Een digitale ivoren toren voor de geesteswetenschappen

Heerste er vijf jaar geleden in ambtelijke kringen nog vooral desinteresse en cynisme over alles wat met het Internet te maken had, ineens is digitialisering een buzzword. Een eerzaam onderzoeker kan de straat niet op, of hij wordt besprongen door een ambtenaar die hem wil overhalen een database samen te stellen. Dan moet je pas echt op je hoede zijn. Nu heeft het Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen van NWO weer een nota doen uitgaan, onder de titel Een Digitale Bibliotheek voor de Geesteswetenschappen. Dat is heel verheugend, zou je denken. Tot je die nota daadwerkelijk begint te lezen.

In de inleiding wordt hoog van de toren geblazen. Er moet een virtuele digitale bibliotheek komen voor álle geesteswetenschappen én voor de cultuur. Wat de zin van die combinatie van vakgebieden is wordt niet duidelijk gemaakt. Uit het rapport blijkt vooral dat de digitale wensen van onderzoekers in de verschillende geesteswetenschappen minstens evenveel van elkaar verschillen als van onderzoekers in allerlei andere disciplines. Een database voor taal- en spraaktechnologie heeft voor een theoloog evenveel waarde als de gegevens van de Hubble-telescoop. Aan de andere kant zou een sociolinguïst wel eens heel vruchtbaar gebruik kunnen maken van de gegevens uit een sociologische database. Het heeft, kortom, behalve om ambtelijke redenen, weinig zin om de Geesteswetenschappen digitaal bij elkaar te zetten zonder na te denken over de onderlinge verbanden, en die met andere onderzoekers.

De opsteller van de nota heeft ook weinig oog gehad voor de veranderingen die het Internet echt teweeg kan brengen — dat iedereen met iedereen heel gemakkelijk kan samenwerken; de mensen van het onderzoek met de mensen van de cultuur, de mensen van de archieven met de mensen die om zogenaamd oneigenlijke redenen geïnteresseerd zijn (laten we zeggen om de eigen familiegeschiedenis na te speuren). Volgens deze nota moet er met niemand buiten het officiële academische onderzoek samengewerkt worden; de onderzoekers van de universiteiten moeten alles zelf doen, en ook vooral verder niet nadenken over de manier waarop het onderwijs of het grote publiek iets aan al hun materiaal zou kunnen hebben. “Educatieve projecten en projecten voor het grote publiek kunnen […] beter niet met onderzoeksprojecten gecombineerd worden, tenzij speciaal rekening gehouden wordt met de wensen van de onderzoekers”, stelt de nota, en vervolgt: “Onderzoeksprojecten op basis van digitaal materiaal bieden wel een interessant uitgangspunt voor het opzetten van educatieve projecten en publieksprojecten.” Met andere woorden, als anderen eventueel de door de onderzoekers bijeengebrachte Verzamelde Werken van Jacob van Maerlant — een project dat in deze nota zo vaak genoemd wordt dat je de indruk krijgt dat dit er in ieder geval wel zal komen — willen gebruiken om iets aan scholieren of aan het brede publiek te vertellen, mogen ze hun gang gaan. Maar vraag dit alles niet aan de onderzoeker.

Die onderzoeker stelt in de beslotenheid van zijn digitale ruimte een wetenschappelijk verantwoorde editie samen ten bate van zijn collega, zonder zich erom te bekreunen dat precies hetzelfde materiaal met een paar filters gemakkelijk geschikt kan worden gemaakt voor andere geïnteresseerden, terwijl dit niet eens ten koste hoeft te gaan van de wetenschappelijke kwaliteit van zijn bestanden. De nota is er zoals gezegd zelfs expliciet tegen dat de onderzoeker zoiets vernieuwends doet. Zoals de nota ook geheel voorbijgaat aan het feit dat mensen zonder doctorandusdiploma soms op het Internet dingen doen waar je als onderzoeker iets aan hebt, al is het maar als onderzoeksobject. Ik heb zelf een verzameling links naar websites in streektalen gemaakt, die materiaal biedt voor bijvoorbeeld onderzoek naar verschillen in dialectattitude tussen regio’s. Ook dat valt niet binnen de door NWO goedgekeurde activiteiten. ‘Een digitale ivoren toren voor de Geesteswetenschappen’ was een betere titel voor de nota geweest.

Wie geïnteresseerd is in sterrenkunde kan via Internet de prachtigste onderzoeksresultaten op zijn scherm krijgen: foto’s, uitleg over projecten, rapportages. Voor een belangrijk deel wordt die voorlichting gedaan door de onderzoeksinstellingen zelf. Wie vorig jaar ineens geïnteresseerd raakte in het werk van de Nederlandse natuurkundigen ’t Hooft en Veltman, kon daar in een mum van tijd een heldere uitleg over krijgen — op de pagina’s van ’t Hooft. In die vakken is het kennelijk niet nodig om een enorme barrière te leggen tussen de leek en de vakman. Waarom zou dat dan in de geesteswetenschappen wel moeten?

Er zijn meer lacunes aan te wijzen. Bepaalde respectabele vakgebieden in de Letteren ontbreken bijvoorbeeld volledig of nagenoeg volledig. Zo krijg je de indruk dat met ‘taal en spraak’ vooral ‘taal- en spraaktechnologie’ wordt bedoeld, en dat er in ieder geval gekozen is voor het moderne Nederlands. Andere talen komen nauwelijks aan de orde, maar ook dat er misschien wel eens taalkundigen geïnteresseerd zouden kunnen zijn in corpora van teksten van voor de twintigste eeuw, is de notaschrijver ontgaan. Zo iemand zou namelijk meestal meer baat hebben bij een redelijk omvangrijke collectie met allerlei soorten teksten van allerlei soorten auteurs en dat is wat we volgens de nota nu net niet moeten hebben. (De Verzamelde Werken van Jacob van Maerlant zijn vooral voor allerlei soorten onderzoek natuurlijk heel geschikt, maar nu net niet om een doorsnede van het Nederlands uit Jacobs tijd te krijgen.)

