Categorie: taalkunde

Hem smelt

Twee soorten onderwerpen van een zin

Door Marc van Oostendorp

Je kunt van alles zeggen. ‘De kok smelt de boter om de saus romiger te maken’, bijvoorbeeld. Of ‘De boter smelt’. Maar je kunt niet zeggen ‘De kok boter smelt om de saus romiger te maken’. Waarom niet?

Niet alle zinsonderwerpen zijn gelijk. Neem de volgende twee eenvoudige zinnen:

Karel sterft.
Mieke loopt.
Er is een verschil tussen wat er gebeurt met Karel en Mieke in deze zinnen. Dat komt doordat er een verschil is tussen stervenen lopen. Om te lopen moet je actief zijn: de beslissing nemen om je ene been voor het andere te zetten bijvoorbeeld. Sterven is anders: het overkomt je, of je wilt of niet. Je kunt niet eens beslissen om te sterven. Je kunt natuurlijk over het hekje van het balkon klimmen en van te voren hebben bedacht dat het gevolg daarvan zal zijn dat je komt te overlijden, maar het sterven zelf is onvermijdelijk als de omstandigheden er zijn: je kunt er nadat je over dat balkon geklommen bent ook niet meer mee ophouden.

Het zogenaamde ‘onderwerp’ van stervenligt qua betekenis dus dichter bij een lijdend voorwerp. 
Lees verder >>

Als De Schutter dat geweten had, of zou geweten hebben…

door Jan Stroop


Georges de Schutter betoogt in zijn artikel ‘De werkwoordelijke eindgroep en nog steeds geen einde?’ dat metrum en ritme belangrijke factoren zijn bij de keuze van de volgorde in de werkwoordsgroep. ’t Is een artikel dat zich niet leent voor lezing bij hoge temperaturen. Marc van Oostendorp geeft er in zijn blog de essentie van weer: we zeggen liever gelopen had dan had gelopen, omdat de eerste volgorde beter klinkt. Dat laatste vind ik ook, maar de vraag is of dat ‘klinken’ wel uit dit onderzoek geconcludeerd mag worden. De Schutter baseert zich namelijk op geschreven taal, een roman van Hella Haasse en teksten uit twee Vlaamse kranten (Knack en De Standaard) van journalisten die beide volgordes door elkaar gebruiken, de rode (had gelopen) en de groene (gelopen had) volgorde. Zo heten ze nu eenmaal, sinds ze met die kleuren door Anita Pauwels op haar dialectkaarten weergegeven werden.

Je tik ertegen en het zing

Rijmen zonder t

Door Marc van Oostendorp

De [t] is het wegwerpartikel onder de medeklinkers. Hij is zo goedkoop, zo makkelijk te maken, dat je hem als het nodig is, er makkelijk even tussen frommelt (gozert op een brommert), en zo weinig waard dat je hem makkelijk weglaat als hij niet nodig is (da is nie leuk). Voor andere medeklinkers geldt dat niet: niemand zegt gozerk, niemand laat de k aan het eind van leuk zomaar weg.

Ook de dichters voelen dat, bedacht ik gisteren. Er zijn dichters waarbij de woorden eigenlijk alleen rijmen als je de t’s niet meetelt. Gerrit Achterberg (1905-1962) was zo iemand:

Den Haag, stad, boordevol Bordewijk
en van Couperus overal een vleug
op Scheveningen aan, de villawijk
die kwijnt en zich Eline Vere heugt
Maar in de binnenstad staan ze te kijk,
deurwaardershuizen met de harde deugd
van Katadreuffe die zijn doel bereikt.
Ik drink twee werelden, in ene teug.

Vleug en teug rijmen op heugt en deugt, zoals kijk rijmt op bereikt en later in het gedicht zingt rijmt op fluistering, zoals in een ander beroemd gedicht lig rijmt op dicht. En terwijl je in het eerste geval nog zou kunnen denken dat er iets Haags klinkt in het weglaten van die t (Katadreuffe die zijn doel bereik), gaat dat voor het tweede niet op. Dat heeft niets met Den Haag te maken. 

En Achterberg was niet de enige of de eerste. Een bekend lied van E.J. Potgieter (1808-1875, dus honderd jaar ouder dan Achterberg) begint met de regels:

Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats,

Ook hier geldt weer: andere medeklinkers worden niet zo gemakkelijk weggelaten. Kijk rijmt niet op blij zoals het op bereikt rijmt.

