zeven zal je verbazen!), maar de meeste afrekeningen in het recreatieve circuit zijn bloederig, bits en verrassend humorloos. Op Twitter werken voor mijn gevoel hele teams klantenservicemedewerkers in ploegendienst om als een online EOD licht ontvlambare tweets onschadelijk te maken. Ook op Grand Tour werd er gezeurd. In april 1649 schreef Matthijs van der Merwede een felle recensie over Napels, een broedplaats van syfilis en een thuishaven van laffe piraten. De Yelp- of IENS-reviewer kan nog wat leren van zijn gedicht ‘Den Vloek van Napels en Napolitanen.’ Lees verder >>

Een onverwachte nieuwjaarswens

Door Ad Leerintveld

Bij de werkzaamheden voor Huygens Briefwisseling Online duiken steeds verrassingen op. Zo vond Ineke Huysman in de collectie van de Fondation Custodia in Parijs een geheel onbekende brief aan Huygens met een kerstgedicht. De brief is geschreven ‘aus Antorff den 15 Januarij 1639’ door een zekere Christophorus von Essen ‘Jacht[meeste]r von Dessau aus Anhalt’. Deze Christophorus von Essen of Christoffel van Essen geniet in de jaren dertig en veertig van de zeventiende eeuw in Antwerpen enige bekendheid als dichter en schermmeester. Op zijn naam staat een vijftal publicaties waaronder een werk tegen de Hollanders die maar geen vrede willen met Spanje (1634) en een lofdicht op kardinaal-infant Ferdinand van Oostenrijk, landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, bij zijn Blijde Intrede in Antwerpen (1635).[1] Uit zijn publicaties blijkt Van Essen zeer katholiek, Spaansgezind, anti-calvinistisch en tegen de Hollanders te zijn. Het is dan ook opmerkelijk dat hij de hervormde, Haagse Hollander Huygens een gedicht stuurt. Huygens heeft Van Essen en zijn werk mogelijk gekend en over hem horen spreken bij zijn frequente bezoeken aan Antwerpen. Of ze elkaar ontmoet hebben, is onbekend. Van Essen kende in ieder geval Huygens’ reputatie. Dat wordt overduidelijk uit de nu voor het eerst gepubliceerde brief, die ook de eerste (en enige?) brief is die tussen Huygens en Van Essen is gewisseld.[2]

Lees verder >>

Was dat Caspar Barlaeus die daar van zijn paard viel?

Door Ton Harmsen

Een mooie brief schrijven is een kunst. In een gesprek kan je nog bijsturen als je ziet dat je woorden niet in goede aarde vallen, in een brief moet je van meet af aan de juiste toon treffen. Ook als het over een delicate kwestie gaat. Je ontvangt een uitnodiging voor een feestelijke bijeenkomt; je bent zeer gesteld op een ontmoeting van een van de gemeenschappelijke kennissen, maar je weet niet zeker of die is uitgenodigd. Wat kan je doen? Je kan moeilijk schrijven ‘ik kom alleen als je die schitterende schoonheid met haar warmbloedige kunstenaarsnatuur uitnodigt’. Maar Barlaeus kan het! Briljant, in de juiste hoofse termen en met bescheidenheid, vriendschappelijkheid en vooral humor.

Zijn brief van 12 juni 1640 gaat als volgt. Het Latijn geef ik erbij omdat de stijl van het origineel in mijn Nederlands geen recht kan worden gedaan. Net als Tesselschade Roemers was Barlaeus al enkele jaren weduwnaar; hij heeft een reden om zijn weduwnaarschap expliciet te vermelden.
Lees verder >>

