Categorie: taalkunde

Mijn vader en moeder

Door Marc van Oostendorp


Neem nu mijn broer en beste vriend. Je hebt dan niet twee personen in gedachte – mijn broer én mijn beste vriend –, maar één: mijn broer die tevens mijn beste vriend is. Die eerste interpretatie is zelfs heel onwaarschijnlijk; de zin in (1) lijkt mij in ieder geval niet zo goed, het moet echt die in (2) zijn, of anders die in (3):

  • Mijn broer en beste vriend komen naar het feest. [niet zo goed]
  • Mijn broer en beste vriend komt naar het feest. [goed]
  • Mijn broer en mijn beste vriend komen naar het feest. [goed]
Je moet mijn dus herhalen als het om twee verschillende personen gaat. Maar dat gaat niet altijd op. De volgende zin is dan weer wel best goed:
  • Mijn vader en moeder komen naar het feest. [goed]
  • Mijn broer en zus zijn er dan ook bij. [ook goed]
  • Mijn oom en tante kunnen er helaas niet bij zijn. [eveneens prima]

Beste team

Door Marc van Oostendorp


“Beste team”, stond er boven een e-mail en ineens besefte ik dat ík zo laf ben dat ik geneigd ben zulke constructies te vermijden. Ik zou er dan beste team-leden boven zetten of zelfs beste allemaal.


Dat beste team niet goed klinkt, komt deels doordat team een collectief beschrijft – beste groep klinkt ook een beetje raar. Aan de andere kant kunt je geloof ik best beste redactie of beste regering boven een brief schrijven. Ik heb geen idee hoe dat zit, en kan sowieso eigenlijk niets vinden over deze aanhefconstructie: waarom werkt het de ene keer beter dan de andere? De ANS en de Syntax of Dutch zwijgen.
Een andere factor is dat team onzijdig is – en dus in ieder geval in sommige gevallen geen uitgang kan hebben.
Lees verder >>

Het eten van veel taartjes

Wat we nog niet weten over het werkwoord (10)
Door Marc van Oostendorp

Zoals water kan overslaan in ijs, zo kan een werkwoord ineens overslaan in een zelfstandig naamwoord. Stel, je vindt het fijn om taartjes te eten. Dan kun je dat natuurlijk op verschillende manieren zeggen:

  1. Ik word gelukkig als we veel taartjes eten.
  2. Ik vind het fijn om veel taartjes te eten.
  3. Ik houd van veel taartjes eten.
  4. Veel taartjes eten is fijn.
  5. Het eten van veel taartjes is fijn.
Gaande van zin (1) naar zin (5) wordt eten steeds zelfstandignaamwoordachtiger. In zin (1) is het in alle opzichten een werkwoord: een persoonsvorm met een onderwerp (we) en een lijdend voorwerp (veel taartjes) en een uitgang die meeverandert met het onderwerp (als ik veel taartjes eet). In zin (2) is eten nog steeds duidelijk een werkwoord, al is het nu een onbepaalde wijs. Ook in (3) zullen veel mensen er nog wel een werkwoord in zien, al is het apart dat het gebruikt wordt na een voorzetsel, en al kan er inmiddels al geen onderwerp meer worden gebruikt – je kunt niet zeggen ik houd van wij veel taartjes eten.
Lees verder >>

Ertijdens

Door Marc van Oostendorp



Een tijdje geleden twitterde iemand een vraag die sindsdien in mijn hoofd is blijven zitten:

Ja, hoe zit dat? De literatuur heeft er niet veel over te zeggen. Ja, voorzetsels die een tijdsspanne or tijdstip uitdrukken kunnen volgens de Syntax of Dutch meestal niet op deze manier bevraagd worden: je kunt ook niet zeggen waargedurende of waarsinds, al hoe wel waarvoor en waarna niet heel vreemd zijn (‘waarvoor moest je ook weer bellen?’ ‘voor de vergadering’ – toch wel een beetje vreemd).

