Tag: 17e eeuw

Een Godt, ô Melibé, verleende ons deze rust. Vondel over vluchtelingen

Door Ton Harmsen

Hoe veilig je als Romein ook was, je kon wel van je land verdreven worden. Het overkwam boeren en herders in 42 voor Chr., toen Octavianus (de latere keizer Augustus) na de slag bij Philippi zijn legers moest afdanken. Om de veteranen te vriend en bij de hand te houden gaf hij hen land in de Povlakte, waarvoor honderden grote en kleine boeren hun bezit moesten verlaten. Het is een zwarte bladzijde in de biografie van de keizer.
De reactie van Vergilius op deze kwestie, in zijn eerste herdersdicht (ecloga of bucolicum), is gecompliceerd door zijn eigen situatie. Ook hij is van zijn land, in de buurt van Mantua, verdreven. Hij wist dus wat het was, slachtoffer te zijn van de confiscatie.

De hardhandig onteigende boeren waren machteloos, maar Vergilius zag in zijn faam als beginnende dichter een mogelijkheid om zich te redden. Hij reisde naar Rome om zijn zaak te bepleiten bij zijn mecenas Maecenas, en door diens interventie slaagde hij erin zijn grondgebied met speciale toestemming van Octavianus te behouden. Dankbaarheid (voor zijn eigen situatie) en verontwaardiging (over het onrecht dat zijn streekgenoten werd aangedaan) zijn het onderwerp van zijn eerste ecloga, een dialoog tussen twee herders. Tityrus heeft in Rome toestemming gekregen zijn vee en zijn land te behouden; Meliboeus is met alle anderen verbannen.

Lees verder >>

15 september 2019, Den Haag: Hofstedelezing ‘Jacob Cats’

Haags Historisch Museum, Schutterszaal
Lezing
prof. dr. Johan Koppenol

Jacob Cats (1577-1660) is de nestor van de drie grote dichters die rond 1650 buitenplaatsen aanlegden in en bij Den Haag. Hij was toen zo’n vijfenzeventig jaar oud, aan het eind van een lange, indrukwekkende loopbaan en – veel meer dan de twintig jaar jongere Constantijn Huygens en Jacob Westerbaen – op zoek naar rust, werkelijke rust. Tuinierend, lezend en schrijvend wilde hij zich voorbereiden op de dood. Dat teruggetrokken bestaan betekende niet dat hij wereldvreemd werd, want hij kreeg bezoek van familie, predikanten en een beperkt aantal vrienden. Voor zover hij nog aan het actieve leven deelnam, was dat als dichter. Hij publiceerde zijn verzameld werk in een spectaculaire uitgave en wisselde verzen uit met zijn literaire buren. Of Huygens daadwerkelijk op bezoek kwam is niet bekend, maar zeker is dat de onbesuisde grapjas Westerbaen onaangekondigd binnenviel op Sorghvliet. Een lezing over de oude Cats die bij de les gehouden wordt door een jongere generatie. Lees verder >>

Cats vergeet de moraal van het verhaal

Door Ton Harmsen

Den Haag in rep en roer

Een merkwaardig verhaal in de Trou-ringh van Jacob Cats is ‘Liefdes vosse-vel’. Het is pas in of na 1657, dus minstens twintig jaar na de eerste druk, toegevoegd en dan ook nog op een apart katern – mogelijk zelfs na de dood van Cats in 1660. De Trouwring (zoals de uitgever Jan Jacobz Schipper het dan spelt) verscheen als onderdeel van de Alle de wercken van 1658, en een los katern kan gemakkelijk achtergehouden worden; als Cats het niet gewenst heeft kan Schipper het na diens dood toch publiceren. Het is de vraag of Cats er zo blij mee was, en het is zeker dat hij goede redenen had om het verhaal achter te houden: het beschrijft een werkelijke gebeurtenis, kort geleden in Den Haag voorgevallen. De uitgever leidt het voorzichtig in:

Dit volgende Trou-geval is uyt den voorgaenden Druck gelaten om redenen, den Schrijver daer toe bewegende; maer nu by sekere gelegentheydt my ter handen zijnde gekomen, hebbe van ’t selve onse lants-luyden mede goet gevonden deelachtigh te maken. Datter goet in is mach nagevolght worden, het andere dient daer gelaten. Siet vorder de bedenckingen daer in steeckende, die achter het voorsz. Trou-geval zijn te vinden.