De klucht van Olef Brom, het plezier van de ambiguïteit

Door Ton Harmsen

Ik ken geen mooiere bezigheid dan annoteren, maar ik houd niet van geannoteerde uitgaven. Ooit heb ik zelf met Ben Beenen twee uit Plautus’ Menaechmi vertaalde toneelstukken van verklarende aantekeningen voorzien. Toen dat meer haken en ogen bleek te hebben dan wij op onze schouders konden nemen riepen we de professionele steun in van de Leidse hoogleraar B.C. (Kees) Damsteegt. In zijn studeerkamer nam hij de complete teksten met me door, hij trok uit zijn boekenkast naslagwerken waarvan ik het bestaan niet vermoed had. We kregen nooit ruzie maar we werden het ook niet altijd eens. Ik leerde toen dat niet alle woorden één vaststaande betekenis hebben, en dat die Mehrdeutigkeit juist de charme van de lectuur vormt. Lezen is de aangename taak van de lezer, en juist daarom is het mateloos irritant als iemand je voorschrijft hoe je de woorden moet interpreteren en appreciëren

De lezer wil zijn eigen eruditie meebrengen en niet schoolmeesterlijk toegesproken worden. Bij de annotatie ‘Aristoteles: Grieks filosoof 384-322 v.Chr.’ vraag je je af wat je daar wijzer van wordt. Er bestaat een moderne editie van een toneelstuk waarin ‘leer-suchtige’ wordt verklaard als ‘leergierige’; ik hoopte vergeefs dat ‘leergierig’ verderop in de tekst zou voorkomen om daar als ‘leerzuchtig’ te worden geannoteerd.

Lees verder >>

Pas verschenen: ‘Een mooie mengelmoes. Meertaligheid in de Gouden Eeuw’

Taal was belangrijk in de Gouden Eeuw. Schrijvers, dichters, taalgeleerden en journalisten legden zelfbewust de basis voor wat het Standaardnederlands zou worden, een taal waarop iedereen even trots leek te zijn als op de nieuwe Republiek. Tegelijkertijd openden de Lage Landen zich voor de rest van de wereld, onder andere door de handel en het vroege kolonialisme, maar ook door belangstelling voor de ‘nieuwe’ kunsten uit Italië en Frankrijk. Bovendien kwamen door de grote welvaart heel veel migranten uit binnen- en buitenland naar Amsterdam.

In Een mooie mengelmoes laten Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zien dat het ontstaan van het Nederlands alleen kan worden begrepen tegen de achtergrond van al die talen en dialecten die er toen in de Lage Landen werden geschreven.  De auteurs presenteren het eerste onderzoek naar de pas ontsloten schat van zeventiende-eeuwse kranten – Nederlandse drukkers zetten in dit eerste massamedium internationaal de toon – én ze laten zien hoe schrijvers buitenlandse modellen imiteerden, maar dat deden in ‘zuiver’ Nederlands en niet in een ‘mengelmoes’ van leenwoorden zoals die in het dagelijks leven werd gebruikt.

Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zijn allebei als senior-onderzoeker verbonden aan het Meertens Instituut; ze zijn ook allebei hoogleraar in Nijmegen.

Marc van Oostendorp en Nicoline van der Sijs. Een mooie mengelmoes. Meertaligheid in de Gouden Eeuw. Amsterdam: AUP, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

Vondels gevecht met de zetduivel

Door Ton Harmsen

Een boek zonder fouten bestaat niet – en aan gedrukte fouten valt ook niets meer te verhelpen. Wie op het internet publiceert kan zijn fouten verbeteren en nieuwe informatie toevoegen. Zo verdwijnen de gênante spel- en grammaticafouten die het plezier voor de welopgevoede lezer vergallen. Als auteur van een gedrukt boek heb je het productieproces niet altijd goed onder controle, het zetduiveltje kan dan ongestoord zijn gang gaan. Vondel zal geregeld gemopperd hebben op zatte zetters en dronken drukkers, en het is dan ook niet verwonderlijk dat hij zelf een oogje in het zeil hield als het om spannend drukwerk ging. Bij zijn tragedie Maria Stuart, waarin de protestante Elisabeth van Engeland de katholieke Maria van Schotland laat onthoofden, realiseerde hij zich heel goed dat hij de grenzen van de religieuze tolerantie ruimschoots overschreed. Omdat hij kon voorzien dat de calvinisten spinnijdig zouden zijn is het niet verbazingwekkend dat hij persoonlijk naar de drukkerij van Dominicus van der Stichel ging om de drukproef te corrigeren. Maar we zullen zien dat dat niet was om de calvinisten naar de mond te praten. Lees verder >>

