Impactfactor

Het wetenschappelijk bedrijf wordt langzaam maar zeker zo objectief dat het tot somberheid stemt. Onlangs was ik namens de redactie van neerlandistiek.nl – hét publicatiemedium voor uw beste wetenschappelijke werk – bij een bijeenkomst van redacties van elektronische wetenschappelijke tijdschriften uit allerlei disciplines. Een belangrijk deel van de middag ging heen met de vraag hoe je als tijdschrift een ‘impact-factor’ kunt verkrijgen.

Allereerst moet je zorgen dat je in een prestigieuze tijdschriftenbank terechtkomt. Vervolgens wordt dan gemeten hoe vaak je artikelen worden geciteerd door andere tijdschriften in die database. Het aantal keren dat je dat in een jaar overkomt, bepaalt, gedeeld door het aantal citeerbare artikelen dat je dat jaar hebt geplaatst, je impact-factor.

Die factor is dus het uitgevers-equivalent van de citatie-index voor onderzoekers. Een tijdschrift met een hoge impactfactor geldt in veel disciplines allang als een begerenswaardig publicatiemedium, begreep ik van veel mederedacteuren op die studiemiddag. Dat is een probleem voor nieuwe tijdschriften: de beste auteurs sturen niet zo snel iets op naar een tijdschrift zonder impactfactor. En zonder goede auteurs wordt je tijdschrift nooit genoeg geciteerd om aan een goede impactfactor te komen.

Inmiddels zijn er technieken bedacht om die factor op te krikken. Een truc die tijdens de studiemiddag uitgebreid besproken werd is: publiceer de artikelen die veel geciteerd zullen worden liever in je januarinummer dan in je decembernummer. Alleen verwijzingen naar de artikelen van de afgelopen een of twee jaar tellen mee, en een artikel uit december schuift te snel uit dat venster om nog mee te kunnen tellen.

Nog een techniek is om auteurs zoveel mogelijk te stimuleren naar artikelen in jouw tijdschrift te verwijzen. Dat kan slechts in beperkte mate in artikelen die je zelf publiceert, omdat al te veel zelfcitaties weer strafpunten opleveren; maar je kunt in ieder geval wel je auteurs vragen om in publicaties elders veel naar jouw blad te verwijzen. Zoals sommige tijdschriften inmiddels ook vooraanstaande auteurs betalen om af en toe een overzichtsartikel te schrijven, want naar zulke artikelen wordt vaak verwezen.

De geesteswetenschappen hebben nog geen instrument voor het bepalen van impactfactoren, maar ooit komt dat eraan. Zoals we ook langzaam schuiven naar de situatie dat de publicatie van een boek niet telt bij de beoordeling van een onderzoeker, of in ieder geval vele malen minder dan de publicatie van een tijdschriftartikel.

Wij geesteswetenschappers zijn wel geneigd om te denken dat dit een publicatiemodel is dat wel past op de sociale en de natuurwetenschappen, maar niet op ons. Daar hebben we ongelijk in. Het past eigenlijk ook niet bij die andere wetenschappen, het is een belachelijk idee dat wetenschap een vak is dat zich altijd en overal op precies dezelfde manier kan uiten: in een peer-reviewed toptijdschrift met een hoge impact-factor.

Ik ken geen enkele onderzoeker die denkt dat dit een goede ontwikkeling is, dat het vak er mee zou opschieten als we citatie-indexen en impactfactors zouden hebben. De meeste mensen die ik erover spreek vinden het zelfs een slechte ontwikkeling. En toch is het net alsof er niets aan te doen is, de wereld verschuift nu eenmaal in die onzalige richting van steeds meer toetsbaarheid. Het wetenschappelijk bedrijf wordt nog eens zo meetbaar dat het niet leuk meer is.

Marc van Oostendorp

Zoentje op je oorlel

Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil tussen een kus en een zoen? Mijn indruk is dat er gaandeweg een betekenisverschil aan het ontstaan is tussen die twee woorden.

Voor een eerste definitie zoeken we ons heil bij het Woordenboek der Nederlandsche Taal (WNT). Dat definieert kus als ‘eene aanraking met de lippen, in ’t bijzonder eene aanraking van een anders mond’. Verder merkt het woordenboek op dat ‘in de omgangs- en de volkstaal (…) kus (kos) niet over ’t geheele ndl. taalgebied gebruikt (wordt): men hoort ’t ten Z. van ’t Haringvliet en den Moerdijk, in ’t oostelijkste stuk van Z.-Holl., en voorts in Utrecht, Gelderl. en Overijsel; elders bezigt men andere woorden, b.v. zoen (hoofdzakelijk in Holl., maar o.a. ook wel in ’t W. van Utrecht) (…)” Lees verder >>

Het volk, de koningin en ik

De mensen – u weet wel, de man in de straat, lieden zoals u en ik, de doorsnee taalgebruiker, Jan met de pet, onze achterban, degenen voor wie wij het allemaal doen, de geïnteresseerde leek, het gewone volk, de belastingbetaler, de zwijgende meerderheid, onze informanten, de representatieve steekproef, mijn spreekwoordelijke oma, degenen op wie Rita Verdonk zich richt, en de kijkers thuis – interesseren die zich eigenlijk voor taal? Ik durf er niets over te zeggen. Zeker niet sinds 14 februari van dit jaar.

In november vierde het Genootschap Onze Taal zijn 75-jarig bestaan, en ze vroegen mij om iets te vertellen over uitspraakveranderingen. Ik besloot me te laten inspireren door het werk van Jonathan Harrington, een foneticus die uitspraakveranderingen in de kersttoespraken van Koningin Elisabeth heeft onderzocht. Die kersttoespraken zijn prachtig materiaal als je wilt laten zien hoe de spraak van een individu zich in de loop van de tijd ontwikkelt. Het is heel moeilijk om op een andere manier een individu bereid te vinden om decennia lang ieder jaar op hetzelfde moment min of meer dezelfde tekst uit te spreken. Dat had Harrington in zijn onderzoek heel mooi laten zien, en zoiets leek me ook wel uitvoerbaar voor koningin Beatrix.

Het blijkt nog niet gemakkelijk te zijn om alle opnames bij elkaar te krijgen. Beeld en Geluid, de afdeling die het archief van de publieke omroep beheert, is een onneembare vesting, waar iedereen voortdurend ziek is, of met vakantie, of net ontslag heeft genomen. Maar toen ik na vele maanden eindelijk de opnamen bij elkaar geschraapt had, hoorde ik dat er in ieder geval met de r in coda-positie duidelijk waarneembaar iets gebeurd is. Waar je Beatrix’ uitspraak in 1982 nog kon uitschrijven als waarde en geboorte, zegt ze de laatste jaren iets wat je beter kunt weergeven als waahde, geboohte. De r is geworden tot een sjwa-achtige klank, die bovendien in de loop van de jaren korter wordt.

Dat vertelde ik tijdens dat congres, en ik schreef het vervolgens ook op, zodat Onze Taal het kon afdrukken in het congresnummer van het tijdschrift.De redactie stuurde op 14 februari een persbericht uit, en vervolgens werd ik anderhalve dag lang het middelpunt van een storm van aandacht. Zoiets had ik nog nooit meegemaakt, zelfs toen ik hoogleraar Esperanto werd niet. Geen moment stond de telefoon stil.

Hoe werkt zoiets? Als ik niet de koningin had genomen, maar zevenentwintig jaar lang mijn moeder had opgenomen, was dat veel edeler werk geweest, maar was al die aandacht niet gekomen, dat is duidelijk. Belangrijk was in ieder geval dat het ANP en NOS Teletekst het bericht allebei snel overnamen. De eerste telefoontjes kwamen binnen een paar minuten binnen – waarbij dan nog moet worden gezegd dat de meeste journalisten een omweg moesten maken, omdat ze eerst naar de redactie van Onze Taal moesten bellen om mijn telefoonnummer te krijgen.

De redacties van RTL Nieuws en RTL Boulevard meldden zich als eersten, en stuurden allebei een filmploeg om me in de leeszaal van het Meertens Instituut te filmen terwijl ik zogenaamd in het WNT opzocht wat griesmeelpap betekent, want dat is nu eenmaal het dagelijks werk van de taalwetenschapper. Maar ondertussen meldden zich ook alle landelijke kranten. De royalty-verslaggever van De Telegraaf schreef een stukje voor ‘de drie’ over hoe raar de koningin eigenlijk praat, een verslaggever van de Volkskrant vroeg me of dit eigenlijk wel nieuws was, en de redactie van de TROS Nieuwsshow wilde me wel op zaterdagochtend in de studio hebben, op voorwaarde dat ik geen andere grote interviews deed voor Radio 1.

Tamelijk bizar blijkt ook het systeem van ‘quotes’ te werken van het radionieuwsbulletin. In de grotere radiojournaals van de publieke omroep hoor je af en toe iemand – een deskundige of een betrokkene – een zin zeggen als onderbreking van de nieuwslezer. Ik weet nu hoe dat werkt. Je wordt opgebeld door iemand die zegt dat ze voor het radionieuws werkt, dat ze het persbericht gezien heeft, en dat ze nu een quote wil opnemen. Als je zegt dat dit goed is, zegt ze dat ze je nu in de computer doet, en daarna hoor je een halve minuut alleen gekraak. Opeens roept de dame van heel ver weg snauwen dat je nu iets mag zeggen. Wat je dan in verwarring roept, wordt als quote in het nieuws gemonteerd. Je naam wordt er niet bij genoemd, je wordt alleen aangeduid als ‘De Onderzoeker’, ongeveer zoals men in de middeleeuwen naar Aristoteles verwees als Philosophus.

En na anderhalve dag is het allemaal voorbij, de nieuwswaarde van de rare r van de koningin is kennelijk zo groot dat de berichtgeving niet een dag kan wachten. De enige redactie die me een week later nog wilden interviewen, was de Nederlandstalige afdeling van een commerciële zender in Australië.

Wat kunnen we hier nu uit leren? De bedoeling van zo’n actie is natuurlijk om de taalkunde onder de aandacht te brengen van de mensen. Maar lukt dat ook? Ik weet het niet helemaal zeker. Er zijn in ieder geval een paar heel slechte stukken verschenen: het bericht over de rare uitspraak van Beatrix in De Telegraaf heeft waarschijnlijk geen enkel positief effect gehad, en die journalist had ik achteraf beter niet te woord kunnen staan. Maar het rare is dat je zulke dingen nauwelijks vantevoren kunt voorspellen. Heel moeizame gesprekken leveren soms heel inzichtelijke stukjes in de krant op, terwijl heel begripvolle interviewers achteraf alleen naar de sensatie bleken te vissen. Er zijn in ieder geval een paar interviews geweest waarover ik tevreden was, waar ik iets serieus kon vertellen, terwijl de interviewer het ook even over de koningin mocht hebben. Of Beatrix er ook zo over denkt, weet ik niet, maar als ik op deze manier één scholier aan de radio ervan heb overtuigd dat je in het leven ook taalkundige kunt worden, ben ik tevreden.

Marc van Oostendorp

Carnaval der burgerrecensenten

‘Voor virtuoos proza moeten we niet op het net zijn’. Zo, die zit en daar kunt u het mee doen. Ga toch weg van dit vermaledijde beeldscherm waar u naar zit te staren. Neem liever een goed boek, of een krant, of desnoods een reclamefolder, als u tenminste op zoek bent naar virtuoos proza.

Het citaat waar ik mee begon, komt ook al niet uit een boek, maar uit een stukje dat de romanschrijver Herman Stevens een paar maanden geleden op zijn weblog heeft gezet. Stevens had een artikel in NRC Handelsblad geschreven tegen wat hij ‘burgerrecensenten’ noemde — ongediplomeerden die op internet boekbesprekingen publiceren. Een paar dagen later had een zekere Daan Stoffelsen daarop gereageerd. Stoffelsen werkt bij Recensieweb, een website waarop dat soort recensies over moderne Nederlandse letterkunde worden geplaatst. De NRC wilde kennelijk Stevens’ antwoord waaruit dit citaat kwam niet meer hebben. Dus had hij het uitgerekend op het verfoeide internet gezet.

Wat beweegt iemand om een dergelijk stuk te schrijven? Het heeft op het oog weinig zin om ten strijde te trekken tegen de burgerrecensenten. Wie zal zich ervan laten weerhouden om op een website te verkondigen wat hij van Tirza en Mim vindt doordat hij Stevens’ stukje gelezen heeft? We zullen moeten afwachten wat een en ander gaat betekenen voor de toekomst van de letterkunde, maar de opkomst van de lezer die op internet vertelt wat hij of zij ervan vindt is een feit.

  Erg groot is de wereld van de burgerrecensenten overigens nog niet, althans niet in het Nederlandstalige deel van het internet. In de Engelstalige wereld bloeit het fenomeen inmiddels volop en vind je zelfs duidelijke subgenres. Populair zijn bijvoorbeeld de internet-dagboeken van lezers die fanatiek het ene boek na het andere verslinden en daar op internet verslag van uitbrengen. De weblog ‘So Many Books’ (‘the agony and ecstacy of a reading life’) is daar een mooi en erudiet voorbeeld van, geschreven door een zekere Stefanie die ooit een doctoraal in de Engelse letteren haalde en nu ergens in Minneapolis bij een helpdesk werkt, als ik het allemaal goed begrijp. In haar vrije tijd leest ze Emerson en Proust en Homerus, en ongeveer elke dag schrijft ze daarover.

Een consequentie van dat dagelijkse ritme is dat ze vrijwel nooit recensies schrijft. Ze leest de ene dag bijvoorbeeld een stukje in de Odyssee en vertelt dan wat haar indrukken van dat stukje zijn; een paar dagen later gaat ze er pas mee door. Als het boek uit is, geeft ze nog wel een soort eindoordeel, maar eigenlijk worden de hele tijd allerlei boeken door elkaar besproken — zoals in het leven van de lezer zelf.

Een ander interessant subgenre is dat van de aan een speciale schrijver gewijde weblog. Op het AustenBlog wordt bijvoorbeeld iedere dag melding gemaakt van de laatste nieuwtjes rondom de razend populaire negentiende-eeuwse schrijfster Jane Austen: wat er in allerlei kranten over haar staat op internet, waar nieuwe elektronische edities van haar werk te vinden zijn, wat we moeten denken van de nieuwste verfilming. Een ander voorbeeld is ShakespeareGeek, waarop een zekere Duane niet alleen soortgelijke nieuwtjes over de Engelse toneelschrijver geeft, maar ook regelmatig vertelt over welke versregels zijn driejarige dochtertje nu weer uit haar hoofd blijkt te kennen.

Het echte leesdagboek en de gespecialiseerde schrijversweblog bestaan bij mijn weten in het Nederlands niet. Er zijn er een paar die in de buurt van het eerste komen. Die dagboeken komen opvallend genoeg eerder van boekverzamelaars dan van lezers; onder Nederlandse webloggers bestaat nog steeds een grote openlijk beleden liefde voor de bibliofiele legende Boudewijn Büch. Een voorbeeld is ‘Boekengek’ die op 5 september 2007 omstandig verslag uitbrengt van zijn problemen met AlItalia, als hij probeert veel te zware koffers met boeken in te checken. Een ander voorbeeld is ‘Bibliofilos’ (er zijn veel pseudoniemen in deze wereld) die de afgelopen jaren eerst als hostess op het Griekse eiland Kreta heeft gewerkt en daarna als telefoniste bij uitgeverij Prometheus. Vooral haar avonturen in de eerste functie waren van een soort waar je weinig over leest in de krant: hoe ze de hotels afging om van de portiers de Nederlandstalige boeken te krijgen die gasten hadden laten liggen. Inmiddels werkt Bibliofilos overigens voor een uitzendbureau, we blijven haar volgen.

  Degenen die meer over hun lezen schrijven, pakken het (jammer genoeg) wat traditioneler aan. Ze schrijven recensies van boeken die ze uitgelezen hebben, zij het dat deze recensies in doorsnee een stuk korter zijn dan wat je in de boekenbijlage vindt. Sommigen van deze webloggers lezen zich overigens door gigantische stapels heen. De Nederlander IJsbrand van den Berg zet bijvoorbeeld bijna iedere dag een stukje op zijn Boeklog over weer een nieuw boek; naar eigen zeggen is wat hij bespreekt dan nog maar een fractie van wat hij werkelijk leest. In Vlaanderen is er een man die zelfs twee weblogs weet te vullen met zijn gelees. Onder de naam Achille van den Branden (ontleend aan een personage in een boek van Tom Lanoye) schrijft ook hij een paar keer per week een uitvoerige bespreking van een boek — van Plato tot Jeff Geeraerts; onder de naam Prins van Denemarken plaatst hij iedere dag een fragment van een boek; waarbij aangetekend moet worden dat die boeken vaak een paar dagen later door Van den Branden besproken worden.