Eigenlijk zijn de voorzetsels die wel goed met waar gaan, bijna allemaal voorzetsels die een locatie in de ruimte aanduiden: op, onder en in zijn daar goede voorbeelden van. 
Lees verder >>

Zij laten hun vernuft bewonderen aan ons

Wat we nog niet weten over het werkwoord (8)
Door Marc van Oostendorp

Wat is het verschil tussen zingen, zien en lezen? Dat blijkt een van de vele dingen te zijn die we nog niet blijken te weten over het werkwoord wanneer we het onlangs verschenen deel Verbs and verb phrases van The syntax of Dutch lezen.

De auteurs van dit deel, Hans Broekhuis, Riet Vos en Norbert Corver, geven de volgende drie zinnen als voorbeeld:

  • Jan laat Marie een liedje zingen.
  • Jan laat Marie de brief zien.
  • Jan laat Marie de brief lezen.

Die zinnen lijken volkomen parallel. Maar wanneer we de bijzinnen in de lijdende vorm zetten gebeurt er iets wonderlijks:
Lees verder >>

Kilometers onder de grond hamelen

Wat we nog niet weten over het werkwoord (7)
Door Marc van Oostendorp
In het Nederlands zetten we vraagwoorden bij voorkeur aan het begin van de zin. In plaats van je eet wat? (met het lijdend voorwerp achteraan, waar het ook staat in je eet boterhammen), zeg je Wat eet je? Het onderwerp je verandert daar ook van plaats, maar dat laten we nu even buiten beschouwing.
Die vraagwoorden slepen soms wat woorden met zich mee naar voren: je zegt niet welke eet je boterhammen? met alleen het eigenlijke vraagwoord welke vooraan, maar welke boterhammen eet je? Zulk meeslepen heet in de Engelstalige literatuur to pied pipe, wat je het best kunt vertalen met hamelen: zoals de rattenvanger in het sprookje kinderen meelokt, zo hamelt het vraagwoord de andere woorden naar voren.

Lees verder >>

Naar het schijnt

Wat we nog niet weten over het werkwoord (6)

Door Marc van Oostendorp


Als twaalfjarige kwam ik als kind ooit verrukt terug van school. We hadden net de laatste les ontleden gehad. Ik zou, dacht ik, nu in staat moeten zijn om iedere willekeurige zin uit elkaar te trekken en weer op de juiste manier in elkaar te monteren. Ik nam een krant en begon bij het eerste artikel. Hoeveel zinnen ik precies op deze manier te lijf gegaan ben, weet ik niet meer.

Misschien is de eerste me nog toevallig gelukt, maar binnen enkele minuten lag de krant verfrommeld in de hoek. Een normale zin bleek, anders dan de geconstrueerde uit de schoolboeken, niet te ontleden.

Sindsdien ben ik al 35 jaar taalkunde aan het bestuderen, en daardoor wel wat verder gekomen. Maar nog steeds zijn er allerlei doodgewone zinnen die raadselachtig zijn; en niet alleen voor mij, maar ook voor de knapste taalkundige. Zo merken Hans Broekhuis en Norbert Corver in het binnenkort te verschijnen deel over werkwoorden van The Syntax of Dutch op dat er nauwelijks onderzoek is gedaan naar zinnen zoals de volgende:

Lees verder >>

Verschenen: Syntax of Dutch. Verbs and Verb Phrases, Volume 1 &2


In februari 2015 verschijnen twee nieuwe delen van Syntax of Dutch, het zevendelige naslagwerk dat zich richt op één enkel kernaspect van de Nederlandse grammatica: de syntaxis (de leer van de zinsbouw en woordgroepen).
Tot dusver verschenen vier delen. De eerste twee behandelen de zelfstandig naamwoorden en zelfstandignaamwoordgroepen, het derde deel behandelt de bijvoeglijk naamwoorden en bijvoeglijk naamwoordgroepen, en het vierde deel gaat over voorzetsels en voorzetselgroepen. Nu verschijnen de eerste delen twee delen over werkwoorden en werkwoordgroepen, geschreven door Hans Broekhuis, Norbert Corver en Riet Vos. In april 2016 volgt nog een derde deel over dit onderwerp.
Hieronder volgt de (Engelstalige) aankondiging:
Hans Broekhuis, Norbert Corver & Riet Vos. Syntax of Dutch. Verbs and Verb Phrases, Volume 1 & 2. Amsterdam University Press
The Syntax of Dutch presents a synthesis of the currently available syntactic knowledge of Dutch. It is primarily concerned with language description and not with linguistic theory, and provides support to all researchers interested in matters relating to the syntax of Dutch, including advanced students of language and linguistics.
So far four volumes have appeared On Nouns, adjectives and adposition. On February, 17, 2015, the series is supplemented by two volumes: a third volume will follow in April 2016, which will conclude the series (at least for the moment). The new volumes on verbs are organized in a similar way as the previously released volumes. Volume 1 opens with a general introduction to verbs, including a review of various verb classifications and discussions on inflection, tense, mood, modality and aspect. This is followed by a comprehensive discussion of complementation (argument structure and verb frame alternations). Volume 2 continues the discussion of complementation, but is more specifically focused on clausal complements: the reader will find detailed discussions of finite and infinitival argument clauses, complex verb constructions and verb clustering. Volume 3 concludes the discussion with a description of adverbial modification and the overall structure of clauses in relation to word order (e.g., verb placement, wh-movement. extraposition phenomena, scrambling, etc.).

Lees verder >>

Zo voorkwam ik alles te begrijpen

Wat we nog niet weten over het werkwoord (5)

Door Marc van Oostendorp


Als ik beweer dat ik morgen zal komen, beweer ik morgen te komen. Zoveel is zeker: het lijdend voorwerp van de ene zin (‘ik beweer’) kan zelf weer een zin zijn met een persoonsvorm (zal in ‘ik zal morgen komen’) of zonder (‘morgen te komen’). 
Het eigenaardige, zegt Hans Broekhuis in het 1200 pagina’s dikke deel Verbs and verb phrases van zijn Syntax of Dutch is dat het niet bij ieder werkwoord zo werkt. Neem het volgende paar:
  • Diederik ontdekte dat hij loog. [1]
  • Diederik ontdekte te liegen. [2, vreemd]
De tweede zin is een stuk vreemder en ongebruikelijker dan de eerste. Waarom? Het ligt niet alleen aan het werkwoord ontdekken, want soms gaat het juist wel heel goed:
Lees verder >>

Wat we nog niet weten over het werkwoord (4)

Door Marc van Oostendorp


Sommige werkwoorden zijn promiscu in hun onderwerpskeuze. Neem de volgende voorbeelden:

  • Ik rijd met mijn auto op de weg.
  • Deze auto rijdt snel / lekker.
  • Deze weg rijdt snel / lekker.

Het onderwerp van rijden kan degene zijn die rijdt (eerste zin), maar ook waarmee gereden wordt (tweede zin) en de plaats waarop gereden wordt (derde zin). Die laatste twee voorbeelden werken wel alleen goed als er nog een bepaling bijstaat zoals snel of lekker: ‘Deze auto rijdt’ en ‘Deze weg rijdt’ zijn zo, zonder meer, niet goed – een wonderlijk verschijnsel.

Je kunt de zinnen met de auto en de weg als onderwerp ook ombouwen: in plaats van ‘deze auto rijdt snel’ kun je ook zeggen ‘deze auto is lekker om mee te rijden’, bijvoorbeeld.