In memoriam Chris Heesakkers

Door Ton Harmsen

Afgelopen woensdag overleed Christianus Lambertus Heesakkers (Berlicum 24 mei 1935 – Leiden 28 november 2018). Een beminnelijk mens, die zijn grote kennis van het Nederlandse humanisme graag overbracht. Hij werkte bij de Leidse universiteitsbibliotheek, en aan de Universiteit van Amsterdam bij het Instituut voor Neolatijn en dat voor neerlandstiek; in 1989 werd hij benoemd tot hoogleraar Neolatijn vanwege het Leids Universiteits Fonds. Aan zijn colleges over humanistenlatijn heb ik veel te danken. Lang geleden namen wij, op zomerdagen gezeten in zijn tuin,  mijn vertaling van Barlaeus’ Obsidio Sylvae-Ducis door; hij wees me niet alleen op mijn fouten en misverstanden maar legde ook uit hoe ik die in de toekomst kon voorkomen. Samen begeleidden wij de proefschriften van Frans Blom over de autobiografie van Constantijn Huygens en van Olga van Marion over de sporen die Ovidius’ Heroides in de Nederlandse literatuur hebben nagelaten, in talrijke gesprekken waarbij Chris onvermoeibaar kon uitweiden over alle mogelijke zeventiende-eeuwse literatoren en geleerden. Lees verder >>

Een toneelstuk van Erasmus

095Rabus1684Door Ton Harmsen

Het indelen van de letterkundige werken is niet altijd even gemakkelijk. Bij het opstellen van mijn Census Nederlands Toneel, indertijd opgezet zonder andere pretentie dan een lijst te maken van alle oude Nederlandse toneelstukken in openbare bibliotheken, heb ik soms gordiaanse knopen doorgehakt. Niet uit iedere titel is duidelijk of het om een toneelstuk gaat, en vaak heb ik teleurgesteld een prachtig boek van mijn lijst gehaald toen ik het eenmaal in handen kreeg. Maar ernstiger is dat de definitie van een toneelstuk niet zo eenvoudig te geven is. Waar ligt de grens met de dialoog?

Het Leger-praetjen tusschen ses persoonen uit 1672 is een leerzame tekst voor wie wil onderzoeken hoe het rampjaar door de Nederlandse bevolking ervaren werd. Je zou het kunnen opvoeren,  net zoals het Oost-Indisch-praetjen van 1663, een gesprek over geldstromen en corruptie in Batavia. Niet alles met personages is een toneelstuk. Nog lastiger is de Opkomst der Oostindische Compagnie, met de voornaamste land- en zeegevegten (1711) door de Rotterdamse stadsbeschrijver Gerrit van Spaan. Volgens de titelpagina is dit opgevoerd in Batavia, maar de personages hebben geen eigen karakter: zij vertellen beurtelings een episode uit de geschiedenis van de VOC. Zo een stuk staat met één been in Ceneton.
Lees verder >>

14 december 2018: lancering crowdsourcing project brieven uit de Republiek der Letteren

CEMROL (Collecting Epistolary Metadata of the Republic of Letters) is een crowdsourcingproject waaraan iedereen met belangstelling voor geschiedenis of voor brieven kan meedoen. Het project richt zich op brieven van de 15e tot en met de 18e eeuw met een geleerd karakter.

