Laatste gedicht (3)


Exemplarische of existentiële anekdoten die soms aan chassidische vertellingen deden denken, het objectiverende van Chinese landschapspoëzie, de inwisselbaarheid van levens in Het leven van, het personage Ghalib in Wijnbergs voorlaatste bundel Divan van Ghalib – na alle onpersoonlijkheid was niet alleen het persoonlijk voornaamwoord in Als ik als eerste aankom een verrassing. Ik loop langs mijn boekenkast en zie Wat ik mijzelf graag voorhoud van Lieke Marsman en Ben jij het, ik? van Kees Ouwens. Ook nog Koplands Toen ik dit zag, een dun bundeltje. Dat roemruchte lyrisch subject: het houdt zich blijkbaar graag schuil. 

Niet alleen een persoonlijk voornaamwoord staart ons aan op de omslag van Als ik als eerste aankom; dat doet ook de dichter zelf. Een modern statieportret: we zien een late veertiger, goedgekapt en met een lichtpaars poloshirt van Hugo Boss. Hier is een dichter die zich niet laat reduceren tot een paspoortfotootje op de achterkaft. Lees verder >>

Ponthus ende Sidonie : hoofdstuk 21

Een schoone ende amoruese historie van
Ponthus ende die schoone Sydonie,
welcke waren beyde van coninclijker afcoemsten: Ponthus des conincx Tybours sone, coninck van Galissien, ende Sidonie des conincx Huguets dochter, van Britanigen, seer ghenuechlijck om lesen, soo in amoreusheyt ende [in]  strijden, welcke veel wonderlijcke fortuynen van feyten van wapenen binnen sijnen leven ghehadt heeft ende namaels noch ghecroont wert coninck van Galissien ende van Britanigen.
Seer ghenuechlijck om lesen, soo in amoreusheyt ende [in] strijden,

welcke veel wonderlijcke fortuynen van feyten van wapenen binnen sijnen leven ghehadt heeft ende namaels noch ghecroont wert coninck van Galissien ende van Britanigen.

Geprint t’Antwerpen op die Lombaerdeveste,
tegenover Die gulden Hant,
by mi Niclaes vanden Wouwere.
Anno 1564.

In memoriam Ron van Zonneveld (Den Haag 13.12.1942 – Groningen 11.12.2012).

door Anneke Neijt

Vorige week stond het overlijdensbericht in de krant: “Mijn lieve, geweldige man en onze fantastische vader is tot ons grote verdriet overleden”, ondertekend door Roelien Bastiaanse en Rons kinderen. Na een kort ziekbed kwam het definitieve afscheid.

In de taalkunde is Ron van Zonneveld bekend van zijn artikelen in bijvoorbeeld Tabu, Linguistics in the Netherlands en Nederlandse taalkunde. Hij studeerde Algemene Taalwetenschap in Leiden, werkte lange tijd bij de afdeling Nederlandse taal- en letterkunde van de Rijksuniversiteit Groningen en was na zijn vervroegde pensionering in 2005 wetenschappelijk en taalkundig docent en adviseur van de kennisonderneming Wagner Group.
Lees verder >>

Al lezende in Ogier van Denemerken – 11

Al lezende in Ogier van Denemerken – 11 : Wraak (2)

Amand Berteloot

Met onze vorige bijdrage zijn we bij een van de hoofdmotieven van OvD aangekomen. Het wraakmotief loopt als een rode draad doorheen het hele epos. Het begint met Karels pogingen om Ogier te doden als wraak voor de smaad die hem door diens vader Godefroot werd aangedaan. Na de dood van Godefroot begaat Karels zoon Charloot een moord op Ogiers zoon Boudijn. Omdat Karel weigert Charloot aan Ogier uit te leveren, wordt deze zo lang door wraakzucht tegen Karel en zijn bondgenoten gedreven tot God door middel van een engel uiteindelijk de wraakneming op Charloot verhindert. Intussen strijden de Sarrazenen permanent tegen de christenen en beide partijen wreken zich voortdurend op elkaar voor de gesneuvelden op het slagveld. In het bijzonder de overwinning van Ogier op de Sarrazeense hoofdman Broyier is er de oorzaak van dat Ogier voortdurend het doelwit van wraakneming blijft. Het ligt dan ook voor de hand dat de woorden ‘wreken’ en ‘wraak’ in OvD niet van de lucht zijn. En als zowel kopiist LuFl als uitgever HiWe, zoals we in de vorige bijdrage hebben gezien, bij het eerste optreden van het woord ‘wraak’ van streek raken, kan het niet verkeerd zijn naast de vindplaatsen van het substantief ‘wraak’ ook die van het werkwoord ‘wreken’ nader te onderzoeken.
Lees verder >>