Rijm lijkt een alledaags en simpel verschijnsel – iets wat Sinterklaas en de middenstand (een goede wenk, eet vis van Henk) zo uit hun mouw schudden. Maar het is in veel opzichten ook raadselachtig: hoezo moet alles vanaf de beklemtoonde klinker tot het eind van de regel hetzelfde zijn? En waarom mag de medeklinker die eraan voorafgaat dan juist weer niet hetzelfde zijn (waarom rijmt leiden niet op lijden?)

Juist de ‘slordige’ dichters zijn daarbij het interessantst. Alle dichters die nauwgezet de regels volgen lijken op elkaar, maar alle slordigheden roepen vragen op: waarom slordig op precies deze manier?

Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik ervan overtuig raak dat in dat rijm een heleboel gevoel voor taal verborgen zit. Zoals het gevoel dat die [t] er nauwelijks toe doet. dat het de wegwerpklank is van het Nederlans.

‘Ik had gekomen’

Door Marc van Oostendorp

Op tv was een vrouw van ergens in de zeventig te zien die haar dochter in de Auvergne bezocht. “Als ik had geweten dat ik met niemand kon praten,” zei ze, “had ik niet gekomen.” De ondertiteling voor doven en slechthorenden maakte daarvan: “…was ik niet gekomen.”

Wat was hier aan de hand? Waarom zei die vrouw dat? Waarom maakte de ondertiteling er wat anders van?

Lees verder >>

‘Gelopen heeft’ klinkt beter dan ‘heeft gelopen’

Door Marc van Oostendorp

Georges De Schutter is een van de veelzijdigste en interessantste taalkundigen in ons taalgebied. Hij is al een paar jaren met pensioen, maar nu weet hij ons weer te verbazen met een artikel over de rode en groene volgorde (op een website met misschien wel het mooiste adres ter wereld: www.verslagenenmededelingen.be).

Hoe zat het ook weer? In het Nederlands kun je de werkwoorden aan het eind van een bijzin vaak in twee volgordes zetten.

  • dat ze afgelopen jaar helaas gestorven is
  • dat ze afgelopen jaar helaas is gestorven
Die volgordes worden groen en rood genoemd, waardoor iedereen aan stoplichten denkt, terwijl ze alleen maar afkomstig zijn van dialectkaarten waar de twee gebieden zo werden gekleurd: in het rode gebied werd de ene volgorde gebruikt, in het groene de andere.
Het is echter te simpel om te zeggen dat het alleen een dialectverschil is. Veel sprekers van het Nederlands gebruiken allebei de volgordes. Wat bepaalt dat ze de ene of de andere kiezen?  Lees verder >>

De luis had iets luis

Door Marc van Oostendorp

Ik kreeg een interessante reactie van de bekende fonoloog Jaap Spa op het stukje in de Klankencyclopedie over de [ʌy] (ui):

Wat betreft de [ʌy], die ik liever noteer als [œч], wil ik opmerken dat in mijn eigen idiolect (maar wellicht geldt dat ook voor anderen) deze tweeklank wordt uitgesproken als [œj] vóór een klinker en aan het woordeinde: cf. l[œj]er, l[œj]aard, sl[œj]er, b[œj]en en b[œj], l[œj], r[œj]. Is dit een algemeen verspreid verschijnsel ?

Ik had nog nooit over dit verschil nagedacht, maar toen ik dat deed, kon ik zeker navoelen wat Spa hier beschrijft: in luik en sluip klinkt de ui eenklankiger, uniformer, gedrongener dan in lui of luier. In die laatste gevallen zit er meer een [j]-achtige klank in. Het effect is subtiel, maar wel meetbaar.

Lees verder >>

De school-Paardekooper

Door Hans Broekhuis
In zijn herdenkingstukje bij het overlijden van P.C. Paardekooper zegt Marc van Oostendorp het volgende:

Paardekooper heeft niet echt school gemaakt – daarvoor was hij misschien te veel een eenling. Wel heeft hij vele generaties van Nederlandse taalkundigen én taalliefhebbers geïnspireerd tot beter nadenken en beter kijken.

