Categorie: taalkunde

Het Nederlands is ook een beetje een gebarentaal

Door Henk Wolf

Het menselijke brein zit zo in elkaar dat het allerlei regelmatigheden ontdekt in de taal van anderen en die zo onthoudt dat ze ook weer gebruikt kunnen worden, grotendeels onbewust. Al in onze vroegste jeugd gaan de hersenen met dat project aan de slag. Dan verwerven kinderen hun moedertalen. Blijkbaar bestaat er een voorkeur voor om in die moedertalen klanken te gebruiken, want de meeste culturen gebruiken gesproken talen. Een wet van Meden en Perzen is dat niet, want in dovengemeenschappen ontstaan gebarentalen. Die zijn overigens voor horende mensen ook goed te leren en een horend kind kan ook prima met een gebarentaal én een gesproken taal als moedertalen opgroeien. Het brein is flexibel.

We vereenvoudigen de werkelijkheid eigenlijk een beetje als we zo’n strikt onderscheid maken tussen ‘gesproken talen’ en ‘gebarentalen’. Veel gebarentalen hebben naast zichtbare ook hoorbare elementen, de zogenaamde ‘gesproken componenten’.

En andersom? Zitten er in gesproken taal ook gebaren? Ja, tuurlijk communiceren we met gebaren, bijvoorbeeld tegen je voorhoofd tikken of in je handen klappen, maar die horen niet bij ons taalsysteem. Blijven er dan nog gebaren over die wel deel van het Nederlands of een andere gesproken taal vormen? Dat je taal kunt opschrijven en dan per definitie geen gebaren aan je lezer kunt laten zien, lijkt erop te wijzen dat gesproken taal gebarenloos en echt volledig op klank gebaseerd is. Maar dat is niet helemaal waar.

Lees verder >>

Hoe(zo) ben je zo dik? Miratieve modaliteit in het Nederlands en Fries

Door Henk Wolf

Het vraagwoord hoe komt in zowel het Nederlands als het Fries voor, maar er is een subtiel verschil, dat ik nog nooit beschreven heb gezien.

Eerst de overeenkomsten. In beide talen kom je zinnen tegen als de volgende:

  • Hoe ben je zo dik geworden?
  • Hoe bist sa grou wurden?

Daarin is hoe dubbelzinnig. Het kan vragen naar de oorzaak en is dan ongeveer synoniem aan waardoor. In dat geval is het antwoord op de vraag zoiets als ‘Ik heb te veel bier gedronken’. Hoe kan ook wat betekenen als ‘op welke manier’ en dan is het antwoord op de vraag iets in de trant van ‘Ik kreeg er elk jaar een kilootje bij’. In beide gevallen is hoe een bijwoord bij het hele gezegde ‘dik worden’.

Enigszins moeizaam is het als je hoe gebruikt voor het bevragen van alleen dik. Je vraagt dan:

  • Hoe ben je dik? <beetje raar>

Op zo’n vraag zou een antwoord kunnen komen als ‘Peervormig’, maar dat blijft een beetje raar.

Lees verder >>

Ken ik nog effe van uw tijd roven?

door Henk Wolf

Franstaligen zeggen niet ‘Mon père mange petits pois’, mar ‘Mon père mange des petits pois’, met des als een in Nederlandstalige oren volkomen overbodig extraatje. In het Nederlands hebben zelfstandige naamwoorden in het meervoud helemaal geen lidwoord of ander bepaalwoord nodig, maar in het Frans staat er dan altijd iets voor wat lijkt op een lidwoord en wat in andere contexten ‘van de’ of ‘van het’ zou betekenen. Dat extraatje wordt delend lidwoord genoemd. De betekenis ervan komt een beetje in de buurt van ‘enkele’ of ‘enige’ of ‘een zekere hoeveelheid’. Het komt trouwens niet alleen bij meervoudige zelfstandige naamwoorden voor, maar ook bij ontelbare zelfstandige naamwoorden (stofnamen), zoals in de l’eau en du fromage.