Daarnaast zijn er de websites van de collectieven. Recensieweb heb ik hierboven al genoemd. Boekgrrls is er ook zo een, al is dit meer een discussieplatform of een elektronische leesclub dan een echte recensiewebsite (‘Een mooie bespreking. Ik heb dit boek ook gelezen. Het verhaal fascineerde me maar in het einde vond ik de tragiek te sterk aangezet.’) Van dat soort discussieplatforms zijn er overigens ook meerdere op het internet te vinden; zelfs de NRC, de krant waarin Herman Stevens’ oorspronkelijke klacht verscheen, heeft er een.

  Traditionelere recensies verschijnen dan weer op onder andere Poëzierapport, een website van Philip Hoorne, Patricia Lasoen, Chrétien Breukers, Cees van der Pluijm, Alain Delmotte, Catharina Blaauwendraad, Paul Rigolle, Ronald Ohlsen en Yves Joris. Sommigen onder hen zijn redelijk bekende dichters; gezamenlijk zorgen ze voor een bont overzicht van wat er zoal aan dichtkunst verschijnt in Nederland.

Daarmee komen we op zo’n genre dat dicht tegen het leeslog aanzit, en dat in Nederland een relatief grote populariteit heeft: dat van het dichtersweblog. Het is moeilijk van dit genre een overzicht bij te houden, omdat er de hele tijd nieuwe worden opgericht, coalities worden aangegaan, transfers worden gesloten, enzovoort. Toch zijn er wel enkele constanten aan te wijzen. Zo is er de website Rottend Staal, een krant die door de dichter Bart FM Droog wordt uitgegeven vanaf het zelfgemaakte waddeneiland Epibreren. De krant heeft een tijdje stilgelegen, maar biedt de laatste maanden ineens weer iedere dag nieuws uit de fascinerende wereld van de vaderlandse dichtkunst. Droog heeft trouwens ook nog een privé-weblog op de website van de Volkskant.

Ik heb overigens geen idee wat het verschil verklaart tussen de poëzie en het proza: bij de eerste zijn het vooral de makers die weblogs voeren, poëzielezers vind je nauwelijks. Bij het laatste genre zijn het dan weer vooral de lezers die je overal op het internet tegenkomt. En ook daar weer: geen idee wat het verschil verklaart.

In de loop van de tijd zijn die boekbloggers of leesloggers, een standaardwoord is er nog niet voor, me lief geworden. Wat een plezier spat er eigenlijk af van weblogs als Moet je lezen!, Lezen is leuk!, Boekenwurm en pleeg (van een verpleegster) en Bibliothecaris in Blog. De stijl waarin die lezers hun liefde voor het lezen uitdrukken is misschien wat onbeholpen, en zelfs hun boekenkeuze is heus niet altijd de mijne, maar dat je zoveel onbekommerd plezier kunt hebben aan telkens weer een nieuw boek — ook dat is een geluid dat je niet vaak verneemt in de boekenbijlage.

  Ook sommige recensenten die wel in de kranten schrijven, plaatsen hun stukken overigens op internet. Herman Stevens doet dat bijvoorbeeld zelf, Arie Storm (Het Parool), Ed Schilders (de Volkskrant) en Max Pam (HP/De Tijd). Je ziet meteen dat het heel andere stukken zijn dan elders op het web verschijnen: beter geschreven, beter geïnformeerd, beter doordacht. Toch kun je je afvragen wat de toekomst van dit soort stukken nog is. Recensies in de krant hebben allerlei functies die uiteindelijk best door de websites kunnen worden overgenomen: het signaleren van nieuwe boeken bijvoorbeeld, en zelfs het geven van een indruk wat die boeken precies te melden hebben.

Er zal altijd wel een markt zijn voor verdieping, voor artikelen die meer achtergrond geven dan zo’n stukje op het internet, maar de vraag is of de krantenrecensie die verdieping wel biedt. Dan denk je toch eerder aan een wat grootser essay. En voor het echte virtuoze proza kun je uiteindelijk toch nog steeds op een plaats het best terecht. Niet op het net, niet in de krant, maar in de boeken.

Marc van Oostendorp

Wat is er mis met de natuurkunde?

De natuurkunde is de moeder aller wetenschappen. Er zijn weinig disciplines die zo precies zijn, zulke prachtige technologische vruchten dragen en zulk diep inzicht in de werkelijkheid geven. Op velerlei wijzen geldt de natuurkunde dan ook als model voor de moderne wetenschap. Er zou een kloeke bundel zijn samen te stellen met passages in de twintigste-eeuwse taalkunde waarin de moderne fysica aan het eigen vak ten voorbeeld wordt gesteld: zulke rigoureuze formaliseringen, zo’n prachtig samengaan van theorie met experiment, zo’n onbevreesd formuleren van niet onmiddellijk waarneembare abstracties — zo zou elke discipline georganiseerd moeten zijn.

Het zijn niet alleen de onderzoekers die zo denken. De twintigste-eeuwse wetenschapsfilosofie heeft ook de natuurkunde vaak als model genomen van de succesvolste manier om kennis te vergaren. En vooral: de financiering van de wetenschap lijkt meer en meer gebaseerd op het voorbeeld van de natuurwetenschappen. Een organisatie als NWO geeft de voorkeur aan onderzoeksprojecten waarin – anders dan in de geesteswetenschappelijke traditie – onderzoekers samenwerken aan projecten met een duidelijke doelstelling en een heldere eindtermijn. De te gebruiken methodologieën moeten worden vastgelegd. Een goede onderzoeker publiceert liefst een heleboel kleine artikeltjes, in plaats van af en toe een boek zoals voorheen gebruikelijk was.

Ik moet toegeven: de natuurkunde is voor mij ook altijd een voorbeeld geweest. Wij alfa’s doen ons best, maar de échte wetenschap wordt door onze collega’s bij wis- en natuurkunde bedreven. Voor wie dat gelooft, is lectuur van Lee Smolin’s boek The Trouble with Physics (Wat er mis is met de natuurkunde) een verlichtende ervaring.

Volgens Smolin, zelf een onderzoeker die zijn sporen in de theoretische natuurkunde heeft verdiend, gaat het al twintig, dertig jaar niet goed met zijn vak. Aan het begin van zijn boek zet hij uiteen wat volgens hem dertig jaar geleden de grote onbeantwoorde vragen van het vak waren. Geen van die vragen is volgens hem in de loop van de afgelopen decennia opgelost. Waar in het vak in de tweehonderd jaar voor 1977 de ene belangrijke ontdekking werd gedaan na de andere, zit men nu muurvast.

Wat zijn dat voor vragen? Het grote probleem van de twintigste-eeuwse natuurkunde is dat de twee grote doorbraken, de kwantummechanica en de algemene relativiteitstheorie, ieder voor zich volkomen correct lijken te werken en allerlei zeer opmerkelijke voorspellingen hebben gedaan die ieder voor zich bleken te kloppen, maar dat ze niet compatibel zijn. Ze zijn allebei juist op hun eigen gebied, maar ze spreken elkaar tegen.

De afgelopen twintig, vijfentwintig jaar zoeken veel theoretisch natuurkundigen de oplossing voor die paradox in de zogenoemde ‘snaartheorie’ (string theory), die de twee onverenigbaren met elkaar zou moeten verenigen in een ingenieuze wiskundige constructie. Volgens Smolin zijn er echter twee problemen. De precieze formulering van de snaartheorie is na al die jaren nog helemaal niet compleet, nog nooit heeft iemand de uiteindelijke theorie echt precies opgeschreven. En de theorie heeft tot nu toe nog geen enkele interessante uitspraak over de werkelijkheid gedaan die juist bleek. Geen enkele diepgaande vraag is nog beantwoord door die theorie.

Die snaren kloppen dus theoretisch noch empirisch – dat zijn, zou je denken, dodelijke beweringen. Toch zijn volgens Smolin de afgelopen jaren vrijwel alle vaste banen in de (Amerikaanse) theoretische natuurkunde vergeven aan snaartheoretici. Jonge natuurkundigen die carrière willen maken, hebben geen andere keus dan zich tot die theorie te bekennen en zich de vreselijk ingewikkelde mathematische technieken eigen te maken die de theorie vereist. Mensen die iets anders doen, worden uitgelachen.

Hoe komt dit nu? Om dat uit te leggen maakt Smolin gebruik van het bekende, door de wetenschapsfilosoof Thomas Kuhn geïntroduceerde, verschil tussen perioden van normal science enerzijds en revolutions anderzijds. In de eerste periode weten wetenschappers min of meer waar ze aan toe zijn en moeten er puzzels worden opgelost volgens een min of meer bekende patroon; na verloop van tijd stapelen de problemen zich echter op, en breekt er een revolutie uit. Het resultaat van zo’n revolutie is een wetenschappelijke paradigmawisseling, die weer nieuwe puzzels oplevert. Dan breekt er een nieuwe periode van normal scienceaan, waarin die puzzels kunnen worden opgelost.

Het probleem is nu, volgens Smolin, dat de moderne academische wereld steeds meer ingesteld is geraakt op normal science. De natuurkunde heeft een revolutie nodig, maar dat is niet mogelijk, gegeven de rigide systemen van publish-or-perish, peer review, enzovoort: allemaal bedenksels die de wetenschap onder controle moeten houden, en daarmee revoluties tegengaan. Dat werkt in de hand dat wetenschappers vooral braaf puzzels gaan oplossen, niet dat ze proberen de wereld op hun kop te zetten, ook als dat betekent dat ze daarover soms een paar jaar moeten nadenken zonder artikeltjes te publiceren. Het succes van de snaartheorie is volgens Smolin aan die houding te wijten: het is een poging een revolutie te bewerkstelligen met de methoden van normal science.

Al die bezwaren gelden natuurlijk ook ons eigen vak, gelden mogelijk ieder vak. Ons wordt altijd wijsgemaakt dat al die regels over publicaties en samenwerking en weet ik wat allemaal het model van de natuurwetenschappen volgen. Als wij geesteswetenschappers dat soort zaken ook invoeren, dan worden we misschien ooit net zo succesvol. Smolins boek laat zien dat dit een fabeltje is. Sterker nog: zelfs de moeder aller wetenschappen dreigt op haar knieën te worden gedwongen door die vreselijke controle- en uniformeringsdrang die de academie over de hele wereld in haar macht heeft. Wat er mis is met de natuurkunde, is mis met ons allemaal.

* Lee Smolin. The trouble with physics. The fall of string theory, the fall of a science, and what comes next. London: Allen Lane, 2006. Website: http://www.thetroublewithphysics.com/

De ontdekking van de zin

Niemand vindt het leuk om onzinnig werk te doen, en daarom houdt iedereen die geen bejaarden wast, voor dag en dauw het vuilnis ophaalt of in India bijstand verleent aan de allerarmsten, zich vast aan zijn illusies. De directeur meent dat hij enorme verantwoordelijkheden op zich neemt om de algehele welvaart op te voeren, de ambtenaar spiegelt zich voor dat de maatschappij in elkaar stort zonder mensen die de publieke zaak dienen, en de presentatrice van het belspelletje op tv heeft toch weer een paar mensen een genoeglijk halfuurtje bezorgd. De illusie van de onderzoeker – in ieder geval van mij – is dat de mensheid al eeuwenlang een kathedraal van kennis aan het bouwen is, en dat al zijn gezwoeg uiteindelijk een legosteentje bijdraagt aan die kathedraal. Al ben je zelf misschien een intellectuele kabouter, je staat niet alleen op de schouders van reuzen, maar op jouw schouders kunnen later ook weer nieuwe reuzen toch weer net wat hoger staan.

Dan is het vervelend als iemand het feestje komt verstoren. Dat is precies wat Joop van der Horst deed in de lezing die hij hield tijdens het laatste Taalgala, en die deze maand staat afgedrukt in Onze Taal. Van der Horst was genomineerd voor de LOT Prijs voor popularisering, die hij ook won. In zijn lezing gaat hij na waarom er eigenlijk zo’n prijs is. Eén veronderstelling die hij oppert: misschien komt het doordat er zo weinig te melden is over de taalkunde, dat je wel een heel goede popularisator moet zijn om er nog iets van te maken. Van der Horst zegt dan dat er veertig jaar geleden, toen hij ging studeren nog allerlei hooggespannen verwachtingen waren over het vak. We stonden op het punt een Universele Grammatica bloot te leggen, en zo een belangrijk onderdeel van de menselijke geest in kaart te leggen. En de computer zou door onze inspanningen ook menselijke taal kunnen gaan gebruiken.

Van die beloftes is niet veel gekomen. Volgens Van der Horst weten we nu op de keper beschouwd niet veel meer over taal dan pakweg in 1950. We hebben meer talen in meer detail in kaart gebracht, maar dat is vooral ‘meer van hetzelfde’.

Er zijn misschien mensen die boos worden om zo’n laconieke ontkenning van de vrucht van al onze inspanningen, maar mij heeft het wel een genoeglijke middag bezorgd. Natuurlijk moet die Van der Horst ongelijk hebben, we slepen ons toch niet voor niets iedere dag weer naar kantoor. Wat voor inzichten hebben we in in de afgelopen 57 jaar precies bereikt?

Misschien zijn ze inderdaad niet zo schokkend als er ooit geroepen is. Aan het blootleggen van een Universele Grammatica wordt nog steeds gewerkt, ook door mij, maar je kunt niet zeggen dat we nu een heel duidelijk idee hebben over hoe een en ander precies in elkaar zit. Bovendien is het debat over wat er nu precies is aangeboren aan de menselijke taal en wat er op een andere manier – uit de cultuur, uit het feit dat taal gebruikt wordt, noem maar op – is ingesloten almaar verfijnder geworden, zodat iedereen nu redelijkerwijs moet zeggen: een deel is nature en een deel is nurture, al weten we nog niet precies wat nu wat is. Maar daar haal je de voorpagina van de krant niet mee. Zo kunnen computers nu ook een heel klein beetje en heel gebrekkig praten, en af en toe verstaan ze warempel ook een enkel woord, mits glashelder uitgesproken en precies passend in de context, maar dat ze zelfs over vijftig jaar maar kunnen praten, lijkt vooralsnog inderdaad vrij onwaarschijnlijk.

Wat dan wel? Ik zie twee belangrijke resultaten van de afgelopen 57 jaar. De eerste is de ontdekking van de zin – de explosieve ontwikkeling van de syntaxis en van de formele semantiek, die vooralsnog ook vooral succesvol is op het gebied van de betekenis van de zin. Voor zover ik kan zien gaat zelfs veel formele pragmatiek tegenwoordig over zinnen.

Natuurlijk was het begrip ‘zin’ voor 1950 niet helemaal onbekend: maar het systematische syntactische onderzoek bestond niet, en er waren nauwelijks instrumenten voor: Chomsky, Dik, Montague of Paardekooper, ze moesten allemaal hun werk nog schrijven. In grammatica’s was de syntactische paragraaf minimaal. Allerlei taalkundige inzichten waren in geen velden of wegen te bekennen: ideeën over localiteit van afhankelijkheden of over spookonderwerpen of over compositionaliteit. (Wie goed zoekt, vindt ongetwijfeld voorafschaduwingen van die ideeën in eerdere literatuur. Maar dat geldt in onze postpostmoderne tijden voor ieder idee in ieder vakgebied.)

De tweede belangrijke ontdekking van de afgelopen vijftig jaar lijkt mij dat taalverandering en taalvariatie nauw met elkaar samenhangen: dat je de ene kunt bestuderen door naar de ander te kijken. Daarmee hangt direct samen dat men is gaan inzien hoe de sociale structuur van de samenleving op allerlei manieren in taalvariatie gereflecteerd wordt, en hoe taalverandering op verschillende wijzen uit verschillende lagen van de samenleving op gang kan worden gebracht.

Ook hiervoor geldt: natuurlijk waren er voor 1950 ook al mensen die over deze onderwerpen geschreven hebben – G.G. Kloeke in Nederland bijvoorbeeld – maar de grote inzichten in hoe een en ander werkt, zijn toch echt pas na 1950 gekomen.

Natuurlijk, ‘Taalkundigen ontdekken zin’ is niet echt een krantenkop waarmee je de wereld achterover doet slaan van verbazing, en dat geldt ook voor ‘Talen veranderen voortdurend’. Maar de vraag is of dat in andere vakgebieden nu zoveel anders is. Van der Horst noemt er een paar; ik ben geen specialist op enig van die gebieden, maar ik zou ook niet zo goed kunnen opsommen wat voor grote resultaten daar bereikt zijn. De grote ontdekking van de afgelopen halve eeuw in de biologie lijkt me bijvoorbeeld de ontrafeling van het DNA, maar in zekere zin was dat ook alleen maar een uitwerking van ideeën die er voor die tijd al waren – is er sinds Darwin wel zoveel nieuws gebeurd? Ook wat er in de theoretische natuurkunde gebeurd is, lijkt me moeilijk in een pakkende kop samen te vatten: ja, de snarentheorie zou de kwantummechanica en de relativiteitstheorie moeten verenigen, maar die snarentheorie is nog even omstreden als het idee van een Universele Grammatica. Wat er precies voor opwindende ontdekkingen zijn gedaan in de wiskunde, die de resultaten van de taalwetenschap in de schaduw zouden stellen, is me al helemaal onduidelijk.

