Categorie: taalkunde

Waar bevindt zich precies ‘de grot tegenover de kerk’?

Door Marc van Oostendorp

Toen ik maandag terugkwam op mijn werkkamer, lag de nieuwe  er al! We zijn inmiddels beland bij deel IV van zijn monumentale Syntax of Dutch: 375 pagina’s over voor- en achterzetsels in het Nederlands. (U kunt het hier gratis downloaden; maar als ware liefhebber koopt u die delen natuurlijk en zet ze te pronken in uw kast.)

De wonderlijkste verschijnselen komen aan de orde: dat je wel kunt zeggen De taalprof ging de hoek om, maar niet De taalprof liep de tafel om. Dat je kantoor in De taalprof werkt momenteel op het kantoor wél van de bepaling nieuwe kunt voorzien, maar niet in De taalprof werkt momenteel op kantoor. Dat De taalprof liep drie kilometer het kanaal langs gek klinkt, terwijl die zin volkomen begrijpelijk is, en bovendien parallel aan De taalprof liep drie kilometer het bos in. 
Hoewel het boek natuurlijk gaat over de syntaxis van die voorzetsels, is er veel ruimte voor de betekenis van voorzetsels.
Lees verder >>

Verschenen: Syntax of Dutch. Adpositions and Adpositional Phrases

De afgelopen vijftig jaar zijn er talloze wetenschappelijke en vaak specialistische werken over grammatica verschenen. In diezelfde periode is echter niet alleen de discussie over grammatica veranderd, maar ook de presentatie van formele structuren en de interpretatie van informatie. Gedegen antwoorden over de structuur van een bepaalde taal zijn daarom niet eenvoudig te vinden. Syntax of Dutch slaagt hier echter uitstekend in.

Het werk richt zich op één enkel kernaspect van de Nederlandse grammatica: de syntaxis (de leer van de zinsbouw en woordgroepen). Ondanks het specialistische onderwerp bestaat het uit maar liefst zeven delen, waaraan in totaal meer dan vijftien jaar is gewerkt. Het resultaat is een uniek naslagwerk voor taalkundigen én geïnteresseerde leken met enige taalkundige achtergrond die meer willen weten over de syntactische eigenschappen van de Nederlandse taal.
Lees verder >>

Want boos/verdrietig/bekaf

Door Marc van Oostendorp

De American Dialect Society was bij mijn weten een van de eersten ter wereld die een ‘woord van het jaar’ aanwees. Ze doet dat nog altijd op een bijzonder serieuze manier, zoals alleen al blijkt uit het feit dat ze dat woord altijd aanwijst als het jaar is afgelopen, en niet al in november of zo, wanneer de media er weliswaar op zitten te wachten, maar het jaar toch heus nog niet voorbij is.

Ook dit jaar loopt de society weer voorop door het woord because aan te wijzen. Pardon? Ja, het woord because, dat namelijk tegenwoordig in hip Amerikaans gebruikt kan worden als voorzetsel en dingen zeggen en twitteren als:

Het interessante is: dat kunnen wij ook! Kijk maar:
Lees verder >>

Pas verschenen: Nederlandse Taalkunde (Jrg. 18 – Nr. 3)


Onlangs verschenen: Nederlandse Taalkunde 18 (2013), nr. 3. In dit nummer onder meer twee Dag van de Nederlandse Zinsbouw-discussies.
Inhoudsopgave
Discussie Imperatieven
Daniël van Olmen
            De imperatief in de verleden tijd
Gertjan Postma
            Forumlezingen in imperatieven: lexicale constructies of productieve syntaxis?
Gertjan Postma, Daniël van Olmen & Evie Coussé
Discussie
Discussie Temporaliteit en Modaliteit

Lees verder >>

De mooiste, langste, diepste en laatste zinnen

 (voorpublicatie!)