Nu weet ik niet wat het criterium voor “school maken” is, maar feit is dat Paardekoopers werk en vooral zijn Beknopte ABN-syntaksis een verregaande, maar vaak verborgen invloed heeft gehad op de beoefening van de taalwetenschap.
Het lijkt erop dat het Paardekoopers ambitie is geweest om niet minder dan een volledige beschrijving van het Nederlandse taalsysteem te bieden.
Lees verder >>

Overleden: P.C. (Piet) Paardekooper

door Marc van Oostendorp

De Nederlandse taalkundige P.C. Paardekooper (1920-2013) is deze week overleden.

Paardekooper was een van de productiefste, origineelste en veelzijdigste Nederlandse taalkundigen van de twintigste eeuw. Hij publiceerde onder meer over de Nederlandse zinsbouw, de standaarduitspraak, spelling en over de taalpolitiek in Nederland, Vlaanderen en Zuid-Afrika. Ook publiceerde hij schoolboeken en didactische werken. In de Digitale Bibliotheek voor de Nederlandse Letteren zijn sommige van zijn werken in gedigitaliseerde vorm te vinden.

Paardekoopers werk wordt gekarakteriseerd door een groot opmerkingsvermogen en een al even grote eigenzinnigheid.
Lees verder >>

Hoog boven de stoel

Over de ongelooflijke dikte van de Nederlandse grammatica

Door Marc van Oostendorp

Aan een van de grootste monumenten van de Nederlandse cultuur wordt momenteel in stilte gewerkt. Onlangs verscheen het derde deel van Hans Broekhuis’ gigantische Syntax of Dutch. 635 pagina’s telt alleen al dat derde deel, en het gaat alleen maar over bijvoeglijk naamwoorden en bijvoeglijknaamwoordgroepen. (Het is gratis te downloaden.)

Zoiets gaat kennelijk ongemerkt voorbij in de ‘gevestigde media’ – althans ik geloof niet dat Broekhuis ooit op de radio of de tv is geïnterviewd over dit gigantische werk, of dat er besprekingen zijn verschenen in de kranten. Terwijl het toch een opmerkelijk werk is: zoveel zo dikke delen (alles over het werkwoord moet nog komen, en wie weet hoeveel delen dat nog zijn). De zinsbouw van geen enkele taal is voor zover we weten in zoveel detail beschreven.

Hoe is het mogelijk dat er zoveel details te melden zijn? En dat iedere moedertaalspreker al die details van al die duizenden pagina’s op een bepaalde manier weet – Broekhuis beschrijft alleen het gangbare taalgebruik, niet een of andere norm?

Toen ik het er met Hans Broekhuis een keer over had, raadde hij me aan om eens in de pdf te zoeken op further research.
Lees verder >>

Als jij nou eens koffie zet!

De betekenis van halve zinnen

Door Marc van Oostendorp

Als Saskia Daalder nou nog niet blij is! Bij haar afscheid van de Vrije Universiteit kreeg ze door haar collega’s een mooie bundel met artikelen over taal en taalwetenschap aangeboden. En het eerste artikel is al prachtig! Ronny Boogaart en Kim Verheij behandelen er halve zinnen die als hele zinnen gebruikt worden, zoals:

Hans, of je even naar Edith wil bellen.
Dat je dat durft!
Dat ze maar een grote meid mag worden.
En óf ik dat weet!
Alsof ik daar tijd voor heb!
Als jij nou even koffie zet…
Voordat hij eens een keer klaar is!
Zoals zij kan schrijven!

Zulke halve zinnen zijn nooit zomaar halve zinnen, laten Boogaart en Verheij zien. Hun halfheid voegt wel degelijk iets aan de betekenis toe.
Lees verder >>

De grammaticale hype die ik niet verwachtte dat zou komen

Door Barend Beekhuizen 

Minstens even interessant als het koningslied zelf is de nasleep ervan. Ook, nee, zeker voor een taalkundige. In de dagen rond de rel kon je Facebook en Twitter niet openslaan zonder stukjes van de tekst in allerhande vertimmerde vormen aan te treffen. Soms met als voornaamste doel om met het liedje te spotten, soms omdat je er mooi mee kon laten zien dat je ook heus het nieuws wel volgde, terwijl het over iets heel anders ging. Wat vooral opviel was de hoeveelheid mutaties van de roemruchte versregel de dag die je wist dat zou komen is eindelijk hier, je weet wel, die zin die acht fouten zou bevatten.
Dit soort in het oog springende stukjes grammatica worden wel vaker opgepikt door de creatieve taalgebruiker. Dat moeten we niet willen met z’n allen is de laatste die ik me kan herinneren. Hij werd te pas en te onpas gebruikt, maar hij vertoonde lang niet zoveel variatie als dit epidemische stukje taal in een kleine week heeft laten zien.
Er zijn namelijk heel veel dingen die je wist dat zouden komen: wist je bijvoorbeeld dat je wist dat het shirt, de vertaling, rekening,hoes, wallpaper, dogmatiek, pizza, de economische groei en de kleine burgeroorlog om straatruimte zouden komen?