Iets anders is nog dat de kruisbestuiving tussen de taalkunde en allerlei andere disciplines steeds vruchtbaarder wordt: met de psychologie en de neurologie bijvoorbeeld. De taalwetenschap loopt daarbij naar mijn indruk niet altijd voorop, maar laat zich eerder door die andere disciplines op sleeptouw nemen. Maar hoe erg is dat? We zijn toch niet op de wereld om specifiek de taalwetenschap vooruit te brengen? We zoeken toch alleen naar kennis, onafhankelijk van waar die vandaan komt?

Zo is de meeste wetenschap nu eenmaal: er zijn meer legosteentjes dan hunebedden. Al met al hebben we – wij, de mensheid – waarschijnlijk meer kennis verzameld over hoe menselijke taal werkt dan in enkele eeuwen daarvoor. De grote doorbraak moet misschien nog komen, laten we het hopen. Maar tot die tijd ontdekken we vast genoeg boeiends en verrassends om ook af en toe de krant te kunnen halen.

Hoe streektaalfunctionarissen alles kapot maken

Ziet er één kiezer nu al reikhalzend uit naar de provinciale verkiezingen op 7 maart om de bestuurders in de eigen provinciehoofdstad eindelijk uitbundig op de schouders te kunnen slaan vanwege het heilzame werk van de afgelopen vier jaar? Het is vast nuttige arbeid, gemeentebesturen coördineren en supervisie uitvoeren over de aanleg van provinciale wegen, maar warme gevoelens maakt het doorgaans niet los.

De provinciebesturen hebben er de afgelopen jaren een oplossing op gevonden: iedere provincie, zo lijkt het wel, heeft plots zijn eigen streektaal en zijn eigen streekcultuur. En een regio die een eigen taal heeft, zo’n regio moet volgens de geijkte negentiende-eeuwse formule van ‘één taal = één natie’ wel een eigen bestuur hebben. Dat bestuur moet dan wel iets doen ter bescherming van de eigen taal en cultuur, en dus zijn er de afgelopen jaren in alle provincies buiten de Randstad streektaalfunctionarissen aangesteld – mensen die rechtstreeks of iets minder rechtstreeks door de provincie worden betaald om activiteiten voor het dialect te ontplooien.

Voor zover ik het kan overzien, doen die streektaalfunctionarissen geen slecht werk. Ze helpen individuen en groepjes die dialectwoordenboeken maken of een dialectfestival willen organiseren, ze geven praatjes op de regionale radio, ze stellen lespakketten samen waarmee kinderen op school iets wordt geleerd over de geschiedenis en de achtergrond van hun dialect.

Misschien zijn er mensen die over dat soort werk hun schouders ophalen; maar zouden er ook mensen zijn die het schadelijk vinden?

Ja, zulke mensen zijn er. Dat blijkt uit het boekje Lange leve de dialecten. Streektaalbeleid in Nederland, dat Roeland van Hout en Ton van de Wijngaard samenstelden naar aanleiding van de ‘eerste nationale streektaalconferentie’ die vorig jaar juni plaatshad in Maastricht. In het boekje komen allerlei mensen aan het woord die op de een of andere manier met het dialectbeleid te maken hebben: politici en wetenschappers, hoewel opvallend genoeg de streektaalfunctionarissen zwegen.

De interessantste bijdrage vind ik die van Koen Jaspaert en Sjaak Kroon, twee gevestigde sociolinguïstische onderzoekers die bovendien de afgelopen jaren een forse stempel hebben kunnen drukken op het streektaalbeleid in ons taalgebied – Jaspaert onder andere als Algemeen Secretaris van de Nederlandse Taalunie en Kroon onder andere als lid van de Raad voor de Nederlandse Taal en Letteren. Ze zijn dus onderzoekers die hebben laten zien dat ze vuile handen durven maken in het beleid, en uit hun essay ‘Dialectbeleid: meer antwoorden dan vragen?’ blijkt dat ze niet bang waren om tijdens de streektaalconferentie op de tenen van de meeste aanwezigen te gaan staan. Verderop in de bundel staat een verslag van de discussie waaruit blijkt dat slechts één persoon het met Jaspaert en Kroon eens was.

Het is dan ook een prikkelend betoog dat de twee houden. Ze vinden streektaalbeleid niet alleen zinloos, ze betogen dat het zelfs kwaad doet. Ze nemen daarbij twee concrete beleidsinstrumenten in het visier: de instelling van streektaalfunctionarissen en het Europese Handvest voor Regionale Talen of Talen van Minderheden. Het laatste is een begin jaren negentig door de Nederlandse overheid getekend document. In eerste instantie werd het van toepassing verklaard op het Fries, inclusief een pakket aan maatregelen op het gebied van onder andere het onderwijs en de omroep. Na politieke druk werden twee streektalen – het Limburgs en het in de noordoostelijke provincies gesproken Nedersaksisch – op een wat lichtere manier erkend. Zonder het pakket aan overheidsmaatregelen en dus feitelijk op een nagenoeg symbolische wijze. Ook het Jiddisch en het Roma-Sinti zijn in die lichtere vorm erkend. Een aanvraag van de provincie Zeeland voor erkenning van het Zeeuws is enkele jaren geleden, na een negatief advies van de Nederlandse Taalunie, door minister Remkes van Binnenlandse Zaken afgewezen.

Waarom keren Jaspaert en Kroon zich tegen het streektaalbeleid? Samengevat beweren ze dat het niet nodig is en dat het zelfs verkeerd uit kan pakken. Het is niet nodig: aan de hand van cijfers laten de auteurs zien dat het met de Nederlandse dialecten helemaal niet per se rampzalig slecht gaat, en dat de erkenning en de aanstelling van streektaalfunctionarissen weinig meetbaar effect hebben gehad.

De schadelijkheid zit hen er volgens Jaspaert en Kroon in dat officiële erkenning en officieel beleid een wankel evenwicht in de relatie tussen standaardtaal en dialect kan verstoren. In een gezonde situatie gebruiken mensen de standaardtaal voor hun officiële en formele communicatie en het dialect in informele contacten. Allebei de talen hebben daarmee hun eigen waarde: ze laten elkaar ongemoeid. Wanneer we nu de streektaal een semi-officiële functie geven, haar gaan onderwijzen op de scholen, gebruiken in vergaderingen van de Gedeputeerde Staten of op straatnaambordjes schrijven, creëren we wel concurrentie en die verliest het dialect geheid. Bovendien creëren we zo ineens twee groepen dialectsprekers: zij die het ‘correcte’, ‘officiële’ dialect spreken, en zij die dat niet doen. Een maatregel die bedoeld is om discriminatie tegen te gaan, verkeert zo in zijn tegendeel.

Dat klinkt op het eerste gehoor redelijk, en toch klopt het niet. In de eerste plaats zijn de zorgen van Jaspaert en Kroon wel erg vanuit de studeerkamer geformuleerd. De erkenning voor het Nedersaksisch en het Limburgs is nu ongeveer een decennium een feit: zijn de door de geleerden gevreesde effecten ook opgetreden in die regio’s? Niemand heeft het onderzocht, maar ik durf te voorspellen dat dit niet het geval is. Dialectsprekers zijn hun Limburgs of Twents heus niet minder gezellig gaan vinden omdat het af en toe in een raadszaal gebruikt wordt, of omdat er boeken in geschreven worden. Van discriminatie van mensen die een ‘verkeerd’ dialect zouden spreken, heb ik ook nog nooit gehoord. Jaspaert en Kroon wijzen op de onverkwikkelijke discussie over wat ‘de regels van het Algemeen Geschreven Limburgs’ zijn, maar ze vergeten erop te wijzen dat die discussie gevoerd is door een zo marginaal groepje, dat zelfs de lezers van Lang leve de dialecten niet zullen weten over wie het gaat.

Geen enkel van de nare effecten van het streektaalbeleid heeft zich dus feitelijk voorgedaan. Daarbij komt dat Jaspaert en Kroon niet erg duidelijk maken waar ze precies de grens leggen. Volgens dezelfde redenering zou je het ook als een vergissing kunnen zien om het Fries te erkennen of te stimuleren: schadelijk voor de wendbaarheid voor het Fries! In het betoog zou je zelfs een argument kunnen vinden om de Nederlandse standaardtaal op te geven. We worden in bepaalde (internationale, formele) situaties toch al gedwongen om Engels te gebruiken – waarom zouden we het verschil in functie tussen de twee talen dan niet duidelijk markeren door het Nederlands – in de praktijk voor de meeste Nederlands de omgangstaal, omdat zij helemaal geen streektaal meer spreken – alleen nog informeel te gebruiken? Ik vermoed dat Jaspaert en Kroon niet zo ver zouden willen gaan; maar ik begrijp niet wat daarvoor de argumenten zijn.

De schadelijkheid van het streektaalbeleid lijkt me dus vooral theoretisch. Maar is het werk van die streektaalfunctionarissen en de erkenning van de streektalen dan niet toch in ieder geval zinloos? Ook dat geloof ik niet. In de praktijk zijn de Nederlandse streektaalfunctionarissen redelijke mensen die hun functie vooral gebruiken om hun provinciegenoten – dialectsprekers, schoolkinderen, bestuurders – te laten nadenken over taalvariatie. Ze nemen misverstanden weg, zoals dat je dom bent als je plat praat, ze geven inzicht in de microverschillen die zich in iedere regio voordoen, ze geven een inkijkje in de geschiedenis. Helaas zijn de meeste mensen op dit soort gebieden totaal onwetend, en het kan dan ook geen kwaad als er wat geld wordt gestoken in het kweken van wat meer kennis en begrip voor zoiets cruciaal menselijks als de taal – ook niet als politici dat doen uit oneigenlijke motieven.

Helaas bieden Jaspaert en Kroon geen alternatieven en het is ook moeilijk om te bedenken wat deze zouden moeten zijn. Als het gaat om regionale variatie, is de provincie misschien wel de meest aangewezen bestuurslaag om een en ander goed te regelen: dicht genoeg bij de inwoners om inzicht te kunnen bieden in de reikwijdte van de taalvariatie in het eigen gebied en groot genoeg om er ook iets aan te kunnen doen. Misschien moeten de provincies in de Randstad ook maar zo snel mogelijk een taalvariatiefunctionaris instellen. De bestuurder die dat voorstelt, ga ik op 7 maart uitbundig op de schouders slaan.

Roeland van Hout en Ton van de Wijngaard. Lange leve de dialecten. Streektaalbeleid in Nederland. Maastricht: Uitgeverij TIC, 2006.

De tussen-n in het Concertgebouw

Door Marc van Oostendorp

Taalkundigen zijn lieden die groot belang hechten aan een correcte, uniforme en duidelijke spelling. Taalkundigen zijn lieden die de volgende vraag stellen: ‘Hoe moet een leerkracht straks in de klas de leerlingen motiveren voor goed spellen als het er allemaal niet meer toe doet?’ Taalkundigen zijn lieden die vinden dat het er ‘allemaal’ wel zeker toe doet, reken maar.

Dat is in ieder geval het beeld dat zes hoogleraren in de taalwetenschap gezamelijk schetsen in een artikeltje in het oktobernummer van Onze Taal – een artikel waarvan ik alleen kan hopen dat niemand die het leest, weet dat ik ook taalkundige ben. Jarenlang heb ik mijn vrienden en kennissen proberen uit te leggen dat taalkundigen géén schoolmeesters zijn, die zich ergeren aan iedere spelfout en die vinden dat correctheid ‘ertoe doet’. Ik heb ze geprobeerd wijs te maken dat wij een wetenschap bedrijven, dat we ons zo enthousiast storten op de talloze wonderen van de menselijke taal te bieden dat we geen tijd hebben voor muizenissen. En dat de spelling zo ongeveer het oninteressantste is dat er bestaat. Lees verder >>

De mooiewoordenindustrie

Toen ik anderhalf jaar geleden met een kraampje op de open dag van het Meertens Instituut stond, wist ik niet wat ik daarmee zou aanrichten. Een keer in de zoveel jaar doet het instituut mee met de zogenoemde wetenschapsdag en stelt de poorten open voor wat we het grote publiek noemen. Dat bestaat overigens voor een aanzienlijk deel uit vrienden, familie en bekenden van medewerkers van het instituut, maar dat maakt de dag er vooral gezelliger op.

Mijn kraampje stond bij de ingang van het instituut, en ik liet de bezoekers niet naar binnen gaan zonder dat ze hun ‘mooiste woord’ op een strook papier hadden geschreven. Ik had trouwens ook via internet en het tijdschrift Onze Taal zo’n oproep gedaan. Het was het onschuldige jaar 2003, lang voordat een vloedgolf van mooiewoordenwedstrijden ons land zou treffen. Het NIPO, de VRT, de Volkskrant, de Stichting Drentse Taol, de Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland, de Limburger, Omrop Fryslân: iedereen ging naarstig op zoek naar het mooiste woord in zijn eigen taal.

Nu kun je op verschillende manieren op zoiets reageren. Je kunt er bijvoorbeeld je schouders over ophalen. Of je kunt je er mateloos aan ergeren, zoals Ewoud Sanders deze week deed in NRC Handelsbladdie deze mooiewoordentsunami de ‘ergerlijkste taalgebeurtenis van 2004’ noemde:

al dat geneuzel over het mooiste Nederlandse woord. Gemakzuchtige na-aperij van die Duitse wedstrijd, die ook volslagen onzinnig was (winnaar Habseligkeiten). Als mooiste Nederlandse woorden zijn onder meer aangedragen: vrijen (winnaar bij de Volkskrant), geboorte, geborgenheid, geluk, God, liefde, naastenliefde, respect, saamhorigheid, vakantie en vrijheid.Wat een zoetsappigheid bij elkaar! Het effect zal voor iedereen anders zijn, maar persoonlijk krijg ik na te veel poezelige aaiwoorden zin in een stevige kneukfilm.

Bij mij was het effect inderdaad geheel anders: het riep de koopmansgeest in me wakker. Er zijn nu zoveel gegevens over wat mensen mooie woorden vinden, daar moet een munt uit te slaan zijn. Bijvoorbeeld door een automatische analyse te maken van nieuwe merknamen, om te zien hoezeer ze zullen aanslaan. Door ouders voor te lichten over de schoonheid van de naam van hun boreling. (‘Hoe mooier de naam van uw zoon of dochter, des te meer rijkdom, voorspoed en mooie vrouwen hij of zij in zijn of haar leven tegemoet zal zien. U gunt uw kind toch ook het allerbeste?’) Of door schrijvers en dichters de weg naar roem en succes te garanderen.

Dus ging ik aan de slag. Dit voorjaar heb ik mensen via een website een testje laten doen. Ze kregen daarbij steeds paren van twee woorden voorgelegd, en moesten een van de twee aanwijzen als het mooiste. Die woorden werden elke keer willekeurig gekozen uit lijsten van mooie én lelijke woorden die mensen hadden opgestuurd. In totaal hebben 2020 mensen meegedaan aan deze test: ze hebben allemaal een andere versie van het formulier gezien.

Omdat die mooie woorden zo’n rage waren, ben ik door journalisten sufgezeurd om de resultaten van die test. Vandaag, op de laatste dag van het mooiewoordenjaar 2004 geef ik ze dan eindelijk, via Neder-L, aan de openbaarheid prijs:

sales 0.04
webstek 0.08
bier 0.10
communicatie 0.12
beters 0.13
kostenplaatje 0.14
gulp 0.15
penhouder 0.15
afwerkplek 0.16
puber 0.16
verdapperen 0.17
goor 0.18
Poldernederlands 0.22
bark 0.23
werkdruk 0.24
slaapgestoorden 0.25
grauw 0.30
tegel 0.31
doei 0.32
vochtig 0.33
schaapachtig 0.38
toko 0.41
neiging 0.44
karwijzaad 0.46
avondrood 0.48
schreeuw 0.49
substantieel 0.49
kroonjuweel 0.50
implementeren 0.51
rataplan 0.52
burger 0.53
barnsteen 0.53
paarlemoer 0.54
emelt 0.55
schoorvoetend 0.57
epibreren 0.59
ereprijs 0.59
dommelen 0.59
bekken 0.63
snoeshaan 0.64
inseinen 0.65
onthutst 0.66
jatten 0.67
kachel 0.68
prijken 0.74
rollebollen 0.75
pandoer 0.76
kerstengeltje 0.76
schorriemorrie 0.78
wulps 0.84
prevelen 0.84
elfenbankje 0.86
genegen 0.86
paaien 0.88
kwakkelen 0.90
adelborst 0.90


U moet deze cijfers als volgt lezen: als men voor het woord sales kon kiezen, deed men dit in 4% van de gevallen. Werd het woord kwakkelen als een van de twee mogelijkheden gegeven, dan koos men in 90% van de gevallen voor dit woord (alle woorden werden ongeveer even vaak aangeboden.) Volgens deze test zijn adelborst en kwakkelen dus het mooist, en saleshet minst mooi.