Het delend lidwoord

Rond die delende lidwoorden zijn allerlei theorieën gebouwd. Er zijn taalkundigen die aannemen dat ze in het Nederlands ook bestaan en zelfs verplicht zijn, maar dan in een onhoorbare vorm. En er is zelfs een wel hoorbare Nederlandse variant die je in wat uitgebreidere grammaticaboeken tegenkomt, namelijk van die. Hoe je die precies zou moeten benoemen, weet ik niet. Delend aanwijzend voornaamwoord ligt misschien wel voor de hand. Willy Vandeweghe kiest in zijn prachtige Grammatica van de Nederlandse zin voor het wat bredere begrip partitieve determinator (‘delend bepaalwoord’) en hij geeft als voorbeeldzinnen:

Lees verder >>

Waarom laat ons taalgevoel ons in de steek bij de voltooide tijd van ‘verblijven’?

Door Henk Wolf

Bij verreweg de meeste voltooide deelwoorden kiezen Nederlandstaligen feilloos uit een van de twee hulpwerkwoorden hebben en zijn. Ik denk niet dat iemand zegt dat ie ‘een boek is gelezen’ of dat ie ‘heeft gearriveerd’.

Er zijn wel wat werkwoorden die beide hulpwerkwoorden van de voltooide tijd toestaan, doorgaans met een verschil in focus of betekenis. Zo zeggen Nederlandstaligen doorgaans ‘ik heb door de stad gelopen’ als ze de vraag ‘Wat heb je gedaan?’ beantwoorden, terwijl ze ‘ik ben door de stad gelopen’ antwoorden op de vraag ‘Hoe ben je hiernaartoe gekomen’. In ‘Parijs is aan de Seine gelegen’ en ‘De handdoek heeft aan aan de Seine gelegen’ is de tijdelijkheid van het liggen vermoedelijke de factor die het hulpwerkwoord bepaalt – als is in de eerste zin nog een hulpwerkwoord is, tenminste.

Wat vrije variatie is er ook. In allerlei regio’s komt bij geweest bijvoorbeeld zowel hebben als zijn voor, zonder betekenisverschil. En vrij algemeen is de variatie in ‘het is me goed bevallen’ en ‘het heeft me goed bevallen’.

Lees verder >>

D’r zij licht

Door Henk Wolf

Er zijn veel Nederlandstaligen die het woordje dat we als er schrijven net zo uitspreken als het woordje d’r, dus met een [d] aan het begin, dan eventueel een sterk gereduceerde klinker (de sjwa) en daarna een [r]. Die begin-[d] is historisch, want in veel contexten is er ontstaan uit daar.

Ook de uitspraak waarbij er rijmt op ver (zonder [d], maar met een duidelijke klinker) komt voor. Ik let er weleens op en mijn heel voorzichtige indruk is dat het vooral jonge vrouwen zijn die die uitspraakvariant gebruiken.

Ongetwijfeld wisselen veel Nederlandstaligen tussen beide uitspraakvarianten, maar dat kan niet in alle contexten. Zo merk ik dat ik in ‘er komt een man bij de dokter’ alleen de d’r-uitspraak kan gebruiken, terwijl ik in ‘er was eens een meisje dat Roodkapje heette’ die d’r-uitspraak kan gebruiken, maar er ook op ver kan laten rijmen.

Lees verder >>

Pablo is enorm een god in het diepst van zijn gedachten

door Henk Wolf

Weet u wat hip is? Het schaalbaar maken van het Nederlands! Van alles wat geen gradaties kende, wordt langzaam op een schaal gezet. Zo schreef ik een poosje terug over woorden als meisjemeisje, die het woordje meisje schaalbaar maken: dankzij het woord meisjemeisje kan iemand meer of minder ‘meisje’ zijn.