In het reusachtige, binnenkort te verschijnen deel over werkwoorden van hun Syntax of Dutch merken Hans Broekhuis en Norbert Corver op dat er wel nog onbegrepen verschillen zijn tussen (bijvoorbeeld) snel en lekker.
Lees verder >>

Het meisje kreeg de sleutels overhandigd

Wat we nog niet weten over het werkwoord (3)
Door Marc van Oostendorp


De lijdende vorm, wie is er niet groot mee geworden? Alleen ging het op school voor zover ik me herinner nooit over de krijgen-passief.

De gebruikelijkste lijdende vorm is die met worden: van Joost slaat Henkie maak je Henkie wordt door Joost geslagen. In het omvangrijke, binnenkort te verschijnen deel over het werkwoord van zijn Syntax of Dutch vestigt Hans Broekhuis de aandacht op een ander soort passief, dat met krijgen:

  • De makelaar overhandigde het meisje de sleutels.
  • De sleutels werden het meisje overhandigd door de makkelaar. [gewoon passief]
  • Het meisje kreeg de sleutels overhandigd door de makelaar. [krijgen-passief]

Lees verder >>

Wat we nog niet weten over het werkwoord (2)

Krijgen als lijdende vorm

Door Marc van Oostendorp

Het Nederlands is een van de best onderzochte talen ter wereld, en toch is er van alles en nog wat dat we niet begrijpen. Neem het werkwoord krijgen, bijvoorbeeld in de volgende zin:

– Marc krijgt een pdf’je (van Hans)[1]

Marc is in die zin het onderwerp, toch? Ja, volgens de schoolgrammatica wel. Maar volgens het binnenkort te verschijnen 1500 pagina’s deel Verbs and verb phrases van Hans Broekhuis’ Syntax of Dutch zijn er wat vreemde dingen mee aan de hand. (Ik ben een serietje aan het maken over enkele van de open plekken in onze kennis die Broekhuis aanwijst; welkom en goedemorgen.)

Zo kun je van onderwerpen vaak een zelfstandig naamwoord maken door er –er achter te plakken: Ilja schrijft, dus is hij een schrijver; Menno bakt, dus is hij een bakker. Beiden dragen baarden en zijn dus baarddragers. Maar door pdf’jes te krijgen ben ik nog geen krijger.

Lees verder >>

Wat we nog niet weten over het werkwoord (1)

Door Marc van Oostendorp



2015 wordt het jaar van het Nederlandse werkwoord. Ergens in de komende maanden verschijnt Hans Broekhuis’ indrukwekkende, vijftienhonderd pagina’s dikke Verbs and verb phrases, het nieuwe deel van zijn Syntax of Dutch.

Vijftienhonderd pagina’s over werkwoorden, waarschijnlijk de uitvoerigste beschrijving ooit gemaakt voor enige taal, en nog is lang niet alles uitgezocht. Hans heeft me zijn digitale drukproeven gegeven om mijn mateloze nieuwsgierigheid te dempen, en er voor Neder-L over te schrijven.

Hij gaf me ook een goede tip: zoek in de tekst op ‘future research’, dan vind je de onopgeloste puzzels. Inderdaad komt die zinsnede – meestal in een verband als ‘we will leave this to future research’ – 85 keer voor in Verbs and verb phrases. Daar ga ik de komende tijd een serietje over maken: enkele van de intrigerendste dingen die we ondanks al het onderzoek van zichzelf en anderen dat Broekhuis hier verslaag, nog steeds niet over het werkwoord weten.

Neem bijvoorbeeld te, zoals in ‘ik vind het lollig om te jodelen’. Wat is dat? De spelling schrijft voor om het woordje los van de werkwoord te schrijven, maar heeft de spelling daar gelijk in?
Lees verder >>

De kerstdag dat ik lekker ging indringers keuren

Door Marc van Oostendorp


Een bijzin is als een collegezaal en werkwoorden zijn als eerstejaarsstudenten: ze willen allemaal achterin zitten. Vandaar dat je zegt dat je Piet Josje de kinderen wel had willen helpen leren zwemmen: vijf werkwoorden op een kluitje.