De reden waarom ik deze gegevens aan de openbaarheid prijsgeef, is dat ik achteraf denk dat ik er toch niet zo rijk mee zal worden als ik had gehoopt. Er valt weinig systeem in te ontdekken, of althans, weinig systeem dat niet zo voor de hand ligt dat het moeilijk is om er patent op aan te vragen.

Bij mijn eerste onderzoeken kwam desalniettemin naar voren als het woord dat het vaakst werd genoemd als ‘het mooiste’. Ik had daar een hele theorie bij bedacht, die moest uitleggen waarom de klanken in dat woord het zo mooi maakten. Die theorie — die ik terugvoerde op Roman Jakobson — behelsde dat klanken voor in de mond (labiale en coronale medeklinkers, voorklinkers) mooier zullen worden gevonden dan achterklinkers en velaire medeklinkers.

Over die theorie kunnen we nu kort zijn. Door het bovenstaande lijstje wordt hij weerlegd. Voor- en achterklinkers, en verschillende soorten medeklinkers staan willekeurig verspreid in deze lijst. Sterker nog, kwakkelen bestaat bijna alleen uit achterklanken en sales alleen uit voorklanken. Uit de klanken valt niks af te leiden.

Toch moet er wel systeem inzitten, anders zouden sommige woorden niet bijna altijd verliezen terwijl sommige andere woorden bijna altijd winnen. Je zou verwachten dat alle woorden een kanspercentage rond de 50 hadden, maar dat is kennelijk niet het geval. Bovendien is het linkerrijtje vrijwel gelijk aan het lijstje woorden dat oorspronkelijk was ingezonden als ‘lelijk’, terwijl het rechterrijtje bijna helemaal bestaat uit woorden die als ‘mooi’ waren ingezonden. (Opvallendste uitzondering is het ‘mooie’ woord verdapperen dat bijna helemaal onderaan eindigde.)

Wie de lijsten met lelijke en mooie woorden vergelijkt, kan zich natuurlijk wel iets voorstellen bij het ‘mooi’ en ‘lelijk’. Sales was bij voorbaat kansloos, omdat het een Engels leenwoord is waarvoor iedereen het Nederlandse alternatief kent (uitverkoop): hoe het woord ook klinkt, het kan nooit winnen. Zoiets geldt ook voor doei, dat nu eenmaal sociaal gestigmatiseerd is. De woorden in de rechterkolom zijn aan de andere kant bijna allemaal ‘exclusieve’ woorden.

Die exclusiviteit blijkt bijvoorbeeld als we alle woorden opzoeken met Google (achter elk woord staat nu het aantal treffers op 30 december 2004).

communicatie 302000
bier 198000
sales 186000
burger 123000
implementeren 38300
neiging 36900
goor 35600
werkdruk 26400
webstek 23500
doei 21100
vochtig 20200
kachel 19900
tegel 16600
bekken 16100
substantieel 15700
beters 14700
schreeuw 14600
puber 13300
toko 11700
dommelen 7650
grauw 7160
jatten 6120
kostenplaatje 4880
prijken 4200
bark 4050
genegen 3960
schoorvoetend 3710
gulp 3010
paaien 2700
barnsteen 2350
rataplan 2330
avondrood 2280
ereprijs 2210
onthutst 1940
epibreren 1280
kroonjuweel 1240
schaapachtig 1190
rollebollen 998
kwakkelen 950
wulps 904
karwijzaad 864
pandoer 834
penhouder 758
schorriemorrie 741
prevelen 736
afwerkplek 645
snoeshaan 559
adelborst 532
Poldernederlands 442
elfenbankje 394
inseinen 384
paarlemoer 369
kerstengeltje 209
emelt 113
slaapgestoorden 53
verdapperen 38

In de webversie van dit artikel heb ik de woorden die in de ‘verkeerde’ kolom staan blauwgekleurd: 9 van de 28 hoogstfrequente woorden worden ‘mooi’ gevonden, en 9 van de 28 laagstfrequente woorden zijn ‘lelijk’. Dat betekent dat iets meer dan tweederde van alle woorden volgens deze methode juist geclassificeerd wordt. Wat zeldzaam is, is mooi. Dat geldt voor woorden, en het geldt kennelijk ook voor mooiewoordentesten: als je er te veel van krijgt, komen er stukjes in de krant van mensen die liever naar kneukfilms kijken. Volgens de Google-test staat kneukfilms overigens tussen ‘slaapgestoorden’ en ‘verdapperen’.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Sluit de universiteiten

Door Marc van Oostendorp

Als ik een wens mocht doen, zou ik vragen dat de bureaucraten hun werk snel afmaakten en de universiteiten definitief afbraken en ontdeden van alles wat onderzoek en onderwijs prettig kan maken. Dat het eindelijk zo ver was dat er alléén nog beleidsmedewerkers en managers zouden zijn, elke dag van 9 tot 17:30 bezig met bedenken volgens wat voor criteria hun organisatie nu weer tot de internationale top behoort, en hoe de zaken nóg efficiënter gereorganiseerd kunnen worden. Het gaat er toch een keer van komen, dus waarom moet de marteling dan nog twintig, hooguit dertig jaar duren?

In de achttien jaar dat ik het universitair bedrijf min of meer van buiten beschouw — als student, aio, postdoc, collega-onderzoeker, maar zonder er ooit in vaste dienst te zijn geweest — is er sprake van bezuinigingen, reorganisaties, veranderingen in het studieprogramma, veranderingen in de organisatie van het onderzoek. Alleen al in ons hoekje van het wetenschappelijk bedrijf moeten er duizenden manjaren zijn heengegaan aan vergaderen over hoe alles strak gepland kan worden, zonder nodeloos tijdverlies. Ik heb heel goede mensen zien vertrekken van de universiteit omdat er geen werk voor ze was. Ik zie dat er nu weer uitstekende collega’s ontslagen dreigen te worden. Maar altijd gaat het in discussies over de vraag: waarom zij wel, en niet een andere onderzoeker, of een andere docent? Nooit over: waarom niet al die personen die zogenaamd het onderzoek ondersteunen, maar van wie iedereen weet dat ze alleen maar tot last zijn, dat ze nog nooit enig onderzoeker bureaucratisch werk uit handen hebben genomen, maar er in tegendeel voor zorgen dat er almaar meer formulieren moeten worden ingevuld, meer beleidsnota’s moeten worden geschreven, meer verantwoording moet worden afgelegd? Lees verder >>

Google-roem

Wilt u ook eens op de televisie uw mening geven over de nieuwe spelling? Ja hè, lezer, dat lijkt u wel wat. Of op zijn minst wilt u geïnterviewd worden door De Twentsche Courant Tubantia. Of desnoods iets vertellen voor de Utrechtse studentenradio. Ik bied hulp: begin een website, en zet daar uw artikelen op. Of anders foto’s van uw collega’s, of wat opruiende teksten tegen de Nederlandse Taalunie. Rijkdom en roem worden uw deel.

Het is mijn strategie nu alweer een jaar of acht. Ik wilde leren om een website te maken, en het materiaal dat het makkelijkst voorhanden was, had ik zelf geschreven. Googlebestond nog niet, maar er waren al wel zoekmachines zoals AltaVista en HotBot (tot mijn verbazing merk ik dat zelfs die laatste nog steeds bestaat; zou er nog iemand zijn die er wel eens iets in opzoekt? Ach, de gelukkige dagen toen ik die website ontdekte. Voorbij.) Daar meldde ik mijn pagina’s aan, en wachtte wat er ging gebeuren.

Die zoekmachines werden toen in de journalistiek nog niet algemeen gebruikt. Alleen journalisten die over computers schreven tikten wel eens wat in. Nu kwam dat goed uit, want omdat de taalkunde mij niet wilde hebben, schreef ik toen zelf als freelancer zelf over computers en over internet. Het curieuze is dat sommige van de stukjes die ik toen schreef nog steeds elke dag ettelijke malen worden geraadpleegd door deze of gene, hoewel de meeste volkomen achterhaald zijn. Ik heb bijvoorbeeld in 1997 een artikeltje geschreven over Europese kranten op het web dat meldt dat het Algemeen Dagblad ‘nog niet’ op internet staat en verder allerlei links bevat naar websites die allang niet meer bestaan. Dat stukje is deze maand (september 2004) ongeveer 150 keer nageslagen. Sowieso bestaat vrijwel de hele top-10 van mijn privé-website (die sinds vier jaar op het adres www.vanoostendorp.nl te vinden is) vrijwel uitsluitend uit stukjes die ik meer dan zeven jaar geleden geschreven heb over technologie die iedereen inmiddels vergat (u kunt die top-10 zien op de statistiekpagina van mijn website: www.vanoostendorp.nl/statistiek.php.

Toch worden recentere stukjes ook wel gelezen. Dat merk ik door de telefoontjes van de pers. Vroeger had een beetje journalist, zo stel ik me voor, een goede rolodex waarin hij namen had van deskundigen die over allerlei onderwerpen iets kunnen vertellen. Tegenwoordig heeft zo’n journalist Google, en als hij een itempje wil maken over het gebruik van dialect in de reclame, tikt hij ‘dialect reclame’ in en ontdekt vanzelf wie de expert is op dat gebied: http://www.google.com/search?hl=en&ie;=UTF-8&q;=dialect+reclame+&btnG;=Google+Search. Niet omdat die zelfbenoemde expert er nu zoveel van weet, maar omdat hij er jaren geleden iets over op het internet heeft gezet.

Die roem blijft overigens niet beperkt tot de journalisten. Een collega-neerlandicus vertelde me onlangs dat geen enkel artikel van hem zo vaak werd geciteerd als een artikel in het roemruchte tijdschrift Neerlandistiek.nl. Ook steeds meer vakgenoten gaan nu eenmaal af en toe op zoek op het internet, en de kans dat ze op een artikel stuiten dat in een sjiek internettijdschrift als het genoemde verschijnt is groter dan de kans dat iemand na vijf jaar uw artikel nog vindt als het is begraven in de jaargangen van een papieren periodiek.

Het kan een paar jaar duren, dus op het moment dat u dit leest, is het waarschijnlijk 2011, lezer. Misschien bent u een journalist die een itempje moet maken over Google-roem. Stuur mij maar een mailtje, dan vertel ik u er alles over, deskundig als ik ben op ook dit gebied. Misschien bent u ook wel een vakgenoot. Dan lijkt het me hoog tijd dat u nu ook eens een eigen website neemt.

Marc van Oostendorp.

Weinig meer dan een nederig medium. Over Mark Boog

In de zomer 2001 verscheen een recensie van de eerste roman van Mark Boog, De vuistslag, in De Groene Amsterdammer. Die recensie was positief en maakte nieuwsgierig, hoewel er aan het boek allerlei eigenschappen werden toegedicht die mij normaal gesproken niet onmiddellijk mijn lessenaar doen uitklappen. ‘Mark Boog weet de objecten in de kamer op bijna surrealistische manier tot leven te wekken’, vertelde de recensente bijvoorbeeld, en: ‘er is nauwelijks een plot’, en: ‘het is moeilijk zo niet onmogelijk om je met deze fascistoïde figuur [van de hoofdpersoon] te identificeren’.

Toch wilde ik door de voorbeelden die de schrijfster gaf wel wat meer over deze jonge schrijver weten. Ik tikte zijn naam in bij Google, en vond zijn eigen website op <http://www.markboog.nl/>, met onder meer het volgende:

Inspiratie
Men gaat naar de bakker en men zegt: ‘Een halfje wit, graag.’
Men had kunnen zeggen: ‘Mag ik van u een half gesneden wit?’,
of: ‘Een half witbrood, en snel!’, of: ‘Heeft u voor mij
een halfje van uw niet onterecht beroemde wittebrood, bakker?’
Dat had men allemaal kunnen zeggen, maar men zegt, onvoorbereid,
als uit het niets: ‘Een halfje wit, graag,’ en zie: het werkt!
Ineens was het daar! Het moest precies zó zijn, dat wist men meteen!
Het bestond al, hing in de lucht, het gebruikte ons slechts om
ter wereld te komen, wij zijn weinig meer dan een nederig medium!

Ik had geen idee wat andere mensen van zijn werk vonden – maar ik meende dat op basis van dit gedicht aan Mark Boog onverwijld alle literaire prijzen moesten worden uitgereikt die er maar bestaan en dat hem van overheidswege alle middelen worden aangereikt zodat hij voort zou blijven schrijven. Mij was elk woord dat hier staat volkomen uit het hart gegrepen. Ik wist meteen: van Mark Boog ga ik elke snipper lezen die ik vinden kan.

Dat heb ik sindsdien ook gedaan, want er zijn geen moderne Nederlandse schrijvers bij wie ik me zo om elke alinea kan verheugen. Ik ben nog geen bladzijde van hem tegengekomen die me verveelde.

Nu zou je over het gedicht ‘Inspiratie’ nog kunnen zeggen dat het een voor de hand liggende keuze is voor een taalkundige, omdat het onder andere gaat over het wonder van het alledaagse taalgebruik: je staat bij de bakker en beslist binnen een fractie van een seconde hoe je je wens formuleert. Bovendien ‘werkt’ die wens: je hebt invloed op de werkelijkheid. Iedere mens is een dichter! Ja, dat hoort een taalkundige natuurlijk graag.

Maar neem nu het begin van Boogs tweede roman, De warmte van het zelfbedrog:

Ik verliet het huis in verwarde toestand. Zo heet dat. Ik trok de deur met mijn linkerhand achter mij dicht en keek gejaagd rond. Niemand wist dat ik om andere redenen dan een simpele boodschap mijn woning verliet, maar misschien was het me aan te zien. Men weet al niet wat men van zichzelf moet denken, hoe dat met anderen zit is principieel onkenbaar. Voeg daarbij de natuurlijke drang van verraad van de mens en het wordt duidelijk dat het zaak was mij zo onopvallend mogelijk te gedragen — wat overigens altijd geldt, zodat speciale aanpassing van mijn gedrag aan de omstandigheden niet noodzakelijk was. Een goed begin.

Het heeft geen enkele zin om hetgeen volgt samen te vatten (‘er is nauwelijks een plot’): de ik-persoon komt in een dorp terecht, beleeft daar wederwaardigheden die onder andere een bordeel, een dorpsplein, een bierfeest en een restauranthoudster betreffen, en gaat weer weg als hem invalt dat hij thuis warm onthaald zal worden. Net als in het gedicht wordt in dit boek herhaaldelijk en uitvoerig stilgestaan bij het wonder van de gelukte bestelling.

Nu kan men wel weer tegenwerpen dat de allebei de romans van Boog kennelijk over verwarde, om niet te zeggen fascistoiïde personen handelen en de lezer van Neder-L weet natuurlijk niet in welke geestestoestand ik me momenteel bevind, dus misschien ligt identificatie ook hier weer voor de hand. Maar ik denk dat het om iets anders gaat: de verhalen en zelfs de onderwerpen van de gedichten zijn alleen maar nodig om de kleine, laconiek-wanhopige observaties te berde te kunnen brengen. Die waanzin van de hoofdpersoon is daar volgens mij uit te verklaren: iemand die helemaal goed snik is, heeft niet nu eens een rake formulering over dit onderwerp, en dan weer over dat. De verwardheid van de hoofdpersoon is alleen maar een vrij doorzichtige truc om van alles en nog wat aan elkaar te kunnen praten.

Ik denk als ik eerlijk ben ook niet dat het werk van Boog tot nu toe wereldliteratuur is, al zou het me niet verbazen als mijn favoriete auteur nog eens een boek schrijft dat in alle landen van de wereld verplichte kost wordt op de middelbare scholen. Tot die tijd is het privéliteratuur van een auteur die ik persoonlijk niet ken. In het bijzonder klinkt er een toon die ik herken: zo praten sommige van mijn beste vrienden al sinds ik volwassen ben. Bij oudere of jongere mensen hoor ik die toon niet. Het maakt me daarom ook niet zoveel uit wat andere mensen ervan vinden, het is alsof elke zin die Mark Boog neerschrijft, moeiteloos mijn levensmotto zou kunnen zijn, al kan ik er niet goed achterkomen waarom dat zo is.