Kortgeleden hoorde ik iemand over een nuffige kat zeggen:

  • Pablo is enorm een god in het diepst van zijn gedachten.

Dezelfde spreekster had ik al vaker betrapt op een ongewoon gebruik van enorm. Zo zei ze ook:

  • Ik ga enorm slapen.
  • Ik ben enorm naar de supermarkt geweest.
Lees verder >>

Is het Friese woord ‘gebeure’ een hollandisme?

Door Henk Wolf

Wie in een Nederlands-Fries woordenboek kijkt of een cursus Fries volgt, die leert dat het Nederlandse gebeuren in het Fries barre zou zijn. Wie dan echter luistert naar het gesproken Fries, ontdekt dat dat barre een zeldzaam woord is, vooral in gebruik bij mensen die een cursus Fries hebben gevolgd. Het woord dat in het gesproken Fries domineert, is gebeure. Leerboeken en ook het wetenschappelijke Woordenboek der Friese Taal wijzen dat af als ‘hollandisme’.

Maar is dat wel correct? Ik heb het eens opgezocht en gebeure komt rond 1500 al in het Fries voor, dan nog in de Oudfriese vorm gebeura. We zitten dan op het randje van de middeleeuwen. We hebben ongetwijfeld te maken met een leenwoord uit het Hollands, maar het is wel een stokoud leenwoord, geleend voordat er überhaupt sprake was van Nederlands als bovenregionale taal.

Lees verder >>

De checkout en het uitchecken

door Henk Wolf

Een poosje geleden zat ik in een hotel in Duitsland. Zoals alle hotels had ook dit hotel een tijdstip vastgesteld waarop de gasten op hun laatste dag aan hun verplichtingen moesten hebben voldaan (sleutel inleveren, afrekenen etcetera). Al die verplichtingen heetten volgens het informatieboekje de Checkout en het bijbehorende werkwoord was auschecken.

Dat lijkt in Duitse hotels een patroon te zijn: het zelfstandig naamwoord is ook weleens Auscheck, maar zeker zo vaak is het helemaal Engels, terwijl het werkwoord doorgaans verder wordt verduitst.

In Nederlandse hotels lijkt er wat meer variatie te zijn tussen checkout en uitcheck, maar het werkwoord is ook in het Nederlands naar mijn indruk veel vaker het deels vertaalde uitchecken dan outchecken.

Lees verder >>

Huulbessem

Door Henk Wolf

Streektaalbewegingen in Nederland doen op het moment hun best om het Nedersaksisch en het Limburgs een plekje in het onderwijs te geven. RTL Nieuws zond daar in februari een reportage over uit. Die begon ermee dat de ene duopresentator tegen de andere zei: “Jij als Groninger zou die streektaal goed moeten kennen” en haar vervolgens vroeg om een paar onhandig uitgesproken Nedersaksische woorden in het Nederlands te vertalen: hoes, huulbessem en slepkökken. Dat laatste is trouwens geen Gronings, maar Achterhoeks.

Stel je nou voor dat RTL een reportage uitzendt over de verengelsing van Nederlandse universiteiten. Stel dan dat een van de presentatoren in die uitzending een lijstje pakt met daarop de tekst:

Lees verder >>

Herhaalde oproep Nederlandse Taalkunde

Vorige maand nodigde de redactie van Nederlandse Taalkunde / Dutch Linguistics u uit om voor het geplande jubileumnummer in 2020 in een korte bijdrage te reageren op een eerdere publicatie in NTOm tegemoet te komen aan de wens van veel lezers heeft de redactie nu een document samengesteld met daarin de volledige inhoudsopgave van alle nummers die ooit verschenen zijn. Als u van plan bent om een bijdrage te leveren, mag u dat aan de redactiesecretaris melden (gert.desutter@ugent.be). We zien uw bijdrage graag tegemoet!