Door Marc van Oostendorp

Het onderstaande is het begin van mijn boek Heb je nou je zin! Een zoektocht naar de mooiste, langste, diepste en laatste zinnen. De uitgever (Prometheus) meldde gisteren dat het van de drukker terug is, maar ik heb het nog niet gezien. Het ligt waarschijnlijk volgende week in de winkel. Lezer van dit blog! U die hier dag in dag uit uw gratis stukjes komt halen! Doe uzelf nu eens een plezier en bestel dit boek! En bestel er, omdat het bijna december is, meteen een voor de vader van uw kinderen, die collega die zo van taal houdt, uw nichtje voor wie u nooit een cadeautje kunt verzinnen én voor uw levenspartner die u nu weleens wil uitleggen hoe interessant de taalwetenschap is. Bestellen kan bijvoorbeeld bij Athenaeum.

Ieder mens spreekt elke dag honderden zinnen uit. Er is nooit geteld hoeveel precies, maar volgens sommige schattingen zegt een mens op een dag ongeveer 20.000 woorden; dat zijn minstens 1500 zinnen. We horen nog eens een veel‐ voud daarvan en hoeveel we er alleen maar denken, is al helemaal nooit onderzocht. Zinnen zijn overal om ons heen én overal in ons.
We krijgen natuurlijk allerlei informatie over de wereld binnen via onze zintuigen, maar ergens in onze geest moe‐ ten we die informatie ordenen en samenbrengen. Ook dat doen we vaak in zinnen, of in ieder geval in geordende gedachten die veel op zinnen lijken. De mens is een dier dat zinnen maakt.

Lees verder >>

Een hardnekkige taalfout die nooit de norm zal worden

(Ik meen het.)

Door Marc van Oostendorp


Sommige taalfouten blijven altijd bestaan. Ze zullen ook nooit goed gerekend worden, zelfs niet door de zachtmoedigste taalkundige; al is het maar omdat ze altijd randverschijnselen zullen blijven tot het einde der taal, dingen die alleen maar incidenteel en per ongeluk gezegd worden en nooit door grote massa’s worden overgenomen.

Een voorbeeld daarvan kwam dit weekeinde voorbij op het Meldpunt Taal:

De laatste tijd lees ik regelmatig zinnen waarin de persoonsvorm in enkelvoud staat in plaats van in meervoud, of omgekeerd. Twee recente voorbeelden: 1. “Medewerkers van een Brits beveiligingsbedrijf mishandelt gedetineerden in Zuid-Afrika.” 2. “Hij meent dat beloningen verdere vergroting aanmoedigt.” Het lijkt erop dat de persoonsvorm zich aanpast aan hetgeen er het dichtstbij staat in de zin, in plaats van aan het onderwerp van de zin.

De genoemde voorbeelden komen uit NRC Handelsblad, en hoewel ik betwijfel dat dit iets is van ‘de laatste tijd’, heeft die anonieme melder het goed gezien.
Lees verder >>

Je en jij

Door Marc van Oostendorp

Waarom betekent je soms wat anders dan jij? Dat is een van de intrigerende vragen die Bettina Gruber probeert te beantwoorden in het proefschrift waarop ze volgende week hoopt te promoveren (hier).


Dat de twee woorden inderdaad soms verschillende betekenissen hebben, was al langer bekend. Gruber geeft er een aantal mooie voorbeelden van:

– Als je/jij allergisch bent voor honden, ben je/jij niet ook automatisch allergisch voor katten.

De zin met je gaat niet per se over de aangesproken persoon. Hij kan een algemene betekenis hebben (wie allergisch is voor honden is niet ook automatisch ook allergisch voor katten), die de zin met jij niet kan hebben. Die laatste zin gaat echt alleen maar over jou (ja, jij daar).

Er zijn wel een paar probleemgevallen, zoals:

– Als jij een vrouw bent, moet je harder werken.