Voor zover ik de recensies heb gevolgd, was men zeer enthousiast over de eerste bundel Alsof er iets gebeurt en de eerste roman De vuistlag, maar minder over de tweede bundel Zo helder zagen we het zelden en de tweede roman De warmte van het zelfbedrogomdat men vond dat Boog in een maniertje dreigde te vervallen. Over de derde bundel, Luid overigens de noodklok is men weer algemeen enthousiast, en dat is ook volkomen terecht, want in deze bundel zijn de pareltjes ook nog eens ingebed in een sterkere structuur dan het vroegere werk. De afdeling ‘Zout’ laat alle associaties die dat woord heeft aan de orde komen: van ‘Omvangrijke zoutlagen in deze grond: de mijn dient gebruikt’ tot en met:

Zoals ik me vasthou aan de schaal zoutjes,
zo draag jij haar. Zoals jij de glazen ledigt,
zo ledig ik mijzelf.
En alles is goed, want eindigt.

(Het aller-, allermooist van deze bundel en misschien wel van het hele oeuvre tot nu toe vind ik die t in eindigt.) Bovendien bevat de bundel een prachtige bewerking van het bijbelse Hooglied, want omdat hij zo goed kan kijken en formuleren, is Boog ook nog een echte liefdesdichter.

De toon van Boogs proza is wel vergeleken met die van Gerard Reve, maar dat is alleen maar oppervlakkig waar. De overeenkomst is dat de hoofdpersoon zijn omstandigheden de hele tijd benoemt in een formele taal om zo zijn angsten te bezweren. Maar mij doet die toon veel meer denken aan de theatrale versie van die plechtige wanhoop, met name die van Herenleed van Armando en Cherry Duyns. Als een priester de hoofdpersoon waarschuwt dat hij met geweld verwijderd zal worden van het kerkterrein waar hij kampeert, gebeurt het volgende:

‘U schertst!’ lachte ik, terwijl ik olijk knipoogde. ‘Ik breng hier slechts enkele nachten door, omdat een mens nu eenmaal moet slapen. Zonder tent, zult u vragen, en inderdaad: zonder tent. Ik begrijp niet waar u zich mee bemoeit. Of een mens in een tent slaapt of niet, dat moet hij toch zelf weten? Zelf ben ik zeer begripvol ten opzichte van andere mensen: ik begrijp dat ze angsten hebben die ik niet begrijp en dat ze plezier scheppen in zaken die verre van lollig zijn, maar ik zal ze niet snel veroordelen. Althans niet hardop. U kunt daar wat van leren!’

Dat lijkt me een tekst die ‘Heer 1’ en ‘Heer 2’ samen ook zouden kunnen uitspreken — personages waarop de termen ‘in verwarring’ en ‘fascistoïde’ eveneens van toepassing zijn. Dat andere mensen plezier scheppen in zaken die verre van lollig zijn, lijkt me overigens een adequate samenvatting van deze wereld. De rol van de schertsende priester zou vervuld kunnen worden door Johnny van Doorn:

‘Met tent mag het ook niet. U bent een landloper,’ zei de pastoor onaangedaan.

De vuistslag heeft deze toon overigens veel minder. Hij is niet helemaal afwezig, maar dan veel Reviaanser (‘De verveling, mits kortstondig genoten, is een zegen […] De verveling is de pauze tussen de gangen, wekt de eetlust op. Ze geeft de mogelijkheid tot bezinning. Je kunt het laatstgenotene nog eens beschouwen, en beoordelen, en je kunt je voorbereiden op het volgende.’). Misschien komt de toon van mijn vrienden ook wel van Herenleed, dat immers werd uitgezonden toen we tussen twaalf en vijftien jaar oud waren, een ontvankelijke leeftijd. Gerard Reve was toen een oudere man die werd verweten dat hij zichzelf herhaalde. Ik ben helemaal geen bewonderaar van Herenleed, maar misschien is de invloed van dat tv-programma wel groter op de mensen om mij heen dan ik weet.

Er is nog een aspect van Boogs werk dat ik noemen wil: zijn publicaties op het internet. De dichter heeft een eigen webpagina die er oerlelijk uieowel eerder gepubliceerd als gloednieuw (althans, in september was het gloednieuw) materiaal.

Nog mooier is de website Poetry in motion, die kennelijk gemaakt wordt door een vriend van Boog. Hier worden veel gedichten in een videoclip getoond en geïllustreerd; dat geldt onder andere voor de al genoemde cyclus ‘Zout’. Ook is de dichter aan het werk te zien op zijn eigen webcam. Ik ga er af en toe kijken om te bekijken of er nog nieuwe levensmotto’s in de maak zijn. De dichter wuift me dan welwillend toe. Er komt vast nog meer.

Verwijzingen

In ons leven is het minder eenvoudig. De wederkomst van het onderwaterscherm

Wie na 1980 geboren is, of voor 1940, kent het woord waarschijnlijk niet eens, maar bij veel mensen die tien jaar geleden ook al een computer gebruikten zorgt het voor een dromerige blik: ach ja, hetonderwaterscherm!

Tot een jaar of twaalf geleden gebruikte elke computergebruiker in Nederland hetzelfde tekstverwerkingsprogramma – op elk bureau zag je WordPerfect staan. Twee versies hebben vooral een grote verspreiding gehad: versie 4.2 en versie 5.1. Toen besloot Microsoft dat het genoeg was: met een enorme commerciële overmacht zorgde het ervoor dat binnen een paar jaar iedereen op cursus moest om de oude commando’s af te leren en in plaats daarvan te leren hoe het moest in Microsoft Word. De eerste versies van dat programma konden ook nog makkelijk WP-bestanden lezen en zelfs schrijven, zodat je nog wel kon samenwerken met de domoor die bij de concurrent bleef tiepen. Na een tijdje was dat ook afgelopen: inmiddels weet niemand beter dan dat de woorden ‘tekstverwerker’ en ‘Word’ synoniem zijn.

Het onderwaterscherm is daarbij geheel verdwenen, want hoewel Word in veel opzichten duidelijk een kopie was van WP, en in sommige opzichten ook een verbetering, zag Microsoft geen emplooi voor dit snufje. In WP kon je je scherm in tween verdelen: boven zag je de tekst min of meer zoals hij er opgemaakt uit zou komen te zien, en onderin zag je alle codes die het programma had ingevoegd. Had je bijvoorbeeld het woord man cursief gemaakt, dan zag je onderin het scherm zoiets als [cursief]man[einde cursief]. Veel mensen die intensief tekstverwerkten, keken vaak naar dat onderwaterscherm, bijvoorbeeld om te zien of er geen ‘vuile’ opmaak in de tekst kwam te staan – opmaak die niets deed, zoals in de zin de man [cursief][einde cursief] kijkt verbaasd. Je had een rustig, kaal computerscherm zonder toeters en bellen waarop je precies kon zien wat je aan het doen was.

Wat je ook verder van Word-bestanden kunt zeggen, ze zijn in ieder geval ongenaakbaar. Je ziet op je scherm vrij nauwkeurig hoe de pagina eruit komt te zien, maar rustig is dat scherm geenszins, en welke opdrachten je allemaal hebt gebruikt om die pagina er zo uit te laten zien, kun je nooit meer achterhalen. Een tijdje geleden vertelde de columnist Hans Ree op de radio dat hij om die redenen zijn WP 5.1 voor DOS altijd trouw is gebleven, hoeveel problemen dat hem in de loop van de tijd ook had bezorgd bij het inleveren van zijn stukjes. Hij vertelde trouwens ook dat de schrijver Tim Krabbé ook bij zijn oude tekstverwerker was gebleven, maar om een andere reden; hij had ooit zoveel tijd gestoken in het bedenken van allerlei macro’s om het schrijven sneller te maken, dat hij die macro’s nog zeker enkele tientallen jaren moest gebruiken wilden ze hem inderdaad een netto tijdwinst opleveren.

Op internet zijn wel meer lofzangen te vinden op het onderwaterscherm. Wie nog terugverlangt doet dat meestal vanwege dat scherm. Er zijn zelfs filosofische beschouwingen aan gewijd:

In onze tekstverwerker drukken we op F11 om de toegevoegde codes zichtbaar te maken. Daarmee krijgen we de opmaakproblemen duidelijk. Maar in ons leven is het minder eenvoudig, alleen al omdat er verschillende lagen zijn in het onderwaterscherm.
(http://users.ncrvnet.nl/gjhardeman/onderwat.htm)

In de tijd dat iedereen naar Word overstapte, stapte ik over naar het tekstverwerkingssysteem LaTeX (spreek uit: laa-tech), omdat iemand me ervan had overtuigd dat je daar veel gemakkelijker fonetische tekens in kon afdrukken, dat je daar volkomen automatisch bibliografieën in kon maken, en dat je er automatisch voorbeelden in kon laten nummeren. En dat het hele systeem werkte volgens het principe van het onderwaterscherm: je kon de hele tijd precies zien welke codes je invoegde, je kon die codes ook naar hartelust veranderen, enzovoort. Nou, dat wilde ik ook wel, en zo schreef ik mijn proefschrift in LaTeX.

  Aan de voordelen van dat systeem zaten ook wel grote nadelen. Het grootste was misschien wel dat ik helemaal geen ‘bovenwaterscherm’ had. Ik kon wel alle codes intikken, maar mijn computer thuis was niet krachtig genoeg om die codes vervolgens te vertalen naar een opgemaakt bestand. Om te zien hoe de pagina eruit zag, moest ik de tekst op een floppy zetten, deze meenemen naar de universiteit, daar de tekst overzetten op een van de ‘werkstations’, daar een paar programma’s aanroepen, en dan kreeg ik een opgemaakt bestand. Hoe dat eruit zag kon ik eigenlijk alleen maar zien door het naar de printer te sturen.

Die complexiteit was een reden om LaTeX aan de wilgen te hangen nadat ik mijn proefschrift had afgemaakt. Een andere reden was dat uitgevers vaak geen raad wisten met de bestanden die ik had gemaakt. En zo raakte ik alsnog in gevecht met Word, de onzichtbare codes die dat programma voortbracht, en het onvoorspelbare gedrag dat daar het gevolg van was (tabellen die om onverklaarbare redenen ineens oneindig lang werden; teksten die je net binnen de door de redactie gestelde limiet van twaalf pagina’s had gebracht, en die ineens dertien pagina’s lang werden als je een zin weghaalde, enz.) En nog een reden was, dat ik op het Meertens Instituut kwam te werken, en daar hadden ze alleen Apple Macintosh, en de LaTeX-programma’s voor dat systeem bevielen me niet. (Word kreeg overigens in de laatste versies ook een soort van onderwaterscherm, maar voor de ware liefhebber was dat toch niet wat je wilde: veel van de codes bleven onbegrijpelijk, en sommige codes worden waarschijnlijk ook helemaal niet getoond.)

Sinds een paar jaar is het systeem van Apple echter helemaal veranderd, en sinds een paar maanden heb ik een laptop waar dat nieuwe systeem opzit. En dat nieuwe systeem, daar zit onder de motorkap precies dezelfde techniek die de computers op de universiteit vroeger hadden (Unix of Linux, voor wie dat wat zegt).

En zo heb ik ineens weer een onderwaterscherm. Omdat de techniek in de tussentijd vooruitgegaan is, kunnen LaTeX-bestanden automatisch worden omgezet in pdf-bestanden, een formaat dat je makkelijk op je scherm kunt bekijken, en dat bovendien kan worden uitgewisseld met andere computers via het Internet. Die omzetting naar pdf gaat zo razendsnel dat ik op mijn beeldscherm twee vensters naast elkaar heb: één met het onderwaterscherm, waarin ik werk, en één met het bovenwaterscherm – het resulterende pdf-bestand. Er zijn ook programma’s die het mogelijk maken om een pagina te vertalen naar opmaak voor het web, en zelfs van en naar Word-bestanden. LaTeX is gratis (en bestaat tegenwoordig overigens ook in mooie versies voor Windows-computers). Je moet er wel een paar codes voor leren, maar heel ingewikkeld zijn die niet. Mij pakken ze mijn onderwaterscherm niet meer af.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Om de helderheid van LaTeX-onderwaterbestanden te demonstreren, heb ik een (becommentarieerde) LaTeX-versie en het resulterende pdf-bestand op de Neder-L-site geplaatst:
– LaTeX-versie: http://www.neder-l.nl/bulletin/2004/01/onderwaterscherm.tex
– pdf-versie: http://www.neder-l.nl/bulletin/2004/01/onderwaterscherm.pdf

Is er nog wat gebeurd in de wereld tijdens mijn afwezigheid? Nieuwjaarsrede over het Nederlandse weblog

Door Marc van Oostendorp

In het enigszins beduimelde geschiedenisboek van het Nederlandstalige Internet schrijven we 2003 bij als het jaar waarop het weblog doorbrak. Het bestond al een jaar of vijf, maar dit jaar werd het ineens door de websites van de grote media ontdekt als hét publicatiemedium van het internet: NRC Handelsblad begon aarzelend aan een weblog (door internetredacteur Marie-José Klaver, die er eerder op persoonlijke titel al een schreef) en de Volkskrant breidde de zijne uit. Wim de Bie maakte bekend dat zijn weblog op de website van de VPRO zo’n tachtigduizend bezoekers per dag trekt.

Hoe is het allemaal zover gekomen? Het weblog dat zich erop beriep ‘het eerste (soort van)’ te zijn, heette Alt0169 – naar de toetscombinatie die je op een Windows-computer moet indrukken om een copyright-teken te krijgen. Het werd vooral geschreven door een beeldend kunstenaar die zich soms de kolonel noemde, maar in het werkelijk leven Jeroen Bosch heet. Bosch begon zijn weblog in de zomer van 1999 en beëindigde hem, tot verdriet van een paar duizend lezers, drie jaar later, in de zomer van 2001.

Achteraf is Alt0169 makkelijk te classificeren als behorend tot de eerste generatie. Een belangrijk deel van de aantrekkingskracht bestond uit de vele, vele links naar alle uithoeken van het internet, waar de bizarste dingen te vinden bleken te zijn. Die kolonel moest dag en nacht aan het surfen zijn. Bovendien waren zijn stukjes goed en met ironie en taalgevoel geschreven. In de loop van een paar jaar creëerde hij een eigen jargon, met woorden als kneiter(goed voorbeeld), omkatten (vormgeving van een website veranderen) en het Utrechtse stadje U. Het was vaak ook behoorlijk flauw, of nee, hoe noem je dat, melig:

Tip van de dag: schrijf nooit naar huis, je bent er al.

Bonustip van de dag: als je dan toch naar huis wilt schrijven, mail dan. Scheelt een postzegel.

De kolonel bepaalde veel van de wetten van het nieuwe genre: de stukjes waren kort, de toon was opgeruimd, en er waren veel links. Maar zo bezien waren er al wat voorgangers geweest op het Nederlandstalige Internet, al publiceerden die niet per se op het web. Van 1995 tot 1998 stuurde de Internet-journalist Francisco van Jole elke werkdag een nieuwsbrief via e-mail de wereld in, de Daily Planet, die binnen enkele jaren enkele tienduizenden abonnees kreeg. Die nieuwsbrief was feitelijk een weblog via de e-mail. Van Jole is daarmee te zien als de feitelijke vader van het weblog wat dan meteen mooi de haatliefdeverhouding verklaart die alle Nederlandse webloggers met hem lijken te hebben.

Of Alt0169.com de allereerste was, valt niet meer na te gaan. Het was in ieder geval de eerste met een relatief groot succes (in de loop van zijn bestaan besteedden bijna alle landelijke kranten wel aandacht aan het verschijnsel weblog, en altijd werd Alt0169 erin genoemd). Het was ook al snel niet meer de enige. Bijvoorbeeld kwam het wat onbehouwener en puberale Retecool erbij, dat trouwens nog steeds welgemoed doorgaat met virtueel puberen en daarmee een interessante bron van hedendaags taalgebruik vormt:

Old Skool gamen blijft de bom. Thrustar (een slicke uitvoering van de C64 game thrust) heerst de pan uit.

Een andere vroege Nederlandse weblogger was Tonie van Ringelenstijn. Hij was, achteraf gezien, degene die vooropliep bij de feitelijke doorbraak van het weblog: degene die het weblog als journalistiek instrument ontdekte. Hij was student op een school voor de journalistiek en schreef in zijn vrije tijd zijn weblog vol met observaties over het nieuws. Als er iets gebeurde (11 september), en je wilde op internet achtergrondinformatie vinden, ging je eerst bij Tonie kijken omdat hij de beste bronnen al bij elkaar verzameld had. Hij was er dan ook dag en nacht mee bezig:

“Thuis gekomen na een bezoek aan een Utrechtse kroeg en een lange terugreis zou een normaal mens zijn nest opzoeken. (Dank aan Ton B. en Roland P. voor het bier en snel voedsel) Mijn eerste gedachte was is er nog wat gebeurd in de wereld tijdens mijn afwezigheid?”