Lees verder >>

Nogmaals ‘doodziek’

Een vragenlijstje


Door Marc van Oostendorp  

Ruim een jaar geleden schreef ik al eens over ons onderzoekje naar de klemtoon in doodziek en zeeziek.  In het laatste bijvoeglijk naamwoord ligt de klemtoon onveranderlijk op het eerste lid (dat geef ik aan met onderstreping):

– Het kind is zeeziek.
– Het zeezieke kind ligt in bed.

Maar bij doodziek is dat anders. Daar ligt de klemtoon soms op het eerste lid en soms op het tweede:

– Het kind is doodziek.
– Het doodzieke kind ligt in bed.

Het werkt vooral wanneer het eerste lid het tweede versterkt: een doodziek kind is heel ziek. Sterker nog bij constructies met versterkers als heel en erg werkt het ook:
Lees verder >>

Verschenen: Syntax of Dutch. Adjectives and Adjective Phrases

Deafgelopen vijftigjaar zijner tallozewetenschappelijkeen vaakspecialistischewerken overgrammaticaverschenen. Indiezelfde periodeis echterniet alleende discussieover grammaticaveranderd, maarook depresentatie vanformelestructuren ende interpretatievan informatie.Gedegenantwoorden overde structuurvan eenbepaalde taalzijn daaromniet eenvoudigte vinden. SyntaxofDutch slaagthier echteruitstekend in.

‘Minder verbeteringen zorgt voor meer succes.’ Zorgen of zorgt?

Door Marc van Oostendorp

De afgelopen week was ik op reis, maar gelukkig zijn er altijd collega’s die me op de hoogte houden van wat er ondertussen allemaal thuis gebeurt. Zo werd ik vorige week vrijdag tijdens mijn mijmeringen aan de Zweedse kust ineens iogeschrikt dit bericht:

Heet van de naald: vanmiddag verscheen in de Volkskrant dit artikel onder wisselende koppen. Inhoudelijk is het artikel natuurlijk sowieso interessant voor ons allen. Maar ook taalkundig: toen ik het stuk voor het eerst las, luidde de kop “Beste Michiel, minder herkansingen zorgT voor meer discipline”. Toevallig had ik deze constructie, met enkelvoudige persoonsvorm, net onder de aandacht van mijn studenten gebracht (vb. hier). Ik wilde het artikel daarom documenteren voor op college, maar toen bleek de kop plotseling te zijn veranderd in “…minder herkansingen zorgEN voor meer discipline”. Vermoedelijk het werk van een overijverige redacteur; het enkelvoud was m.i. veel eenduidiger. En het aardige is dat je de oorspronkelijke titel nog steeds kunt teruglezen in de URL, die (tot nu toe) onveranderd is gebleven: < ...minder-herkansingen-zorgt-voor...>


Lees verder >>

Iets specifieks menselijks. Specifieks?

Door Marc van Oostendorp

Wij hebben het geluk te leven in de tijd dat de omvangrijkste grammatica van enige taal aller tijden wordt uitgegeven. En dat die taal de onze is. Nog maar een paar maanden geleden puliceerde Hans Broekhuis met coauteurs twee imposante dikke delen over het zelfstandig naamwoord en de zelfstandig naamwoordgroep ; nu heeft hij een voorbeeldhoofdstuk online gezet over bijvoeglijk naamwoorden. Dat hoofdstuk gaat in het bijzonder over de constructie iets moois.

Broekhuis citeert werk van Ellen-Petra Kester, die er onder andere op wijst dat bijwoorden soms ook een –s krijgen (voorbeeld (13b’) in Syntax of Dutch):
Lees verder >>

Nul bananen of nul banaan

Door Marc van Oostendorp

“We hebben hier een taalprobleem,” schrijft een lezer. “Volgens de volgende stelling is nul (0) namelijk meer dan één (1). Je zegt namelijk nul bananen en één banaan.”

