Col: Linguïstisch Miniatuurtje CXLVI: Grammar feud, part 4

Welkom terug, grammar feud-vrienden! De postzakken met e-mails blijven binnenstromen. Veel hartverwarmende verhalen uit het land over grammar feud-clubjes die spontaan opgericht worden. Jong en oud geven zich over aan dit boeiende spel (voor de regels zie hier), dat blijkbaar een snaar aanslaat die diep in het nationale volksgevoel resoneert. Naar het schijnt wordt er niet alleen in de huiskamer gespeeld, maar ook in het openbaar vervoer, in de file, en in de horeca. Sommige restaurants hebben het spel al verboden omdat alle gasten bij het spel betrokken worden en hierdoor de aandacht voor het eten totaal verliezen. Zorgvuldig bereide gerechten verpieteren onaangeroerd op de borden, obers en koks ijlen doelloos heen en weer.
Lees verder >>

Col: Moord en brand schreeuwen over het Engels

Wat is het toch een zegen voor de maatschappij dat taalkundigen het niet voor het zeggen hebben. Je hoort weleens grapjes over de economen met hun blindheid voor de crisis en hun vakgebied dat van nabij beschouwd niet veel meer is dan een brok neoliberale ideologie onder een kwak statistiek. Maar als de taal ooit net zo belangrijk wordt als de centjes, doen wij het vast niet veel beter. Lees verder >>

Col: Linguïstisch Miniatuurtje CXLV: Grammar feud, the legend goes on

Vandaag, beste Grammar feud-vrienden (voor de regels, zie hier), weer een niet-controversiële kwestie, die ook nog eens niets met de taalnorm te maken heeft. Een pure zinsontledingskwestie van een bedrieglijke eenvoud, totdat je wat verder in het spel komt. Bij kwesties als deze, waar emoties nauwelijks een rol spelen, is het gevaar groot dat de speelronde te snel tot een conclusie komt. Dan is het spel voorbij voordat je er erg in hebt, en zit iedereen elkaar een beetje glazig aan te kijken rond de tafel. Dat kan natuurlijk niet de bedoeling zijn.
Lees verder >>

Age: Oratie Els Stronks, dinsdag 10 januari 2012, Universiteit Utrecht

Loden letters, digitale dartels

Academiegebouw, Universiteit Utrecht, dinsdag 10 januari 2012, 16.15 uur

De net uitgebrachte film Nova Zembla is bewijs voor de stelling die verdedigd wordt in de oratie van Els Stronks, hoogleraar Vroegmoderne Nederlandse letterkunde aan de Faculteit Geesteswetenschappen van de Universiteit Utrecht: er zit toekomst in de combinatie van historische teksten en digitale technieken. De film laat een nieuwe omgang met oude verhalen zien, een herlezing van een historische tekst met behulp van digitale technieken. Lees verder >>

Col: Linguïstisch Miniatuurtje CXLIV: Grammar feud, the sequel

Wie heeft er vandaag zin in een potje grammarfeuden? Het is tenslotte nog kerstvakantie, dus we hebben alle tijd van de wereld. Zoals beloofd vandaag een controversiële kwestie, en wel de kwestie die nu bijna twee jaar geleden de gemoederen bezig hield: de hunhebben-controverse. Maar voor deze gelegenheid giet ik ‘m in een grammarfeud-jasje. Voor wie de regels van Grammar feud gisteren gemist heeft (bijna niet voor te stellen), zie eerst hier.
Lees verder >>

Col: Linguïstisch Miniatuurtje CXLIII: Grammar feud: grammatica als gezelschapsspel

Genoeg van ganzenbord of kolonisten van Catan? Te moe voor twister of Wii? Dan is hier het nieuwe gezelschapsspel Grammar feud, ontwikkeld in een van de immer geopende Neder-L-filialen in het land. U dacht dat grammatica en gezelligheid niet samengingen? Dat betrekkelijke voornaamwoorden alleen maar de goede betrekkingen verstoren, en dat de eerste de beste bepaling van gesteldheid een domper op de avond betekent? U dacht dat er met lidwoorden niets te lachen viel? Nou, dan hebben wij van Neder-L nieuws voor u: dat is niet zo.
Lees verder >>

Col: Linguïstisch Miniatuurtje CXLII: Goed opletten dat je geen foutmaakt

Afgelopen maand was ik in Leiden bij het afscheid van vakdidactisch hoogleraar Hans Hulshof, waar onder anderen Arie Verhagen een lezing hield over taalkundig denken in het voortgezet onderwijs. Hij bepleitte daar een soort onderzoeksmatige, bijna structuralistische aanpak: je zou, met gebruikmaking van alle moderne middelen zoals zoekmachines op het internet, met de leerlingen op zoek moeten gaan naar de eigenschappen en structuren van de taal zoals die zich aan ons voordoet, een en ander aansluitend bij het paradigma van de constructiegrammatica.