Bovendien ontbreken er heel wat toepassingen die een digitale bibliotheek zou kunnen hebben. Bijna alle aandacht gaat uit naar het verzamelen van primaire bronnen — corpora en databases. Er wordt gesuggereerd dat de komst van deze bronnen van de geesteswetenschappen pas échte wetenschappen zullen maken: “De inmiddels klassiek geworden uitspraak ‘de bibliotheek is het laboratorium van de geesteswetenschapper’ krijgt daarmee voor het eerst een reële betekenis”. Maar veel onderzoekers hebben helemaal geen behoefte aan overstelpende hoeveelheden materiaal — zelfs de informanten voor de nota zélf bleken over het algemeen al die digitale middelen belangrijker te vinden voor het vakgebied als geheel dan voor hun eigen onderzoek. Toch hebben die onderzoekers baat bij elektronische middelen, bijvoorbeeld als publicatiemedium. Een belangrijk communicatiemiddel als Neder-L wordt (voor zover ik kan nagaan) nergens genoemd, noch de gedachte dat er misschien depots van (ongepubliceerde) artikels, en dat er geredigeerde digitale tijdschriften zouden moeten komen.

Zoals er ook geen aandacht wordt besteed aan het gebruik van het Internet zélf als onderzoeksobject voor mensen die belang stellen in allerlei aspecten van de moderne taal en cultuur. Moeten er geen goed geannoteerde lijsten komen van primaire en secundaire bronnen die nu al buiten de digitale ivoren toren zijn opgebouwd? Moeten sommige websites niet ergens gearchiveerd worden, zodat hun materiaal niet verloren gaat als de eigenaars het bijltje erbij neergooien? Moeten er geen digitale instrumenten worden ontwikkeld om het Corpus Internet te kunnen bestuderen? Op dat soort vragen gaat de nota niet in. De ‘digitale bibliotheek’ van NWO is goed beschouwd een heel gewone bibliotheek die toevallig gedigitaliseerd is zodat je er snel in kan zoeken. Met een stevige muur eromheen, zodat niemand naar binnen kan die niet minstens een doctoraaldiploma van de juiste faculteit op zak heeft. Een echte visie op het wezen van de digitale ruimte, en de veranderingen in denkwijze die deze voor de onderzoeker meebrengt (de geïnteresseerde leek kan als het ware elke dag op je vingers meekijken; je kunt heel makkelijk gebruik maken van materiaal dat anderen voor je verzamelen, maar er moet een standaard bedacht worden voor de manier waarop dat soort verrijkingen worden opgeslagen; het grote woelige Internet zélf zou wel eens een belangrijk onderzoeksobject kunnen worden voor contemporain onderzoek; enzovoort) ontbreekt.

Ach, zou je kunnen denken. Er wordt toch in ieder geval geld in digitalisering gestoken? En iedereen zou toch al heel blij zijn als in ieder geval die editie van Van Maerlant er is? Daarmee is toch niets verloren? Ik zou heel blij zijn met die digitale Van Maerlant. Maar volgens mij is ook deze nota weer een gemiste kans: weer heeft niemand zijn nek durven uitsteken, weer is er geen visie ontwikkeld. De desinteresse en het cynisme zijn er in ambtelijke kringen en bij de meeste onderzoekers nog steeds. Al zijn ze door de hype wat ondergronds geraakt.

Marc van Oostendorp oostendo@euronet.nl

Dr. E. Viskil. Een digitale bibliotheek voor de geesteswetenschappen. Aanzet tot een programma voor investering in een landelijke kennisinfrastructuur voor geesteswetenschappen en cultuur. NWO-Gebiedsbestuur Geesteswetenschappen, december 1999.

Millenniumprijsvraag 1999: Wandelen van Oud naar Nieuw

Een traditie moet van tijd tot tijd veranderen. Toen het instituut van de Grote Neder-L Kerstprijsvraag enkele jaren geleden werd ingesteld, besloot de jury deze prijsvraag de vorm te geven van twaalf vragen over de Nederlandse taal en literatuur, waarop de deelnemers een antwoord moesten vinden met gebruikmaking van het Internet.

De kerstprijsvraag van 1998 leverde in drie opzichten een groot schandaal op. In de eerste plaats deden er slechts twee personen mee, in de tweede plaats wonnen allebei deze personen de hoofdprijs, in de derde plaats hebben allebei de winnaars door een administratieve vergissing hun hoofdprijs nooit ontvangen.

Zo kon het niet langer, besloot daarom onlangs de het bestuur van de stichting. De vorige jury werd van haar taken ontheven, er werd een nieuwe jury geformeerd die de moeilijke taak kreeg een nieuwe formule te bedenken “die ook de jongeren in het studiehuis zou aanspreken” en de inderhaast samengestelde nieuwe jury verbond zich ertoe om de hoofdprijs van dit jaar in ieder geval ook uit te reiken aan de deelnemers van het vorige jaar, en dat op zo kort mogelijke termijn.

De Grote Neder-L Millenniumprijsvraag heeft niet langer de vorm van een oubollige kwis. De tijd dat je al een wizzkid moest zijn om iets op het Internet te kunnen vinden is voorgoed voorbij. Bovendien vindt de jury het nodig om ook de creatieve gaven van de deelnemers dit jaar aan te spreken. Een laatste voorwaarde was dat ook in Neder-L nu eindelijk eens aandacht moest worden besteed aan de hoe dan ook met rasse schreden naderende millenniumwisseling, al was het maar in de vorm van een verwijzing naar de rijke historie.