Die zin drukt een algemene waarheid uit, en bevat toch het woordje jij.
Lees verder >>

Vizier neergeslagen

Door Marc van Oostendorp

Hoera! Nederlandse Taalkunde is weer binnen! In het nieuwe nummer vestigt Joost Zwarts de aandacht op de volgende zin van Tonke Dragt:
(Tiuri bleef staan en keek naar de vier ridders.) Zij waren in volle wapenrusting, vizier neergeslagen, schild aan de arm, hand op het gevest van het zwaard.
Het gaat om de drie zinsstukken na de komma: vizier neergeslagen, en zo verder. De vraag die Zwarts terecht stelt: hoezo kan hier het lidwoord worden weggelaten? Je kunt toch ook niet zeggen De vier ridders sloegen vizier neer? Of Zij hadden schild aan de arm?

Lees verder >>

De nieuwe taalregel van 2013

Juryrapport


Door Marc van Oostendorp


Soms vragen wij op de redactie van Neder-L ons weleens af waar het allemaal naartoe moet. De Nederlandse taal wordt steeds vaker gebruikt door onbevoegden. De diagnose daarvoor is eenvoudig: er zijn veel te weinig taalregels. Je zou eigenlijk willen dat een ieder die onze taal wil schrijven of spreken, allereerst een dik boek van achthonderd bladzijden vol spijkerharde regels uit zijn hoofd zou moeten leren. Maar zo’n boek bestaat niet eens; sterker nog, je zou zo’n boek tot nu toe niet gevuld krijgen.
Gelukkig zijn dit jaar er weer talloze nieuwe strenge regels binnengekomen, die onze taal ieder voor zich zullen verrijken. U vindt deze allemaal bij mekaar op deze pagina.

Het was voor de jury niet gemakkelijk om een keuze te maken. Er zaten enkele zeer bruikbare regels bij. Zo was er het voorstel van ‘Henk’ om zinnen als Blijven jullie bij ons eten? voortaan af te keuren
Lees verder >>

Eén tamagotchi, twee tamagotchi


Het concept ‘meervoud’ lijkt in het Nederlands vrij simpel geregeld. Als er één exemplaar van iets is, gebruik je enkelvoud; zijn het er meer, dan plak je er -enof –sachter. Maar hierop geldt een uitzondering, die laat zien dat het wat gecompliceerder ligt dan dat.
Na een getal groter dan één volgt in het Nederlands namelijk in principe een nomen in het meervoud, behalve bij een nomen dat een afmeting (vijf meter) aangeeft, een bedrag (tien euro), een gewicht (drie kilo) of een aantal (twaalf dozijn). De tijdsaanduidingen ‘jaar’, ‘uur’ en ‘kwartier’ krijgen ook een enkelvoud: twintig jaar, twee uur en drie kwartier, in tegenstelling tot vijf dagen en tien minuten. Er zijn ook nog een paar losse woorden die een enkelvoud krijgen, zoals drie man en vijf paar. Het gaat bij al deze woorden natuurlijk wel degelijk om meerdere stuks euro, kilo en man. Hoe kan het dan dat zo’n enkelvoudsvorm mogelijk is? Betekent ‘jaar’ hetzelfde in een jaarversus twintig jaar?

Lees verder >>

Mag ik achterlangs je?

Een kind vult de taal aan

Door Marc van Oostendorp

We zaten gisterenavond aan tafel, toen Daan, het vierjarige zoontje van mijn vrienden, zich begon te vervelen en besloot om over onze stoelen te lopen. Bij iedere verjaardagsgast waarschuwde hij ‘mag ik achterlangs je?’
Het was, met zoveel herhaling, moeilijk om géén taalobservatie te doen. Toch leverde niemand commentaar. Het wonder van de kindertaal had weer toegeslagen: de tamelijk ingewikkelde constructie achter je langs was vereenvoudigd tot het eenvoudiger achterlangs je. Thuisgekomen bleek Google me te kunnen vertellen dat achterlangs hem, achterlangs me en achterlangs ons alledrie ook wel geschreven worden. 
Het aantal zoekresultaten is weliswaar niet groot, maar meerdere treffers lijken me serieus en bovendien niet door vierjarigen geschreven. 