Lees verder >>

Col: Couperus zonder variatieluiheid

Ik ben niet de enige die in de kersttijd boeken herleest, en ook niet de enige Nederlandstalige voor wie Couperus een aangewezen auteur is om dat te doen. In de laatste dagen van het jaar trek ik me terug met een stapel Arabesken (het onvolprezen tijdschrift van het Louis Couperus-Genootschap) en in ieder geval De berg van licht.

De berg is om een groot aantal redenen een genoegen, en een ervan is de taalkunst, het kunstmatige Nederlands dat Couperus gebruikt, met zelfgemaakte woorden (triltindelden is het bekendste voorbeeld) en heel ongebruikelijke zinsconstructies. Het is een eigenschap die massaal enthousiasme voor De berg misschien wel altijd in de weg zal staan. Nederlanders houden niet van variatie, ze willen maar in één taal worden toegesproken. Zelfs Belgisch Nederlands is onacceptabel. Ik hoorde de afgelopen jaren van drie Vlamingen – alle drie modelsprekers van de standaardtaal – dat ze in Nederlandse winkels soms in het Engels te woord worden gestaan omdat hun Nederlands te afwijkend wordt bevonden. Vlaamse films worden in Nederland ondertiteld – of zelfs helemaal opnieuw gemaakt, zoals onlangs met de film Loft gebeurde. Volgens dezelfde logica worden boeken die ‘te ouderwets’ van taal zijn, hertaald naar ‘moderner’ Nederlands. En zo houdt de variatieluiheid zichzelf in stand.

Of iemand ooit de berg zal durven hertalen, weet ik niet, maar ik zal die hervertaling niet lezen. De taal is ook niet zozeer ouderwets ofwel bewust afwijkend. Ik noteer momenteel bijvoorbeeld tijdens het lezen alle voorkomens van constructies als de volgende:

toen Narr, om dit gebaar van zijn meester, schudde de schouders

Het is heel onwaarschijnlijk dat er in Couperus’ tijd iemand was die dat zo zei; ‘de schouders schudde’ zeg je in alledaagse taal. In een bijzin komt het lijdend voorwerp voor het verbogen werkwoord. In een hoofdzin is het andersom, maar dit is geen hoofdzin, want hij begint met het woordje toen en bovendien zou die bepaling “om…meester” daarin niet tussen het onderwerp en het verbogen werkwoord worden geplaatst.

Voor zover ik nu kan zien, komt het omgekeerde nooit voor: een hoofdzin waarin Couperus het werkwoord juist achteraan plaatst. Het is dus een techniek die hij alleen op bijzinnen toepast. Maar wat is die techniek? Ik denk het volgende: dat hij het lijdend voorwerp achteraan plaatst om het extra nadruk te geven. In dit geval wordt die nadruk dan gelegd op schouders; dat idee wordt bevestigd door het vervolg van de zin: "trok Bassianus’ wijsvinger over de gleuf van zijn al spierigen zwarten rug."

Age: Boeken in de kerk


In de Bergkerk vindt op zaterdag 28 januari 2012 van 10.00 – 17.00 uur de 12e Deventer Antiquarische Boekenbeurs plaats. Toegang 3 euro.

Meer dan 50 stands met boeken en prenten. Info: Deventer Boekenbeurs

Traditiegetrouw zal Deventer de laatste zaterdag van januari weer in het teken staan van boeken. Op deze dag wordt namelijk in de Bergkerk de jaarlijks terugkerende beurs Boeken in de Kerk georganiseerd. Dit jaar alweer voor de twaalfde keer onder auspiciën van de Stichting Deventer Antiquaren. Locatie: Bergkerk, Bergkerkplein 1, 7411 EN Deventer.

De twaalfde editie van deze succesvolle beurs zal ook dit jaar weer opvallen door hoge kwaliteit. De deelnemende antiquariaten staan immers borg voor een zeer aantrekkelijk aanbod. Boekhandelaren en verkopers van prenten en grafiek zetten in Deventer graag hun beste beentje voor om de bezoekers (vorig jaar waren het er meer dan ooit) hun hoogste kwaliteit te kunnen bieden.
Lees verder >>

Col: Je iPhone als leesbril

Ik weet niet of meer mensen dit doen: bij ieder boek dat ik lees raadpleeg ik altijd even internet om te kijken wat anderen vinden van het boek dat ik gelezen heb. Ik kan me niet herinneren dat ik een boek las waarvan ik geen andere lezers kon vinden. Bij recente boeken zijn het soms beroepsrecensenten, bij klassiekers vaak scholieren die een boekverslag geschreven hebben. Maar bijna altijd is er een andere stem, die iets terugzegt over het boek, die me leert dat ik niet alleen op de wereld ben met deze auteur, dat ook anderen iets vinden van wat hij schrijft.