Lees verder >>

1 September 2019, Voorburg: Hofstede Lezing ‘Constantijn Huygens’ en rondleiding bij Huygens’ Hofwijck

Het muziektheaterstuk rond het leven van Jacob Westerbaen wordt voorafgegaan door drie Hofstede Lezingen die de vriendschappelijke band tussen Huygens, Cats en Westerbaen belichten. Constantijn Huygens heeft een leidende rol gespeeld in het 17de-eeuwse literaire leven van Den Haag. Naast zijn hofdicht ‘Hofwijck’ schreef hij nog meer bekende werken, zoals het gedicht ‘De Zee-straet van ’s Gravenhage op Schevening’, waarmee hij de aanleg ervan literair promootte.

RESERVERING Lezing en Rondleiding > klik hier
Lees verder >>

Bloemhofjes en Tijdverdrijvers: Schriftuurlijke Raadsels

Door Marti Roos

Naast boekjes met raadsels voor vermaak, zoals het Clucht boecxken, die sinds het midden van de 16e eeuw het licht zagen, verschenen er ook boekjes met zogenoemde schriftuurlijke of religieuze raadsels. Enerzijds sluiten deze aan bij catechismussen, waarin godsdienstige kennis met betrekking tot de bijbel en de geloofsleer werd overgebracht in de vorm van vraag en antwoord (eventueel voorzien van een vindplaats in de bijbel); anderzijds bevatten ze ook spitsvondige vragen over bijbelse curiosa afkomstig uit de kloostertraditie, die sinds de vroege middeleeuwen in verschillende handschriften zijn overgeleverd, en naar de titel van een aantal hiervan als Joca Monachorum (‘mopjes van monniken’) worden aangeduid. Zo werd in de schriftuurlijke raadselboekjes toch het leerzame met het aangename gecombineerd.

Lusthof

In 1679 verschijnt de Lusthof der goddelyke historien, of den christelijken tijdverdrijver, een lijvig boek om bijbelkennis op te doen door middel van vraag en antwoord. Het is een vertaling van het Duitstalige Christlicher Zeituertreiber, oder Geistlich Retzelbuch van de hand van Michael Sachs, een werk dat met zijn thematische indeling en quizachtige vragen bijzonder populair was. Het werk verscheen voor het eerst in 1593 (eerste deel) en 1597 (tweede deel) en werd meer dan twintig maal herdrukt. De Nederlandstalige Lusthof is vijfmaal herdrukt, voor het laatst in 1772.

Lees verder >>

5 september 2019, Leiden: Bert van Selm-lezing Willem Otterspeer

Op donderdag 5 september 2019 zal in Leiden de achtentwintigste Bert van Selm-lezing plaatsvinden met de voordracht van prof. dr. Willem Otterspeer (Universiteit Leiden) onder de titel: ‘Het mystieke getal. De Leidse prenten van 1610’.

 In deze lezing stelt Willem Otterspeer de vier bekende Leidse prenten uit 1610 centraal, met voorstellingen van de bibliotheek van de universiteit, het anatomisch theater, de hortus botanicus en de schermschool. Ze werden uitgegeven bij de Leidse uitgever Andreas Cloucq en gegraveerd door Willem Swanenburgh naar tekeningen van Jan Cornelisz. van ’t Woud. Otterspeer stelt vier vragen aan die prenten, de vier traditionele vragen uit de scholastiek: An sit? Quid sit? Qualis sit? en Propter quid sit? Ofwel: zijn het wel vier prenten, wat staat erop, wat is hun boodschap en in welke omgeving werden ze gemaakt? Bekend als de prenten zijn, hoopt Otterspeer op elk van die vier vragen een nieuw antwoord te kunnen geven. Beginpunt daarbij vormt een opmerking van Hastings Rashdall, die in zijn boek The Universities of Europe in the Middle Ages gewaagde van ‘het mystieke getal vier’. Afsluiten  doet hij met The Sign of Four van Arthur Conan Doyle, want hij hoopt niet alleen een intrigerende casus aan de orde te stellen, maar ook de ‘schuldige’ aan te wijzen.

Lees verder >>

Een mooie mengelmoes

Door Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp

Een mooie mengelmoes was dit jaar het nieuwjaarsgeschenk van het Meertens Instituut. Het was ook beperkt in de handel. Omdat die oplage nu is uitgeput, geven we het boekje hierbij vrij als pdf.