Ponthus ende Sidonie : hoofdstuk 20

Een schoone ende amoruese historie van
Ponthus ende die schoone Sydonie,
welcke waren beyde van coninclijker afcoemsten: Ponthus des conincx Tybours sone, coninck van Galissien, ende Sidonie des conincx Huguets dochter, van Britanigen, seer ghenuechlijck om lesen, soo in amoreusheyt ende [in]  strijden, welcke veel wonderlijcke fortuynen van feyten van wapenen binnen sijnen leven ghehadt heeft ende namaels noch ghecroont wert coninck van Galissien ende van Britanigen.
Seer ghenuechlijck om lesen, soo in amoreusheyt ende [in] strijden,

welcke veel wonderlijcke fortuynen van feyten van wapenen binnen sijnen leven ghehadt heeft ende namaels noch ghecroont wert coninck van Galissien ende van Britanigen.

Geprint t’Antwerpen op die Lombaerdeveste,
tegenover Die gulden Hant,
by mi Niclaes vanden Wouwere.
Anno 1564.

Een blog dat de lezer waardeert

Er wringt iets in het Nederlands. En het dreigt in de toekomst nog erger te gaan wringen. Maar onze nazaten zullen het wel oplossen – ik heb zelfs een vermoeden hoe.
Lang geleden had het Nederlands naamvallen, ook in de spreektaal. Naarmate die verdwenen, werd hun rol – namelijk: laten zien welk woord welke grammaticale functie vervult – overgenomen door voorzetsels en door een strikter voorgeschreven woordvolgorde.
Wat er wringt, is dat in sommige soorten zinnen de woordvolgorde op andere gronden al zo vast ligt, dat ze die ‘naamvalsvervangende’ functie niet kan vervullen. Zinnen als ‘Wie heeft de parkiet laten schrikken?’ en ‘Dit is de parkiet die de wijkverpleegster heeft laten schrikken’ zijn daardoor dubbelzinnig.

Lees verder >>

Al lezende in Ogier van Denemerken – 10

Al lezende in Ogier van Denemerken – 10 : Wraak (1)

Amand Berteloot

Karel de Grote verschijnt in OvD als een zeer halsstarrig vorst. Na de vernederende behandeling van zijn boden door Godefroot van Denemerken staat zijn besluit, de gijzelaar Ogier voor dit misdrijf van zijn vader te doen boeten, vast. Hij laat zich van dit plan niet afbrengen, zelfs als 130 ridders onder leiding van de pairs Namels van Bavier en Gwindeloen hem om genade voor de jonge Ogier komen smeken. Zelfs als de koningin op verzoek van Namels met dertig jonkvrouwen voor haar gemaal op haar knieën valt, laat hij zich door haar smeekbede niet vermurwen. Ze spreekt hem als volgt aan (zoals steeds naar de editie-Weddige maar zonder diakritische tekens):
Lees verder >>

Zaaddodend

In NRC Handelsbladvan zaterdag 15 december kwam ik twee keer ’t adjectief zaaddodend tegen in figuurlijke betekenis. Dat verbaasde me, want je komt dat woord in die betekenis zelden tegen, zei mijn gevoel. Dat gevoel heeft me niet bedrogen, want de Krantenbank wijst uit dat dit zaaddodend gemiddeld één keer per jaar voorkomt.
De eerste attestatie is in een artikel in De Volkskrant van 20 februari 1995. Marcel van Lieshout schrijft daar over het ‘zaaddodend proza’ dat ie in ’t blad Opzij aantreft. Ik noem hem omdat hij hoogstwaarschijnlijk de eerste is die zaaddodendzo gebruikt, want ook in de database ‘Historische Kranten’ van de Koninklijke Bibliotheek heb ik geen ouder voorbeeld  aangetroffen.
Lees verder >>

Drie minnaars in de klas

Eén van de leukste kluchten uit de Nederlandse literatuurgeschiedenis is het zestiende-eeuwse Een speel van drie minners. Er is inmiddels een moderne vertaling van: De drie minnaars: de bankier, de manager en de makelaar. Ik zou zeggen: ‘Lees die klucht.’ Maar misschien zijn er wel docenten Nederlands onder ons die deze tekst in de klas willen gebruiken. In dat geval is hier een kleine lesopzet voor de onderbouw havo/vwo of voor het vmbo, ontwikkeld en uitgevoerd door Chantal van Hest. Het is een controversiële aanpak, want je hebt er geen beamer, smartboard, digiboard, wifi, tablet, flipping the classroom of wat dan ook voor nodig. Het is unplugged onderwijs. 