Het geheel nieuwe opgaveconcept luidt: maak een virtuele wandeling over het Internet van ‘oud’ naar ‘nieuw’. ‘Oud’ staat in dit verband voor een digitale editie van het fragment ‘hebben olla uogala nestas hagunnan hinase hic anda thu uuat unbidan uue nu’, dat u ergens op Internet kunt vinden en dat we voor het gemak zullen beschouwen als de eerste Nederlandstalige tekst. ‘Nieuw’ staat voor het laatste artikel uit Neder-L van dit jaar (uitgezonderd het tijdschriftenoverzicht), dat wil zeggen de column van Willem Kuiper, die het einde van het millennium behandelt. De wandeling moet een manier zijn om van het ene document naar het andere te komen door alleen maar hyperlinks te volgen; iemand die op het begindocument begint en vervolgens alleen zijn muis gebruikt, moet de wandeling kunnen volgen om uiteindeijk op het einddocument uit te komen.

Onderweg moeten in chronologische volgorde minstens vijf hoogtepunten uit de Nederlandse taal- of literatuurgeschiedenis worden aangedaan. Deze hoogtepunten moeten gepresenteerd zijn op websites die (a) al bestaan op het moment dat deze wedstrijd gepubliceerd wordt, (b) elk op een andere servercomputer staan (u mag dus bijvoorbeeld hooguit een van de pagina’s van de Koninklijke Bibliotheek als hoogtepunt aanmerken). Waarschijnlijk hebt u telkens enkele tussenliggende stappen nodig om van het ene hoogtepunt naar het andere te komen. Deze mogen zo nodig wel van dezelfde servercomputer komen (u mag net zoveel pagina’s van de Koninklijke Bibliotheek in uw wandeling betrekken als u nuttig lijkt, maar er mag slechts één hoogtepunt zijn.)

Er zijn waarschijnlijk oneindig veel van dergelijke wandelingen te bedenken. De jury zal bij de beoordeling van de inzendingen onder meer letten op kortheid van de wandeling, originaliteit, de interessantheid van de hoogtepunten en van de wandeling als geheel en breedheid van de onderwerpkeuze. De inzending bestaat uit een lijst van alle Internet-adressen die onderweg worden aangedaan, met een markering van welke vijf adressen als ‘hoogtepunt’ worden aangemerkt.

De hoofdprijs bestaat uit naar keuze het boek Computers en taal van Marc van Oostendorp (Sdu/De Standaard, 1999) of de Onze Taal Taalkalender (Sdu/De Standaard, 1999). Zoals gezegd zal een van deze boeken ook gaan naar de winnaars van 1998 (meld u!). Als zij dit jaar weer winnen, krijgen zij allebei de boeken. De inzendingen moeten voor 29 januari 2000 08:30:00 (Middeneuropese tijd, volgens de computers van het Meertens Instituut) via e-mail ontvangen zijn op het adres
Marc.van.Oostendorp@Meertens.knaw.nl. Zoals elk jaar wordt elke manier om de jury goedgunstig te stemmen in de overweging betrokken.

Taalkunde en taalgevoel

Door Marc van Oostendorp

Aan mensen met taalgevoel heb ik een broertje dood. Ze hebben vaak zo weinig plezier in het leven. Muziekliefhebbers kunnen nog wel eens enthousiast vertellen over een mooie opname van de Winterreise zonder de hele tijd aan je kop te zeuren over het deuntje dat het 8-uurjournaal inluidt.

Vogelliefhebbers leven hun liefde niet alleen maar uit door ingezonden brieven te schrijven over de lelijkheid van de tegenwoordige duiven op de Dam. Van sommige francofielen heb je de indruk dat ze liever over een fles goede wijn praten dan over een natte kurk. Maar voor taalminnaars lijkt de ergernis zwaarder dan het enthousiasme: hen hoor je nooit over een prachtige nieuwe ontwikkeling in de taal, hen hoor je alleen maar klagen over hoe lelijk alles is en hoeveel lelijker alles almaar wordt. Lees verder >>

Leibniz in de Bijlmer

Door Marc van Oostendorp

Sommige zeventiende-eeuwse wetenschappers waren ontevreden met de bestaande talen, die rommelig in elkaar staken, vol kronkels zaten en waarin de structuur van het woordenboek geen enkel verband hield met de structuur van de werkelijkheid; als je de woorden alfabetisch rangschikte kwamen er woorden naast elkaar te staan die geen enkel verband met elkaar hielden.

Ze lieten het er niet bij zitten. Ze bedachten nieuwe, ‘filosofische’, talen die gemakkelijk te leren zouden zijn en waarmee wetenschappers in heel Europa op een efficiënte manier konden communiceren. Een van hen, Gottfried Wilhelm von Leibniz, dacht zelfs dat zo’n filosofische taal een instrument zou kunnen zijn om het denken aanzienlijk te verbeteren: wat de microscoop was voor het oog, was een verbeterde taal voor het rationele denken en zoals de formule ‘a2 + a3‘ in zekere zin makkelijker te begrijpen en in gedachten te manipuleren is dan ‘de som van het kwadraat van een getal en de derdemachtswortel van datzelfde getal’, zo zou de juistheid of onjuistheid van zinnen in de armetierige bestaande talen zoals het Latijn veel gemakkelijker kunnen worden aangetoond als ze werden omgezet in een filosofische taal. Lees verder >>

Lang leve de leunstoel

Door Marc van Oostendorp

In de vakbladen smaalden onlangs sommige onderzoekers over de leunstoel als onderzoeksinstrument, dat volgens hen alleen in een ivoren toren paste. Leunstoeltaalkunde was een scheldwoord voor het soort theoretische taalkunde dat vooral de intuïties van een klein groepje moedertaalsprekers tot zijn data rekent. Echte wetenschappers deden veldwerk! Zij gingen de straten op, de laboratoria in, de wereld door!