Taal was belangrijk in de Gouden Eeuw. Schrijvers, dichters, taalgeleerden en journalisten legden zelfbewust de basis voor wat het Standaardnederlands zou worden, een taal waarop iedereen even trots leek te zijn als op de nieuwe Republiek. Tegelijkertijd openden de Lage Landen zich voor de rest van de wereld, onder andere door de handel en het vroege kolonialisme, maar ook door belangstelling voor de ‘nieuwe’ kunsten uit Italië en Frankrijk. Bovendien kwamen door de grote welvaart heel veel migranten uit binnen- en buitenland naar Amsterdam.

In Een mooie mengelmoes laten Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zien dat het ontstaan van het Nederlands alleen kan worden begrepen tegen de achtergrond van al die talen en dialecten die er toen in de Lage Landen werden geschreven. De auteurs presenteren het eerste onderzoek naar de pas ontsloten schat van zeventiende-eeuwse kranten – Nederlandse drukkers zetten in dit eerste massamedium internationaal de toon – én ze laten zien hoe schrijvers buitenlandse modellen imiteerden, maar dat deden in ‘zuiver’ Nederlands en niet in een ‘mengelmoes’ van leenwoorden zoals die in het dagelijks leven werd gebruikt.

Nicoline van der Sijs en Marc van Oostendorp zijn allebei als senior-onderzoeker verbonden aan het Meertens Instituut; ze zijn ook allebei hoogleraar in Nijmegen.

Nederlandsche Historien

Door Lia van Gemert

P.C. Hooft (1581-1647) is vooral bekend gebleven om zijn gedichten, liedjes en toneelstukken. Maar zijn echte levenswerk waren de Nederlandsche Historien: de magistrale reconstructie van de periode 1550-1590, toen in België en Nederland de vrijheidsstrijd losbarstte. Hooft vertelt alles: de ideologie van deze opstand, de gevechten tegen de Spaanse vijand, de verdeeldheid in het Nederlandse kamp, de gevolgen voor de gewone mensen in de steden en op het platteland. En dat in een weergaloos proza, dat de lezers 1242 pagina’s lang onderdompelt in de sfeer van de zestiende eeuw, een tijd waarin in de Nederlanden een nieuwe wereld ontstond.

De 20 ‘boeken’ (delen) van de Nederlandsche Historien die tussen 1642 en 1654 verschenen zijn nu integraal raadpleegbaar en doorzoekbaar op de website van het Huygens Instituut. Ze zijn bovendien vertaald in het Nederlands van vandaag door drie specialisten: Eddy Grootes, Frank van Gestel en Arjan van Leuvensteijn. 

30 augustus 2019, Antwerpen: Jaarcongres Werkgroep de Zeventiende Eeuw –

Deugd & Ondeugd
Morele scherpslijperij in de zeventiende-eeuwse Nederlanden

Jan Steen, In Weelde Siet Toe (of: ‘De omgekeerde wereld’)

Programma

Keynote (Promotiezaal)

Johan Koppenol (VU) – Deugd verheugt: Moreel management in de Republiek

Sessie I:  Rampspoed (Kapel)

Hanneke van Asperen (RUNijmegen) – Van twist in de Republiek naar storm op de Zuiderzee

Marieke van Egeraat (RUNijmegen)  – God of wereld? Naar wie te wijzen na afloop van een ramp?

Lilian Nijhuis (RUNijmegen) – Een ‘onvoorsiense vlamm’ Conflict in gedichten over de brand van de Nieuwe Kerk in Amsterdam

Lees verder >>

Bourgondische raadsels uit Den Hof der Liefde

HofDerLiefde

Door Marti Roos

Den hof der liefde is een 18e-eeuwse, kleine handleiding voor het hofmaken. Het bevat raadgevingen over houding en gedrag, voorbeelden voor de jongen om een meisje aan te spreken, hetgeen al snel wordt gevolgd door het huwelijksaanzoek en het katholieke doopritueel, met daartussen een aantal gedichten. Hierop volgt een verzameling van 110 genoeglijke raadsels en 41 minneraadsels, en het geheel wordt afgesloten met vier korte minnebrieven en een lied. De raadsels beslaan ongeveer de helft van het 72 pagina’s tellende boekje.