Academische jaarprijzen: Nederlandse taalkunde 2017 en 2018

Mededeling Maatschappij der Nederlandse Letterkunde

Jonge neerlandici doen spannend, actueel en wetenschappelijk hoogstaand onderzoek, en schrijven daarover in sterke scripties, artikelen en proefschriften. Omdat we in Nederland geen cultuur hebben waarin we veel prijzen of beurzen uitreiken, is de kwaliteit van hun werk helaas niet voor iedereen zichtbaar.

Om daar verandering in te brengen, en aankomende academici een goede kans te geven op de arbeidsmarkt en bij subsidieaanvragen, zijn de Academische jaarprijzen ingesteld: afwisselend voor taal- en voor letterkundig onderzoek. Deze prijzen worden jaarlijks uitgereikt voor de beste masterscriptie, het beste artikel en de beste dissertatie, in termen van veelbelovend vervolgonderzoek. Lees verder >>

Beroepsdeformatie voor taalkundigen

Door Marten van der Meulen

Ik ben taalwetenschapper. Dat is mijn beroep, en ik voer dat met veel plezier uit. Het heeft echter ook een keerzijde: ik kan mijn taalbewustzijn eigenlijk niet meer uitzetten. Het maakt niet uit wat ik lees, hoor, spreek of schrijf: ik let altijd op. Niet op alles tegelijk, maar wel altijd.

Nu is dat deels vooral best wel handig. Blogger zijnde wil ik een bepaalde frequentie halen wat betreft blogposts. Het helpt dan best wel om altijd aan te staan, want zo heb je altijd iets om over te schrijven. Dat werkt, en dat levert stukjes op over alles van stapelacroniemen tot neuken in het woordenboek.

Het is ook nogal irritant. Neem bijvoorbeeld zijnde in de vorige alinea. Ik had een student voor wie dit het irritantste taaladviesitem was. Eenmaal hierop gewezen let ik er nu altijd op. Volgens mij komt zijnde zoals ik het gebruikte nauwelijks meer voor. Als het knopje eenmaal om is kan het niet meer worden teruggezet. Lees verder >>

Knorrig omdat taalkunde belangrijk is

Door Marc van Oostendorp

Vooral in de Engelstalige wereld lijkt het in de mode: als vooraanstaand taalkundige een populair-wetenschappelijk boek schrijven over je vak. De traditie is natuurlijk al wat ouder: Steven Pinker transformeerde precies vijfentwintig jaar geleden van een psycholinguïstisch onderzoeker tot een publiek intellectueel met zijn boek The Language Instinct, maar als ik de tekenen des tijds goed lees, komt er nu een hele rij van dit soort boekjes aan.

Geoffrey Pullum is een van hen. Hij is een Brits-Amerikaanse taalkundige die niet alleen bekend werd door  heel origineel werk op het gebied van onder andere de grammatica van het Engels en de wiskundige eigenschappen van menselijke grammatica (hij heeft het Erdös-getal 3), maar ook als auteur van geestige columns over taal (onder andere verzameld in The Great Eskimo Hoas) en blogs op Language Log, terwijl hij voor hij taalkundige werd ook nog een aantal jaar (in de jaren zestig) een professioneel rockmusicus was.

Als iemand zo’n boek kan schrijven, is hij het. Lees verder >>

“als nominatief is ’t een leelyk woord“

door Jan Stroop

Bij ’t lezen in deel 10 van Multatuli, Volledige Werken

Over U

Als trouwe volger van de blogserie over Multatuli las ik ook deel 10, een spannend deel vanwege de opbloeiende relatie van Multatuli met Mimi. Maar toen ik stuitte op de zin “en U zal zien dat ik werken wil” (brief van 3 september 1859), begon ik wat nadrukkelijker op zijn taalgebruik te letten. Door dat ‘U zal’ herinnerde ik me namelijk dat Multatuli moeite had met de richting waarin ’t voornaamwoord voor de tweede persoon zich in zijn tijd ontwikkelde. In Idee 47 (1862) lucht ie er zijn hart over:

Lees verder >>

Zoeken in grote hoeveelheden geschreven en gesproken Nederlands met OpenSoNaR

Door Instituut voor de Nederlandse Taal

Dinsdag 9 april heeft het Instituut voor de Nederlandse Taal een nieuwe versie van de OpenSoNaR webapplicatie gelanceerd, waarmee je kunt zoeken in grote hoeveelheden geschreven en gesproken Nederlands. De applicatie geeft toegang tot data uit het SoNaR-corpus, een verzameling geschreven teksten van meer dan 500 miljoen woorden, en het Corpus Gesproken Nederlands (CGN), een verzameling van 900 uur Nederlandse spraak.

De nieuwe webapplicatie maakt het mogelijk om te zoeken in alle data van de twee verzamelingen (corpora). De grote hoeveelheden tekst zijn voorzien van extra taalkundige informatie zoals woordsoort en lemma, en bovendien zijn van het Corpus Gesproken Nederlands ook de geluidsfragmenten te beluisteren. In de applicatie kun je eenvoudig zoeken op een woord, of een complexere zoekactie doen door te selecteren op een specifieke annotatie of door reguliere expressies te gebruiken. Daarnaast is het mogelijk om de zoekresultaten op te slaan, de zoekgeschiedenis te raadplegen en frequentielijsten te bekijken.
Lees verder >>

Het meisjemeisje was thuisthuis

Door Henk Wolf

Afgelopen week was ik bij een lezing van Maximilian Frankowsky, die onderzoek doet naar woorden zoals meisjemeisje. Een meisjemeisje is een meisje, maar geen meisje dat in bomen klimt en met raceautootjes speelt. Ze speelt liever prinses en draagt graag jurkjes.

Ik ken woorden zoals meisjemeisje nog maar een paar jaar en ze bestaan ook nog niet zo lang. Wel zijn ze blijkbaar in vrij korte tijd in verschillende talen opgedoken, waaronder naast het Nederlands ook het Engels en het Duits. Ze worden gevormd door het proces van reduplicatie (‘verdubbeling’) en ze geven dat weer wat meestal het prototype van het verdubbelde woord wordt genoemd, het meest typische voorkomen ervan. Lees verder >>

‘Hoofdzaak’ als bijwoord

Door Henk Wolf

Vroeger hoorde ik in Friesland vaak het woord hoofdzaak gebruikt worden waar je ook ‘hoofdzakelijk’ of ‘in hoofdzaak’ kunt zeggen, als bijwoord dus. Dat gebeurde in elk geval in het Fries en ik vermoed ook in het Nederlands, maar helemaal zeker ben ik daar niet van. Nu lijkt dat gebruik grotendeels verdwenen.

Het gaat om het gebruik zoals in de volgende zinnen:

Se ferkeapje dêr hoofdsaak boeken. (Fries)
Ze verkopen daar hoofdzaak boeken. (Nederlands) Lees verder >>

Het 17e-eeuwse Nederlands van Rembrandt

Door Roland de Bonth i.s.m. Dirk Geirnaert

In 2019 is het precies 350 jaar geleden dat de nu wereldberoemde Rembrandt van Rijn (1606-1669) overleed. Ter gelegenheid van dit herdenkingsjaar lanceerde ING, als hoofdsponsor van het Rijksmuseum, op donderdag 28 februari 2019 de ‘Rembrandt Tutorials’: een reeks YouTube-schilderlessen waarin de grote meester zelf zijn leerlingen toespreekt. Aan de lancering ging een grondige voorbereiding vooraf, waarbij het Amsterdamse reclamebureau J. Walter Thompson een belangrijke rol speelde. Dit bureau ging daarbij niet over één nacht ijs:  het benaderde specialisten uit diverse disciplines om Rembrandts schildertechniek, zijn karakter, zijn taalgebruik en stem zo goed mogelijk te reconstrueren (zie hier). Lees verder >>