Lees verder >>

Nieuw nummer Taal & Tongval over de rechterperiferie van de zin

Er is een nieuw nummer van Taal & Tongval verschenen (jg. 64-1), een thematisch nummer onder redactie van Evie Coussé en Hans Bennis, over “Werkwoordsvolgorde in de rechterperiferie van de Nederlandse zin”. Het nummer is te bekijken via www.taalentongval.eu. Daarnaast zijn alle jaargangen vanaf 1990 zijn nu online beschikbaar.

Taal & Tongval is een wetenschappelijk tijdschrift dat zich sinds 1948 bezighoudt met taalvariatie in Nederland en Vlaanderen, waarin ook aandacht wordt geschonken aan naburige taalgebieden en aan het Nederlands sterk verwante talen. Alle vormen van variatie kunnen worden besproken, o.a. geografische, sociale, etnische, stilistische en diachrone variatie. Vanaf jaargang 63 verschijnen alle nummers niet alleen op papier, maar ook in Open Access online. Geïnteresseerde lezers kunnen zich registreren via https://aupjournals.nl/index.php/TenT/user/register.

7de Dag van de Nederlandse Zinsbouw

Datum: vrijdag 29 november 2013
Locatie: Rijksuniversiteit Groningen, Broerstraat 9, zaal A900
De Dag van de Nederlandse Zinsbouw is een jaarlijkse workshop waar taalkundigen vanuit verschillende achtergronden (disciplines, theorieën) in debat gaan over prominente thema’s die betrekking hebben op de zinsbouw van het Nederlands. In deze zevende editie (DNZ 7) komen drie thema’s aan bod die steeds vanuit verschillende theoretische kaders bekeken worden om zo een indruk te krijgen van de overeenkomsten en verschillen.

Meld zich aan!

Door Marc van Oostendorp

We waren gisterenmiddag aan het roddelen over de gebiedende wijs (ja, dat doen wij nu eenmaal graag op vrijdagmiddag), toen we ineens op de volgende puzzel stootten: waarom kun je de eerstvolgende zin wel zeggen, en de tweede niet?
Meld u aan!
– Meld zich aan! [uitgesloten]

 Je kunt de vraag ook op een andere manier stellen: wat voor functie heeft u in de eerste zin? Je zou kunnen denken dat het een onderwerp is, parallel aan gaat u toch weg! 
Maar dat is vermoedelijk niet juist, bijvoorbeeld omdat aanmelden altijd een wederkerend voornaamwoord of een lijdend voorwerp bij zich moet hebben.  Je kunt niet zeggen ‘Ik meld aan’, of althans, wanneer je dat zegt suggereer je dat je een vage of ongenoemde substantie aanmeld, niet jezelf.

Lees verder >>

De essentie van taal

Voeg!  Korte cursus over de syntactische theorie van Chomsky voor Twitteraars verklaard (slot)


Door Marc van Oostendorp

De gedachten die Chomsky in de loop van zijn leven over taal ontwikkelde hebben hem beroemd gemaakt – terwijl hij zelf eigenlijk zijn werk als (links) politiek commentator altijd veel belangrijker gevonden heeft. Al meer dan vijftig jaar torent zijn gestalte boven de taalwetenschap uit. Het is moeilijk, zo niet onmogelijk, (of: onmogelijk, zo niet moeilijk) om een taalkundige te vinden die geen mening over Chomsky’s theorieën heeft, en die mening is bijna altijd nogal uitgesproken. Er zijn taalkundigen die hem een oplichter vinden en er zijn anderen die hem het grootste genie vinden die het vak ooit heeft voorgebracht.

Die weerstand is wel te verklaren. Hij wordt minstens voor een deel veroorzaakt door Chomsky’s nogal opmerkelijke woordgebruik.
Lees verder >>

Hij las wat

Voeg!  Korte cursus over de syntactische theorie van Chomsky voor Twitteraars verklaard


Door Marc van Oostendorp

Eén eigenschap van Chomsky’s Voeg-operatie heb ik nog niet onthuld. Die operatie kan twee woorden of woordgroepen samenvoegen tot een nieuwe woordgroep, hebben we de afgelopen dagen gezien. Het voorbeeld dat ik steeds gaf, was: je neemt de en vrouw, en maakt er {de, vrouw} van. Maar nu komt een extra draaitje: je kunt iets ook samenvoegen met een deel van zichzelf.