Laatst las ik bijvoorbeeld The End of the Affair en ontdekte via internet dat er ooit een fascinerende psychologische interpretatie van het gedrag van de hoofdpersonen verscheen in het Tijdschrift voor de psychiatrie. Ik had dat boek heel anders gelezen, als ik dit niet toevallig was tegengekomen.

Nu zou je daar nog over kunnen zeggen: als ik een echt goede geleerde was geweest, was ik ook vroeger zo’n artikel wel tegengekomen. Ik had dan ieder boek dat ik las via de mij ter beschikking staande bibliografische middelen nagetrokken en de titels die bij deze zoektocht naar boven kwamen, opgevraagd in mijn eigen UB. Nog even afgezien van het feit dat ik niet weet hoe ik op die manier bij een Nederlands psychiatrisch artikel over een Engelse roman was gekomen, heb ik nu in ieder geval nog veel meer lezers tot mijn beschikking: de tientallen boekloggers en andere niet-beroepslezers die hun bevindingen noteren, voor hun eigen plezier en dat van een handjevol lezers.

Er wordt de laatste dagen, na de uitreiking van de P.C. Hooftprijs aan Tonnus Oosterhoff, weer veel gespeculeerd over de invloed die de nieuwe media hebben op de schrijvers. Volgens mij beziet dat de revolutie van de verkeerde kant: er verandert veel meer voor de lezer. We hebben veel meer mogelijkheden tot onze beschikking, we kunnen op iedere tekst allerlei commentaar krijgen. Het intieme van het lezen kunnen we delen met anderen.

En je hoeft daarvoor niet eens meer achter je bureau te zitten. Wie op een iPad leest, kan tussendoor af en toe even iets op het internet uitzoeken. En zelfs wie op de bank zit met een gedrukt boek, kan er zijn telefoontje naast houden als een multifunctionele leesbril.

Nogmaals: je hoort er nooit iets over, ik weet niet of er studies naar zijn, maar er lijkt mij een stille revolutie aan de gang.

Age: Activiteiten Gouden Eeuw Centrum Amsterdam

Graag attenderen wij u op de nieuwe reeks colloquia van het Gouden Eeuw Centrum en een aantal activiteiten en berichten.

Presentatie:
Nederlands Kunsthistorisch Jaarboek 61: Art and Science in the Early Modern Netherlands
Datum: vrijdag 13 januari 2012, 15.30-17.30 uur
Locatie: Rijksmuseum, Ateliergebouw, Hobbemastraat 22-24, Amsterdam
Aanmelden via: marketing@Wbooks.com

Publieksdag:
Humor als wapen. Satire in de vroegmoderne tijd
Datum: zaterdag 21 januari 2012, 12.30-17.15 uur
Locatie: Universiteitsmuseum Utrecht, Lange Nieuwstraat 106, Utrecht
Voor meer informatie: raadpleeg de website van het UCEMS

Roelof van Gelder
Colloquium:
Naar het aards paradijs: het leven van Jacob Roggeveen (1659-1729), ontdekker van Paaseiland
Datum: donderdag 2 februari 2012, 15.30-17 uur
Locatie: VOC-zaal, Bushuis/Oost Indisch Huis, Kloveniersburgwal 48, Amsterdam
Lees verder >>

Nws: Nieuw in Bibliopolis

De afgelopen tijd zijn weer enkele vernieuwingen doorgevoerd in Bibliopolis. De opvallendste is de knop ‘Nieuw’ op de homepage. Deze knop geeft een overzicht van verwijzingen naar nieuw toegevoegde sites en diensten vanuit Bibliopolis. Het overzicht zal regelmatig worden geactualiseerd.

Een andere vernieuwing heeft plaatsgevonden in de rubriek Studies. Vanuit Bibliopolis was altijd al een aantal, door de auteurs van het handboek geselecteerde, artikelen online beschikbaar. De afgelopen maanden zijn ook links aangebracht naar artikelen die elders op het web online beschikbaar zijn, bijvoorbeeld naar literatuur in de DBNL of naar compleet online toegankelijke tijdschriften als Amstelodamum. Momenteel biedt Bibliopolis toegang tot meer dan 1000 online teksten. Ook is de bibliografie van de Nederlandse boekgeschiedenis geactualiseerd. In de rubriek Studies zijn nu publicaties tot en met 2011 te vinden.
Lees verder >>

Col: Gelukkig kerstfeest?