Het doel is om in kaart te krijgen wie brieven schreef met wie, vanaf welke plek en op welke datum. Wij roepen de hulp in van het publiek om de gegevens over brieven over te typen uit gescande boeken waarin deze brieven zijn afgedrukt. Wij dagen het publiek uit om op hun eigen computerscherm aan te geven waar in deze boeken brieven beginnen en eindigen, en waar de namen van briefschrijvers en ontvangers staan, de datum en de plaats van verzending, en liefst ook de plaats van adressering. We vragen het publiek ook om de namen en data over te typen. Je kunt zelf kiezen voor de taal van de brieven waar je mee wilt werken. Ben je bijvoorbeeld geïnteresseerd in Franse brieven uit de Verlichting? Of misschien ken je Latijn en wil je je tanden zetten in het ontsluiten van gegevens van Latijnse brieven uit de 17e eeuw? Of heb je een cursus Spaans of Italiaans gevolgd en wil je meer weten over 16e-eeuwse brieven in die talen? Alle hulp is welkom! Lees verder >>

The Owl King, Or: A Seventeenth-Century Pun

Door Paul Hulsenboom

Do you like a good pun? I know I do, and people have been loving wordplay for centuries. Some time ago, I came across the following seventeenth-century example, which is not only amusing, but also relates to my research – albeit in a small way.

In 1640, the Dutch Protestant preacher Conradus Goddaeus published a Latin book entitled Laus Ululae, which translates as The Praise of the Owl. The work falls into the category of the so-called paradoxical encomium, or satirical eulogy, which became exceedingly popular following the success of Erasmus’s Moriae Encomium, The Praise of Folly. Illustrations adorning both the book’s frontispiece and the title page, moreover, show an owl looking into a mirror: a clear reference to the well-known tales of Till Eulenspiegel. In the Laus Ululae, Goddaeus (who used the pseudonym Curtius Jael) jokingly praises the owl and elaborately discusses the bird’s many traits and (sometimes strikingly human) virtues. P.C. Hooft gave the book a positive “review”, and its numerous reprints suggest that it was quite popular during the seventeenth century. It was also translated into Dutch (1664) and English (1727). Lees verder >>

Het eeuwige leven van een raadselboekje

Een nieuw raadsel-boekjen (SAB Deventer)

Door Marti Roos

Lucia. My dunckt ’t waer best wy hier wat raetseltjens vertelden.
Amaril. Dit is viesvaesery en mach by ons niet gelden.

Zo discussiëren de herderinnen in De Conincks toneelstuk Herdersche ongestadicheyt (1638). Raadsels beschouwt Amaril als nutteloos tijdverdrijf – wat hen niet weerhoudt vervolgens blindemannetje te spelen. Jammer, want nu komen we niet te weten wat voor raadsels ze elkaar hadden kunnen opgeven. Daarvoor moeten we omzien naar andere teksten.

Het aantal overgeleverde Nederlandse raadselboeken uit de vroegmoderne tijd is niet heel groot. Het oudst bekende is het anonieme Een Niev Clucht Boecxken  uit het midden van de 16e eeuw, dat allerlei soorten raadsels van diverse herkomst bevat. Raadsels vonden ook toepassing in belerende of stichtelijke context, zoals bij schoolmeester Jacob van der Mersch, wiens Raedtsel-boeck  uit 1593 in de daaropvolgende eeuw wel zeven keer werd herdrukt als T’groote Raedtsel-Boeck.  In de 17e-eeuwse literatuur worden raadsels ook een dichterlijk genre:  de dichters Roemer Visscher (1614) en Jan van der Veen (1653) schreven gedichten rondom raadselmotieven. Lees verder >>

Gedicht: Constantijn Huygens • Sondagh

Sondagh.

Is ’t Sabbath-dagh, mijn Ziel, of Sondagh? geen van tween.
De Sabbath is voorby met zijne dienstbaerheden:
En de Son die ick sie scheen gisteren als heden.
Maer, die ick niet en sie en schijnt niet soo se scheen.
Son, die ick niet en sie als door mijn’ sonden heen.
Soon Gods, die desen dagh het aerdrijck weer betreedden,
Fier als een Bruydegom ter loop-baen ingereden,
‘k Sie Sondagh sonder eynd door dijne wonden heen.
’t Zy dan oock Sondagh nu, men mach ’t Gods Soon-dagh noemen,
Ia, en Gods Soen-dagh toe. Maer, laet ick ons verdoemen,
Waer ick van dryen gae, ick vind ons in de schuld.
God Son, God Soon, God Soen, hoe langh duert dijn geduld?
Hoe langhe lijdt ghy, Heer, dijn’ Soon-dagh, Soen-dagh, Sondagh,
Ondanckbaerlick verspilt, verspeelt, verspelt in Sond-dagh?