Er zijn maar vijf exemplaren van Den hof der liefde bewaard gebleven, waaronder een druk uit 1728 in de Koninklijke Bibliotheek te Den Haag, en een druk uit 1738 in de Universiteitsbibliotheek van Gent. De veilingcatalogus van de Gentse uitgeverij Gimblet uit 1806 vermeldt nog een voorraad van 527 exemplaren.

Lappendeken

Een originele handleiding voor de vrijerij is Den hof der liefde niet, want het boekje is een complexe lappendeken van oudere teksten uit voornamelijk de 16e en 17e eeuw. De belangrijkste bronnen zijn enerzijds Le jardin d’amour, où il est enseigné la methode & addresse, pour bien entretenir une maistresse, een boekje voor de populaire markt, waarvan de oudst bekende druk uit 1671 is, en anderzijds de Nederlandstalige bewerking van Ovidius’ De arte amandi door Andries Nuts, De conste der minnen, waarvan de approbatie dateert van 29 augustus 1587.

Lees verder >>

21 juni 2019, Amsterdam: Lancering integrale hertaling Nederlandsche Historien

Op vrijdag 21 juni 2019 lanceert het Huygens Instituut voor Nederlandse Geschiedenis een website met de integrale vertaling van P.C. Hoofts Nederlandsche Historien, vervaardigd door Frank van Gestel, Eddy Grootes en Arjan van Leuvensteijn. U bent van harte uitgenodigd om daarbij aanwezig te zijn.

Wanneer:       Vrijdag 21 juni, 14.30 – 16.30 uur

Waar:                         Huygens ING, Oudezijds Achterburgwal 185, 1012 DK Amsterdam

Lees verder >>

Eersame lieve soen: een gemiste kans

Door Marc van Oostendorp

Michiel Heusch was een Hamburgse jongeman uit een Antwerps geslacht. In 1664 en 1665 reisde hij net als iedereen uit zijn kringen naar Italië. Met zijn familie onderhield hij contact per brief; zijn eigen brieven zijn niet bewaard gebleven, maar enkele van de brieven die zijn familie aan de ‘eersame, lieve soen’ schreef, wel.

Deze brief zijn nu door Verloren uitgegeven in een heel fraai geïllustreerd koffietafelboek, voorzien van annotaties door de taalkundige Marijke van der Wal die ook een inleiding schreef.

Het boek is werkelijk een lust voor het oog – eigenaardig genoeg wordt in het colofon wel een omslagontwerper en een typograaf genoemd, maar geen ontwerper voor het binnenwerk. Die persoon had best in het zonnetje worden gezet, want Michiel Heusch is een lust voor het oog.

Lees verder >>

400 Jaar Geleden: ik zijn

Door Ton Goeman

Een oostelijke dialect-onderstroom in de schrijftaal van de landsadvocaat:de ick-vorm van het werkwoord “zijn” in de bescheiden van Oldenbarnevelt

Op 13 mei 1619, vier eeuwen geleden, werd Van Oldenbarnevelt na een zeer dubieus proces in Den Haag onthoofd wegens landverraad en majesteitschennis. De procesgang was zelfs voor die tijd al dubieus; en buitengewoon dubieus was de samenstelling van de rechtbank, een speciale commissie gevuld met verklaarde vijanden van de landsadvocaat.

Dat was het voorlopige eindstation van jaren maatschappelijke onrust die het gevolg was van het feit dat er wel een kerkorde was afgesproken maar niet ingevoerd, dat, parallel daaraan er een functionerend staatsbestel was, maar met nog maar half uitgewerkte rollen voor de staatsinstellingen, dat er onenigheid was of men financiëel gezien de oorlog kon volhouden of dat er behoefte was aan veiligheid voor handel, dat er wel een wapenstilstand was, maar met tweedracht over de te volgen lijn en parallel daaraan of men coalities moest sluiten met Engeland of met Frankrijk. Hardliners die uit Vlaanderen en Brabant gevlucht waren dreven de kerk in fundamentalistische richting, en steunden de oorlogspartij. Daarbij raken de twee hoofdpersonen stadhouder Maurits en de landsadvocaat van Holland Oldenbarnevelt al van langer meer en meer van elkaar verwijderd.  Het land dreigde te bezwijken onder de polarisatie.