Wat is er toch veel op de wereld! Veel woorden bijvoorbeeld, en ook veel onzin. Het internet maakt dit allemaal nog eens extra duidelijk: al die woorden en al die onzin heb je bij de hand.

Zo verscheen er deze week een bericht — ook op de Nederlandse wetenschapsnieuwssite Scientias — over een onderzoek naar geluksgevoelens op Twitter.

Het artikel staat zelf ook online. Het representeert het soort onderzoek dat de beleidsmedewerkers ook in Nederland graag willen zien. Niks nauwkeurig lezen van een paar al dan niet representatieve teksten: "Our data set comprises over 46 billion words contained in nearly 4.6 billion expressions posted over a 33 month span by over 63 million unique users." Dat soort werk.

Wat ze deden, met die miljoenen woorden, is automatisch evalueren hoeveel geluksgevoel eruit sprak. Om dit objectief te laten doen lieten ze honderdduizend (100.000) woorden door vrijwilligers via internet beoordelen op gelukkigheid. Lachen kreeg bijvoorbeeld een 8,5 en terrorist een 1,3 (heus, dat is nu wetenschappelijk bewezen: lachen straalt 6,5 keer meer geluk uit dan het woord terrorist).

Vervolgens werd er met een indrukwekkend wetenschappelijk apparaat van alles en nog wat gerekend: iedere keer dat een van de 100.000 woorden voorkwam (en als je de belangrijkste 100.000 woorden van een taal hebt, heb je ze bijna allemaal wel) werd uitgerekend hoeveel dit bijdroeg aan het geluksgevoel van het bericht.

Wat blijkt? Twitteraars zijn gelukkiger in het weekend dan tijdens de werkweek, en het allerongelukkigst op maandag en dinsdag. En we zijn in de loop van de afgelopen jaren steeds depressiever geworden.

Hoe twijfelachtig die resultaten zijn, en vooral: hoe twijfelachtig de methode is waarmee ze zijn bereikt, blijkt wel uit besprekingen over ‘outliers’, de dagen dat de wereld ineens bijzonder zonnig was, of juist treurig. Dit is wat de auteurs zeggen over het eerste soort outlier:

For the outlying happy dates, in 2008, 2009, and 2010, Christmas Day returned the highest levels of happiness, followed by Christmas Eve. Other relatively positive dates include New Year’s Eve and Day, Valentine’s Day, Thanksgiving, Fourth of July, Easter Sunday, Mother’s Day, and Father’s Day. All of these observations are sensible, and reflect a strong (though not universal) degree of social synchrony. (…) The only singular, non-annual event to stand out as a positive day was that of the Royal Wedding of Prince William and Catherine Middleton, April 29, 2011.

Tjonge, denk je eerst. Zouden we echt allemaal gelukkiger zijn geweest tijdens het huwelijk van William en Kate? Of zou er iets anders aan de hand zijn? Zouden mensen tijdens kerstmis niet gewoon heel vaak merry christmas tweeten? En zouden die woorden niet een heel hoge gelukkigheidsscore hebben, hoe ongelukkig, of sarcastisch, of vermoeid diegene ook is? En zal op 29 april niet gewoon heel vaak het woord ‘huwelijk’ zijn gescoord, wat de vrijwilligers ook vast een hoge score hebben gegeven? Met andere woorden, het is niet duidelijk dat er veel meer gemeten is dan dat mensen met kerstmis elkaar veel geluk wensen, en dat ze als er een huwelijk op tv is, geneigd zijn woorden als huwelijk en kus te gebruiken. Ze hebben 46 biljard woorden onderzocht en alleen een paar trivialiteiten aan het licht gebracht.

Col: De ontdekking van de Limburgse korte i

Dit jaar was een klein beetje een Willy Dols-jaar. Dit jaar vierden we de honderdste geboortedag van deze Limburgse taalgeleerde, die zelf overigens maar 33 keer zijn verjaardag heeft mogen vieren voor hij in 1944 omkwam in een Duits kamp. Dols’ streekgenoot Lei Limpens publiceerde dit jaar een heel aardige biografie over Dols, die u overigens nog steeds kunt bestellen. Ik vatte dat in mijn eigen woorden samen in een artikel voor Onze Taal.

Deze week stuurde Limpens me op de valreep van het Dols-jaar nog een aardig nagekomen bericht: een onlangs teruggevonden brief die Dols in 1940 schreef aan de Leidse hoogleraar Nicolaas van Wijk. Met Limpens’ toestemming publiceer ik die brief nu als een pdf-bestand.