 

In Nederland slaagt slechts een enkel woordje erin dat geklit van die werkwoorden te doorbreken; een voorzetsel bijvoorbeeld, dat dan als voorvoegsel gevoeld wordt. In plaats van ik denk dat ik dat wel over wil doen kun je ook zeggen ik denk dat wel wil overdoen. In Vlaanderen lukt het meer woorden: daar kun je ook zeggen dat je denkt dat je moet een schuur bouwen, waar de naamwoordgroep een schuur tussen moet en bouwen kan staan.

 

Toch is er geen enkele groep werkwoorden, ook niet in Vlaanderen, die zomaar iedere indringer in zijn midden toelaat. Er zijn zelfs voor de meest volhardende spreker van het Vlaams, heel duidelijke, en ook goed te begrijpen, beperkingen op welk woord er wel of niet tussen kan staan. Die beperkingen zijn bovendien geloof ik ook voor Nederlanders, in ieder geval voor mij, na te voelen: ik vind dat je moet groente kopen is misschien niet de allerbeste zin sinds de opening van de Max Havelaar, maar in ieder geval een stuk acceptabeler dan Ik vind dat je moet een groentepakket van tien euro kopen.

Lees verder >>

Jammer dat er niemand heeft gedraaid

Door Marc van Oostendorp


Je stoel draaien is belangrijk in het tv-programma The Voice of Holland. Als de kandidaten auditie doen voor deze zangwedstrijd, zitten de coaches met hun gezicht van ze af. Pas als een coach vindt dat iemand voldoende kwaliteit heeft, drukt hij op zijn knop en draait zijn stoel.

Wat heeft hij dan gedaan? Volgens veel internetgebruikers, heeft zo’n coach dan gedraaid:

– Haha, die zus had het niet eens door dat Roel had gedraaid!
– Wauw, wat een uithaal! Alle coaches hebben gedraaid.
– Jammer dat er niemand heeft gedraaid.

Volgens veel beschrijvingen van de grammatica van het Nederlands klopt dat niet.
Lees verder >>

Wetenschappelijke prijs KANTL 2015


Deadline nadert

In 2015 wordt de wetenschappelijke prijs van de KANTL uitgereikt voor een taalkundige studie met als thema “Semantisch-syntactische studie van voorzetsel- en achterzetselgroepen in de Nederlandse zin (historisch of synchronisch)”. De prijs bedraagt 1240 euro, deadline voor inzenden is 10 december 2014.
Meer informatie is te vinden op de KANTL-website:
http://www.kantl.be/index.php?pag=80voor de thema’s van de wetenschappelijke prijzen tot en met 2018
http://www.kantl.be/index.php?pag=139#hsVIIvoor het reglement.

Achtste dag van de Nederlandse zinsbouw: 28 november

De achtste dag van de Nederlandse zinsbouw (DNZ8) komt stilaan in zicht! Op vrijdag 28 november komen we samen in Utrecht om te discussiëren rond enkele interessante topics op het gebied van de Nederlandse syntaxis. Op het programma van dit jaar staan: ingebedde V1-bijzinnen, adverbiale bepalingen en lange-afstandsafhankelijkheden. Het gedetailleerde programma met abstracts en een wegbeschrijving zijn te vinden op de website van de DNZ, nl. http://www.meertens.knaw.nl/dagnederlandsezinsbouw. Van harte welkom!

De burgers dreigt een vreselijk lot

Door Marc van Oostendorp


Een nieuwe stap in de ontwikkeling van het werkwoord dreigen werd deze week mogelijk gemaakt door een koppenmaker van de Volkskrant: ‘Burgers Aleppo dreigt vreselijk lot‘ schreef deze boven een artikel over de situatie in Syrië.