Bij de tweede generatie webloggers – hoeveel generaties kun je proppen in vier jaar? Geduld! – werd het persoonlijke belangrijker, en de link minder belangrijk. Zij maakten weblogs die autonoom waren, weinig of geen direct verband hielden met de rest van het wereldwijde web. Je zou hun producten op een cd-rom kunnen zetten, of zelfs in een boek kunnen afdrukken, zonder dat daarmee veel verloren zou gaan behalve dan de actualiteit van het voortdurend bijgewerkte weblog. Soms waren dat soort weblogs volkomen onbegrijpelijk voor buitenstaanders, en soms gingen ze gebukt onder literaire pretenties. Webloggers van deze generatie schrijven hun dagboek op het internet, of produceren korte verhaaltjes. Een voorbeeld van de eerste categorie is Merel Roze; een voorbeeld van de tweede is – wederom – Francisco van Jole, die enkele jaren geleden de eerste fragmenten publiceerden van wat later zijn roman Blink zou worden, en nu bezig is (zij het niet erg frequent) met een serie over het ‘tv-loze’ bestaan, die misschien ook nog weleens uitmondt in een boek.

Overigens vallen in mijn ogen ook een aantal andersoortige weblogs onder deze generatie: weblogs die niet alleen weinig of geen links bevatten, maar ook weinig of geen tekst. Interessante (en tamelijk extreme) voorbeelden hiervan zijn Tekenlog, waarop de kunstenaar Marcel van Eeden elke dag een tekening plaatst, en de website van Thomas Schlijper, een persfotograaf die elke dag een fraaie foto publiceert die hij op die dag gemaakt heeft. Ook deze weblogs zijn autonoom, maar wel voortdurend bijgewerkt. De charme van een goed tweedegeneratieweblog zit er vooral in dat je het idee hebt dat je een ander mens van dag tot dag volgt.

Dat dit jaar er alweer een nieuwe generatie – de derde, maar hierna houd ik er dan ook echt mee op – zou opstaan, bleek toen Van Ringelenstijn begin dit jaar stopte met zijn privé-weblog omdat hij het te druk had en binnen enkele maanden opdook als — waarschijnlijk betaalde – weblogger van het tijdschrift Quote. (Ik geloof niet dat hij er nog langer actief is, trouwens.)

De derde generatie webloggers schrijft zijn weblogs namelijk voor geld, en op websites van traditionele media. Bij de VPRO heeft bijvoorbeeld niet alleen Wim de Bie een eigen weblog, maar ook Wim Brands, dichter en presentator van het radioprogramma De Avonden. De weblogs van de kranten heb ik hierboven al genoemd; een ander voorbeeld is dat sinds de verkiezingscampagne van begin dit jaar sommige politici verslag van hun werkzaamheden doen in de vorm van een weblog. Een voorbeeld is minister Zalm die, al sinds de vorige verkiezingen bijna elke werkdag verslag doet van zijn werk. Dat is niet altijd even meeslepende lectuur – maar dat een bewindsman z’n gedetailleerd inkijkje geeft in zijn doen en laten, heeft iets sympathieks, vind ik.

Ook ons aller staatssecretaris Annette Nijs van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen schrijft een weblog. Zij werd enkele maanden geleden scherp aangevallen op enkele inderdaad wat knullige typefouten; sindsdien heeft zij haar frequentie wat verlaagd en schijnen haar teksten gecorrigeerd te worden. Die correcties gaan dan in ieder geval niet over de wat onbeholpen schrijfstijl:

19 december

Deze week een hectische week achter de rug. Het plan voor Toelatingsbeleid was uitgelekt en dan staat er plotseling een cameraploeg van RTL Nieuws voor je neus. Een aantal commentaren van andere partijen, zoals de LSVb, waren al bekend, dus heb ik in lijn met het regeerakkoord een korte reactie gegeven.

Vandaag de Ministerraad achter de rug en kun kan ik er vrijuit over praten. De strekking van het plan is om een aantal experimenten uit te voeren […]

Met het uitlekken van dit plan zie je de reflex: kan niet, mag niet, toegankelijkheid komt in gevar. Logisch, aangezien dit onderwerp al jarenlang een taboe is in Nederland. Jammer, want in Nederland moeten we ook topkwaliteit kunnen leveren en het is mijn stellige overtuiging dat zoiets kan mét behoud van de toegankelijkheid.

De vraag is nu natuurlijk: waar is de wetenschap? Ook voor onderzoekers lijkt het weblog immers een prachtige medium te zijn: een manier om een dagelijks inkijkje te geven in je werk, om elke dag vanuit je eigen invalshoek commentaar te geven op het nieuws, om mogelijk een groep te bereiken die je er bijvoorbeeld van wilt overtuigen om bij je te komen studeren, of om je subsidie te geven.

In de zomer van 2004 vieren we de vijfde verjaardag van het Nederlandse weblog – zullen er rond die tijd ook neerlandistische weblogs bestaan? In de taalwetenschap bestaan er al een paar, in ieder geval in het buitenland. De fraaiste is ongetwijfeld Language Log, waarop een team van vooraanstaande Angelsaksische taalkundigen met heel verschillende specialisaties (mensen als Mark Liberman, Geoffrey Pullum en Sally Thomason) dagelijks speels en wervend laat zien hoe mooi en veelzijdig het vak is. Elke dag is er wel een aardige observatie, een kleine analyse, een poging om aan te tonen dat de New York Timesof Nature recentelijk taalkundige onzin hebben gedebiteerd.

Soms worden de berichtjes ook gebruikt om onderzoek te doen:

Hey fellow bloggers and assorted fans: a question, taking advantage of this wonderful tool called the internet. A question: can you identify for me languages that have neither 1) inflections nor 2) tones used to distinguish lexical items or encode grammar?

Wat zou het prachtig zijn als je zoiets ook had voor de neerlandistiek – een weblog waar je dagelijks berichten, oproepen en observaties vindt uit alle hoeken en gaten van het vak. Een soort Neder-L, maar dan van dag tot dag bijgehouden, met afbeeldingen van handschriften en syntactische analyses (en wat mij betreft komt er nog steeds twee keer in de maand dan een samenvatting voor de abonnees die een en ander via e-mail willen ontvangen). Die website wordt het dagboek van een kleine gemeenschap van vakgenoten, dat voorgoed laat zien hoe onterecht het is dat ons onderzoek zo weinig de krant haalt, en dat de lezer meesleurt in een interessante en aantrekkelijke manier om de wereld te bekijken: de onze. De vakgroep Nederlands die het aandurft om zo’n weblog te beginnen, voorspel ik een gouden toekomst.

Een bekrompen leesstrategie

Ik heb een bekrompen smaak op het gebied van de dichtkunst. Zo lees ik eigenlijk nooit buitenlandse dichters. Ik hou er niet van om gedichten in vertaling te lezen, en ik houd er ook niet van om gedichten te lezen in een taal die niet mijn moedertaal is. Maar mijn bekrompenheid gaat eigenlijk nog verder, merkte ik toen ik het onlangs verschenen Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen van Thomas Vaessens en Jos Joosten las. Zij bespreken daarin zeven ‘eigentijdse’ dichters. Van die zeven houd ik wel van Robert Anker, Arjan Duinker en Tonnus Oosterhoff, maar niet van Peter Holvoet-Hanssen, Dirk van Bastelaere, Erik Spinoy en Peter Verhelst. De eerste drie zijn Nederlanders, de laatste vier zijn Vlamingen. Houdt mijn poëtische nieuwsgierigheid op bij Wuustwezel?

Postmoderne poëzie heeft aan mijn voorkeur voor moderne Nederlanders boven moderne Vlamingen in ieder geval weinig kunnen veranderen. Het is een duidelijk en zakelijk geschreven boek waaruit ik veel geleerd heb over de verschillen tussen modernisme en postmodernisme, en vooral het werk van de dichters waar ik toch al van hield beter kan begrijpen en plaatsen.

Die zakelijkheid is groter dan in de vorige boeken die ik van Vaessens en Joosten gelezen heb. Dat blijkt al uit een vergelijking van de titel van dit boek met die van de eerdere boeken — ‘Circus Dubio & Schroom’ en ‘De verstoorde lezer’ van Vaessens, en ‘Onttachtiging’ van Joosten. Ik vind dat wel een prettige ontwikkeling in het werk van beide schrijvers, die verzakelijking.

De auteurs leggen helder uit hoe de postmodernisten modernistische ideeën zoals dat een tekst coherent moet zijn, ‘achter zich hebben gelaten’, dat zij ‘niet langer geloven dat’ een tekst de indruk moet geven van voltooidheid, of dat er de stem van een auteur in te horen moet zijn. Door die helderheid krijg je af en toe de indruk dat Vaessens en Joosten menen dat die postmodernisten het gelijk aan hun kant hebben met hun opvattingen. Het is in dat licht opvallend dat de tekst waarin dit alles wordt uitgelegd zo coherent is, zo voltooid, en af en toe ook de stem van de auteurs laat horen. Als Vaessens en Joosten al waarde zien in het postmodernistische procédé voor de dichtkunst, dan in ieder geval niet voor het letterkundige essay.

Dat laatste lijkt me maar goed ook, want mij lijken al die uitgangspunten hopeloos. Ik wil best geloven dat de eenheid van het individu of de eenheid van de tekst of de eenheid van de werkelijkheid allemaal ‘illusies’ zijn en dat de werkelijkheid een grote chaos is. Maar als dat allemaal zo is, dan kan het hele idee van ‘literatuur’ ook alleen maar een illusie zijn, en zie ik niet dat er een speciale reden is om een dichtbundel van, pakweg, Peter Holvoet-Hanssen ter hand te nemen. Het internet staat vol met incoherente, onoorspronkelijke, vrijwel auteurloze teksten, die bovendien allerlei aannames die je in het dagelijks leven maakt ‘ter discussie stellen’ (een term die Vaessens en Joosten geregeld gebruiken), daar hoef je de boekwinkel niet voor binnen te stappen.

Waarom dus een postmoderne dichter lezen? Vaessens en Joosten beantwoorden deze vraag niet voldoende, in ieder geval niet voor mij. Ze gebruiken het begrip ‘leesstrategie’, en ze betogen uitgebreid dat een ‘modernistische’ leesstrategie niet volstaat om een postmodernistisch gedicht te lezen. Maar welke leesstrategie ik als eenvoudige lezer dan wel zou moeten volgen om een dichtbundel van Holvoet-Hanssen te kunnen waarderen, is mij na het lezen van Postmoderne poëzie niet duidelijk.

In hun epiloog schrijven de auteurs bijvoorbeeld: “We hebben het in dit boek steeds over leeswijzen gehad. Als afzetpunt schetsten we de moderne invalshoek, die teruggaat op de gedeelde beginselen van modernisme en New Criticism. De postmoderne lezer aanvaardt dat er open plekken (blijven) bestaan, en gaat ervan uit dat de dichter niet tevoren bewust betekenis in het gedicht legt.” Deze passage is (net als veel vergelijkbare passages) negatief geformuleerd: een postmodernistische ‘leesstrategie’ gaat niet uit van de modernistische veronderstellingen. Maar wat je dan moet doen om voldoende genoegen te beleven aan een tekst om hem ook helemaal te lezen, weet ik nog altijd niet.

Er zit in ieder geval iets heel paradoxaals in om een boekje te moeten kopen van een bepaalde dichter om je door die dichter te laten vertellen dat het dichterschap een illusie is, of dat de wereld incoherent is. Een mens heeft geen dichters nodig om tot die conclusie te komen, zou je denken. Het lijkt wel alsof je vooral postmodernistische poëzie moet lezen om te kunnen laten zien dat je niet meer in achterhaalde modernistische conventies gelooft. Alsof de postmoderne leesstrategie een ‘etiquetteregel’ is, waarmee je kunt laten zien dat je weet hoe het hoort, zoals Verdaasdonk (2002) zegt.

Daar zit wat mij betreft ook het verschil tussen de Vlaamse schrijvers die Vaessens en Joosten behandelen, en de Nederlanders. Bij de Nederlandse schrijvers is er, bij alle postmodernisme, nog wel wat over dat ik, verstokte modernist die ik kennelijk ben, kan begrijpen: bij Oosterhoff is er een interessant spel met vormen (zoals blijkt uit de bewegende gedichten op zijn website http://www.tonnusoosterhoff.nl/), bij Duinker is er een duidelijk navoelbare zinnelijkheid (‘Ik omhels je, dichtgeslibde haven./ Ik omhels je, kalme steen./ Voel mijn naaktheid.’), en in de bundel die Vaessens en Joosten van Anker bespreken (‘Goede manieren’) is wel degelijk sprake van een determineerbare inhoud, zonder al te veel ‘open plekken’. Om het werk van de Vlaamse dichters te verklaren, moeten Vaessens en Joosten veel meer verwijzen naar het filosofische werk van postmodernistische denkers als Barthes en Derrida. Ik zie weinig in die denkers, en dus weet ik niet wat ik met de dichters aanmoet. En omdat ik nu eenmaal geen ‘professionele lezer’ ben, maar alleen maar voor mijn plezier lees, laat ik uiteindelijk teksten waarmee ik me geen raad weet, maar terzijde. Als ik graag fragmentarische teksten wil lezen, tik ik wel ‘oehoeboeroe’ in bij Google.

Met die laatste gedachte troost ik me maar. Ik houd heus veel van Vlaamse schrijvers en dichters, als het maar degelijke modernisten zijn zoals Boon of Claus of Lanoye. Vlaamse dichters als Holvoet-Hanssen zijn de verkeerde weg ingeslagen, door teksten te gaan schrijven waarvan niemand tot nu toe heeft weten uit te leggen waarom je ze zou moeten lezen. Het wachten is alleen maar op de postpostmoderne poëzie, zodat ik ook weer mijn horizon kan verruimen tot in ieder geval él;én buurland.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl
Met dank aan Thomas Vaessens.

Literatuur
Vaessens, Thomas, en Jos Joosten. 2003. Postmoderne poëzie in Nederland en Vlaanderen. Vantilt, Nijmegen.
Verdaasdonk, Hugo. 2002. Etiquette-regels voor de analyse van literatuur. Neerlandistiek.nl 02.04, naschrift 2. (http://www.neerlandistiek.nl/02/04/naschrift2.html)

Schrijven voor het beeldscherm

Twee jaar geleden had ik een plan voor een website die een naar bedrijf in de afgrond zou storten. LeugensvandeNederlandseSpoorwegen.nl zou die site heten en het concept was eenvoudig: de pagina’s zouden gevuld worden met foto’s van een NS-klok met daarnaast een informatiebord over aankomst van de treinen. Op het informatiebord zou bijvoorbeeld de trein van 7:12 naar Eindhoven aangekondigd staan met de mededeling ‘Vertraging ongeveer 5 minuten’. Op de klok kon je duidelijk zien dat het inmiddels vijf over half acht was.

Zulke foto’s waren in die tijd makkelijk te maken. Het enige wat je nodig had was een kaartje om op het perron van een station te komen en een digitale fotocamera. Het leek erop alsof de NS systematisch de vertragingen onderschatte: ‘ongeveer vijf minuten’ betekende ‘minstens tien minuten’, ‘ongeveer een kwartier’ betekende: ‘het is beter om de volgende trein te nemen, maar dat zeggen we lekker niet’. Het maakte de spoorwegen duidelijk helemaal niets uit dat iedereen kon in een oogopslag kon zien dat de gegeven informatie onjuist was.

Inmiddels is het moeilijker geworden om zo’n website een beetje levendig te houden, maar dat komt eerder doordat de treinen beter zijn gaan rijden, dan doordat de spoorwegen zoveel beter zijn gaan communiceren. Want met de manier waarop de spoorwegen de reiziger bejegent is altijd iets vreemds aan de hand. Zo is er sinds een paar maanden een af en toe vrijwel onverstaanbare computerstem die het menselijke geluid is komen vervangen.

Ook schrijven voor een beeldscherm blijkt een vak te zijn dat de medewerkers van de NS niet bijzonder interesseert. Sinds enige tijd hangen er op de stations informatieborden waarop vertragingen worden gemeld. Met die borden is vrijwel altijd iets merkwaardigs aan de hand: de tekst is net iets langer dan strikt noodzakelijk zou zijn. Daarom moet hij in stukken worden gehakt, die na elkaar worden getoond. Het laatste stuk is dan opvallend vaak extreem oninformatief:

Bord 1: “Door werkzaamheden rijden er geen treinen tussen Alphen a/d Rijn en Leiden Centraal en tussen”

Bord 2: “Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein. NS zet bussen in. Houdt u rekening”

Bord 3: “met extra reistijd.”