Omgekeerd is er natuurlijk ook jarenlang gesmaald op die onderzoekers die zo dom waren de leunstoel te verlaten, maar langzamerhand wordt het volgens mij een beetje mal om nog verschil te maken tussen leunstoeltaalkunde en andere soorten onderzoek naar taal. De leunstoel wint ook in de minder hermeneutische takken van de taalkunde terrein. Je kunt tegenwoordig zo enorm veel gegevens met zoveel gemak bereiken zonder je leunstoel te verlaten, dat het verschil tussen die zogenaamde leunstoeltaalkunde en andere vormen van taalkunde wel moet vervagen: een theoreticus zou wel gek zijn als hij af en toe niet eens even snel een hypothese testte aan de hand van het corpus dat het Internet is; en iemand die dol is op gegevens hoeft zijn leunstoel ook niet meer uit. Lees verder >>

Studio Taalwetenschap

Door Marc van Oostendorp

Zolang ik de taalkunde van nabij ken, heerst er malaise in het vak. Twaalf jaar geleden deed ik mijn propedeuse. No nonsense was het toverwoord in de politiek en de maatschappij, de mensen zeiden tegen elkaar dat het ‘slecht ging met de economie’, en er kon dus geen geld meer worden uitgegeven aan luxeartikelen, zoals het vak dat ik net was begonnen me eigen te maken. Ik kan me maar één docent herinneren die zich één keer een béétje optimistisch over de toekomst van het vak uitsprak: de docent syntaxis zei dat we in de academische wereld nu duidelijk een dieptepunt beleefden, dat het vanaf nu alleen maar beter kon worden; als wij zouden afstuderen, konden we AiO worden en daarna lag de wereld voor ons open.

Sinds die tijd is het alleen maar slechter geworden. De economie is, zegt men, tot grote bloei gekomen, het geld kan men bij wijze van spreken zo van de straat scheppen, maar bij de taalkundeafdelingen (en, neem ik aan, de letterkundeafdelingen) van de universiteiten is in die twaalf jaar nauwelijks iemand komen werken die voor die tijd niet al ergens aan een universiteit werkte. Voor luxeartikelen zoals het vak dat ik me nog steeds wanhopig probeer eigen te maken is misschien wel geld, maar kennelijk heeft niemand zin om het geld ook op die manier uit te geven. Lees verder >>

Uitslag kerstprijsvraag 1998

Door Marc van Oostendorp

Onlangs werd ook mij een baan aangeboden met een goed salaris, een lease-auto en een mobiele telefoon. De onbekende die me over deze baan aanschreef, werkte bij een bedrijf dat `erotische websites’ maakte. Het bedrijf zocht iemand die veel van zoekmachines wist om hen te helpen hun website `vindbaar’ te maken. Mijn correspondent had de indruk dat ik zo iemand was omdat ik wel over zoekmachines geschreven heb. Ik heb het aanbod maar niet aangenomen. Ik zoek nog verder naar een passende werkkring.

Gezien de rijkdom en roem die je met goed zoeken op Internet moeiteloos verwerven kunt, is het misschien een wonder dat er toch nog twee deelnemers aan de prijsvraag hebben deelgenomen. Waarom je talenten verspillen aan het winnen van een t-shirt als je met evenveel moeite in het bezit kunt komen van een driedelig pak?

De twee deelnemers waren allebei nog even goed ook: ze misten allebei 1 vraag. Dat was gelukkig niet dezelfde. Daarnaast lieten ze in de details van de beantwoording allebei af en toe een steekje vallen, maar daar was weinig verontrustends bij. De vergadering van de jury kon daarom dit jaar zeer kort zijn. Het enige punt van discussie was nog dat een van de inzenders een kamergenoot was van de juryvoorzitter: was het wel veroorloofd om zo iemand een prijs te geven? De voorzitter maakte echter spoedig een einde aan deze discussies door erop te wijzen dat de reglementen wel familieleden van Neder-L-redacteuren uitsluiten, maar geen kamergenoten. Lees verder >>

Kerstprijsvraag: faits divers

Door Marc van Oostendorp

Je hoort wel eens dat de ontwikkelingen op het Internet zo snel gaan, maar in de neerlandistiek is het allemaal best bij te houden. Zeker, in het afgelopen jaar hebben een paar belangrijke organisaties eigen websites geopend: de Taalunie, het Constantijn Huygens Instituut, het INL en het Letterkundig Museum bijvoorbeeld. Maar echt indrukwekkend groot en rijk zijn die websites nog niet. En de instituten voor neerlandistiek blijven met enkele uitzonderingen (die vorig jaar ook al uitzonderingen waren) nog steeds een beetje achter.

De vragen in de traditionele kerstprijsvraag van dit jaar beperken zich dan ook tot faits divers uit het vakgebied; er worden weinig substantiële kwesties in aangesneden. De enige reden is dat ook u allen die dat leest vooralsnog lijkt te weigeren echt massaal uw onderzoeksresultaten op Internet te publiceren. Voor diepgang moet je nog steeds niet op het Internet zijn. Lees verder >>

De witte Cadillac van Harry Mulisch

Door Marc van Oostendorp

Nu de Nobelprijs voor de literatuur alweer aan Harry Mulisch voorbij is gegaan, doet zich de vraag voor in welk vak we hem een eredoctoraat moeten uitreiken. Mulisch’ nieuwste roman De procedure voegt twee nieuwe vakken toe aan het lijstje waarvoor Mulisch toch al in aanmerking kwam (scheikunde, filosofie, muziekwetenschap, politicologie): de informatiekunde en de taalwetenschap.