Lees verder >>

Doet mèn maah een bieahtje: het gebruik van mijn voor mij in het zeventiende-eeuwse Nederlands

Door Giulia Mazzola en Peter Alexander Kerkhof

Als je ooit met een Hagenees hebt gepraat, heb je het vast weleens gehoord: de dialectvorm “mèn” voor ‘mij’ in zinnen zoals “doet mèn maah un bieahtje”. Deze dialectvorm komt voor in de grammaticale functies van het meewerkend voorwerp, het lijdend voorwerp en na voorzetsels. Als klinkend kenmerk van het Haagse dialect komen we hem natuurlijk tegen in de beroemde dialectstrip Haagse Harrie. Maar wat weinigen zullen weten is dat “mijn” voor “mij” vroeger een goede kans maakte om Standaard Nederlands te worden. Wat blijkt namelijk? In zeventiende en achttiende eeuwse brieven vinden we geregeld “mijn” waar we in het standaard Nederlands “mij” gebruiken. In dit artikeltje willen we kort uit de doeken doen waar de mijn-vorm vandaan komt en hoe uiteindelijk “mij” in de standaardtaal de overhand heeft gekregen. Lees verder >>

Het 17e-eeuwse Nederlands van Rembrandt

Door Roland de Bonth i.s.m. Dirk Geirnaert

In 2019 is het precies 350 jaar geleden dat de nu wereldberoemde Rembrandt van Rijn (1606-1669) overleed. Ter gelegenheid van dit herdenkingsjaar lanceerde ING, als hoofdsponsor van het Rijksmuseum, op donderdag 28 februari 2019 de ‘Rembrandt Tutorials’: een reeks YouTube-schilderlessen waarin de grote meester zelf zijn leerlingen toespreekt. Aan de lancering ging een grondige voorbereiding vooraf, waarbij het Amsterdamse reclamebureau J. Walter Thompson een belangrijke rol speelde. Dit bureau ging daarbij niet over één nacht ijs:  het benaderde specialisten uit diverse disciplines om Rembrandts schildertechniek, zijn karakter, zijn taalgebruik en stem zo goed mogelijk te reconstrueren (zie hier). Lees verder >>

Call for papers: Congres Werkgroep De zeventiende eeuw, Antwerpen, 30 augustus 2019

Deugd & Ondeugd. Morele scherpslijperij in de zeventiende-eeuwse Nederlanden

Jan Steen, In Weelde Siet Toe (of: ‘De omgekeerde wereld’)

Deugd en ondeugd waren alomtegenwoordig in de zeventiende eeuw. Morele lessen zaten verpakt in de literatuur van Jacob Cats, in Bredero’s toneel, in Arnout van Overbeke’s moppen, in de beelden van Artus Quellinus en in de schilderijen van Jan Steen. Normen over zedelijk gedrag werden ook vrolijk rondgebazuind in schuine liedjes en stuiverromans, in vertrouwelijke brieven, roddel en achterklap. Katholieke priesters uit het zuiden ontketenden een nieuw zedelijkheidsoffensief doormiddel van donderpreken, biecht en catechese, terwijl predikanten in het noorden hun schaapjes vanuit de kerkenraad op koers probeerden te houden. Daarbij werd het doel lang niet altijd bereikt. Deugd en ondeugd waren eveneens belangrijk thema’s in de ordonnanties van stad en staat, in de reglementen van ambachten, gilden en schutterijen, en in humanistisch geïnspireerde etiquetteboekjes. Doormiddel van exemplae uit de Klassieke Oudheid of de meer recente vaderlandse geschiedenis probeerden biografen hun lezers een spiegel met voorbeelden van deugdzaam gedrag voor te houden. Datzelfde gold voor de vele reisbeschrijvingen over allerlei uithoeken des werelds, waarin het gedrag van Indianen, Oosterlingen, Arabieren en andere vreemde volkeren soms als navolgenswaardig, maar vaker als het tegenbeeld van beschaafd en keurig gedrag geportretteerd werd. Lees verder >>

Philip Sidney en de vrouw van Willem van Oranje

Door Marc van Oostendorp

Philip Sidney

De Britse hoveling Philip Sidney (1554-1586) wordt niet alleen op verschillende plaatsen in Nederland geëerd vanwege zijn hulp in de strijd tegen de Spanjaarden, maar hij heeft ook een niet helemaal begrepen plaats in de ontwikkeling van de Nederlandse poëzie. Tot de Engelse dichtkunst waren al renaissancevormen doorgedrongen, zoals het sonnet, die in Nederland net opkwamen en het is volgens mij nog niet helemaal duidelijk welke rol Sidney, die in Nederland tal van contacten had, speelde bij de vernederlandsing van die vormen.