Het blijkt een van de vele onopgeloste kwesties in de Nederlandse taal. De Taaladviesdienst van Onze Taal weet bijvoorbeeld niet veel meer doen dan de handdoek in de ring gooien: “Taal en logica hebben soms weinig met elkaar te maken.” En in het grote recente naslagwerk van Hans Broekhuis wordt de kwestie niet eens genoemd.

Je zou in eerste instantie kunnen denken: het is een bewijs dat kennelijk alleen één met enkelvoud samengaat. Maar zoals Onze Taal zegt, dat klopt ook niet. Je zegt namelijk wel zeveneneenhalve banaan en niet zeveneneenhalve bananen.

Lees verder >>

Hoeveel druppels mogen er vallen voor het niet meer gaat regenen?

Door Marc van Oostendorp

Gisteren kwamen we op het Meertens Instituut ineens te spreken over het hulpwerkwoord gaan. We gebruiken dat natuurlijk om de toekomende tijd aan te duiden (‘ik ga dit boek lezen’), maar mijn collega Leonie wees erop dat vooral kinderen gaan ook wel gebruiken in de tegenwoordige tijd.
Hier is een kind dat verontwaardigd reageert als een vriendje een mop begint te vertellen:
Lees verder >>

Waar kwam het Proto-Indo-Europees vandaan?

door Viorica Van der Roest

Onderzoekers van het Massachucetts Institute of Technology hebben deze week in het blad Frontiers in Psychology geopperd dat de mens 50.000 tot 80.000 jaar geleden eerder leerde zingen dan praten. Toen het Proto-Indo-Europees (PIE) ontstond, was de mens dat stadium van zingen natuurlijk al lang voorbij. Lange tijd was de consensus, op basis van onderzoek uit de historische taalwetenschap, dat het PIE zo’n 5000 jaar geleden gesproken werd op de steppen in het huidige Oekraïne, boven de Zwarte Zee. Van daaruit verspreidde de taalfamilie zich vervolgens over Europa en Azië.

Sinds de publicatie in Science van een recent onderzoek van een groep onderzoekers van o.a. het Max Planck-Instituut en de Auckland University is daar discussie over. Deze groep onderzoekers gebruikte een omstreden methode, om vervolgens te concluderen dat het PIE 9500 tot 8000 jaar geleden aan zijn opmars begon, en niet vanuit Oekraïne, maar vanuit Anatolië (in het huidige Turkije). Lees verder >>

Dat jij mij best mag haten

De magistrale zinsbouw van Maarten van Roozendaal


Door Marc van Oostendorp

Van alle zangers die nu in het Nederlands zingen, is Maarten van Roozendaal zonder twijfel de meester van de zinsbouw. In bijna al zijn liedjes gebeurt er iets bijzonders: zinnen strekken zich bijvoorbeeld over heel veel regels uit (Zwerver) of een tekst bestaat alleen uit imperatieven (Red mij niet). Maar het mooist vind ik Alsof, in de clip hierboven. (De tekst staat hier.)

In deze liedtekst past Van Roozendaal een simpele, maar heel effectieve truc toe. Hij laat iemand aan het woord die alleen bijzinnen zegt en geen enkele hoofdzin:

Lees verder >>

Noam Chomsky vindt wat ik doe onzin

Het fonologie-congres in Istanboel waar ik de afgelopen dagen was, had zaterdag een mystery guest: de beroemdste taalwetenschapper aller tijden, Noam Chomsky. De dag ervoor had hij een lezing gegeven ter nagedachtenis van de Armeense journalist Hrant Dink, maar de organisatoren hadden hem ervan overtuigd om ook bij ons een uur te komen praten.

Dat was een bijzondere gebeurtenis. Chomsky publiceerde samen met zijn vriend Morris Halle in 1968 het boek The Sound Pattern of English, dat allerwegen wordt beschouwd als een van de belangrijkste boeken in het vakgebied, al is het natuurlijk inmiddels in veel opzichten achterhaald. Sindsdien heeft hij zich nooit meer met het vak bemoeid.