De groep {a, b} kun je bijvoorbeeld samenvoegen met a, zodat je krijgt {a, {a, b}}. Waarom zou je dat ooit doen? Volgens Chomsky gebeurt het bijvoorbeeld als we vragen stellen:

1- Hij zegt dat hij wat las.
2- Wat zegt hij dat hij las?

In de tweede zin is wat het lijdend voorwerp van las, net als in de eerste (al betekent het woordje op zich net wat anders). Hij zou dus ook daar gevoegd moeten worden. Tegelijkertijd moet wat vooraan in de zin staan, omdat het een vraag is.

Lees verder >>

Over het verband tussen taal en tellen

Voeg!  Korte cursus over de syntactische theorie van Chomsky voor Twitteraars verklaard


Door Marc van Oostendorp

Volgens Chomsky is de Voeg-operatie, die twee elementen samenneemt en tot een eenheid maakt (de en vrouw wordt {de, vrouw}), misschien het enige dat uniek is aan de menselijke taal. Andere diersoorten kunnen zich tot op zekere hoogte een beeld vormen van de wereld om hen heen; en sommige kunnen door klanken te maken allerlei ideeën communiceren. Betekenis en communicatie via klanken delen we dus met andere diersoorten. Maar geen enkel dier kan zo eindeloos allerlei ideeën aan elkaar haken in steeds weer nieuwe zinnen als de mens.

In ieder geval in theorie kunnen wij mensen  ook eindeloos doorgaan met het voegen van zinnen.
Lees verder >>

Henrieke ziet Henrieke

Voeg!  Korte cursus over de syntactische theorie van Chomsky voor Twitteraars verklaard


Door Marc van Oostendorp

Volgens Chomsky kan de zinsbouw van menselijke taal – iedere menselijke taal – begrepen worden als het resultaat van één simpele operatie Voeg die twee elementen samenneemt (de en vrouw wordt {de, vrouw}). De volgorde van de woorden doet er daarbij niet toe: die wordt pas belangrijk wanneer je de woorden uitspreekt.

De gedachte dat het niet gaat om woordvolgorde, maar om de structuren die Voeg maakt, kan ook inzicht geven in allerlei andere taalverschijnselen. Chomsky en zijn aanhangers hebben veel studie gemaakt van zinnen als de volgende:

Henrieke heeft zichzelf gezien.
Henrieke heeft haar gezien.

Het bewijs dat we woorden niet na elkaar denken

Voeg!  Korte cursus over de syntactische theorie van Chomsky voor Twitteraars verklaard


Door Marc van Oostendorp

Gisteren heb ik uitgelegd hoe zinnen in het minimalisme van Chomsky worden gevormd door precies twee woorden of woordgroepen (de en vrouw; mijn en oude vader) samen te voegen, in een groep te plaatsen. Dat schrijven we dan als volgt op:

– {de, vrouw}
-{mijn, {oude, vader}}

Belangrijk hierbij is dat de volgorde van de woorden er niet toe doet. De groep {de, vrouw} is precies hetzelfde als de groep {vrouw, de}, zoals de verzameling van een rode en een groene bal dezelfde is als die van een groene en een rode bal.

Het idee is dat in onze gedachten die volgorde er niet toe doet. Het gaat er niet om of het lidwoord voor of achter het zelfstandig naamwoord staat, het gaat er alleen om dat die twee woorden bij elkaar horen.
Lees verder >>

Hem smelt

Twee soorten onderwerpen van een zin

Door Marc van Oostendorp

Je kunt van alles zeggen. ‘De kok smelt de boter om de saus romiger te maken’, bijvoorbeeld. Of ‘De boter smelt’. Maar je kunt niet zeggen ‘De kok boter smelt om de saus romiger te maken’. Waarom niet?