Omdat de delen na elkaar worden vertoond, loopt de haastige reiziger naar Rotterdam Hofplein de kans dat hij alleen de tekst ‘met extra reistijd’ leest als hij het perron op komt rennen, tenzij hij de tijd neemt om te wachten op het tweede bord waaruit hij dan zou kunnen leren. Terwijl iedere tekst natuurlijk makkelijk zo kan worden herschreven dat hij wél op een bord zou passen. De zinsnedes ‘rijden er’ en ‘houdt u rekening’ zouden bijvoorbeeld – tenzij je vindt dat het belangrijker is om een persoonsvorm te gebruiken dan om snel te informeren – zonder bezwaar kunnen worden weggelaten.
Als je erop begint te letten, valt op dat er systeem inzit.


Bord 1: “Door werkzaamheden rijden er geen treinen tussen Leidschendam-Voorburg en”

Bord 2: “Rotterdam Hofplein. NS zet bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd.”


De zin ‘Houdt u rekening met extra reistijd’ kan natuurlijk in ieder geval weggelaten worden. Als ik het goed uitreken, kan de informatie van deze tekst op één bord, als we ervan maken: ‘Werkzaamheden tussen Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein. NS zet bussen in.’

Het merkwaardige is dat het gebruikte stramien kennelijk nog niet eens zo heel strak is. Een dag na de vorige maakte ik de volgende foto’s, waarin dezelfde mededeling nét iets anders wordt verteld.


Bord 1: “Door werkzaamheden rijden er tussen Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein geen”

Bord 2: “treinen. NS zet bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd.”

Een stramien is er kennelijk wel, en wordt door de schrijvers van de borden soms zo stevig vastgehouden, dat ze maar liefst vier borden nodig hebben voor een tamelijk eenvoudige mededeling:


Bord 1: “Door werkzaamheden rijden er vanaf 22:20 uur geen treinen tussen Roosendaal en Bergen op”

Bord 2: “Zoom. NS zet bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd. Door werkzaamheden rijden er”

Bord 3: “geen treinen tussen Leidschendam-Voorburg en Rotterdam Hofplein. NS zet”

Bord 4: “bussen in. Houdt u rekening met extra reistijd.”

Ik heb het idee dat je mensen zou moeten opleiden om te leren schrijven voor het beeldscherm altijd een beetje belachelijk gevonden. Maar bij de NS zou heel wat werk aan de winkel zijn voor een goede schrijftrainer — als de NS zou willen luisteren.


Pionier mee!

Door Marc van Oostendorp

Het is bijna tien jaar geleden dat het Internet in Nederland voor privé-personen werd opengesteld: op 1 mei 1993 begon een groepje hackers het bedrijfje XS4ALL waar je een abonnement op Internet kon nemen. Naar eigen zeggen streefden de oprichters naar vijfhonderd klanten na een half jaar en hadden ze die vijfhonderd al aan het eind van de eerste dag.

Daarna is er van alles gebeurd. In het begin overheerste de scepsis: wie van het nieuwe medium hield, moest regelmatig tijdens verjaardagsfeestjes de vraag beantwoorden ‘of dat nou wat was, dat Internet’. Minstens tot 1998 kon je nog wel mensen ontmoeten die er niks in zagen, en die vol vertrouwen vertelden dat het allemaal iets was van voorbijgaande aard, dat het snel weer zou verdwijnen. Lees verder >>

GLKKG NWJR ;-)

Door Marc van Oostendorp

Oudejaarsnacht wordt een nieuwe mijlpaal: ik ga voor het eerst een sms’je sturen aan iemand die me na is, met de beste wensen. Ik heb mijn mobiele telefoon nu ongeveer twee jaar, en stuur ook al een paar sms-berichtjes per week; maar op oudejaarsavond heb ik nog nooit contact gehad met iemand die buiten gehoorsafstand was.

Het is leuk speculeren over de invloed die alle nieuwe communicatiemiddelen hebben op onze manieren om te communiceren, en misschien zelfs op ons taalgebruik. Dat mensen een mobiele telefoon op een andere manier gebruiken dan een gewone huiskamertelefoon, lijkt me duidelijk. Maar hoe moet je dat verschil begrijpen? Waarom wordt die telefoon op een andere manier gebruikt? Lees verder >>

De nederlandse spellingchaos

Nederlanders en Vlamingen zijn volgzame volkjes en Harry Mulisch zegt soms wel eens iets verstandigs. Dat zijn de twee conclusies die zich elke keer weer opdringen als NRC Handelsblad taal tot een voorpaginaonderwerp maakt. Dat doet die krant namelijk alleen als er iemand iets over de spelling heeft gezegd.

Als er dan geen wereldkampioenschap voetballen is, ontpopt zich de dagen erna altijd dezelfde discussie. Daarin zijn dan twee kampen te onderscheiden, die naar mijn smaak allebei onzin verkopen. De ene groep vindt dat we de spellingregels moeten laten zoals ze nu zijn. De andere groep vindt dat we de spellingregels moeten veranderen – ofwel terugbrengen naar een oude vorm, ofwel een geheel nieuwe vorm moeten geven. Volgens mij moeten spellingregels worden afgeschaft: we kunnen best zonder overheidsinterventie op dit punt.

De jongste spellingdiscussie ontstond deze maand doordat de Vlaamse minister van cultuur Van Grembergen had gezegd dat hij vond dat de regels over de tussen-n moesten worden teruggedraaid. Vervolgens barstte er een hele discussie los, althans, er kwam een stroom monologen op gang, allemaal over de vraag hoe de regels er precies moesten uitzien en wiens schuld het was dat die regels nog niet hun goddelijke ideale staat hadden bereikt. Journalisten begonnen aan allerlei mensen die in hun kaartenbakje zaten onder het lemma ‘spelling’ maar weer eens te vragen wat ze eigenlijk vonden van de spelling.

Een aantal regionale kranten publiceerde dit keer een stuk waarin allerlei schrijvers hun zegje mochten doen over deze kwestie. Daar kon je van alles uit leren. Ako-prijswinnaar Allard Schröder meldde bijvoorbeeld: “Ik gebruik nog altijd het Groene Boekje uit 1954. Mijn redacteur heeft het maar te pikken dat ik op de oude manier spel.”

Zo’n uitspraak, daar kan ik met mijn verstand niet bij: waarom zou iemand in het Groene Boekje van 1954 opzoeken hoe je indertijd een woord ‘moest’ spellen? Waarom niet gewoon elk woord gespeld op de manier die jezelf het beste lijkt en dan van je redacteur verlangen dat hij dát pikt? Het maakt een beetje de indruk van de man die meent dat de horoscoop in de krant van vandaag onzin is, en dat hij daarom blijft vasthouden aan de wijze raad uit de Telegraaf van gisteren.

Schröder levert er in datzelfde stuk overigens meteen ook nog een heuse complottheorie bij: “Die wijzigingen in de spelling zijn alleen maar een hobby van een Leidse professor die in 1995 zijn zin heeft kunnen doorzetten.” Hoe zat dat dan volgens Schröder in 1954? Werd daar wel een van God gegeven norm gebruikt, zonder dat er professoren aan te pas kwamen die hun zin wilden doorzetten?

Dat spellingregels in enige vorm nodig zijn, daarover lijkt bijna iedereen het hartgrondig eens. Mensen die op straat door elk rood voetgangerslicht lopen dat hun pad maar kruist, lijken niet op de gedachte te komen dat je spellingregels die je niet bevallen, ook gewoon kunt negeren. Dat je alle energie die je verspilt door je op te winden over het woord zielenrust ook kunt besteden aan het schrijven van een fraai essay waarin je net zo vaak zielerustschrijft als je maar wilt. Dat het hele instituut van de officiële spelling geen enkel zinnig doel dient. Het is een hard en eenzaam lot, dat van de taalanarchist.

De Nijmeegse hoogleraar Anneke Neijt pleit in het laatste nummer van Nederlandse Taalkunde bijvoorbeeld voor aanpassing van de regels. De reden waarom die regels nodig zijn, is volgens haar dat er anders ‘anarchie’ zou kunnen ontstaan in de Nederlandse spelling – en dat woord ‘anarchie’ heeft voor haar duidelijk geen positieve associaties. Maar ik zie niet waar het probleem ligt. Zouden mensen ineens allemaal op de meest uiteenlopende manieren beginnen te schrijven als de overheid niet intervenieerde? Hooguit zou er volgens mij wat marginale variatie ontstaan: de ene persoon schrijft produkt en de andere product. Je vrienden kun je herkennen aan het feit dat ze hier de juiste keuze maken – de jouwe. Dat is precies de manier waarop taal werkt, van syntaxis tot en met fonologie. Je hoort nooit iemand pleiten voor een overheidsstandaard op deze niveaus omdat er anders een totale chaos dreigt. Volgens Neijt zouden ‘kostbare voorzieningen als woordenboeken en leerboeken’ nog duurder worden zonder eenheidsspelling. Maar de elektronische Van Dale biedt nu ook al de mogelijkheid om uitspraakvarianten van een woord op te zoeken; dat zou voor spellingvarianten ook makkelijk kunnen.

Verder vind ik natuurlijk ook wel dat Leidse professoren of medewerkers van het Meertens Instituut beslist niet hun zin moeten doorzetten als het om spelling gaat. In hetzelfde stuk in de regionale kranten wordt ook Harry Mulisch geïnterviewd, die zegt wat hij altijd zegt en wat volgens mij juist is: “Schrijvers zijn degenen die met de taal omgaan. Het is volgens mij dan ook beter dat schrijvers zich over de taal buigen dan een stel taalkundigen. Je laat politicologen toch ook geen politiek bedrijven?”

Kijk, daar ben ik het nu (waarschijnlijk als enige abonnee op Neder-L) volkomen mee eens. Als de mensen zich tijdens het schrijven per se ergens op willen richten, kunnen ze beter proberen goede en succesvolle schrijvers na te doen, dan zich te conformeren aan de willekeurige regeltjes van taalkundigen. Taaladviseurs zouden minder tijd moeten besteden aan het oeuvre van Jan Renkema, en meer aan dat van W.F. Hermans. Ze zouden op een rijtje moeten zetten hoe de belangrijkste schrijvers en journalisten schrijven – dat zou overigens bij die beste brave Allard Schröder een curieus effect opleveren.

Een groot voordeel daarvan zou volgens mij zijn dat je automatisch meer ‘toegestane’ variatie krijgt. Harry Mulisch schrijft bijvoorbeeld ‘nederlandse spelling’ met een kleine letter, maar W.F. Hermans schreef ‘Nederlandse spelling’ met een hoofdletter. Dat is vanaf nu dus allebei goed, al kan je vanaf nu je medeliefhebbers van het werk van Mulisch wel herkennen aan dit kleine eigenaardigheidje.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Je de rest van je leven niet vervelen

Er zijn wel wat overeenkomsten tussen de vorige maand overleden Edsger W. Dijkstra (1930-2002) en Vincent van Gogh (1853-1890). Ze woonden allebei enige tijd in Nuenen. Ze hadden allebei rood haar en een rood baardje. Ze horen minstens even beroemd te zijn om de handgeschreven notities die ze nalieten als om hun eigenlijke werk.

Edsger Dijkstra was een van de grondleggers van de wetenschappelijke informatica. Voor hem was het programmeren van computers een wiskundige activiteit. Op een bepaald moment werd de informatica een vak dat je ging studeren om verzekerd te zijn van een goede baan. Dijkstra bezag deze trend met argwaan. “Je studeert niet omdat je geld wilt verdienen,” vond hij “maar om je de rest van je leven niet te hoeven vervelen.”

Dijkstra bezag trouwens meer trends met argwaan. Moderne computers bijvoorbeeld, daar zag hij helemaal niks in. Hij had heel hoge standaards van hoe een computerprogramma in elkaar moet zitten – elegant en doorzichtig geconstrueerd, zodat het met een willekeurige invoer gegarandeerd de correcte uitvoer zou leveren – en vanuit die optiek is een willekeurige pc, vol onlogische, haastig in elkaar gedraaide programma’s die het om de haverklap begeven, prutswerk, gemaakt door ingenieurs die al tevreden zijn als het een beetje werkt in plaats van door wiskundige strevers naar de perfectie.

Dijkstra stond dan ook aan de basis van het zogenoemde gestructureerde programmeren. In de jaren vijftig en zestig werden computerprogramma’s in zogenoemde machinetaal gemaakt, instructies die bij wijze van spreken heel direct vertelden welk elektron zich waarheen moest begeven. In de jaren zestig kwamen er langzamerhand programmeertalen die het mogelijk maakten het apparaat op een wat hoger niveau van abstractie aan te spreken (de instructies werden dan uiteindelijk natuurlijk in machinetaal vertaald, maar dat gebeurde automatisch). Dijkstra streed ervoor dat dit soort programmeertalen helder, gestructureerd en bewijsbaar werden. De programmeertaal Pascal wordt wel gebruikt als voorbeeld van een taal waarin ideeën zoals die van Dijkstra verwerkt zijn.

Het is veelzeggend dat Dijkstra’s bekendste stuk over deze kwestie (en misschien in het algemeen zijn bekendste stuk) een ingezonden brief was aan het tijdschrift Communications of the ACM. “Go To Statement Considered Harmful” heette die brief. Dijkstra pleitte erin tegen een programmeerstijl waarin de hele tijd van hot naar haar werd gesprongen in het computergeheugen (middels een ‘go to’-opdracht) en voor een stijl die gebruik maakte van logische constructies als if A do B else do C, while A repeat B, enzovoort. Met die ideeën is het nu ongeveer zo gesteld: elke computerprogrammeur kent ze, en weet dat hij ze moet toepassen, maar elke computerprogrammeur overtreedt die regel ook. Ook moderne programmeertalen hebben nog steeds een equivalent van go to.

Dijkstra publiceerde een redelijk maar niet indrukwekkend aantal boeken, hoofdstukken in boeken en artikelen. Hij werd echter vooral bekend door de reeks EWD’s (naar zijn initialen) die hij in de jaren 1962-2002 rondstuurde aan collega’s en belangstellenden. Die EWD’s waren soms uitgetikt, maar meestal met de hand geschreven en in ieder geval nooit op zo’n foutrijke tekstverwerker in elkaar gezet. Ze gaan over allerlei onderwerpen, uit de wiskunde, uit de informatica en uit het leven. Dijkstra had een bijzondere, droge, een beetje knorrige stijl. Na zijn pensioen in 1999 hebben zijn collega’s van de Universiteit van Texas alle EWD’s die ze terug konden vinden op een website gezet. De afgelopen weken heb ik ze bijna allemaal ademloos gelezen.

Wat ik nu zou willen, is lid worden van een EWD-club, waarvan de leden elke week bij elkaar komen om dan uit het verzameld werk van Dijkstra te citeren. “If somewhere you read ‘in depth’, ignore it,” zegt iemand dan. En ik antwoord, “The problems of the real world are those that remain when you ignore their known solutions.” De man had zelf trouwens een heel goed oor voor citaten; sommige van de beste EWD-citaten komen van zijn kinderen en zijn ouders. EWD 1130 (uit 1992) heet over “The Economy of Doing Mathematics” en gaat over onder andere het belang van elegantie in de wiskunde en de wetenschap. Het eindigt met een citaat van EWD’s moeder: “And, remember, when you need more than five lines, you are probably on the wrong track.”

Het lezen van die ruim 1700 EWD’s is een bijzondere ervaring. Ik heb niet de pretentie dat ik alles begrijp, ik verkeer nu eenmaal niet bepaald in de voorhoede van de wiskundige informatica, maar een heleboel valt ook wel te begrijpen. En doordat een en ander letterlijk de vorm van notities heeft – de handgeschreven aantekeningen zijn ingescand en als pdf’s gepubliceerd – komt die een beetje knorrige man grappig dichtbij.

In de taalkunde hebben we zoiets niet, geloof ik. (Al hebben we ook in ons vak onze eigenste Man uit Nuenen, dr. Jan van Bakel, die alweer sinds een paar jaar de interessantste en persoonlijkste website van de Nederlandse taalkunde bijhoudt, vol observaties, persoonlijke kritiek op van alles en nog wat en digitale reprints van oud werk. De stijl lijkt in de verte wel wat op die van Dijkstra.) Dat is jammer, want het bestaan van dit soort mensen is een reclame voor een vak; maar helaas is dit soort mensen zeldzaam.

