Categorie: vakgeschiedenis

Onlinelezing over Matthias de Vries

Taal- en letterkundige Matthias de Vries overleed op 9 augustus 1892 en vier dagen later werd hij begraven op de begraafplaats Groenesteeg in Leiden. Om hem te herdenken heeft het Instituut voor de Nederlandse Taal 2020 uitgeroepen tot Matthias de Vriesjaar, en worden er vandaag, op 9 augustus, bloemen gelegd op het graf van De Vries. Daarnaast geeft voormalig INL-directeur Piet van Sterkenburg een bevlogen lezing over het werk en leven van de wetenschapper. De lezing is hier en via ivdnt.org/matthiasdevriesjaar te bekijken.

Was Balthazar Huydecoper een letterkundig initiator? Een promotie in 1962

Door Roland de Bonth

Het kopen van tweedehands en antiquarische boeken heeft me al verschillende malen bijzondere exemplaren opgeleverd. Een op 9 november 1991 door F. Springer (1932-2011) gesigneerd exemplaar van Bougainville (1990), contemporain commentaar in Weegh-schael, om in alle billickheydt recht te overvveghen de oratie van den […] heere Dvdley Carleton […] inde vergaderinghe der […] Staten Generael (1617) en een ingeplakt ex libris van de filosoof H.J. Pos (1898-1955) in Lambert ten Kates Aenleiding tot de kennisse van het verhevene deel der Nederduitsche sprake (1723).

Lees verder >>

Waar vind je nog frisisten?

door Goffe Jensma en Henk Wolf

Een ijzeren wet in universitair Nederland is dat de grote vissen de kleine eten. Om financieel het hoofd boven water te houden openen Colleges van Bestuur en Faculteitsbesturen aan hun geesteswetenschappelijke faculteiten steeds bredere opleidingen om daarmee steeds omvangrijkere groepen studenten te interesseren. Het visje Fries heeft in deze vijver in de afgelopen decennia een bewogen geschiedenis achter de rug. Hoe kon en kan het overleven?

Ooit kon je naar verluidt aan vijf van de zes klassieke universiteiten in Nederland Fries studeren en werd er schande van gesproken dat de Radboud-Universiteit in Nijmegen niet ook Fries aanbood. Die tijden zijn voorbij. De voorzieningen aan de Leidse en de Utrechtse universiteiten zijn volledig verdwenen, evenals ook de volledige opleiding aan de Vrije Universiteit in Amsterdam. De Universiteit van Amsterdam hief haar studierichting Friese taal- en letterkunde in 1999 op en ging verder als minor Fries.

De ontwikkeling in de frisistiek – de studie van de Friese taalkunde, letterkunde en geschiedenis – laat zo zien dat een bestaande, evenwichtig uitgebalanceerde wetenschappelijke infrastructuur in een paar decennia dreigt te worden opgeslokt. Onder dwang verdwijnt er echter niet alleen van alles, maar ontstaan ook nieuwe initiatieven en samenwerkingsverbanden. In dit stuk zetten wij op een rijtje wat er aan Friese opleidingen bestaat.

Lees verder >>

Reynaert door de ogen van een oorlogskind : Een portret van G.-H. Arendt

Door Jan de Putter

In 1965 verdedigde Arendt zijn Inaugural-Dissertation Die satirische Struktur des mittelniederländischen Tierepos Van den vos Reynaerde. De vragen die Arendt stelde waren geheel nieuw voor de Nederlandse reynaerdistiek en door zijn onderzoek verschoof de aandacht van de auteursvraag naar de boodschap van de tekst. Dat zijn grensverleggende dissertatie niet los gezien mag worden van de wonden die de oorlog had geslagen, is geheel onopgemerkt gebleven. Vanuit dit perspectief had hij de moed vragen te stellen aan een literaire tekst. Een portret van een man die als kind getekend werd door de oorlog en in de wetenschap een vluchtweg vond.

Foto bij artikel in NRC. Fotograaf onbekend, copyright niet vermeld. Heeft iemand het origineel?

Wat satire vermag, was een onderwerp dat in de jaren zestig hoog op de onderzoeksagenda van Duitse literatuuronderzoekers stond. Ook in Keulen, waar Arendt promoveerde, was het een thema. De belangstelling van literatuurhistorici voor het onderwerp kan niet losgezien worden van het recente verleden. Onder de nazi’s werd satire op de machthebbers niet geduld. Aan satire in de stijl van Karl Kraus had het ontbroken. Het werk en de redevoeringen van de rattenvanger Hitler waren echter op zich al zo belachelijk dat ze niet geschikt waren voor een parodie, zo vond Arendt (p. 52-53). The Great Dictator van Chaplin bewijst het ongelijk van Arendt, al parodieerde Chaplin niet de woorden maar alleen de vorm van Hitlers redevoeringen. Lees verder >>