De informatiekunde eerst. Je kunt je afvragen waarom De procedure eigenlijk gedrukt is. De schrijver spreekt zijn lezer aan het begin in vertrouwen toe: jij en ik gaan samen op een speurtocht, want een ontdekking doe je met zijn tweeën. Tegelijkertijd maakt de verteller herhaaldelijk duidelijk dat hij zijn letters op zijn beeldscherm tovert. Hoeveel overtuigender zou het dan niet zijn als je als lezer diezelfde letters op datzelfde scherm zou kunnen lezen. Je zou je kunnen voorstellen dat de schrijver aan de ene kant van het glas zijn woorden plaatst en jij het aan de andere kant zat toe te kijken. De procedure zou daarom heel wat intiemer lezen van een beeldscherm dan van het afstandelijke papier: als je goed keek zag je de schrijver zitten. Lees verder >>

Siliconenborsten aan de top

Door Marc van Oostendorp

Een gerenommeerd liefhebber van woordenboeken heb ik wel eens horen vertellen dat hij het als kind leuk vond om stiekem vieze woorden op te zoeken in de naslagwerken in de boekenkast van zijn ouders. Aan het gesnuffel en gezoek naar verboden woordjes in deftige ingebonden boeken had hij een levenslange fascinatie voor taal overgehouden.

Zo’n verhaal prikkelt de fantasie. Dat zoeken naar verboden vruchten kan op Internet natuurlijk op een veel grotere schaal. Is dat geen manier om mensen voor het vak te interesseren? Door over seks te beginnen en dan langzaam maar zeker de aandacht om te buigen naar andere zaken? ‘Als we de klankrij van dat woord omdraaien krijgen we skes. Dat klinkt vreemd; liever zouden we sches zeggen. Hoe komt dat? Welnu,’

Peter-Arno Coppen heeft deze truc dit jaar al een paar keer toegepast in zijn reeks Linguïstische Miniatuurtjes. Dat leverde titels op als ‘Seks: Versnapering of pech?‘ en ‘Kut op Dirk, waar slaat dat op?‘. Werkt die truc ook? Dat is een vraag die op Internet gemakkelijk te beantwoorden is. Lees verder >>

Phonological reality

Door Marc van Oostendorp

Ik heb onlangs een reis gemaakt door de aardlagen van Nederland. Op verschillende plaatsen — nabij Rotterdam, in de Waddenzee vlak onder Schiermonnikoog, in het Mergelgebied — groef ik een gat van enkele kilometers diep, en vervolgens trok ik een stuk door een olieveld of volgde ik een steenlaag. Een vriend van mij is programmeur bij een geologische dienst en hielp me de reis te maken. In zijn werkkamer liet hij me zien hoe de techniek van virtual reality — een driedimensionale weergave van de werkelijkheid op het beeldscherm — geologen behulpzaam kan zijn. Hoe je kunt zien dat een humuslaag op de ene plaats nog onder een zandbank ligt, maar er tien kilometer verder overheen geschoven lijkt te zijn; hoe gevarieerd het geologische landschap zelfs in een betrekkelijk saai eenvormig land als het onze nog is, en hoe mooi.

Als ik zoiets zie, denk ik meteen aan fonologie. Wat prachtig zou het mooi zijn als we op deze manier ook driedimensionale kaarten hadden van het dialectologische landschap van Nederland, waar je bij het Mergelgebied kon prikken om het verval van de Bernrather linie te volgen, of bij Rotterdam voor de vorm hebbie in plaats van heb je. Lees verder >>

Sittardse diftongering

Door Marc van Oostendorp

Als er één taalkundig leven verfilmd moet worden, is het dat van Willy Dols. Een lange film hoeft het niet te worden.

Dols schreef vlak voor de oorlog een proefschrift bij Jac. van Ginneken over diftongering in het Sittards. Van Ginneken vond dat proefschrift briljant, en hij probeerde zijn leerling al voor de verdediging een baan te bezorgen. Sterker nog, zelfs voordat Dols afstudeerde, was er al een hoogleraarspost voor hem geregeld in Estland. Jammer genoeg voor Dols kreeg hij, toen de zaak bijna rond was, concurrentie van de Duitse Exil-geleerde Agathe Lasch. Dat leverde nogal wat vertraging op. Voordat de Esten konden beslissen, vielen de Duitsers hun land binnen en werd de hoogleraarspost opgeheven. Dit was nog geen onoverkomelijke ramp — een paar maanden later kreeg Dols al een nieuwe baan aangeboden: lector Nederlands in Praag. Als voorbereiding op die baan stortte Dols zich op de studie van het Tsjechisch bij de beroemde Leidse slavist Nicolaas van Wijk. Toen vielen de Duitsers ook Tsjechië binnen.