Maan(zaad)

Door Michiel de Vaan

maan zn. ‘papaver’, maanzaad zn. ‘papaverzaad’

In het Middelnederlands vinden we vooral samenstellingen van maan of meen met de woorden kop en knop (een verwijzing naar de grote zaadbollen van de papaver), later ook met zaad:  mecopin (West-Vlaanderen, 1226–1250), mecoppen (Hs. De Vreese), macopijn (1287), mancopyn (1351), mancnop (Holland, 1450–1470) ‘papaver’, macopijn saet (1287), macopisaet (ca. 1450) ‘papaverzaad’, maensaet ‘papaver’ (1477). De Mnl. vormen eindigend op –in of –ijn bevatten het materiaalsuffix Mnl. –ijn, Nnl. –en. Gezien het behoud van n in modern in maankop, is de eerste n van *mankopīn, *menkopīn waarschijnlijk tegenover de tweede n weggedissimileerd.

De Middelengelse vorm mecop ‘papaver’ heeft Caxton (in ‘Ryght good lernyng for to lerne shortly frenssh and englyssh’, 1483) waarschijnlijk aan het Vlaams ontleend. Nieuwnl. maenkop ‘papaver’, maensaed, maenkopsaed ‘papaverzaad’ (1599). In moderne dialecten: Westvlaams mèèkop, Zeeuws maenzaed, maonzaod; Gronings en Drents maankop, maankap, maanknop ‘klaproos’. Lees verder >>

Een zoektocht van ‘zo maar’ naar zingeving in taalvariatie

Door Lauren Fonteyn

Toen ik net aan mijn studies Nederlands en Engels begonnen was, besliste ik dat ik zo’n ‘kom-voor-de-literatuur-blijf-voor-de-taalkunde’ student was, omdat ik blijkbaar heel goed was in woorden en zinnen ontleden. Maar wat ik nog leuker vond dan de vorm van zinnen ontleden, en wat uiteindelijk ook de echte reden is dat ik ben blijven plakken in de taalkunde, is het ontdekken dat die vorm niet ‘zo maar’ zo is, het onderzoeken wat het precies betekent als we de ene vorm gebruiken en niet de andere, en ook, vragen waarom er zoveel verschillende vormen zijn om schijnbaar hetzelfde idee uit te drukken.

Het is dan ook met plezier dat ik af en toe stukken lees zoals dat van Marc van Oostendorp over West-Vlaamse zinnen zonder en met V2, waarin er ook over het waarom achter de vorm gesproken wordt. Zo schrijft hij: Lees verder >>

Ga lekker zitten

Peter Dekker & Laura van Eerten

“U hebt bezoek. Hoe nodigt u hem of haar uit om te gaan zitten? Kom binnen en … .” Dit was één van de vragen uit het onderzoek naar taalvariatie op ons crowdsourcingplatform Taalradar. Ga zitten was het meest gegeven antwoord. Maar uitsluitend deelnemers uit Vlaanderen gebruiken de vorm zet u, en alleen Nederlanders zeggen ga lekker zitten. Waar komt het woord lekker vandaan en hoe werd het door de tijd heen gebruikt?

Lees verder >>

De geit heeft last van z’n/d’r uier: horen dieren bij de mensen of bij de dingen?

Door Henk Wolf

Ik vermoed dat vrijwel alle Nederlandstaligen naar Mark Rutte verwijzen met de voornaamwoorden hij, ie, hem, ‘m, zijn, z’n. En ik vermoed ook dat zo goed als al die Nederlandstaligen naar Angela Merkel verwijzen met de voornaamwoorden zij, ze, haar, ‘r, haar, d’r.