De Limburgse dialectologie is het onderzoeksgebied bij uitstek waar iedereen het permanent van harte met iedereen oneens is. Je bent geen goede kenner van het Limburgs als je niet denkt dat alle andere (‘zogenaamde’) kenners volstrekte idioten zijn. Het was dan voor mij ook even slikken om te merken dat ik het in de in deze brief aangeroerde kwestie volkomen met Dols eens ben.

Kort gezegd komt het op het volgende neer. Het standaard-Nederlands en de Nederlandse dialecten onderscheiden klinkers die ‘kort’ zijn van klinkers die ‘lang’ zijn. Je kunt dat onderscheid op twee manieren maken: door te meten hoeveel milliseconden de klinkers duren, of door te kijken naar in wat voor lettergrepen ze voorkomen. Korte klinkers kunnen door veel meer rijtjes medeklinkers gevolgd worden dan lange: je kunt wel arm, storm, kerm zeggen, maar geen aarm, stoorm, keerm.

Het gekke is dat die twee criteria niet altijd in overeenstemming zijn. Met name geldt dat voor zogenaamd ‘hoge’ klinkers zoals de ie. Als je die gaat meten is hij bijzonder kort, korter zelfs dan de juist genoemde ah, oh, eh; in het Limburgs bestaat er bovendien een lange versie van die ie-klinker. Tegelijkertijd kan die heel korte ie helemaal niet in zo’n ingewikkelde lettergreep staan.

In zijn brief schetst Dols een oplossing: de twee criteria gaan feitelijk over verschillende dingen. Je meet lengte, maar de mogelijkheid om er medeklinkers achter te plaatsen heeft te maken met iets wat Dols, in navolging van de invloedrijke structuralist Troebetskoj Silbenschnittkorrelation noemt. Precies diezelfde oplossing heb ik vijfenvijftig jaar later uitgewerkt in mijn proefschrift.

Ik ben het dus eens met een andere kenner van het Limburgs. Ik moet deze kerst maar eens goed nadenken wat er mis is met mij.

Pas verschenen Speciaal nummer van Praagse Perspectieven

Pas verschenen Speciaal nummer van Praagse Perspectieven: Olga Krijtová, Geschrift eener bejaarde vrouw uit 1997.

Ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Olga Krijtová verscheen in de reeks Praagse Perspectieven Geschrift eener bejaarde vrouw uit 1997 van de hand van Olga Krijtová met speelse overdenkingen over haar vertaalpraktijk. Wie in Praag in de jaren 1955 tot 2000 Nederlands studeerde aan de Karelsuniversiteit ontmoette als docent letterkunde Olga Krijtová, Tsjechisch vertaalster van meer dan zeventig Nederlandse literaire werken. Zij werd in 1969 bekroond met de Martinus Nijhoff Prijs.

In Geschrift eener bejaarde vrouw uit 1997, in de titel een hommage aan Wolff en Dekens boekje uit 1802, bespreekt Olga Krijtová in twaalf hoofdstukken onder andere haar vertaalpraktijk, haar jeugd en kennismaking met Nederland en de Nederlandse literatuur, de canon, geslaagde en mislukte projecten, lievelingsschrijvers, literatuur en leven, de keuze van te vertalen boeken, de Russische inval en de gevolgen daarvan, Nederlandse bezoekers, de Fluwelen Revolutie en de gevolgen daarvan voor de vertalingen.

Olga Krijtová, Geschrift eener bejaarde vrouw uit 1997. Aangeboden ter gelegenheid van haar tachtigste verjaardag. Speciaal nummer van Praagse Perspectieven, bezorgd door Ellen Krol en Lucie Sedláčková. Praag: Universita Karlova, 2011. 83 pagina’s. ISBN 978-80-7308-376-2

Te bestellen bij: J. Ultzen (jesse.ultzen@gmail.com), Karelsuniversiteit Praag. Prijs 10 euro excl. portokosten.

Pas verschenen: bundel Praagse Perspectieven 7

Praagse Perspectieven 7, Handelingen van het colloquium van de sectie Nederlands van de Karelsuniversiteit te Praag, op 24 en 25 maart 2011. Onder redactie van Zdenka Hrnčířová, Ellen Krol, Kees Mercks, Jan Pekelder en Jesse Ultzen. Praag: Universitaire pers 2011. 218 pagina’s. ISBN 978-80-7308-371-7.

In december 2011 is verschenen de bundel Praagse Perspectieven 7, met lezingen en bijdragen over Nederlandse taal- en letterkunde. Het letterkundige onderdeel is gewijd aan ‘Boeken die tumult veroorzaakten’ en het taalkundige thema aan ‘Doorbroken patronen.’