Niet lang daarna was heel Europa in oorlog geraakt. Willy Dols schreef aan zijn proefschrift en werkte ondertussen als leraar op een paar middelbare scholen in Limburg. In het voorjaar 1944 zag Van Ginneken zijn emeritaat naderen en bepaalde in een notitie dat Dols hem dan maar moest opvolgen in Nijmegen. Dols besloot toen tijdens zijn zomervakantie zijn proefschrift in Arnhem te voltooien. Lees verder >>

Een onderzoek naar linguïstische competenties in de LOT-prijsvraag

Door Marc van Oostendorp

In deze bijdrage willen we ingaan op de vraag wat de mogelijke factoren zijn die veroorzaken dat een proportioneel groot aantal publicaties van neerlandici slechts door een kleine groep belangstellenden gelezen wordt. We richten ons hierbij in de eerste plaats op de volgende in de literatuur nog nauwelijks onderzochte, maar daarom niet minder relevante deelvraag: is het het geval dat een linguïstische opleiding ook een grotere linguïstische competentie tot gevolg heeft? Hierbij is de term ‘competentie’ een technische term die ontleend is aan de theoretische linguïstiek en die daarom voor een breder publiek in eerste instantie een nadere uitleg verdient. Uit de vakliteratuur kunnen we opmaken dat de term verwijst naar de totale hoeveelheid van kennis en vaardigheden, mogelijkerwijs deels onbewust aanwezig, die een mentale representatie heeft gekregen in de geest van de spreker of — zoals in dit concrete geval — van de schrijver. Het is overigens van belang om op te merken dat het hier een zogeheten ‘leenvertaling’ uit het Amerikaans Engels betreft, al kunnen we op deze kwestie niet nader ingaan, vanwege de aan dit artikel toegekende hoeveelheid ruimte.

De hierboven geformuleerde vraag is op dit moment in zoverre actueel en daarom geschikt voor een populariserend betoog, dat de Landelijke Onderzoeksschool Taalkunde (in de wandelgangen ook wel kortweg LOT genoemd) dit jaar voor de derde keer een ‘prijsvraag’ heeft uitgeschreven waarin ze alle onderzoekers die bij deze organisatie zijn aangesloten, opgeroepen heeft om een essay te schrijven dat ‘recent taalkundig onderzoek’ tot thema heeft en dat op een dusdanige manier geschreven zal moeten zijn dat het geschikt mag worden geacht voor een breder publiek, dat wil zeggen een publiek zonder speciale linguïstische training of professionele achtergrond. We mogen veronderstellen dat ook dit jaar weer vele onderzoekers een poging zullen doen de hierboven genoemde prijs in de wacht te slepen, en dat ze hierbij niet zullen schromen hun linguïstische competentie (definitie: zie boven) in te zetten. Lees verder >>

Waar wachten we nog op?

Door Marc van Oostendorp

Om te zien wat de toekomst van de neerlandistiek is, heb ik tijdens de laatste koninginnedag langs de Oudegracht in Utrecht gewandeld. Dat viel niet mee: er waren veel meer mensen op hetzelfde moment langs dezelfde gracht aan het wandelen, al had ik niet de indruk dat die mensen allemaal vooruitgestuwd werden door de vraag wat unbidan we nu.

In het centrum van Utrecht woont en werkt Arjan den Boer. Hij heeft er een appartementje waarin hij naast het aanrecht een groot bureau heeft staan met een snelle computer, een groot beeldscherm, twee luidsprekers en een scanner. Achter dat bureau maakt hij cd-roms en websites voor musea, voor kunsthandelaren en voor archeologische verenigingen. Heel mooi, vind ik het werk van Den Boer: smaakvol vormgegeven en technisch knap. Lees verder >>

Nieuwe woorden

Door Marc van Oostendorp

In Onze Taal wordt sinds enige tijd een discussie gevoerd over de vraag hoe snel de woordenschat van het Nederlands groeit. Vorig jaar schreef Frank Jansen in het blad dat er zestig woorden per dag bij komen. Een paar maanden later schreef Joop van der Horst in het onzetaalboek Taalalmanak dat deze telling overdreven was: volgens hem komt er maar één woord per dag bij. In het laatste nummer van het blad komt Jansen dan weer op de kwestie terug. Volgens hem was zijn schatting eerder te laag dan te hoog.

Een opmerkelijk aspect aan de hele discussie is dat ze zo duidelijk vanachter de leestafel wordt gevoerd. Jansen en Van der Horst `bewijzen’ hun stellingen door nummers van NRC Handelsblad en enkele andere kranten door te nemen, en de woorden die ze vinden te vergelijken met de woorden in gedrukte woordenboeken. Woorden op radio en woorden op televisie tellen niet mee, en de woorden op Internet evenmin. Lees verder >>

Theo Welpen

Door Marc van Oostendorp

Onverhoeds haalde de man die in de trein tegenover me zat het laatste nummer van Nederlandse Taalkunde tevoorschijn. Ik keek nog eens goed: ik wist zeker dat ik deze man nog nooit op de TiN-dag had gezien. Kennelijk had hij in de gaten dat ik hem bespiedde want hij keek op en glimlachte.

‘Het nieuwste nummer van Nederlandse Taalkunde,’ zei ik. ‘Ja’, zei hij. ‘Kent u dat blad?’ Ik legde uit dat ik in een ver verleden wel eens een recensie van een proefschrift bij de redactie van NT had ingeleverd en dat dit stuk nog steeds op publicatie wachtte.