Hij beweerde in interviews altijd dat dit was omdat hij het inmiddels te druk had met zijn werk aan syntaxis en politiek, maar zaterdag bleek dat er iets achter zit. Hij vindt fonologie niet de moeite waard!
Lees verder >>

Gezocht: intuinzinnen

Intuinzinnen worden ze wel genoemd: zinnen waarbij er op een bepaald moment even iets knarst in je hoofd omdat je erachter komt dat je hem verkeerd aan het ontleden was. Hier zijn er een paar die ik her en der van het internet geplukt heb:

  • De raad geeft een opsomming van leerstoelen Nederlands en Neerlandistiek is hierbij niet als afzonderlijke studie geteld.
  • Experimenten met regen maken lijken succesvol.
  • Jan legt het snoep op tafel in de kast.
  • Jan vertelde het meisje dat de hond beet dat de man was weggegaan.
  • Schepen vergaan in een storm zijn zelden verzekerd. Lees verder >>

Promotie Eefje Boef: structuur van betrekkelijke bijzinnen in Nederlandse dialecten


Op 13 januari 2013 promoveert taalwetenschapper Eefje Boef aan de Universteit Utrecht op haar onderzoek naar morfosyntactische microvariatie (verschillen in zinsstructuur tussen verschillende dialecten) in het Nederlands.
Voor haar proefschrift deed Boef onderzoek naar betrekkelijke bijzinnen en gerelateerde constructies, zoals vraagwoordvragen. In het bijzonder staat het aspect van verdubbeling centraal: het verschijnsel waarbij bijvoorbeeld een voornaamwoord wordt verdubbeld in lange betrekkelijke bijzinnen (bijvoorbeeld: Dat is de man dieik denk die het gedaan heeft) en in lange vraagwoordvragen (bijvoorbeeld: Wiedenk je wie het gedaan heeft?). Boef presenteert in haar proefschrift nieuwe empirische data over de manier waarop betrekkelijke bijzinnen zijn opgebouwd.
Dissertatie Eefje Boef: Doubling in relative clauses. Aspects of morphosyntactic microvariation in Dutch.
Promotoren: prof. dr. Sjef Barbiers, prof. dr. Norbert Corver
Datum: vrijdag 18 januari 2013
Tijd: 16.15-17.30
Locatie: Universiteit Utrecht, Academiegebouw, Domplein 29, Utrecht

Zie: http://nieuws.hum.uu.nl/events/promotie-eefje-boef-over-structuur-van-betrekkelijke-bijzinnen-in-verschillende-dialecten/

Echter

Mijn Utrechtse collega Jacomine Nortier wees onlangs op een taalverandering die ze opmerkte in de werkstukken van haar studenten. Die schrijven:

Echter heb ik dat nog niet gedaan.

Ik ben een oude man, want ik kan dat ook niet zeggen, geloof ik (voor de duidelijkheid: ik zou zeggen Echter, ik heb dat gedaan of beter nog ik heb dat echter nog niet gedaan).

Waar komt zo’n verandering vandaan?
Lees verder >>

Waarom vinden autisten vragen makkelijker dan beloften?

Door Marc van Oostendorp

Ik was de afgelopen dagen in Parijs, waar ik een congres heb bijgewoond over taal in het brein. Zo was er een fascinerende lezing over taalproblemen van autisten. Een van die problemen heeft te maken met zinnen zoals de volgende:

1.- Rob vroeg Roos dat boek te lezen.

2.- Rob beloofde Roos dat boek te lezen.

Voor niet-autistische lezers is een verschil tussen deze twee zinnen onmiddellijk duidelijk: in zin 1 is Roos de beoogde lezer, maar in zin 2 is dat Rob. Met de eerste zin hebben autisten geen probleem, maar met de tweede soms wel. Hoe komt dat?

Lees verder >>

Hem zien, Miekes vriendje

Hoera, vandaag gaan we ontleden! In de nieuwe LIN-bundel staat een artikel van de Groningse taalkundigen Dennis Ott en Mark de Vries (het artikel staat ook op hun eigen website) over een aardig probleem: hoe ontleed je zinnen als de volgende.

1. – Joop heeft ze al gezien, die nieuwe tablet-pc’s.
2. – Joop heeft iets moois gezien: een tablet-pc van 10,1 inch.

Het probleem is natuurlijk dat in die zinnen het lijdend voorwerp twee keer wordt uitgedrukt. De eerste keer meestal met een algemenere beschrijving, en de tweede keer – aan het eind van de zin iets preciezer. Dat kan verder niet zo makkelijk, een lijdend voorwerp (of enig ander zinsdeel) twee keer uitdrukken. Waarom nu wel?
Lees verder >>