Sidney gebruikte zoals sommige andere (Engelse) tijdgenoten de term sonet overigens ruim, voor allerlei soorten van zingbare gedichten. Hij schreef zelfs een sonet op de wijze van het Wilhelmus:

WHO hath his fancy pleasèd
With fruits of happy sight;
Let here his eyes be raisèd,
On Nature’s sweetest light;
A light which doth dissever
And yet unite the eyes,
A light which, dying never,
Is cause the looker dies.

(enz.)

Lees verder >>

Stokske

Door Wiel Kusters

Vermoedelijke stok van Johan van Oldenbarnevelt, Collectie RIjksmuseum

Veel aandacht van historici dit jaar voor Johan van Oldenbarnevelt, raadpensionaris van de Staten van Holland tijdens de Tachtigjarige Oorlog. Na een politiek proces door onthoofding ter dood gebracht op het Haagse Binnenhof, 13 mei 1619.

Vondel eerde hem met een gedicht, dat in latere tijd door generaties middelbare scholieren verplicht gelezen werd.

Er is in dit ‘Stokske van Joan van Oldenbarnevelt, Vader des Vaderlands’ (1657) sprake van een wonderlijk verbond: ‘Mijn wens behoede u onverrot,’ zegt de dichter tegen de stok van de ter dood gebrachte staatsman, aan het begin van zijn gedicht. En de laatste regel luidt: ‘Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.’ Het gedicht behoedt de stok en die stok houdt het gedicht overeind.

Mijn wens behoede u onverrot,
O Stok en stut, die, geen verrader,
Maar ’s vrijdoms stut en Hollands Vader
Gestut hebt, op dat wreed schavot;
Toen hij voor ’t bloedig zwaard most knielen,
Veroordeeld, als een Seneka,
Door Nero’s haat en ongenâ,
Tot droefenis der braafste zielen.
Gij zult nog, jaren achter-een,
Den uitgangk van dien held getuigen,
En hoe Geweld het Recht dorf buigen,
Tot smaad der onderdrukte Steên.
Hoe dikwijl strekt gij, onder ’t stappen
Naar ’t hof der Staten, stadig aan,
Hem voor een derden voet, in ’t gaan
En klimmen, op de hoge trappen;
Als hij, belast van ouderdom,
Papier en schriften, overleende,
En onder ’t lastig landspak steende!
Wie ging, zo krom gebukt, nooit krom!
Gij rustte van uw trouwe plichten
Na ’t rusten van dien ouden stok,
Geknot door ’s bloedraads bittren wrok:
Nu stut en stijft gij nog mijn dichten.

Vondel was zeventig toen hij deze regels schreef, bijna net zo oud als Oldenbarnevelt in 1619, het jaar van zijn dood. Het kan haast niet anders of Vondel heeft zich bij het schrijven van zijn ‘Stokske’ tot op zekere hoogte met Oldenbarnevelt geïdentificeerd. Nog sterker dan toen hij zijn ‘Geuze-vesper’ schreef, rond 1631, zal hij zich bewust zijn geweest van de grimmigheid van Oldenbarnevelts executie, de onthoofding van een oude man, wiens bloed toch al ‘in d’aders schier verstorven’ was. Lees verder >>

Constantijntje (en Rembrandts Ganymedes)

Door Wiel Kusters

Onlangs viel mijn oog weer eens op Vondels bekende ‘Kinder-lijk’ uit 1632, een gedicht zo vertrouwd dat men het, gedreven door een verlangen naar herkenning, in minder dan geen tijd doorleest, zonder daarbij nog te proberen het als nieuw te ervaren.

Constantijntje, ’t zalig kijndtje,
Cherubijntje, van omhoog,
d’IJdelheden, hier beneden,
Uitlacht met een lodderoog.
Moeder, zeit hij, waarom schreit gij?
Waarom greit gij, op mijn lijk?
Boven leef ik, boven zweef ik,
Engeltje van ’t hemelrijk:
En ik blink er, en ik drink er,
’t Geen de Schinker alles goeds
Schenkt de zielen, die daar krielen,
Dertel van veel overvloeds.
Leer dan reizen met gepeizen
Naar palaizen, uit het slik
Dezer werreld, die zo dwerrelt.
Eeuwig gaat voor ogenblik.