Over het werkwoord dreigen hebben Nederlandse taalkundigen tamelijk veel geschreven (zie hier bijvoorbeeld wat bij elkaar gegoogelde bijdragen van Sjef Barbiersde elektronische ANSGertjan Postma en Arie Verhagen. De aandacht van die geleerden werd vooral getrokken door het feit dat het werkwoord twee verschillende betekenissen kan hebben in zinnen als de volgende:

  •  De chauffeur dreigde een andere route te kiezen.

Een vraag stellen we op welke manier precies?

Door Marc van Oostendorp


Een vraag stellen – hoe doe je dat? In het Nederlands zet je meestal het bevraagde zinsdeel vooraan, onmiddellijk voor het werkwoord. Dus de vraag die hoort bij “Petra haat pinda’s” is “wat haat Petra?”, de vraag die hoort bij “ik hou van jou” is “van wie hou je?” en de vraag die hoort bij “je doet dat zo” is “hoe doe je dat?”

Maar dat is niet de enige mogelijkheid. Soms kan je ook een vraag stellen terwijl je het vraagwoord als het ware op zijn plaats laat staan:

  • Petra haat wat?
  • Jij houdt van wie?
  • Je doet dat hoe?

Je maakt zo’n zin bijvoorbeeld wanneer je de ander niet goed hebt gehoord (‘Petra haat pinda’s’ – ‘Petra haat WAT?’) – dat noem je een echo. Zoals Jonathan Bobaljik en Susi Wurmbrand opmerken in een nieuw artikel, kan de vraagwoordgroep soms ook blijven staan als er helemaal geen sprake is van een echo.

  • – Ik ben vorige week naar Patmos gegaan. -Jij bent om welke reden naar Patmos gegaan?
  • – Dan vragen we dat aan hun partners -En deze partners bereiken wij op welke manier precies?
  • Ik had niet veel geld, dus heeft meneer Jansen me geholpen.- En deze hulp duurt nu al hoeveel jaar?

Lees verder >>

Hé! Nieuwe Nederlandse voegwoorden!

Door Marc van Oostendorp


“Waarom”, vroeg mijn vrouw onlangs aan mij, “gebruiken jullie cho als voegwoord?” Ja, daar stond ik wel even van te kijken. Cho?

Jullie moeten weten dat mijn vrouw uit een of ander land komt waar heel veel niet-moedertaalsprekers wonen, en dat ze altijd op zoek is naar bewijzen dat het met de Nederlandse taal niet helemaal snor zit. Maar zo zout had ik het toch nog niet gegeten. Cho?

Ze was naar een bijeenkomst geweest, waar een vrouw dat de hele tijd had gezegd, om bijzinnen in te leiden. “Ik zei toen tegen haar cho je hebt dat toch al wel gedaan? En zij antwoordde cho ik heb daar niet aan gedacht.”

“Oh”, zei ik: “goh!

“Maar dat is helemaal geen voegwoord, dat is iets anders!” Toen ik erover nadacht, wist ik toch ook niet zo goed wat er dan anders was. En de afgelopen weken begon me ineens ook op te vallen hoe vaak mensen dat goh gebruiken om een zin in te leiden, en dan vooral een bijzin.
Lees verder >>

Ik ben naar het museum en niet naar het raam.

Door Marc van Oostendorp

 

Waarom kun je wel zeggen ‘Ada is naar het museum’? en niet ‘Ada is naar het raam’? Het is een van de bij mijn weten nooit eerder gestelde vragen die wordt opgeworpen in het nieuwe nummer van het tijdschrift Nederlandse Taalkunde.

De Nederlandse syntactici doen de laatste jaren iets wat heel nuttig is en tegelijkertijd voor zover ik kan zien uniek op de wereld, in ieder geval voor syntactici: ze praten met elkaar. Een keer per jaar discussiëren deskundigen op dat, in het buitenland vaak door enorme wetenschappelijke twisten verscheurde gebied over de grenzen van de eigen theoretische aannames heen tijdens de Dag van de Nederlandse Zinsbouw (de volgende is op 28 november in Utrecht). Dat levert altijd wel een nieuw pikant feitje op – of op zijn minst een vraag.