“I thank everybody in general for everything, and you in particular for your attention.” (EWD1298)
Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Jan van Bakel. 2002. Woorden en beelden (website). http://www.telebyte.nl/~janbakel/
Edsger W. Dijkstra. 1968. Go To Statement Considered Harmful. Communications of the ACM, 11.3: 147-148. Elektronische herdruk op http://www.acm.org/classics/oct95/
Edsger. W. Dijkstra. 2002. Homepage, University of Texas. http://www.cs.utexas.edu/users/EWD/

Taalwetenschappelijk socialisme

Door Marc van Oostendorp

Ingenieur V. heeft een hekel aan mij; hij meent dat ik een extreemlinkse activist ben en stuurt brieven aan mijn werkgever waarin hij aandringt op mijn ontslag. Wat heb ik gedaan? Ik heb ooit een stukje geschreven waarin ik erop wees dat ir. V. lid was van een clubje taalzuiveraars die ook lid waren van organisaties als het Nederlands Blok en de Centrumpartij. Een clubje dat er bovendien nare ideeën op nahield, zoals dat het Nederlands de enige taal zou moeten zijn in het openbare leven, en dat minderheidstalen zoals het Fries, het Turks en de Nederlandse Gebarentaal niet zouden moeten worden gebruikt. Dat ik dat opschreef, maakt mij tot een linkse extremist.

Lees verder >>

De nu-wij-taalwetenschap

Wat is de taalwetenschap toch een prachtig vak! De taal is zo belangrijk voor de mens en zijn maatschappij, de taal is zo veelzijdig en rijk, dat je haar op allerlei manieren kunt bestuderen en dat is zeker de afgelopen decennia ook met vrucht gedaan. De taalkunde is het mooiste vak dat er is, als je haar niet nodeloos beperkt. Wie eerstejaarsstudenten taalkunde slechts een heel beperkt beeld voorzet, wie doet alsof de taalkunde slechts bestaat uit zijn of haar persoonlijke belangstelling (dat alles dan natuurlijk met beroep op de ‘beperkte ruimte’ die er in het programma is), die doet zijn vak en de studenten onrecht.

Dat laatste is helaas het geval met het recent verschenen boek Taal in gebruik, onder redactie van Theo Janssen (VU). De ondertitel van het boek is Een inleiding in de taalwetenschap, maar dat bepaalde lidwoord bij taalwetenschap staat daar onterecht. Het boek leidt hooguit in tot een beperkte, dogmatische versie van moderne cognitieve taalkunde. Er staan aan het eind van het boek een aantal heel goede hoofdstukken over taal en maatschappij, over communicatie in een meertalige samenleving, over taalverandering en over taalnormen. Maar de kern van Taal in gebruik doet me nog het meest denken aan mijn leraar Nederlands op de middelbare school, meneer Wassenberg, die verklaarde dat hij al dat ontleden óók maar niks vond, en dat hij veel meer interesse had voor het zogenoemde tekstverklaren (waarbij je als leerling een ‘zakelijke tekst’ kreeg voorgelegd met vragen zoals ‘naar wie verwijst het woord hij in regel 3?’). Ik vond zinsontleden fascinerend en tekstverklaren suf, en meneer Wassenberg en zijn vak heb ik daarna nooit meer serieus genomen. En dan deed hij tenminste nog wat aan dat ontleden.

Je kunt de taal op velerlei wijze bestuderen, en één ervan – volgens mij een heel legitieme – is je te concentreren op de vorm. Er is geen groter plezier dan zinnen ontleden, om zodanig door te dringen in één enkele zin, dat je het gevoel hebt dat je er steeds meer van begrijpt. En wie succesvol de werking van taal in de hersenen of in de maatschappij wil begrijpen, zal dat volgens mij ook moeten kunnen. Wie Taal in gebruik heeft gelezen, kan geen zin ontleden en is in het algemeen niet op de hoogte dat taal ook een vorm heeft, die je kunt bestuderen. Alternatieve visies worden stelselmatig genegeerd.

Geen fonologie

Heel verbazingwekkend vind ik het bijvoorbeeld dat het woord ‘fonologie’ in het hele boek voor zover ik heb kunnen nagaan slechts één keer voorkomt: terloops in het (uitstekende) hoofdstuk van Renée van Bezooijen over ‘Taal en maatschappij’. Het hangt daar een beetje in de lucht omdat er geen hoofdstuk is waarin dieper op die materie wordt ingegaan. Dat lijkt me op zijn minst de ontkenning van de geschiedenis van de taalwetenschap – vrijwel alle belangrijke Nederlandse taalkundigen uit de twintigste eeuw hebben zich op enig moment beziggehouden met een fonologisch onderwerp. Maar het is erger. Methodologisch is de fonologie de voorbode geweest van veel vormen van taalonderzoek. Veel psycholinguïstische, sociolinguïstische, historisch taalkundige, dialectologische, taaltypologische en andere literatuur concentreert zich op fonologische onderwerpen en valt zonder elementaire kennis van de fonologie niet te begrijpen.

Nu zou je kunnen zeggen dat je in ‘een inleiding in de taalwetenschap’ nu eenmaal niet alles kunt behandelen. Dat is natuurlijk waar. Aan de andere kant is een van de mooiste eigenschappen van de wetenschap cumulativiteit: je bouwt voort op het werk van je voorgangers. Dat betekent onder andere dat studenten een hoeveelheid basiskennis moeten leren, er is een basisapparaat aan kennis en kunde die iedereen die pretendeert iets van de taalkunde weet nu eenmaal moet hebben. Negeren dat bijvoorbeeld een elementaire kennis van de klinkerdriehoek en van het verschijnsel assimilatie daartoe behoren, vind ik bizar.

Taal in gebruik gaat verder, want aan de studie van de vórm van taal – hoe je het ook bekijkt een oeroude traditie – wordt in dit boek in het geheel geen aandacht besteed. De nadruk ligt op het gebruik van taal en dan in het bijzonder op het communicatieve gebruik. Er zijn heel veel taalkundigen die een dergelijke visie veel te beperkt vinden. In zijn Spinoza-lezing (1997) stelde de beroemde Leidse taalkundige Frits Kortlandt zich bijvoorbeeld tegen deze opvatting teweer:

Onze taal dient ook om uitdrukking te geven aan gedachten en gevoelens. Wij willen anderen graag op de hoogte stellen van wat er in ons omgaat. Daarvoor heb je trouwens helemaal geen luisteraar nodig, want wij willen dat ook graag aan onszelf duidelijk maken. Taal is er niet alleen voor de sociale interactie, maar ook voor de individuele expressie. (þ) Maar ook dat is nog maar een deel van het verhaal. Het is namelijk de vraag of onze taal alleen een instrument is dat wij kunnen gebruiken voor onze sociale interactie en individuele expressie. Het is immers een bekend verschijnsel dat mensen zich soms laten meeslepen door hun eigen woorden en zich kunnen laten verleiden tot uitspraken die zij helemaal niet willen doen. Het lijkt alsof er dan een autonoom proces op gang komt, waarbij de mensen zichzelf niet meer in de hand hebben. Hoe dat komt, weten we niet, maar het is duidelijk dat de opvatting van taal als communicatiemiddel hier te kort schiet.

In zijn lezing noemt Kortlandt nog meer mogelijke functies van taal, maar deze worden allemaal in dit boek net zo goed genegeerd als de studie van taal als pure vorm.

Een inleiding die geen aandacht besteedt aan andere functies, is schraal en onvolledig. Misschien is Taal in gebruik bruikbaar als aanvulling op bestaande inleidingen; ik vind het onverantwoord om een dergelijk dogmatisch boek aan te bieden aan eerstejaars als hun eerste en mogelijk enige kennismaking met dit vak.

Een therapeutisch boek

Een collega van me noemde Taal in gebruik ‘therapeutisch’. Er zijn taalkundigen die zich lange tijd genegeerd en belachelijk gemaakt hebben gevoeld door de formele taalkundigen. Vooral die generativisten die deden alsof zij de waarheid in pacht hadden, alsof hun visie op taal de enige wetenschappelijke was, hebben kennelijk veel kwaad bloed gezet. Nu wij! lijken de auteurs te zeggen. Als jullie niet naar ons willen luisteren, luisteren wij ook niet naar jullie! Als jullie zeggen dat je alleen de vorm mag bestuderen, gaan wij de studenten helemaal niks over die vorm vertellen! In de bibliografie van deze inleiding van de taalwetenschap ontbreekt dan ook de naam van Noam Chomsky, die toch vrij onomstreden de invloedrijkste taalkundige van de twintigste eeuw mag worden genoemd.

Maar wetenschap is geen therapie. Je kunt niemand negeren, zelfs niet de mensen die jou misschien ten onrechte negeren. Je kunt geen studenten opleiden die geen weet hebben van de gedachten van belangrijke taalkundige stromingen. Je kunt niet op eigen houtje besluiten dat de taalwetenschap geen aandacht besteedt aan onderwerpen waaraan heel veel van je collega’s werken. De inleiding in de taalwetenschap René Appel en zijn collega’s van de UvA onlangs uitgaven is wat dit betreft, en zeker vergeleken bij Taal in gebruik, een toonbeeld van evenwicht: daar staan de fonologie en de pragmatiek, het generatieve en het functionele paradigma nog broederlijk naast elkaar.

Ik weet niet zo goed wat ik met Taal in gebruik aan moet, ik word er een beetje sip van. Sip vanwege het gebrek aan openheid, het gebrek aan discussiebereidheid, het gebrek aan breedte in de visie op wat taal is en kan zijn. Het past kennelijk in een ontwikkeling, die ik ernstig betreur, en die neerkomt op een totaal overboord gooien van allerlei soorten van taalwetenschap die niet in deze of gene politieke agenda passen: de ‘nu-wij-taalwetenschap’. Ik geloof dat de fonologie in de meeste bachelors-programma’s van opleidingen neerlandistiek in het geheel wordt weggedrukt, er zijn over enkele jaren waarschijnlijk neerlandici die geen fricatief van een plosief kunnen onderscheiden, die geen klinkerdriehoek herkennen en denken dat het woord bangop twee medeklinkers eindigt. Studenten die alleen weten waarnaar het woord hij verwijst in regel 3.

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Met dan aan Sjef Barbiers en Matthias Hüning voor discussie.

Verwijzingen

René Appel e.a. 2001. Taal en taalwetenschap, Blackwell.
Theo Jansen, red. 2002. Taal in gebruik. Een inleiding in de taalwetenschap. Sdu.
Frits Kortlandt. 1997. De buren van onze voorouders. Spinoza-lezing. http://www.kortlandt.nl/spinoza/art171.html

Ondertussen op het Internet

Beste Ben,

“Iets meer dan een week geleden”, schreef ik in mijn eerste column voor Neder-L “opende NRC Handelsblad voor het eerst in zijn geschiedenis met een artikel over het Internet.”

Dat was in maart 1996. Zoals uit dit nummer blijkt, ben ik de enige columnist geweest die zelf stoutmoedig genoeg is geweest om zich aan jou op te dringen. Jij was toen al vier jaar bezig met Neder-L – dat toen nog geen website had, maar alleen via e-mail verstuurd werd – en ik kwam nog maar net kijken. Inmiddels leven we in een periode waarin het Internet alweer geen voorpaginanieuws meer is, maar tegelijk ook niet meer weg te denken is uit het leven van veel onderzoekers. Al is het maar vanwege e-mail. Ik ben inmiddels aan de veertigste aflevering van mijn column toegekomen. Een feit dat ik zo heugelijk vind dat ik binnen een half jaar drie verschillende nummers 40 gepubliceerd heb. (Eerdere nummers 40 waren: <http://www.neder-l.nl/bulletin/2001/12/011213.html> en <http://www.neder-l.nl/bulletin/2002/04/020433.html>.)

Inmiddels ben je tien jaar bezig, en is er behoorlijk wat veranderd. Bijvoorbeeld zijn allerlei onbevoegden zich gaan bemoeien met de spelling en het lidwoord van het woord ‘Internet’. (Ik heb je al jaren geleden beloofd deze zaak eens en voor altijd op te helderen in Neder-L.) Jij en ik en iedereen die er verstand van heeft schrijft al sinds jaar en dag ‘Internet’ en zes jaar geleden deed ook de NRC dat. ‘Internet’ is immers een eigennaam. Zo. Tot op een bepaald moment iemand bedacht dat ‘Internet’ net zoiets is als ‘televisie’, of dat het geen soortnaam is, of Joost mag weten wat voor waandenkbeeld er in het brein van die onverlaat naar boven kwam borrelen. Zo kwam dat woord met een idiote kleine letter in de woordenboeken en nu is dat zogenaamd de ‘correcte’ spelling. Dat er geen enkel zinnig argument is om het zo te doen, terwijl het tegelijkertijd het woordbeeld verstoort voor iedereen die óók Engels leest, tja, er bestaat nog steeds geen loket waarbij je daarover kan klagen.

Ik weet trouwens ook nog goed dat ik de eerste keer de uitdrukking ‘op Internet’ (of ‘op internet’) las en me verbaasde over de domheid van het bedrijf dat niet wist dat alle echte Internet-gebruikers ‘op _het _ Internet’ zeiden en schreven. Inmiddels is mijn kopij op dit punt al zo vaak ‘verbeterd’ dat ik zelf af en toe per ongeluk ook weleens spontaan het lidwoord vergeet.

Alleen in Neder-L kan ik de woorden nog altijd schrijven zoals ze echt horen te zijn: “op het Internet”. Elke keer vis je wel wat verschrijvingen uit mijn columns, voordat ze zelfs maar naar de rest van de redactie gaan, maar de dingen die juist zijn mogen van jou gelukkig blijven staan.

Wat is er verder veranderd? We hebben een paar dingen over het Internet geleerd. Bijvoorbeeld dat de ontwikkelingen er helemaal niet zo snel gaan. Ja, tussen het moment dat jij met Neder-L begon en ik met mijn column waren de ontwikkelingen even stormachtig. Eerst kwam het worldwide web op en daarna hadden we een tijdlang elke twee maanden een geheel nieuw browserprogramma met nog meer verbazingwekkende nieuwe mogelijkheden. Maar die technische storm hield snel na 1996 op: ik werk nu al ongeveer drie jaar met dezelfde versie van Internet Explorer zonder dat ik het gevoel heb dat ik iets mis.

Het is ook eigenlijk logisch dat de ontwikkelingen niet zo snel meer gaan. Er zijn nu zoveel mensen aangesloten op het netwerk, die krijg je nooit meer allemaal binnen korte tijd in beweging om een nieuw programma te installeren dat het mogelijk maakt om de nieuwste snufjes te bekijken. En als niemand die nieuwste snufjes kan bekijken, heeft het ook weinig zin ze nog aan je webpagina’s toe te voegen. En dus hebben de meeste mensen weinig reden om nieuwe programma’s binnen te halen. Het Internet is niet snel; het is traag.

De neerlandistiek is helemaal traag als het om dit soort ontwikkelingen gaat, maar dat konden we tien jaar geleden al weten. Toch is er al wel veel gebeurd, alles bij elkaar, in die tijd. Neder-L kreeg een website. Er zijn andere (gespecialiseerdere) elektronische tijdschriften gekomen, er wordt gewerkt aan digitale tekstenverzamelingen, grammatica’s, publieksvoorlichting en de verspreiding van vakinhoudelijke artikelen. Dat het meeste werk nog steeds gedaan wordt door een klein clubje mensen en dat de officiële instanties over het algemeen nog maar weinig tot stand hebben weten te brengen, dat nemen we maar even voor lief. Het is per slot van rekening feest. Het centrum van al die ontwikkelingen, de neerlandistiek op het Internet, is volgens mij altijd Neder-L gebleven. En de drijvende kracht achter Neder-L ben jij.

Gefeliciteerd!

Marc van Oostendorp, http://www.vanoostendorp.nl/

Zoals een Romeins legionair

Door Marc van Oostendorp

Sommige dichters vinden het hun taak om zo onbegrijpelijk mogelijk te schrijven, maar weinigen gaan daarin zo ver als Gonçalo Neves. Veertien jaar lang heeft hij gedichten geschreven in het Esperanto, om tot de conclusie te komen dat die taal hem toch niet mooi genoeg is. Nu is hij overgestapt op het Ido, een kunsttaal die van het Esperanto is afgeleid en waarschijnlijk niet meer dan enkele tientallen sprekers heeft over de hele wereld. Van wie het maar de vraag is of ze van poëzie houden. Lees verder >>

Uit de diepten

Is het een boetpsalm? Een Trappenlied? Een Liedt int hooghe coor? Een pelgrimslied? Een ghebedt, om vergiffenisse der sonden? Een liet Hammaaloth (Kan ook mede gezongen worden op de wyse van Wilhelmus van Nassouwe)? Alleen al over de aanduiding bovenaan psalm 130 zijn de dichters en vertalers het nooit eens geworden. Dat kun je concluderen uit De profundis, een onlangs verschenen verzameling van ruim tweehonderdvijftig vertalingen en berijmingen van deze psalm in varianten van het Nederlands uit alle eeuwen.

De definities van de begrippen ‘vertaling’ en ‘Nederlands’ zijn nogal ruim genomen. Zo zijn ook allerlei bewerkingen en gedichten naar aanleiding van psalm 130 opgenomen, en zelfs het begin van Gerard Reves ‘Brief in de nacht geschreven’ uit Nader tot U: Lees verder >>