Lees verder >>

Column 90: 100 % DNA match Jacob van Maerlant

Door Willem Kuiper

Elke woensdagmiddag werken Hella Hendriks en ik een aantal uren aan het Repertorium van Eigennamen in Middelnederlandse Literaire Teksten (REMLT). Verspreid over de week editeer, lees, of excerpeer ik teksten die tot het corpus behoren of eraan kunnen bijdragen. Jan van Stijevoorts refreinenbundel uit 1524 bijvoorbeeld. In die refreinen lees je zinnen als: ik houd nog meer van jou dan A van B hield, of C van D, of E van F. A tot en met F zijn doorgaans literaire personages, en zo kun je je een betrouwbare indruk vormen van hoe er in het begin van de zestiende eeuw gedacht werd over antieke en middeleeuwse literaire helden. Refreinen vormen een heel rijke bron voor de receptie van literaire kennis.
Lees verder >>

Wie waren Tante Betje?

Door Marc van Oostendorp

 

Er is een ‘stijlfout’ die Tante Betje of de tantebetjeconstructie heet. Ik kan nooit onthouden wat die fout ook weer precies is. Dat komt natuurlijk doordat de naam niets te maken heeft met wat de fout feitelijk is. (Tante Betje zou een tante zijn geweest van de taalpurist Charivarius, en zij zou de desbetreffende fout vaak hebben gemaakt.)

Opzoeken is makkelijk: de Taaladviesdienst geeft een uitgebreide uitleg. (Het gaat over samengestelde zinnen waarin de subjectsinversie niet helemaal parallel loopt: we gaan nu naar huis en komen we op tijd weer aan). Maar die ‘officiële’ uitleg is misschien wel de minst interessante.

Lees verder >>

Beseffen en mijmeren

Aan het lijstje Nederlandse woorden dat lastig te vertalen is in andere talen – gezellig wordt meestal genoemd, mijn favoriet is uitwaaien – voegt de filosoof Cornelis Verhoeven (1928-2001) er één toe. In zijn boek Het besef. Woorden voor denken en zeggen  (Ambo/Baarn, 1991) merkt hij op dat de betekenis beseffen heel moeilijk precies in andere talen weer te geven is.

Wat betekent beseffen? Wat doet het precies anders zijn dan woorden als zich realiseren, zich bewust zijn, benul hebben enzovoort? Bij enkele tientallen woorden die gaan over denken en zeggen staat Verhoeven uitgebreid stil in Het besef. Dat gaat zo (over mijmeren):

Lees verder >>

Klankencyclopedie van het Nederlands (23): [j]

[j] De [j] wordt op vrijwel precies dezelfde manier uitgesproken als de [i]. Het voornaamste verschil is dat de [j] wat korter is.

De [j] onderhoudt dan ook een bijzondere relatie met die [i]. Wanneer er een klinker onmiddellijk na een [i] komt, voegt zich onwillekeurig een [j] in: piano wordt pi[j]ano (zie verder het lemma over de [i]). Soms wordt de i in dit soort gevallen zo snel uitgesproken dat hij tot een [j] wordt: pjano.

Lees verder >>

Sjiek plat

De afgelopen tijd heb ik meer in het Limburgs gecommuniceerd dan ik gewend ben. Ik ben al bijna dertig jaar een ‘Limburger om utens’ en daardoor spreek ik die streektaal vooral met – eveneens geëmigreerde – familieleden. Maar nu praatte ik opeens bijna twee uur met drie Venlonaren (hier een kwartier daarvan), en voerde met een van hen zelfs een korte mailcorrespondentie in het Limburgs. Er vielen mij drie dingen op.