Waarschijnlijk stond mijn hoofd niet erg naar klanken: ik hoorde de ‘muziek’ van de vele rijmen niet meer en zag om te beginnen vooral de naam Constantijntje in zijn oorspronkelijke betekenis: de Standvastige. Vondels ‘zalig kijndtje’ vertegenwoordigt de standvastigheid met name in de laatste regels van het gedicht, waar hemelse paleizen tegenover de bedrieglijkheid en vergankelijkheid van de wereld worden geplaatst. De ‘werreld, die zo dwerrelt’ lijkt, wanneer Vondel het aldus formuleert, een wereld waarop het sneeuwt of een wereld van aanhoudend vallende bladeren. Verval en schone schijn. ‘IJdelheden’ inderdaad. Lees verder >>

Liefde in het gekkenhuis

Door Elly Groenenboom-Draai

Onlangs, op 28 januari, werd in Neerlandistiek de verschijning gemeld van een nieuwe editie met moderne prozahertaling van Willem van Focquenbrochs blijspel Min in ’t Lazarus-huys.

Enthousiast ging Marc van Oostendorp ermee aan de slag; in een videofilmpje kunnen we het resultaat daarvan bewonderen: na een korte bespreking van het thema van het stuk volgt een voordracht van een scène uit het derde bedrijf, waarbij hij beurtelings de oorspronkelijke zeventiende-eeuwse tekst en de moderne vertaling declameert. De video is te zien op YouTube.

De Min in ’t Lazarus-huys is, ook voor de huidige lezer of toeschouwer, een levendig, geestig en humoristisch stuk, dat opvalt tussen veel ander zeventiende-eeuws toneelwerk dat zich nogal eens kenmerkt door een zekere mate van hoogdravendheid. Bij Focquenbroch ontbreekt die volledig, en dat komt de toegankelijkheid ten goede. Tot in de twintigste eeuw werd het stuk dan ook opgevoerd door grote toneelgezelschappen als de Haagse Comedie en het Rotterdams Toneel. Een voorstelling van dit laatste gezelschap, vanzelfsprekend in de oorspronkelijke taal, heb ik als scholier nog (met plezier) bijgewoond. Lees verder >>

De Leeuwendalers: Vondel imiteert Vergilius

Door Ton Harmsen

In 1646, een jaar voor het pastorale toneelstuk Leeuwendalers, publiceert Vondel zijn vertaling in proza van de verzamelde werken van Vergilius. De Herdersdichten voorop, dan de Lantgedichten en tenslotte de Aeneis. Die volgorde is de gebruikelijke, en Vondel zal hem gewaardeerd hebben: zijn interesse gaat in die periode uit naar de irenische en idyllische poëzie. Het frontispice van Jan Matham toont bovenaan keizer Augustus tronend op zijn adelaar, daaronder het portret van Vergilius, links de personificatie van het boerenbedrijf met vee, vruchten en bijen, rechts Calliope, de muze van het heldendicht met leeuw, klaroen en penaten, en onderaan de Mantuaanse zwaan als personificatie van Vergilius. Vondel draagt het werk op aan Constantijn Huygens, die hij aanspreekt als secretaris, rechterhand van Frederik Hendrik. Niet om geld te krijgen van de dichter of van de prins, zo naïef is Vondel niet. Met zijn herhaalde afwijzing van de bellicose politiek van de stadhouder heeft hij alle sympathie in Den Haag verloren.
Lees verder >>

Podcast over de oerpremière van Gijsbreght van Aemstel in de Amsterdamse Schouwburg

21 januari 1638. Het is alweer bijna drie weken geleden en het zoemt rond in Amsterdam: ben je al in die nieuwe Schouwburg geweest, heb je dat stuk van Vondel gezien? Het loopt storm! Na alle reuring vooraf over ongewenste roomse taferelen zijn er toch geen rellen uitgebroken. Integendeel: de reacties zijn enthousiast. Er wordt gezegd dat het stadsbestuur deze week eindelijk zal komen kijken, nu de kust veilig is. Ze kunnen moeilijk nog langer wegblijven!

In de podcast Gijsbreght van Aemstel – De Nieuwjaarsduik nemen Mathijs Deen, Imre Besanger, Frans Blom, Lia van Gemert en Sanne Hermans je in een half uur mee naar de opening van de Schouwburg aan de Keizersgracht op 3 januari 1638. Luister mee via Spotify of Podbean.