In een aantal letterkundige bijdragen staat een literair werk centraal dat het verwachtingspatroon van de lezer doorbrak en gewild of ongewild tumult veroorzaakte.
Lees verder >>

Nws: Early Dutch Books Online

Dit voorjaar is de website gelanceerd van Early Dutch Books Online (EDBO)(http://www.earlydutchbooksonline.nl), voorheen Dutch Print Online, waarin ruim 11.000 boeken digitaal beschikbaar gemaakt zijn, zowel als plaatjes als als tekst.

Zoals u wellicht weet, is er nogal wat kritiek geuit op de OCR (o.a. in een artikel in de NRC door Karel Berkhout). Nu is besloten het resterende projectgeld grotendeels te besteden aan de verbetering van de OCR en verder aan het oplossen van enkele bugs in de website. Het handmatig verbeteren van de OCR is erg arbeidsintensief en dus kostbaar. Er zal slechts een paar procent van alle boeken onder handen genomen kunnen worden. Er moet dus geselecteerd worden.

Bij de selectie worden leden van de Werkgroep Achttiende eeuw ingeschakeld en er wordt gekeken naar de meest geraadpleegde boeken. Bovendien horen we ook graag van u welke boeken u graag optimaal doorzoekbaar zou willen kunnen raadplegen op de EDBO-website. U kunt uw suggesties – eventueel met motivatie – vóór 1 februari sturen aan: judith.rog@kb.nl. Op grond van alle suggesties kunnen we bepalen welke titels we zullen laten doen.

Nws: P.C. Hooftprijs Tonnus Oosterhoff

De dichter Tonnus Oosterhoff (Leiden, 1953) heeft de P.C. Hooftprijs voor literatuur gewonnen. Dat werd vandaag bekend gemaakt.

‘Oosterhoffs poëzie is’ volgens de jury ‘in hoge mate vernieuwend, ze heeft de Nederlandse dichtkunst van diverse keurslijven bevrijd, niet planmatig of vanuit een dichterlijke ideologie, maar door persoonlijke oorspronkelijkheid en het bijzondere talent van de auteur voor het vastleggen of liever gezegd juist beweeglijk maken van moeilijk benoembare sensatie’. Oosterhoff werd onder andere bekend door zijn experimenten met digitale gedichten.

Oosterhoff ontving al meerdere literaire prijzen: de C. Buddingh’-prijs (1990) voor “Boerentijger”, de Herman Gorter-prijs (1994) voor “De ingeland”, de Jan Campert-prijs (1998) voor “(Robuuste tongwerken, ) een stralend plenum” en de VSB Poëzieprijs (2003) voor “Wij zagen ons in een klein groepje mensen veranderen”.

Col: Tuigdorp, gefeliciteerd!!!

Er stond al dagenlang op de website van Van Dale dat het ‘woord van het jaar’ vanochtend om 6:00 zou worden aangekondigd, dus de ware taalliefhebber stond op deze grauwe en regenachtige morgen wat vroeger op om kennis te nemen van deze culminatie van het taaljaar 2011. Vervolgens hebben we op verschillende radiostations Ewoud Sanders en Ruud Hendrickx horen voorbij komen: ook zij moesten vandaag voor dag en dauw op, maar ze deden vast graag, om passend commentaar te kunnen geven op deze grootse onthulling, dit heerlijke moment waar iedere taalliefhebber een jaarlang reikhalzend naar uit kijkt, dit gloriemoment, niet alleen voor de woorden die het betreft, maar voor de hele Nederlandse taal.

En laten we ook niet de woorden vergeten: hoeveel slapeloze nachten zullen de kandidaten deze weken niet hebben doorgemaakt. Want stel, ja, stel, toch dat zij dit jaar eens… zou dan de kans dat ze ooit écht in Van Dale zouden komen, en daardoor voor eeuwig en altijd tot de Nederlandse taal zouden behoren, niet enorm toenemen?

Sinds een uur of drie weet ik dus dat het tuigdorp geworden is, althans in Nederland. Van harte! Het zat er natuurlijk aan te komen, met zo’n actieve en goed georganiseerde fanclub: het schijnt dat nog de laatste dagen alle ooms en tantes, opa’s en oma’s van fans zijn opgetrommeld om dat woord zijn ereplaatsje te verzekeren. Er schijnen zelfs een paar mensen op gestemd te hebben die nog nooit eerder van het ‘woord van het jaar’ hadden gehoord (al vraag je je af waar dat soort mensen hun leven moeten hebben doorgebracht). In ieder geval is het een zeer grote eer voor dit woord, dat nu voortaan ook door belangrijke schrijvers en journalisten gebruikt zal worden; al is het nog een beetje vroeg om te voorspellen dat het ook binnenkort in een Groot Dictee zal verschijnen.