Vorig jaar was het voorzetselvoorwerp een van de onderwerpen van gesprek, en nu publiceert Nederlandse Taalkunde onder andere de bijdrage van Joost Zwarts over voorzetselvoorwerpen die een richting uitdrukken, zoals ‘naar het museum’.

Lees verder >>

De theorie van het weglaten

Door Marc van Oostendorp


Veel vragen hoef je niet met een volledige zin te beantwoorden. Wanneer iemand je bijvoorbeeld vraagt: ‘Schijnt de zon?’ en het is midden in de nacht, dan hoef je niet te zeggen: ‘Nee, de maan schijnt’. Het werkwoord kun je weglaten: ‘Nee, de maan’ is een prima antwoord.

Maar nu komt het. Stel dat iemand de observatie doet ‘De maan schijnt’. Dan zou je ter verklaring kunnen antwoorden: ‘Allicht, de zon schijnt’. Maar dan kun je het werkwoord schijnt niet weglaten. ‘Allicht, de zon’ is een rare zin om te zeggen.

Waarom kan het in het ene geval wel en het andere niet? Onder andere daarover gaat het proefschrift waarop Enrico Boone over ongeveer een maand in Leiden hoopt te promoveren en dat sinds deze week online staat. Hij draagt daarin nog weer eens overvloedig bij aan de theorie over het weglaten van woorden – een verschijnsel dat mij blijft verbazen.

Zo vergelijkt Boone die onvolledige antwoorden met weggelaten werkwoorden in zinnen als de volgende:
Lees verder >>

Kijk hier de uitzending

Door Marc van Oostendorp


De webredactie van NRC Handelsblad is om. Lange tijd kondigde ze tv-fragmenten aan met de frase Kijk hier het interview van Sven Kockelman met Marianne Thieme. Maar sinds kort doen ze dat niet meer, en gebruiken ze een voorvoegsel: Bekijk hier…

Er zullen wel mensen hebben geklaagd, en ik moet toegeven dat ik zelf bij die andere formulering ergens een klein tikje voelde. Want kijken is natuurlijk meestal onovergankelijk en kan geen lijdend voorwerp hebben: Ik ga kijken! Kijk je even mee? Moet je hem zien kijken. Het voorvoegsel be- wordt wel meer gebruikt om een onovergankelijk werkwoord overgankelijk te maken: ik slaap, ik beslaap de vloer, ik wandel, ik bewandel de weg.

Alhoewel.
Lees verder >>

De directeur van het Rijks museum weet het beter

Door Marc van Oostendorp


Wim Pijbes van het Rijksmuseum – ja de man die beroemd werd doordat hij een halve spatie introduceerde in de naam van zijn instelling–  liet dit weekeinde met veel aplomb in Trouw weten dat hij zodra hij aantrad de tekstbordjes liet veranderen. Want wat er op die oude bordjes stond, dat was echt zó vreselijk ouderwets:

“Ik heb extra teksten gemaakt naast een aantal bestaande bordjes. Om te laten zien dat het anders moest. Korte teksten van maximaal zestig tot tachtig woorden, hooguit tien woorden per zin. Geen vakjargon. Meteen met de deur in huis vallen. To the point, op de kijker geschreven. Actief taalgebruik, dus niet: Rembrandt heeft dit geschilderd. Nee, Rembrandt schilderde dit.”

Actief taalgebruik? Zou Willem Pijbes echt denken dat heeft dit geschilderd een passieve vorm is? Wat is daar gebeurd in zijn hoofd? Of beter (meer to the point) geformuleerd: wat gebeurde daar in zijn hoofd?
Lees verder >>