‘Ach,’ zei hij. ‘U bent ook taalkundige. Nu ja. Er staan deze keer mooie stukken in hoor; maar liefst twee artikelen over de /h/ bijvoorbeeld. Dat vindt u misschien vreemd, maar daar smul ik van!’
Nu had ik al gehoord dat er artikelen zouden verschijnen van Trommelen & Zonneveld en Nijen Twilhaar, maar ik had nog niets gezien. ‘Wat schrijven ze?’ vroeg ik. Lees verder >>

De psychologie van de juryvoorzitter

Door Marc van Oostendorp

Om de hoofdprijs van de kerstprijsvraag van Neder-L in de wacht te slepen, is alles geoorloofd. Eén deelnemer had zich er dit jaar op toegelegd de ziel van de maker van de prijsvraag te doorvorsen. Deze deelnemer had mijn eigen webpagina uitvoerig bestudeerd en zo gevonden wat mijn favoriete zoekmachine was, en op welke pagina’s ik mijn favorieten bijhield. `Zeg mij wie de vragen heeft bedacht en ik zal u zeggen wat de antwoorden zijn,’ schreef die deelnemer.
Voor de tweede keer organiseerde ik vorig jaar een Internet-prijsvraag voor neerlandici. Ik stelde 12 vragen; de deelnemers werden geacht de plaats op het net aan te wijzen waar het juiste antwoord te vinden zou zijn.

Vorig jaar waren er drie deelnemers geweest die een min of meer acceptabele verzameling antwoorden hadden ingestuurd. Deze keer dongen vijf lezers van Neder-L mee naar de hoofdprijs.
Inderdaad bleek het wat moeilijker om goede vragen te formuleren dan vorig jaar. Het Internet begint meer structuur te krijgen, en met een combinatie van drie hulpmiddelen bleek vrijwel alles te vinden te zijn (de algemene zoekrobot HotBot, http://www.hotbot.com/; het archief van Neder-L, http://www.neder-l.nl/; en de verzameling koppelingen van Onze Taal, http://www.onzetaal.nl/. Lees verder >>

Kerstprijsvraag 1997

Door Marc van Oostendorp

Vorig jaar organiseerde ik in Neder-L een kleine prijsvraag om uw elektronische geletterdheid te testen. Op het gebied van de neerlandistiek was al veel informatie op Internet te vinden; het leek me aardig om eens te zien in hoeverre de lezers van Neder-L die informatie ook daadwerkelijk konden opsporen.

We zijn nu een jaar verder. Neder-L heeft in dit jaar een eigen website gekregen, die steeds beter bezocht wordt. Ook allerlei andere (private en commerciële) instellingen zijn op het web gekomen. Alleen de overheid (de Taalunie) en de meeste universitaire vakgroepen willen er kennelijk nog steeds niet echt aan. Veel actuele serieuze wetenschappelijke informatie heb ik ook dit jaar niet kunnen vinden op de universitaire servers bij de voorbereiding van de prijsvraag. Lees verder >>

Uit het getto

Door Marc van Oostendorp

Het verzamelde oorspronkelijke werk van Lejzer Zamenhof, negentiende-eeuws oogarts en amateurtaalkundige te Warschau en auteur van de eerste grammatica van het Esperanto, beslaat drie omvangrijke delen. Een briljant schrijver was hij niet, maar ik kan die boeken niet zonder ontroering lezen.

Uiteraard hebben esperantisten in de afgelopen eeuw meerdere biografieën over hun voorganger gepubliceerd, maar helaas zijn deze meestal niet leesbaar, al was het maar vanwege hun hagiografische toon. ‘Ludoviko’ — joden namen in het Russische rijk van die tijd meestal een ‘christelijke’ voornaam aan met dezelfde voorletter als hun echte naam — besteedde zijn hele leven en al zijn energie aan het lot van de mensheid, totdat zijn arme hart het in 1917 begaf omdat hij niet kon aanzien wat zijn broeders en zusters elkaar in Europa allemaal aandeden.

Zo was het natuurlijk niet. Uit zijn eigen brieven blijkt dat hij bij tijd en wijle behoorlijk koppig was, eigenwijs en argwanend, en dat hij niet snel iets uit handen gaf. Zodra er bijvoorbeeld plannen waren om te komen tot een vereniging of een andere organisatiestructuur, begon Zamenhof elke keer zeer uitgebreide plannen en statuten te bedenken. Hij vond dat die plannen altijd in hun geheel moesten worden aangenomen, anders hoefde het voor hem niet meer, maar die plannen waren vaak niet erg praktisch en vooral te hoog gegrepen, omdat ze bijvoorbeeld gebaseerd waren op de gedachte dat er honderdduizenden mensen lid zouden worden. Lees verder >>

Zondagmorgen

Door Marc van Oostendorp

’s Zondags slaapt mijn vrouw uit. Ik maak dan een grote kop koffie verkeerd, smeer een volkorenboterham met kaas, en zet de computer van mijn vrouw aan. Zij is grafisch vormgever met haar bedrijf aan huis en daarom heeft ze zo’n mooi groot beeldscherm, waarop ik zondagmorgen altijd een paar internationale nieuwsbronnen lees. ‘Surfen’ is al een tijdlang niet meer het juiste woord voor wat ik dan doe — ik weet precies welke weblocaties ik opzoek. In plaats daarvan snuffel ik en lees.

Op de weblocatie van de Amerikaanse Library of Congress bijvoorbeeld. Sinds een paar weken is dit een de web-sites die ik steevast bezoek (samen met de goeie ouwe Linguist List en Neder-L natuurlijk). Ik raak er niet uitgekeken. Wat een schat aan informatie.

Je kunt er online op allerlei manieren zoeken in de catalogi van de bibliotheek van het Amerikaanse parlement – waar tientallen miljoenen titels uit de gehele wereld te vinden zijn. Je kunt er bovendien tal van andere naslagwerken naslaan met informatie over onder andere de Amerikaanse overheid, het bibliotheekwezen, auteursrechten over de hele wereld, en veel en veel meer. Lees verder >>

Analytische fonologie

Door Marc van Oostendorp

Nederlanders hebben een onverzadigbare belangstelling voor hun moedertaal. Een andere conclusie valt niet te trekken voor degene die zelfs maar met een schuin oog de Internet-discussiegroep nl.taal volgt. Vooral de fonologie mocht zich de afgelopen weken in een overstelpende belangstelling verheugen, sinds er iemand was die een nieuwe ‘fonologische’ spelling voorstelde. Internet-gebruikers stortten zich naar aanleiding hiervan in een eindeloze discussie over stemhebbendheid, de fonologie versus de fonetiek van diftongen, de representatie van de sjwa en de velare nasaal. Ongeveer alle onderwerpen uit de gemiddelde inleiding in de fonologie kwamen aan de orde, al was het maar omdat Peter-Arno Coppen zich intensief met de discussie bemoeide.