Grote en terechte vreugde heerst er ook in de kampen van de winnaars in speciale categorieën zoals ‘jongeren’ (planking) en ‘lifestyle’ (vleeshufter). In hun respectieve geboortedorpen heeft de plaatselijke fanfare vanochtend al een aubade gebracht, en de filmploegen van Het Hart van Nederland en RTL Nieuws zijn al uitgetrokken om mensen op de straat te vragen of ze de ‘eigen’ woorden kennen en wat ze ervan vinden dat ze gewonnen hebben.

Op momenten als deze merk je toch weer hoe zielsveel wij Nederlanders van onze taal houden. Overigens is de verkiezingkoorts nog niet voorbij: op dit moment maken spaties zich in het hele taalgebied op voor de verkiezing van de spatie van het jaar!

Col: De bedwelming van Wytze Hellinga

In de krochten van de Amsterdamse universiteitsbibliotheek bevindt zich een gevaarlijk document: een stencil uit 1968 dat ‘Historische taalkunde en de neofiloloog’ heet en dat geschreven is door Wytze Hellinga. Degene die het document vindt, raakt bedwelmd door de geest van Hellinga, “een wat manische man, die te veel vroeg van zijn studenten” volgens René van Stipriaan in een essay in het nieuwste nummer van Ons Erfdeel.Van Stipriaan is ook degene die het stencil van Hellinga gevonden heeft. Van Stipriaan is ook het eerste bewijs van de bedwelming, die ervoor zorgt dat de patient “nieuwe grootscheepse projecten [aankondigt] die ongeveer aan alle uithoeken van de humaniora raakten.”

Van Stipriaan grijpt het stencil van Hellinga aan om te reflecteren op de afgelopen 45 jaar in de neerlandistiek. De boodschap is weinig verrassend, maar daarom nietminder somber. De “voorhoede van de neerlandistiek [speelt] in de opinievorming geen grote rol”; “jonge afgestudeerden in enige tak van de neerlandistiek [staan] op de arbeidsmarkt niet bijzonder goed aangeschreven”; “veel universitaire opleidingen in de letteren zijn nauwelijks nog academisch te noemen, omdat de studieprogramma’s aan elkaar hangen van inleidingen-in-dit en kennismakingen-met-dat.

Alstublieft. En waar ligt dit allemaal aan? Volgens Van Stipriaan vooral aan het verdwijnen van het vak ‘historische taalkunde’. Dát vak gaf de neerlandici een voorsprong op andere cultuurwetenschappers, omdat het hen gevoelig had gemaakt voor ‘de valkuilen van de taal, voor dubbelzinnigheid’, en nog een heleboel meer. Vrij vertaald en samengevat (u hebt per slot van rekening geen tijd om hier een eindeloze column door te werken, laat staan dat essay van Van Stipriaan): omdat het hen had geleerd nauwkeurig te lezen.

Nu lijkt me dat nauwkeurig lezen van oude teksten niet per se een kwestie waarvoor je de ontwikkeling van het middelnederlandse naamvalssysteem tot je zou moeten nemen, maar aan de andere kant: dat er op de Nederlandse universiteiten niet of nauwelijks nog aandacht is voor de historische ontwikkeling van het Nederlands is inderdaad een grote schande. Van Stipriaan is dit echter nog niet genoeg: vervolgens roept hij op tot een grootschalige herstructurering van de opleidingen in de neerlandistiek, of vooral het verzwaren van de studie. De manier waarop hij zich die verzwaring voorstelt heeft echter iets nogal Hellingaïaans: een grote grabbelton waarin van alles en nog zit. Aan de ene kant spreekt Van Stipriaan bijvoorbeeld uit dat ‘de taalkundige component in de letterkundige richtingen hersteld zou moeten worden’, tegelijk valt op dat hij het alleen over die letterkundige richtingen serieus heeft. Verder moeten de studenten letterkunde van alles en nog wat: lezen, snel lezen, veel lezen, en sociologie, psychologie en antropologie toepassen op wat ze lezen, en alle letterkunde zien als historische letterkunde.

Dat klinkt allemaal niet erg realistisch, om niet te zeggen manisch. Tegelijkertijd heeft het natuurlijk ook iets heel aanstekelijks; ik raakte in ieder geval tijdens het lezen van Van Stipriaans essay steeds meer bedwelmd. Inderdaad! Laten we opstaan uit de versukkeling van wat er praktisch allemaal kan in de BA-MA-structuur! Laten we gewoon een groep getalenteerde grote talenten opleiden en de neerlandistiek weer tot een prachtig vak maken! Leve Hellinga!