Lees verder >>

Laatste gedicht (2)

Veertien dichtbundels, een VSB-prijs, de belangrijkste dichter van zijn generatie volgens Piet Gerbrandy – ik kom regelmatig neerlandici tegen die zelfs de naam van Nachoem Wijnberg niet kennen. Dat zijn geen luie neerlandici: geen uitgebluste leraren of in communicatie opgaande taalbeheersers. Het zijn mannen en vrouwen die toegewijd zijn aan hun beroep, de literaire ontwikkelingen volgen en soms erover lesgeven en erover schrijven. Maar ze weten vaak weinig van moderne poëzie. Of het ooit anders was, is de vraag, maar in een niet zo grijs verleden werd in ieder geval de schijn opgehouden. Boutens, Leopold, Kouwenaar, Faverey – vaak bleven ze eeuwig ongelezen, maar het waren personages in een krachtenveld. Wie een neerlandicus was, wist dat.  
Dertien bundels lang was de dichter Wijnberg nauwelijks benaderbaar. Lees verder >>

Echter

Mijn Utrechtse collega Jacomine Nortier wees onlangs op een taalverandering die ze opmerkte in de werkstukken van haar studenten. Die schrijven:

Echter heb ik dat nog niet gedaan.

Ik ben een oude man, want ik kan dat ook niet zeggen, geloof ik (voor de duidelijkheid: ik zou zeggen Echter, ik heb dat gedaan of beter nog ik heb dat echter nog niet gedaan).

Waar komt zo’n verandering vandaan?
Lees verder >>

Ponthus ende Sidonie : hoofdstuk 19

Een schoone ende amoruese historie van
Ponthus ende die schoone Sydonie,
welcke waren beyde van coninclijker afcoemsten: Ponthus des conincx Tybours sone, coninck van Galissien, ende Sidonie des conincx Huguets dochter, van Britanigen, seer ghenuechlijck om lesen, soo in amoreusheyt ende [in]  strijden, welcke veel wonderlijcke fortuynen van feyten van wapenen binnen sijnen leven ghehadt heeft ende namaels noch ghecroont wert coninck van Galissien ende van Britanigen.
Seer ghenuechlijck om lesen, soo in amoreusheyt ende [in] strijden,

welcke veel wonderlijcke fortuynen van feyten van wapenen binnen sijnen leven ghehadt heeft ende namaels noch ghecroont wert coninck van Galissien ende van Britanigen.

Geprint t’Antwerpen op die Lombaerdeveste,
tegenover Die gulden Hant,
by mi Niclaes vanden Wouwere.
Anno 1564.

Taaltrots

Waarom vinden wij Nederlanders het toch zo moeilijk om Nederlands te spreken met buitenlanders? Dat is nu een aspect van de Nederlandse cultuur dat ik niet begrijp, ook al maak ik er zelf deel van uit. Want ik heb het zelf ook: met een buitenlander praat ik stiekem vaak liever een andere taal. Alleen als die buitenlander echt héél goed Nederlands spreekt, en stug volhoudt, schakel ik om.

Mijn vrouw is Italiaans en klaagt er wel eens over. We wonen in Nederland en spreken thuis drie talen door elkaar, maar het Nederlands is daarbij minder prominent dan zij zou willen. Wanneer het heel ingewikkeld wordt – laten we zeggen als we onenigheid hebben over een ander vraagstuk dan of we vanavond fusilli eten of juist spaghetti – schakelen we meestal over naar het Engels. En dat schakelen doe ik.
Lees verder >>

Uitgeluld in onze kuttaal

Nederlands doceren in Jeruzalem, dat is ook niet makkelijk. Mieke Daniëls-Waterman schrijft erover in een stukje op de website van de Internationale Vereniging voor Neerlandistiek.

Wat is het probleem? Daniëls wordt af en toe ‘beschroomd’ van het taalgebruik van Nederlandse auteurs. Die gebruiken namelijk zinnen als “Pas toen de tong was uitgeluld en als een slap blaadje spinazie in zijn mond lag, sprak zijn zoon de eerste woorden.” Dat is natuurlijk ook een lelijke zin, maar het gaat Daniëls daarbij eigenlijk alleen maar om één woord: uitgeluld. Hoe moet ze dat uitleggen? “Een regelrechte vertaling geven of een omslachtige omschrijving en er een biologieles van maken?”

Ze drukt zich wat omzichtig uit, maar Daniëls lijkt te denken dat ze om uitgeluld uit te leggen, eerst moet uitleggen wat een lul is. Maar er is geen enkele reden om dat te doen.

Lees verder >>