Voor mannelijke referenten gebruiken we dus andere voornaamwoorden dan voor vrouwelijke. Dat is in elk geval waar bij mensen. Maar ik geloof niet dat er veel Nederlandstaligen zijn die dat onderscheid toepassen op planten: is een mannelijke wilg hij en een vrouwelijke wilg zij? Waarschijnlijk niet. Naar planten wordt in het zuiden van het taalgebied meestal verwezen met hun grammaticale (woord)geslacht en in het noorden met hij. Wat dat betreft worden planten net zo behandeld als dingen.

Bezieldheidsschaal

Maar dan de dieren. Dat is een groep die op de zogenaamde bezieldheidsschaal tussen de mensen en de planten in zit. Die bezieldheidsschaal is een indeling van alles om ons heen op basis van hoezeer het op mensen lijkt. Die mensen staan bovenaan, dan komen dieren die op mensen lijken, dan dieren die minder op mensen lijken, dan planten, dan dode dingen, dan abstracte woorden zoals duisternis. Dat is grofweg, trouwens. Je ziet die bezieldheidsschaal in veel talen terug. In het Nederlands ook. Wat voornaamwoorden betreft sluiten de dieren zich namelijk bij sommige sprekers aan bij de mensen en bij andere sprekers bij de planten en de dingen. Lees verder >>

Sik, soekie, noede: een gat in het Standaardnederlands

Door Henk Wolf

Van Schiermonnikoog tot Poperinge delen mensen een standaardtaal waarin ze vrijwel dezelfde woorden gebruiken, bijvoorbeeld: brood, straat, rotzak, mispunt, groen, wit, veertien, achtendertig, combineren en zwemmen. Wie op Schier is opgegroeid, kan door die gemeenschappelijke taal zonder veel moeite als journalist in Poperieng aan het werk en omgekeerd.

Die standaardtaal die mensen in Nederland en Vlaanderen (en uiteraard ook op de Antillen en in Suriname) zich naast of in plaats van de plaatselijke of regionale taal eigen maken, is het resultaat van een standaardiseringsproject dat in de zestiende eeuw begonnen is. Dat project is uiterst succesvol: hoewel we relatief veel aandacht geven aan het beetje variatie in die standaardtaal (de kwestie pinpas of bankkaart, bijvoorbeeld), is er in alle levensdomeinen toch vooral eenheid van taal. Lees verder >>

In dit ons land

Door Henk Wolf

Het Nederlands is ergens in de twintigste eeuw een grammaticale mogelijkheid kwijtgeraakt. Hieronder wordt die geïllustreerd:

“We hebben in dit ons Dichtwerkje, dat reedts voor die tyt afgedrukt was, met de Opdragt deszelfs, onder anderen, hartelyk gewenscht, dat …”
(Johannes van Boskoop, Het in Beginselen verhoogde Nederlandt, 1748)

“Hoe zalig is dit myn besluit!”
(lied ‘Het gelukkig buitenleven’, Betje Wolff en Aagje Deken, 1781)

“… de algemeene zaken in dit ons Vaderland voleindigen my geheel te verpletteren.”
(brief van Willem Bilderdijk, 1837)

“Gij gaaft aan deze uwe vinding den schilderachtigen naam van Onderaardschen Schietblaasbalg” (brief van Hildebrand, 1871)

“Een symbool van roomse aanspraak op de macht in dit ons Nederland …”
(Ch. J.G., archief Protestants Nederlands, 1955)

Opvallend is natuurlijk het gebruik van zowel een aanwijzend als een bezittelijk voornaamwoord bij hetzelfde zelfstandige naamwoord (‘dit ons’). Die woorden zijn allebei zogenaamde determineerders. Dat is een groep woorden zoals de, het, dit, deze, welke, alle, geen, zulke etcetera. Ze hebben als gemeenschappelijke eigenschap dat ze voor een zelfstandig naamwoord staan, en zelfs nog voor de bijvoeglijke naamwoorden die daarbij horen. En bij elk zelfstandig naamwoord kan tegenwoordig maar één determineerder staan: Lees verder >>