Constantijn Huygens (1596-1687)
uit: Heilighe dagen (1645)

———————————–

Hoe P.C. Hooft kleurenblind werd

Door Alan Moss

PCHooft

Zwart-witte afbeelding van P.C. Hooft.

Laat het aan historici en letterkundigen om de meest obscure anekdotes en spraakmakende details van hun favoriete schrijvers boven tafel te krijgen. Denk aan Grip, de opgezette raaf van Charles Dickens, het masturbatiedagboek van sprookjesschrijver Hans Christian Andersen of de vermeende nazi-sympathieën van Lucebert. Ook over mijn speeltuin, die van de zeventiende eeuw, worden soms smakelijke feitjes opgeduikeld. Soms blijken die niet te kloppen. Dat resulteert dan weer in een wat mij betreft veel smeuïger, Myth Busters-achtig artikel dat de zin van de onzin probeert te scheiden. Ik kan daar als zelfbenoemd pedant enorm van genieten. Door een ‘spectaculaire transcriptiefout’ en een biograaf die uit persoonlijke ervaring sprak, is weleens aangenomen dat de dichter en toneelschrijver P.C. Hooft (1581-1647) kleurenblind was. Hoe dan? Lees verder >>

Gedicht: Willem van Focquenbroch • Klinkdicht

Klinkdicht

Te denken dat in ’t eind myn staat eens zal verkeeren,
En dat ik eindelyk eens zal gelukkig zyn,
Te hoopen dat in ’t eind een heldre zonneschyn,
De nacht van myn verdriet eens uit myn ziel zal weeren.

Te zien dat in myn beurs de duiten wat vermeeren,
En dat ik daaglyks win dukaten by ’t dozyn;
Te hebben kelders vol van Fransche en Rinsche wyn,
Om, als ’t my wel gevalt, myn vrienden te trakteeren. Lees verder >>

Gedicht: Simon van Beaumont • Scheutige Jorden

Scheutige Jorden

Jorden reysde naer Amsterdam te mart
Met een stijve beurs, en een moedich hart,
Om alle kostelijckheyt te koopen;
Daer ginck hy alle winckels deur-loopen
Hy dede langen silvere lampetten,
Vergulde schroeven, goude braseletten;
Groote diamanten van veel caraten
Die keurde hy nauw voor deur op de straten;
Hy proefde ringen, of s’ hem oock pasten,
Hy sach fluweelen, satijnen , damasten
Turcksche Tapijten, Milaensche neêrbasen,
Schoone Porceleynen, Veneetsche glasen ,
Spiegels van ebben-hout, brand-ysers wichtich,
Kopere kroonen groot en opsichtich:
Hy taelde naer vermaerde Schilderijen,
Van de beste Meesters van d’ oude tijen
Van Lucas van Leyen, of Jan Mabuysen;
Naer lang geloop deur veelderley huysen,
Naer dat hy ’t al deur-pluyst en becnoeyt had,
En twintich winckel-knechts vermoeyt had;
Raet , wat hy kocht die sinnelijcke Jorden?
—Vier houte lepels en ses Taffel-borden.

Simon van Beaumont (1574-1654)

———————————–

The Big Bredero Battle – inzenden tot 1 december

Door Stichting Bredero 2018

Is een van uw studenten de nieuwe Bredero? Inspireer ze om een tekst van deze fantastische dichter te bewerken. Alles mag!

Inspiratie? Roos Blufpand bewerkte 2 liedjes voor de Brederoavond op 23 augustus; Thom Gerrits speelt de ambitieuze dichter in korte filmpjes.

Roos Blufpand zingt Eenicheydt is Armoedt:

Lees verder >>