Niet alle zinsonderwerpen zijn gelijk. Neem de volgende twee eenvoudige zinnen:

Karel sterft.
Mieke loopt.
Er is een verschil tussen wat er gebeurt met Karel en Mieke in deze zinnen. Dat komt doordat er een verschil is tussen stervenen lopen. Om te lopen moet je actief zijn: de beslissing nemen om je ene been voor het andere te zetten bijvoorbeeld. Sterven is anders: het overkomt je, of je wilt of niet. Je kunt niet eens beslissen om te sterven. Je kunt natuurlijk over het hekje van het balkon klimmen en van te voren hebben bedacht dat het gevolg daarvan zal zijn dat je komt te overlijden, maar het sterven zelf is onvermijdelijk als de omstandigheden er zijn: je kunt er nadat je over dat balkon geklommen bent ook niet meer mee ophouden.

Het zogenaamde ‘onderwerp’ van stervenligt qua betekenis dus dichter bij een lijdend voorwerp. 
Lees verder >>

Als De Schutter dat geweten had, of zou geweten hebben…

door Jan Stroop


Georges de Schutter betoogt in zijn artikel ‘De werkwoordelijke eindgroep en nog steeds geen einde?’ dat metrum en ritme belangrijke factoren zijn bij de keuze van de volgorde in de werkwoordsgroep. ’t Is een artikel dat zich niet leent voor lezing bij hoge temperaturen. Marc van Oostendorp geeft er in zijn blog de essentie van weer: we zeggen liever gelopen had dan had gelopen, omdat de eerste volgorde beter klinkt. Dat laatste vind ik ook, maar de vraag is of dat ‘klinken’ wel uit dit onderzoek geconcludeerd mag worden. De Schutter baseert zich namelijk op geschreven taal, een roman van Hella Haasse en teksten uit twee Vlaamse kranten (Knack en De Standaard) van journalisten die beide volgordes door elkaar gebruiken, de rode (had gelopen) en de groene (gelopen had) volgorde. Zo heten ze nu eenmaal, sinds ze met die kleuren door Anita Pauwels op haar dialectkaarten weergegeven werden.

Je tik ertegen en het zing

Rijmen zonder t

Door Marc van Oostendorp

De [t] is het wegwerpartikel onder de medeklinkers. Hij is zo goedkoop, zo makkelijk te maken, dat je hem als het nodig is, er makkelijk even tussen frommelt (gozert op een brommert), en zo weinig waard dat je hem makkelijk weglaat als hij niet nodig is (da is nie leuk). Voor andere medeklinkers geldt dat niet: niemand zegt gozerk, niemand laat de k aan het eind van leuk zomaar weg.

Ook de dichters voelen dat, bedacht ik gisteren. Er zijn dichters waarbij de woorden eigenlijk alleen rijmen als je de t’s niet meetelt. Gerrit Achterberg (1905-1962) was zo iemand:

Den Haag, stad, boordevol Bordewijk
en van Couperus overal een vleug
op Scheveningen aan, de villawijk
die kwijnt en zich Eline Vere heugt
Maar in de binnenstad staan ze te kijk,
deurwaardershuizen met de harde deugd
van Katadreuffe die zijn doel bereikt.
Ik drink twee werelden, in ene teug.

Vleug en teug rijmen op heugt en deugt, zoals kijk rijmt op bereikt en later in het gedicht zingt rijmt op fluistering, zoals in een ander beroemd gedicht lig rijmt op dicht. En terwijl je in het eerste geval nog zou kunnen denken dat er iets Haags klinkt in het weglaten van die t (Katadreuffe die zijn doel bereik), gaat dat voor het tweede niet op. Dat heeft niets met Den Haag te maken. 