Ik heb het interessante deel van de discussie pas achteraf gelezen. Na een paar dagen vervallen dit soort gedachteuitwisselingen op Internet helaas meestal tot scheldpartijen en voor buitenstaanders onbegrijpelijke onderonsjes. En toen het gesprek nog op niveau was, had ik me een week teruggetrokken van mijn computer, naar een rustige plek met alleen een stapel boeken. Lees verder >>

Digitaal schrijven

Door Marc van Oostendorp

Ik werd onlangs gegrepen door sombere gedachten over deze column. Wat ben ik toch een verschrikkelijke amateur. Ik doe maar wat. Een systeem zit er niet in, en hoe ik de lezers onder ogen durf te komen is welbeschouwd een raadsel.

Hoe moet je schrijven voor de digitale media? Daar wilde ik eindelijk wel eens wat meer over weten. Dus kocht ik twee boeken. Het eerste boek zag er zeer hip uit, was geschreven door redacteuren van een bekend modern tijdschrift van de Amerikaanse westkust, en beloofde tips te geven over het onderwerp waarin ik geinteresseerd was geraakt. Dit boek was helaas een miskoop. ‘Gebruik geen moeilijke woorden’, ‘Schrijf het woord ftp met kleine letters’. Wie graag dergelijke zinnen ontcijfert als ze in merkwaardige letters staan afgedrukt op bontgekleurd glimmend papier, zal misschien zijn voordeel kunnen doen met Wired Style. Wat mij betreft was het alleen maar een slecht stijlboek — een dat misschien wel ingaat op enkele modieuze kreten uit de digitale cultuur, maar niet echt op het onderwerp dat mij interesseerde: schrijven voor het scherm. Lees verder >>

De eenheid van de neerlandistiek

Door Marc van Oostendorp

Neder-L is een elektronisch tijdschrift voor neerlandici. U leest Neder-L. Bent u neerlandicus?

Bij uitgeverij Vantilt verscheen onlangs een boekje met een lezing van Maarten van den Toorn, waarin deze voor een groep voormalige studenten Nederlands in Nijmegen iets vertelt over verleden, heden en toekomst van de neerlandistiek als vak. Veel mensen zien het somber in voor het heden en al helemaal voor de toekomst, maar volgens Van den Toorn is er eigenlijk ook nauwelijks sprake van een verleden.

Echte ‘allround neerlandici’ als De Vooys, Overdiep en Van Ginneken hadden misschien zelf het gevoel dat hun vak een eenheid was, maar dat gevoel wisten ze op hun studenten niet over te dragen, volgens Van den Toorn. Bij taalkunde werden de teksten bij wijze van spreken alleen bestudeerd om het verschil tussen ‘de vanouds lange a’ en ‘de gerekte a’ duidelijk te maken; omgekeerd werden bij letterkunde de talige aspecten van literair werk veronachtzaamd omdat men ‘voor een groot deel toegespitst [was] op biografische feiten en weetjes.’ Lees verder >>

Hoogwaardige informatie

Door Marc van Oostendorp

Volgens mij heeft Noam Chomsky gelijk. Hij werd onlangs geïnterviewd door het hippe online tijdschrift Hotwired, dat hem vroeg of het Internet betere kansen bood voor echt vrije berichtgeving dan de gedrukte pers, de radio en de televisie. Chomsky vergeleek de situatie waarin het Internet nu verkeert met die waarin de radio was aan het begin van deze eeuw.

Ook de radio werd ooit gekenmerkt door totale anarchie. Iedereen die dat wilde kon zijn eigen zender bouwen, en gaan zenden. Dat was lang niet naar de zin van iedereen: zo rommelig, zo onoverzichtelijk, zo weinig controle. Dus werd een en ander snel gecentraliseerd. In Amerika kwam de macht in handen van een paar grote bedrijven, in Europa van de staat.

Inderdaad zie je op het Internet hetzelfde gebeuren. Lees verder >>

De toekomst van het boek

Door Marc van Oostendorp

Er verschijnen te weinig boeken over de toekomst van het boek. Er verschijnen trouwens ook veel te weinig Web-sites, CD-ROMs, televisieprogramma’s en computerspelletjes die dat onderwerp behandelen. Iemand die geinteresseerd is in boeken en in techniek moet zich voor de bevrediging van zijn leeshonger soms richten tot de vreemdste bronnen. Het kan maanden duren voordat zij weer een verstandig woord tegenkomt.

De meeste schrijvers in The Future of the Book leveren dergelijke verstandige woorden. De redacteur, Geoffrey Nunberg, heeft dan ook de creme de la creme van de humanistische hypertekst-geleerdheid bij elkaar gebracht: Carla Hesse, James J. O’Donnell, Paul Duguid, Geoffrey Nunberg, Regis Debray, Patrick Bazin, Luca Toschi, George Landow, Raffaele Simone, Jay David Bolter en Michael Joyce. Umberto Eco, directeur van het Center for Semiotic and Cognitive Studies van de Universiteit van San Marino dat het congres organiseerde waarvan deze bundel de neerslag is, schreef een nawoord. Lees verder >>