Naschrift 20.12.2011. De historisch taalkundige van Nederland Jan Noordegraaf schrijft: ‘Het stencil van Hellinga is natuurlijk gewoon op meerdere plaatsen in Nederland aanwezig […]. In mijn stukje over 60 jaar AVT verwijs ik er bijvoorbeeld naar. Of ik door de geest van Hellinga bedweld ben geraakt? Dat valt wel mee, geloof ik.’

Age: Internationaal congres Antwerpen ‘Ambassadors of the book’

Internationaal congres ‘Ambassadors of the book. Competences for heritage librarians’
Universiteit Antwerpen, 1 en 2 februari 2012
Inschrijving open

Het congres ‘Ambassadors of the book: Teaching competences for heritage Librarians’ vindt op 1 en 2 februari 2012 plaats in Antwerpen.
Een twintigtal sprekers uit acht landen bespreekt de problematiek van competenties voor erfgoedbibliothecarissen en de manier waarop deze competenties op de verschillende onderwijsniveaus aangeleerd kunnen worden. Het volledige programma, de praktische details en een online inschrijvingsformulier zijn beschikbaar op http://www.ua.ac.be/ibw/ambassadors-of-the-book.

Inschrijven (50 euro voor de 2 dagen, incl. lunches en koffie) kan nog tot 20 januari 2012.

Het (Engelstalige) congres wordt georganiseerd door de Vlaamse Erfgoedbibliotheek, de opleiding Informatie- en Bibliotheekwetenschap van de Universiteit Antwerpen en de Enssib (Lyon), in samenwerking met Faro, de Universiteitsbibliotheek Antwerpen, Anet, LibisNet en CERL.

Het congres loopt onder de auspiciën van IFLA-Rare Books and Manuscripts Section en het Liber-Steering Committee for Heritage Collection and Preservation.

Keynote speakers zijn Deirdre Stam (Rare Book and Special Collections Program, Palmer School of Library and Information Science, Long Island University) en Michel Suarez (Rare Book School, University of Virginia).

Col: Arnons Zangberg

Nadat hij eerder deze week een wat saai dictee had afgeleverd, publiceert Arnon Grunberg een wat plechtstatig Nederlands, in de Volkskrant. Hij wil dan ook in een essay onderzoeken "hoe ik me verhoud tot de wereld waar ik tegen wil en dank deel van uitmaak".

Wat hij constateert is over het algemeen niet erg verrassend: "dat het automatische respect voor het fenomeen literatuur geminimaliseerd is. Dat heeft alles te maken met democratisering en de ontmanteling van autoriteiten." Tegelijk heeft de literatuur nu eenmaal weinig met democratie te maken: je hebt goede schrijvers die veel gelezen worden en goede schrijvers die nooit gelezen worden. Op het kleine speelveld van de literaire eer en prestige — want daar lijkt het Grunberg blijkens dit essay vooral om te doen: "als schrijver blijf ik afhankelijk van erkenning die door de literaire wereld wordt gegenereerd" — verdringen bovendien de talenten zich en is het daarom allemaal haat en nijd. "Daarom zoek ik mijn vrienden en kennissen het liefst in andere kringen."

Het is interessant hoe Grunberg tegelijkertijd erkent dat er een illusie is, maar daar toch aan blijft vasthouden, als een atheïstische dominee die toch op de kansel blijft staan: dat literaire kwaliteit bestaat. Misschien dat hij daarom ook zo vervalt in wat houterige plechtstatigheid. Nee, het is geen kwestie van democratie, maar er is wel degelijk een markt, namelijk een "in symbolisch kapitaal, dat wil zeggen erkenning, waardering en prijzen van zogeheten experts."

Hij ziet dat kennelijk in, dat je het allemaal onzinnig zou kunnen vinden, maar tegelijk vermag hij niet af te zien van dat symbolische kapitaal dat hem door ‘zogeheten’ experts kan worden uitgekeerd.

Het is trouwens ook te makkelijk om hem dat als academicus, wat ik ben, te verwijten. Grunberg wijst erop dat het ‘symbolisch kapitaal’ van de hooggeleerde vooralsnog meer zekerheid biedt: dat blijf je je hele leven, met ook nog een min of meer gegarandeerd financieel inkomen. Wat hij minder ziet, waarschijnlijk omdat hij niet in onze wereld verkeert, is dat het ook hier dringen is om dat symbolische kapitaal, ook onder de mensen die allang een vaste baan hebben, en ook onder degenen die het iedere dag over dat symbolische kapitaal hebben. We haten elkaar, we minachten degenen die ons dat kapitaal kunnen verschaffen vanuit het diepst van onze ziel. En tegelijk wil iedereen altijd maar meer hebben van die bewondering.