En Achterberg was niet de enige of de eerste. Een bekend lied van E.J. Potgieter (1808-1875, dus honderd jaar ouder dan Achterberg) begint met de regels:

Dieuwertjen! heugt je nog de avond voor Paasch?
Eer ik je vragen ging, stapte ik mijn plaats,

Ook hier geldt weer: andere medeklinkers worden niet zo gemakkelijk weggelaten. Kijk rijmt niet op blij zoals het op bereikt rijmt.

Rijm lijkt een alledaags en simpel verschijnsel – iets wat Sinterklaas en de middenstand (een goede wenk, eet vis van Henk) zo uit hun mouw schudden. Maar het is in veel opzichten ook raadselachtig: hoezo moet alles vanaf de beklemtoonde klinker tot het eind van de regel hetzelfde zijn? En waarom mag de medeklinker die eraan voorafgaat dan juist weer niet hetzelfde zijn (waarom rijmt leiden niet op lijden?)

Juist de ‘slordige’ dichters zijn daarbij het interessantst. Alle dichters die nauwgezet de regels volgen lijken op elkaar, maar alle slordigheden roepen vragen op: waarom slordig op precies deze manier?

Hoe langer ik erover nadenk, hoe meer ik ervan overtuig raak dat in dat rijm een heleboel gevoel voor taal verborgen zit. Zoals het gevoel dat die [t] er nauwelijks toe doet. dat het de wegwerpklank is van het Nederlans.

‘Ik had gekomen’

Door Marc van Oostendorp

Op tv was een vrouw van ergens in de zeventig te zien die haar dochter in de Auvergne bezocht. “Als ik had geweten dat ik met niemand kon praten,” zei ze, “had ik niet gekomen.” De ondertiteling voor doven en slechthorenden maakte daarvan: “…was ik niet gekomen.”

Wat was hier aan de hand? Waarom zei die vrouw dat? Waarom maakte de ondertiteling er wat anders van?

Lees verder >>

‘Gelopen heeft’ klinkt beter dan ‘heeft gelopen’

Door Marc van Oostendorp

Georges De Schutter is een van de veelzijdigste en interessantste taalkundigen in ons taalgebied. Hij is al een paar jaren met pensioen, maar nu weet hij ons weer te verbazen met een artikel over de rode en groene volgorde (op een website met misschien wel het mooiste adres ter wereld: www.verslagenenmededelingen.be).

Hoe zat het ook weer? In het Nederlands kun je de werkwoorden aan het eind van een bijzin vaak in twee volgordes zetten.

  • dat ze afgelopen jaar helaas gestorven is
  • dat ze afgelopen jaar helaas is gestorven
Die volgordes worden groen en rood genoemd, waardoor iedereen aan stoplichten denkt, terwijl ze alleen maar afkomstig zijn van dialectkaarten waar de twee gebieden zo werden gekleurd: in het rode gebied werd de ene volgorde gebruikt, in het groene de andere.
Het is echter te simpel om te zeggen dat het alleen een dialectverschil is. Veel sprekers van het Nederlands gebruiken allebei de volgordes. Wat bepaalt dat ze de ene of de andere kiezen?  Lees verder >>

De luis had iets luis

Door Marc van Oostendorp

Ik kreeg een interessante reactie van de bekende fonoloog Jaap Spa op het stukje in de Klankencyclopedie over de [ʌy] (ui):

Wat betreft de [ʌy], die ik liever noteer als [œч], wil ik opmerken dat in mijn eigen idiolect (maar wellicht geldt dat ook voor anderen) deze tweeklank wordt uitgesproken als [œj] vóór een klinker en aan het woordeinde: cf. l[œj]er, l[œj]aard, sl[œj]er, b[œj]en en b[œj], l[œj], r[œj]. Is dit een algemeen verspreid verschijnsel ?

Ik had nog nooit over dit verschil nagedacht, maar toen ik dat deed, kon ik zeker navoelen wat Spa hier beschrijft: in luik en sluip klinkt de ui eenklankiger, uniformer, gedrongener dan in lui of luier. In die laatste gevallen zit er meer een [j]-achtige klank in. Het effect is subtiel, maar wel meetbaar.

Lees verder >>